Handout EC OT 1.2

Jaar: 1
Les 2: Genesis 12-50
Locatie Scheveningen
Datum: 2026-10-31
Docent: Hans van der Zwan


Leerdoelen

De cursist

  1. kan de begrippen Thora en Pentateuch en de hoofdlijn van de Thora beschrijven.
  2. kan de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Abraham, Isaak, Jakob en Jozef beschrijven en deze plaatsen in hun historische en culturele context.
  3. kan uitleggen waarom Abraham een belangrijk voorbeeld van geloof is.
  4. kent het belang van het verbond en kan de drie soorten verbonden in het Oude Testament onderscheiden.
  5. kan ten minste drie verbondssluitingen uit het Bijbelboek Genesis beschrijven.
  6. kan de vorm en betekenis van de verbondssluiting in Genesis 15 uitleggen.
  7. weet waarom Jozef een type van de Messias wordt genoemd en kan hiervan voorbeelden geven.
  8. kan voorbeelden geven van hoe de boodschap van Genesis 12–50 relevant is voor het leven van christenen vandaag.

Herhaling

  • Tanach
    • Tora - de kern
    • Nevi’iem - verwijzen naar Tora en betekenis voor die tijd
    • Chetu’vim - reflectie op leven met God vanuit Tora
  • Toledot structuur Genesis
    • NB ook NT begint met ‘toledot …’
  • Gen.3:15 de moederbelofte

Indeling van Genesis

De ons bekend hoofdstukindeling van de bijbel in 1189 hoofdstukken wordt toegeschreven aan Stephan Langton (bron: refoweb).
De Tora was veel eerder al ingedeeld in 54 afdelingen (parashot, ev. parasha) in verband met voorlezing in de synagoge. Bij de synagogen waar de Tora in een kalenderjaar wordt doorgelezen, komt dit neer op één (en soms twee) parasha (parashot) in een dienst op sabbath.
Elke parasha heeft een naam, welke komt uit het eerste vers van de betreffende afdeling. Zo wordt op 31 oktober 2026 in veel synagoges parasha Vayera (‘en Hij verscheen’, Gen.18-22) gelezen.
Deze handout gebruikt deze indeling bij het zappen door Genesis 12-50.

Genesis 12-50 Abraham-Izak-Jakob-Jozef

In Genesis 12-50 wordt de familiegeschiedenis van Abraham gevolgd via de lijn Izak-Jakob. Van de zonen van Jakob wordt het meest verhaald over Jozef. Onderstaand een overzicht van de nakomelingen van Abrahams vader Terach.

Figuur 1
Stamboom nakomelingen Terah
Noot: overgenomen van wikipedia

Figuur 2
Tijdlijn Noach - Jozef

Zappen door Genesis adhv de parashot

1. Bereshiet - in het begin | 1:1-6:8

Zie handout les 2026-09-26

2. Noach | 6:9-11:32

Zie handout les 2026-09-26

De laatste verzen van deze H11 zijn belangrijk voor begrip/interpretatie van H12.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

11

29

וַיִּקַּח אַבְרָם וְנָחוֹר לָהֶם נָשִׁ֑ים שֵׁם אֵֽשֶׁת אַבְרָם שָׂרָי וְשֵׁם אֵֽשֶׁת נָחוֹר מִלְכָּה בַּת הָרָן אֲבִֽי מִלְכָּה וַֽאֲבִי יִסְכָּֽה׃

En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en de naam van Nahors huisvrouw was Milka, een dochter van Haran, vader van Milka, en vader van Jiska.

GEN

11

30

וַתְּהִי שָׂרַי עֲקָרָ֑ה אֵין לָהּ וָלָֽד׃

En Sarai was onvruchtbaar; zij had geen kind.

GEN

11

31

וַיִּקַּח תֶּרַח אֶת אַבְרָם בְּנוֹ וְאֶת לוֹט בֶּן הָרָן בֶּן בְּנוֹ וְאֵת שָׂרַי כַּלָּתוֹ אֵשֶׁת אַבְרָם בְּנ֑וֹ וַיֵּצְאוּ אִתָּם מֵאוּר כַּשְׂדִּים לָלֶכֶת אַרְצָה כְּנַעַן וַיָּבֹאוּ עַד חָרָן וַיֵּשְׁבוּ שָֽׁם׃

En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai, zijn schoondochter, de huisvrouw van zijn zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der Chaldeen, om te gaan naar het land Kanaän; en zij kwamen tot Haran, en woonden aldaar.

GEN

11

32

וַיִּהְיוּ יְמֵי תֶרַח חָמֵשׁ שָׁנִים וּמָאתַיִם שָׁנָ֑ה וַיָּמָת תֶּרַח בְּחָרָֽן׃ס

En de dagen van Terah waren tweehonderd en vijf jaren, en Terah stierf te Haran.

  • in 11:30 lezen we al dat Sara onvruchtbaar is en wordt ten overvloede benadrukt dat zij geen kind heeft (NB Uit haar geen geboorte.); een korte zin met verstrekkende implicaties; Abraham kan uit haar geen nakomelingen krijgen
  • in 11:31-32 horen we van het vertrek van Terah met Abraham en Lot richting Kanaän en dat zij zich vestigen in Charan; in 12:1 horen we van de roeping van Abram, hierover zijn twee opvattingen:1
    • God riep Abraham in Ur, de Thora eert Terah door het initiatief om uit Ur te vertrekken bij hem te leggen
    • Terah besloot om hem moverende redenen met zijn familie uit Ur te vertrekken richting Kanaän en besloot zich in Charan te vestigen alwaar Abraham geroepen wordt en verder trekt

3. Lech-Lecha - Ga toch / Ga voor jezelf | 12-17

H12 Gebeurtenis die de geschiedenis veranderde

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NB

GEN

12

1

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל אַבְרָם לֶךְ לְךָ מֵאַרְצְךָ וּמִמּֽוֹלַדְתְּךָ וּמִבֵּית אָבִ֑יךָ אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר אַרְאֶֽךָּ׃

De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.

Dan zegt de Ene tot Abram: ga, jij, weg uit je land,    uit je geboortetent en    uit het huis van je vader,- naar het land dat ik je zal doen zien;

GEN

12

2

וְאֶֽעֶשְׂךָ לְגוֹי גָּדוֹל וַאֲבָרֶכְךָ וַאֲגַדְּלָה שְׁמֶ֑ךָ וֶהְיֵה בְּרָכָֽה׃

En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!

ik zal je maken tot een groot volk,    ik zal je zegenen, ik zal groot maken jóuw naam; word een zegen!-

GEN

12

3

וַאֲבָֽרֲכָה מְבָרְכֶיךָ וּמְקַלֶּלְךָ אָאֹ֑ר וְנִבְרְכוּ בְךָ כֹּל מִשְׁפְּחֹת הָאֲדָמָֽה׃

En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

ik zal zegenen wie jou zegenen en wie jou verwenst zal ik vervloeken; door jou zullen gezegend zijn alle families op de –rode– grond!

  • Gods antwoord op Babel: roeping Abram; in Hand.7:2 zegt Stefanus dat Abraham geroepen werd nog voordat hij in Haran woonde, dit klinkt door in de vertaling van 12:1 in de SV
  • Gods opdracht aan Abram:
    • verlaat je land
    • verlaat je ‘moledet’ (van jalad), je maagschap (SV,NBG), geboortetent (NB), familie (NBV21)
    • verlaat het huis van je vader; betekenis wellicht: je familieclan
    • ga naar het land dat Ik je wijzen zal; God wijst de richting, de bestemming zal nog moeten blijken
  • Gods beloften aan Abram?
    • tot een groot volk worden (bedenk wat van Sara gezegd is, 11:30)
    • Ik zal u zegenen
    • een grote naam
    • tot een zegen zijn
    • zegen voor wie jou zegent
    • vloek voor wie jou vervloekt
    • in jou worden alle geslachten op aarde gezegend (vgl. Gal.3:8)

Merk op

  • Abraham was 75 toen hij uit Charan vertrok (12:4), hoewel het overlijden van Terah op 205-jarige leeftijd al vermeld is (11:32), leefde Tera nog zo’n 60 jaar na Abrahams vertrek, hij was namelijk toen Abraham vertrok 145 jaar (70+75; zie 11:26 en ervan uitgaande dat Abram de eerstgeborene is van de drie genoemde zonen)2
  • 12:5-6 Kanaän blijkt de bestemming; in eerste instantie Sichem (om onduidelijke redenen in SV en HSV als heilige plaats aangeduid)

bron: studylight.org/pastoral-resources/bible-maps-archive

kaart in nieuw tabblad

  • 12:6-7 De Kanaänieten woonden toen in het land; het land, dat in het volgende vers aan Abrams zaad wordt beloofd, blijkt reeds bewoond
  • 12:7 Abrams reactie: een altaar voor de HERE bouwen, Die hem verschenen was
  • 12:8-9 Abram vervolgt zijn tocht
  • 12:10-20 hongersnood - Egypte
    • Sara doet zich voor als Abrams zuster
    • zij wordt meegenomen naar Farao’s huis en in ruil krijgt Abram kleinvee, runderen, ezels, slaven en slavinen, ezelinnen en kamelen (12:16)
    • Farao komt erachter en stuurt hen weg met ‘alles wat hij had’; Abram vertrekt rijker dan hij arriveerde
    • de tocht van Abram naar Egypte vanwege een hongersnood zal in de geschiedenis van het volk herhaald worden als Jozef zijn familie laat overkomen en onder Mozes het volk rijk weer vertrekt

H13 Terug in het land en een deal met Lot

  • Abram terug in het land, zeer rijk, leeft als nomade
  • Ook Lot was rijk (was Lot ook in Egypte? vermoedelijk wel, 13:5); samen gaat niet meer, Lot krijgt de eerste keus en kiest de Jordaanvlakte en kiest ervoor om zijn tenten op te slaan bij Sodom (13:12)

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

13

14

וַֽיהוָה אָמַר אֶל אַבְרָם אַחֲרֵי הִפָּֽרֶד לוֹט מֵֽעִמּוֹ שָׂא נָא עֵינֶיךָ וּרְאֵה מִן הַמָּקוֹם אֲשֶׁר אַתָּה שָׁ֑ם צָפֹנָה וָנֶגְבָּה וָקֵדְמָה וָיָֽמָּה׃

En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.

GEN

13

15

כִּי אֶת כָּל הָאָרֶץ אֲשֶׁר אַתָּה רֹאֶה לְךָ אֶתְּנֶ֑נָּה וּֽלְזַרְעֲךָ עַד עוֹלָֽם׃

Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.

GEN

13

16

וְשַׂמְתִּי אֶֽת זַרְעֲךָ כַּעֲפַר הָאָ֑רֶץ אֲשֶׁר אִם יוּכַל אִישׁ לִמְנוֹת אֶת עֲפַר הָאָרֶץ גַּֽם זַרְעֲךָ יִמָּנֶֽה׃

En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.

  • Abram gaat wonen bij Hebron en hij bouwde daar een altaar voor de HEERE (13:18)

H14 Abraham hoeder van zijn broeder Lot

  • oorlog

  • 14:14vv kritiek in de talmud (nedarim 32a,14), omdat Abram studenten uit zijn studiehuis haalde om oorlog te voeren; er is weinig nieuws onder de zon (zie ook Artscroll op 14:14)

  • Abram verslaat Kedorlaomer en zijn makkers

  • op de terugweg krijgt hij bezoek

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

14

18

וּמַלְכִּי צֶדֶק מֶלֶךְ שָׁלֵם הוֹצִיא לֶחֶם וָיָ֑יִן וְהוּא כֹהֵן לְאֵל עֶלְיֽוֹן׃

En Melchizedek, koning van Salem, bracht voort brood en wijn; en hij was een priester des allerhoogsten Gods.

GEN

14

19

וַֽיְבָרְכֵהוּ וַיֹּאמַ֑ר בָּרוּךְ אַבְרָם לְאֵל עֶלְיוֹן קֹנֵה שָׁמַיִם וָאָֽרֶץ׃

En hij zegende hem, en zeide: Gezegend zij Abram Gode, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit!

GEN

14

20

וּבָרוּךְ אֵל עֶלְיוֹן אֲשֶׁר מִגֵּן צָרֶיךָ בְּיָדֶ֑ךָ וַיִּתֶּן לוֹ מַעֲשֵׂר מִכֹּֽל׃

En gezegend zij de allerhoogste God, Die uw vijanden in uw hand geleverd heeft! En hij gaf hem de tiende van alles.

  • Nadat hij versterkt is met brood en wijn en aan Melchizedek de tienden van de buit heeft gegeven, kan hij de ontmoeting met de koning van Sodom aan; opmerkelijk: die koning gaat het om de mensen (de ziel), meer dan om de bezittingen; Abraham stemt daarmee in; opnieuw reden om hem te bekritiseren in de Talmud, omdat hij een kans laat liggen mensen onder zijn invloed te brengen (Nedarim 32a, 15).

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

14

21

וַיֹּאמֶר מֶֽלֶךְ סְדֹם אֶל אַבְרָ֑ם תֶּן לִי הַנֶּפֶשׁ וְהָרְכֻשׁ קַֽח לָֽךְ׃

En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.

GEN

14

22

וַיֹּאמֶר אַבְרָם אֶל מֶלֶךְ סְדֹ֑ם הֲרִימֹתִי יָדִי אֶל יְהוָה אֵל עֶלְיוֹן קֹנֵה שָׁמַיִם וָאָֽרֶץ׃

Doch Abram zeide tot den koning van Sodom: Ik heb mijn hand opgeheven tot den Heere, den allerhoogsten God, Die hemel en aarde bezit;

GEN

14

23

אִם מִחוּט וְעַד שְׂרֽוֹךְ נַעַל וְאִם אֶקַּח מִכָּל אֲשֶׁר לָ֑ךְ וְלֹא תֹאמַר אֲנִי הֶעֱשַׁרְתִּי אֶת אַבְרָֽם׃

Zo ik van een draad aan tot een schoenriem toe, ja, zo ik van alles, dat het uwe is, iets neme! opdat gij niet zegt: Ik heb Abram rijk gemaakt!

GEN

14

24

בִּלְעָדַי רַק אֲשֶׁר אָֽכְלוּ הַנְּעָרִים וְחֵלֶק הָֽאֲנָשִׁים אֲשֶׁר הָלְכוּ אִתִּ֑י עָנֵר אֶשְׁכֹּל וּמַמְרֵא הֵם יִקְחוּ חֶלְקָֽם׃ס

Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!

H15

  • De HERE spreekt bemoedigend in een visioen tot Abram
  • Abram beklaagt zich dat hij geen lijfelijke erfgenaam heeft
  • De HERE belooft dat Hij die nog zal krijgen alsmede een groot nageslacht
  • God vernieuwt Zijn verbond met Abram
    • ‘het verbond tussen de stukken’
    • een diepe slaap viel op Abraham (15:12)
    • aanzegging van 400 jaar onderdrukking van zijn nakomelingen (15:13)3
    • profetie over vertrek uit land van onderdrukking (15:14)
    • landbelofte (15:18) met de namen van de volken van wie het gebied aan Abrams nakomelingen gegeven zal worden; groot Israel?

H16 Abram, Hagar en Ismael

Hagar als draagmoeder. Een ontroerende geschiedenis; wie onbevangen leest heeft te doen met Hagar en vooral met Ismael. Wie van de volwassenen is onschuldig in deze geschiedenis?
Sarai? Zij heeft het idee om Abram tot Hagar te laten komen; zij vernedert Hagar. Zij schuift de verantwoordelijkheid voor de vernedering die zij van Hagar ondergaat op Abraham (16:5). Hagar? Zij vindt Sarai verachtelijk omdat zij wel kinderen kan krijgen en Sarai niet (16:4).
Abram? Hij gaat in op het voorstel van Sarai, hij neemt het niet voor Hagar op als Sarai haar vernedert (16:3-4,6). Bedenk hierbij wel, dat het krijgen van een kind voor je meesteres wellicht cultureel geaccepteerd was in die tijd.
De zwangere Hagar vlucht de woestijn in en daar spreekt ‘de Engel van de HEERE’4 (4x valt de term) tot haar en stuurt haar terug na haar belofen te hebben gegeven over haar nageslacht en over wat voor mens haar zoon zal zijn, en opdracht haar zoon de naam יִשְׁמָעֵאל Ismael (God zal horen) te geven.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

16

13

וַתִּקְרָא שֵׁם יְהוָה הַדֹּבֵר אֵלֶיהָ אַתָּה אֵל רֳאִ֑י כִּי אָֽמְרָה הֲגַם הֲלֹם רָאִיתִי אַחֲרֵי רֹאִֽי׃

En zij noemde den Naam des Heeren, Die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! want zij zeide: Heb ik ook hier gezien naar Dien, Die mij aanziet?

GEN

16

14

עַל כֵּן קָרָא לַבְּאֵר בְּאֵר לַחַי רֹאִ֑י הִנֵּה בֵין קָדֵשׁ וּבֵין בָּֽרֶד׃

Daarom noemde men dien put, den put Lachai-roi; ziet, hij is tussen Kades en tussen Bered.

GEN

16

15

וַתֵּלֶד הָגָר לְאַבְרָם בֵּ֑ן וַיִּקְרָא אַבְרָם שֶׁם בְּנוֹ אֲשֶׁר יָלְדָה הָגָר יִשְׁמָעֵֽאל׃

En Hagar baarde Abram een zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, die Hagar gebaard had, Ismaël.

GEN

16

16

וְאַבְרָם בֶּן שְׁמֹנִים שָׁנָה וְשֵׁשׁ שָׁנִ֑ים בְּלֶֽדֶת הָגָר אֶת יִשְׁמָעֵאל לְאַבְרָֽם׃ס

En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

  • וַתִּקְרָא שֵׁם יְהוָה הַדֹּבֵר אֵלֶיהָ אַתָּה אֵל רֳאִ֑י - zij noemde de naam van de HERE de sprekende tot haar: U bent God ziende (die ziet; van het zien)
  • בְּאֵר לַחַי רֹאִ֑י - de put van de Levende Die mij ziet
  • 16:16 Abram gaf zijn zoon de naam Ismael; de naam die de engel van de HERE aan Hagar genoemd had
  • Abram was toen 86 jaar; in 17:18 - 13 jaar later - vraagt Abram God dat Ismael de verbondsdrager mag zijn; Abram lijkt zich ermee verzoend te hebben dat het beloofde nageslacht uit Hagar is geboren en niet uit Sarai

H17

  • 17:1; 13 jaar later; God verschijnt opnieuw aan Abram
  • kernwoord : verbond (13x in hfdstk) (vs.2,4,7 (2x),9,10,11,13 (2x),14,19 (2x),21)
  • Abram (vader van Aram) wordt Abraham (vader van menigte)
  • verbondsbeloften van Gods kant
    • uitermate talrijk (vs2)
    • vader van menigte volken (vs5)
    • uitermate vruchtbaar; tot volken maken; koningen
    • Kanaän als eeuwig bezit voor Abram en zijn zaad (vs8); voor hun tot God zijn (vs8)
  • verbondsopdrachten
    • verbond bewaren (vs9)
    • besnijdenis als teken van het verbond (vs10-14)
  • Saraï (mijn vorstin/prinses) wordt Sara (vorstin/prinses) (vs15)
    • zij zal een zoon krijgen en zij zal tot volken worden (vs16)
    • koningen van volken uit haar (vs16)
  • Abraham lacht (vs17) (wat is het verschil met het lachen van Sara in H18; zie Rashi); Abram: ’och dat Ismael …” (vs18)
  • Gods verbond gaat naar de nakomeling via Sara die Izak genoemd moet worden (vs19,21); Ismael blijft niet met lege handen achter (vs20)
  • het teken van het verbond (besnijdenis) wordt aangebracht; Abraham is 99, Ismael 13

4. Vayera - en Hij verscheen | 18-22

H18 Het bezoek

  • Abrahams gastvrijheid (vs1-8)
  • De boodschap van de boodschappers, het lachen van Sara (vs9-15)
  • Abrahams vrijmoedige gebed voor Sodom en Gomorra (vs17-33)
  • Kernwoorden
    • lachen (4x)
    • gerechtigheid (7x)
    • recht doen (2x)

Het vrijmoedige optreden van Abraham

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

18

22

וַיִּפְנוּ מִשָּׁם הָֽאֲנָשִׁים וַיֵּלְכוּ סְדֹ֑מָה וְאַבְרָהָם עוֹדֶנּוּ עֹמֵד לִפְנֵי יְהוָֽה׃

Toen keerden die mannen het aangezicht van daar, en gingen naar Sodom; maar Abraham bleef nog staande voor het aangezicht des Heeren.

GEN

18

23

וַיִּגַּשׁ אַבְרָהָם וַיֹּאמַ֑ר הַאַף תִּסְפֶּה צַדִּיק עִם רָשָֽׁע׃

En Abraham trad toe, en zeide: Zult Gij ook den rechtvaardige met den goddeloze ombrengen?

GEN

18

24

אוּלַי יֵשׁ חֲמִשִּׁים צַדִּיקִם בְּתוֹךְ הָעִ֑יר הַאַף תִּסְפֶּה וְלֹא תִשָּׂא לַמָּקוֹם לְמַעַן חֲמִשִּׁים הַצַּדִּיקִם אֲשֶׁר בְּקִרְבָּֽהּ׃

Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?

GEN

18

25

חָלִלָה לְּךָ מֵעֲשֹׂת כַּדָּבָר הַזֶּה לְהָמִית צַדִּיק עִם רָשָׁע וְהָיָה כַצַּדִּיק כָּרָשָׁ֑ע חָלִלָה לָּךְ הֲשֹׁפֵט כָּל הָאָרֶץ לֹא יַעֲשֶׂה מִשְׁפָּֽט׃

Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?

Is het hierom dat de HERE Abraham bekend maakt met wat Hij van plan is? Is dit wat Hij van ons verwacht? Het opnemen voor de aangeklaagde?

H19 De engelen in Sodom

Hoe verdorven is Sodom

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

19

4

טֶרֶם יִשְׁכָּבוּ֒ וְאַנְשֵׁי הָעִיר אַנְשֵׁי סְדֹם נָסַבּוּ עַל הַבַּיִת מִנַּעַר וְעַד זָקֵ֑ן כָּל הָעָם מִקָּצֶֽה׃

Eer zij zich te slapen leiden, zo hebben de mannen dier stad, de mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het ganse volk, van het uiterste einde af.

Er zijn geen tien rechtvaardigen er is er zelfs niet één buiten Lots gezin. Lot, zijn vrouw en twee dochters ontkomen aan het Godsoordeel, Lots vrouw kijkt om en wordt een zoutpilaar; de Midrash vindt dit een passend oordeel, omdat zij zout was gaan lenen bij haar buren om brood te maken voor de gasten en dat zij verteld had dat zij gasten hadden (Artscroll).

Het verdriet van Abraham

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

19

27

וַיַּשְׁכֵּם אַבְרָהָם בַּבֹּ֑קֶר אֶל הַמָּקוֹם אֲשֶׁר עָמַד שָׁם אֶת פְּנֵי יְהוָֽה׃

En Abraham maakte zich deszelven morgens vroeg op, naar de plaats, waar hij voor het aangezicht des Heeren gestaan had.

GEN

19

28

וַיַּשְׁקֵף עַל פְּנֵי סְדֹם וַעֲמֹרָה וְעַֽל כָּל פְּנֵי אֶרֶץ הַכִּכָּ֑ר וַיַּרְא וְהִנֵּה עָלָה קִיטֹר הָאָרֶץ כְּקִיטֹר הַכִּבְשָֽׁן׃

En hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het ganse land van die vlakte; en hij zag, en ziet, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.

GEN

19

29

וַיְהִי בְּשַׁחֵת אֱלֹהִים אֶת עָרֵי הַכִּכָּר וַיִּזְכֹּר אֱלֹהִים אֶת אַבְרָהָ֑ם וַיְשַׁלַּח אֶת לוֹט מִתּוֹךְ הַהֲפֵכָה בַּהֲפֹךְ אֶת הֶעָרִים אֲשֶׁר יָשַׁב בָּהֵן לֽוֹט׃

En het geschiedde, toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en Hij leidde Lot uit het midden dezer omkering, in het omkeren dier steden, in welke Lot gewoond had.

Heeft Abraham geweten dat Lot en zijn twee dochters ontkomen zijn?

Het hoofdstuk sluit af met de dochters van Lot die hun vader dronken voeren en met hem naar bed gaan; daaruit komen de Moabieten en de Ammonieten voort

H20 Abraham in Gerar

  • Abraham in Gerar; gebied met als koning ene Abimelech
  • Omdat Sara gezegd heeft dat zij Abrahams zuster is, wordt zij bij hem weggehaald; God grijpt in door tot Abimelech in een droom te spreken
  • 20:7 God zegt: … want een profeet is hij (Abraham) …
  • 20:12 hier horen we uit Abrhams mond dat Sara de dochter van zijn vader is, maar niet van zijn moeder, m.a.w. een halfzuster5
  • 20:14-16 als in Egypte krijgt Abraham een verzoeningsgeschenk als hij Sara terugkrijgt

H21 Abraham raakt oudste zoon kwijt

  • 21:1 וַֽיהֹוָ֛ה פָּקַ֥ד אֶת־שָׂרָ֖ה כַּֽאֲשֶׁ֣ר אָמָ֑ר וַיַּ֧עַשׂ יְהֹוָ֛ה לְשָׂרָ֖ה כַּֽאֲשֶׁ֥ר דִּבֵּֽר: en de HERE bezocht Sara …
  • 21:2-7 de geboorte van Izak, besnijdenis, Sara’s verwondering
  • 21:8-21 het drama met Ismael en Hagar, weggestuurd tegen de zin van Abraham (vs.11), maar met Gods instemming (vs.12); bijna omgekomen in de woestijn (vs.15-16)
    • 21:17 God hoorde de stem van de jongen
    • 21:18-19 God voorziet in water
    • 21:20 God was met de jongen
    • 21:21 een Egyptische vrouw voor Ismael
  • 21:22-34 een akkefietje (?) met Abimelech eindigend in een verbond, gesloten in Bersheba dat blijkbaar in die tijd hoorde bij het gebied van de Filistijnen (vs.34)

H22 De binding van Izak

  • een nieuw drama: Abraham dreigt ook zijn tweede zoon kwijt te raken
  • Zo gingen zij beiden tezamen (vs.6,8)
  • God zal Zichzelf voorzien van het lam voor het brandoffer, mijn zoon; wie denkt bij de woorden van Johannes de Doper Zie het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt (Joh.1:29) niet terug aan deze woorden in Gen.22
  • wie is toch ‘de Engel van de HERE’; nog niet zo eenvoudig omdat het bepaald lidwoord er niet staan en ‘een engel van de HERE’ ook een correcte vertaling is; toch wordt vaak gedacht aan een voorverschijning van de Here Jezus; in vs15-18 spreekt de Engel van de HERE in de ik-vorm namens de HERE

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

22

15

וַיִּקְרָא מַלְאַךְ יְהוָה אֶל אַבְרָהָ֑ם שֵׁנִית מִן הַשָּׁמָֽיִם׃

Toen riep de Engel des Heeren tot Abraham ten tweeden male van den hemel;

GEN

22

16

וַיֹּאמֶר בִּי נִשְׁבַּעְתִּי נְאֻם יְהוָ֑ה כִּי יַעַן אֲשֶׁר עָשִׂיתָ אֶת הַדָּבָר הַזֶּה וְלֹא חָשַׂכְתָּ אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידֶֽךָ׃

En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de Heere; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;

GEN

22

17

כִּֽי בָרֵךְ אֲבָרֶכְךָ וְהַרְבָּה אַרְבֶּה אֶֽת זַרְעֲךָ כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם וְכַחוֹל אֲשֶׁר עַל שְׂפַת הַיָּ֑ם וְיִרַשׁ זַרְעֲךָ אֵת שַׁעַר אֹיְבָֽיו׃

Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.

GEN

22

18

וְהִתְבָּרֲכוּ בְזַרְעֲךָ כֹּל גּוֹיֵי הָאָ֑רֶץ עֵקֶב אֲשֶׁר שָׁמַעְתָּ בְּקֹלִֽי׃

En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.

  • 22:19 waar is Izak? Abraham gaat in Bersheba wonen
  • 22:20-24; nageslacht van Abrahams broers; o.a. ter introductie van Rebekka, dochter van Bethuel, zoon van Nachor; zij komt in H24 weer volop in beeld

5. Chajei Sara - Sara leefde | 23-25:18

H23 Begin van vervulling landbelofte

  • Sara leefde 127 jaar; de enige vrouw van wie wij het aantal levensjaren te horen krijgen in Tanach
  • 23:2; kwam Abraham uit Bersheba, de laatste woonplaats waarvan wij hoorden (22:19)
  • wie missen we in dit hoofdstuk? (Izak)
  • 23:3 Hethieten, de zonen van Heth, zoon van Kanaän, zoon van Cham (Gen.10:15)
  • wat volgt is een beleefde onderhandeling waarbij goed geluisterd moet worden naar de ondertiteling’ als Abraham zegt ‘ik ben een vreemdeling en bijwoner met u’ dan zegt hij in feite ik woon hier net als jullie; de Hethieten bieden een enkel graf voor zijn dode aan, Abraham wist al wat hij wilde (de spelonk van Machpela); ook de manier waarop de prijs tot stand komt is midden-oosters.
  • zo verwerft Abraham zijn eerste stukje land in het aan hem en zijn zaad beloofde land

H24 Een bruid voor Izak

  • Gods beloften aan Abraham: land, nageslacht, een zegen voor alle geslachten
    • land: het eerste bezit is er
    • nageslacht
      • Eliezer zal niet als zodanig gelden (Gen.15:2-4)
      • Ismael evenmin (Gen.21:12)
      • Izak, door de dood heen gered (Gen.22); maar dan moet er wel een vrouw voor hem komen
  • zeer uitgebreid verslag van hoe Izak aan zijn bruid komt

H25:1-18 Ketura

  • Abraham trouwt Ketura, waarvan de Joodse traditie zegt dat dit Hagar is en dat het Izak is die hiervoor gezorgd heeft na de dood van Sara
  • Abraham krijgt nog zes zonen; hun nakomelingen worden vermeld alsmede dat hij deze zes geschenken gaf en wegstuurde naar het oosten
  • 25:8 Abraham sterft, 175 jaar oud
  • 25:9 Izak en Ismael begraven Abraham in de grot van Machpela
  • de erfenis van Abraham, de zegen die hij van God ontving, gaat over op Izak

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

25

11

וַיְהִי אַחֲרֵי מוֹת אַבְרָהָם וַיְבָרֶךְ אֱלֹהִים אֶת יִצְחָק בְּנ֑וֹ וַיֵּשֶׁב יִצְחָק עִם בְּאֵר לַחַי רֹאִֽי׃ס

En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Izak, zijn zoon, zegende; en Izak woonde bij den put Lachai-roi.

  • 25:12-18 ‘de toledot Ismael, de zoon van Abraham’
  • 25:17 Ismaël sterft, 137 jaar oud (hij was 89 (175-86) jaar bij Abrahams overlijden en heeft dus daarna nog 48 jaar geleefd)

6. Toledot - Geslachten | 25:19-28:9

H25:19-34 Izaks gezin, begin van een moeizame geschiedenis

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

25

19

וְאֵלֶּה תּוֹלְדֹת יִצְחָק בֶּן אַבְרָהָ֑ם אַבְרָהָם הוֹלִיד אֶת יִצְחָֽק׃

Dit nu zijn de geboorten van Izak, den zoon van Abraham: Abraham gewon Izak.

  • 25:20 Izak huwt Rebekka op 40-jarige leeftijd
  • 25:21 ook Rebekka blijkt onvruchtbaar; Izaks gebed om zwangerschap wordt verhoord
  • 25:22 een tweeling die al in de baarmoeder op elkaar stuit; … en zij ging de HERE raadplegen

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

25

23

וַיֹּאמֶר יְהוָה לָהּ שְׁנֵי גֹיִים בְּבִטְנֵךְ וּשְׁנֵי לְאֻמִּים מִמֵּעַיִךְ יִפָּרֵ֑דוּ וּלְאֹם מִלְאֹם יֶֽאֱמָץ וְרַב יַעֲבֹד צָעִֽיר׃

En de Heere zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.

  • 25:24-26 twee heel verschillende jongens; Jakob houdt Ezaus hiel vast, vanaf het begin een vasthoudend type; Izak was bij de geboorte 60 jaar
  • Jakob haalt Ezau over hem het eerstgeboorterecht te verkopen; het is hier voor het eerst dat we over eerstgeboorterecht horen
  • hoe met weinig woorden veel verteld kan worden; wat een introductie op wat een dramatische geschiedenis gaat worden, of eigenlijk is vanaf het begin

H26 Izak in Gerar en zijn vertrek vandaar

  • hongersnood; God zegt Izaak niet naar Egypte te gaan, maar als vreemdeling te verblijven in het land dat Hij hem noemen zal; in vs 6 horen we dat het Gerar betreft

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

26

4

וְהִרְבֵּיתִי אֶֽת זַרְעֲךָ כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם וְנָתַתִּי לְזַרְעֲךָ אֵת כָּל הָאֲרָצֹת הָאֵ֑ל וְהִתְבָּרֲכוּ בְזַרְעֲךָ כֹּל גּוֹיֵי הָאָֽרֶץ׃

En Ik zal uw zaad vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en zal aan uw zaad al deze landen geven; en in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde,

GEN

26

5

עֵקֶב אֲשֶׁר שָׁמַע אַבְרָהָם בְּקֹלִ֑י וַיִּשְׁמֹר מִשְׁמַרְתִּי מִצְוֺתַי חֻקּוֹתַי וְתוֹרֹתָֽי׃

Daarom dat Abraham Mijn stem gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden Mijn bevel, Mijn geboden, Mijn inzettingen en Mijn wetten.

  • 26:7-11 Izak zegt van Rebekka dat zij zijn zuster is; ook dat komt uit; Rebekka is niets aangedaan
  • 26:12-23 het gaat Izak goed in Gerar, dat leidt tot jaloezie en gedoe met de putten die Abraham gegraven had en door de Filistijnen dichtgestopt worden; uiteindelijk vertrekt Izak naar Bersheba

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

26

24

וַיֵּרָא אֵלָיו יְהוָה בַּלַּיְלָה הַהוּא וַיֹּאמֶר אָנֹכִי אֱלֹהֵי אַבְרָהָם אָבִ֑יךָ אַל תִּירָא כִּֽי אִתְּךָ אָנֹכִי וּבֵֽרַכְתִּיךָ וְהִרְבֵּיתִי אֶֽת זַרְעֲךָ בַּעֲבוּר אַבְרָהָם עַבְדִּֽי׃

En de Heere verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.

GEN

26

25

וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵּחַ וַיִּקְרָא בְּשֵׁם יְהוָה וַיֶּט שָׁם אָהֳל֑וֹ וַיִּכְרוּ שָׁם עַבְדֵי יִצְחָק בְּאֵֽר׃

Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den Naam des Heeren aan. En hij sloeg aldaar zijn tent op; en Izaks knechten groeven daar een put.

  • 26:26-33 Op initiatief van Abimelech komt het tot een verbond tussen Abimelech en Izak
  • 26:34-35 Een mededeling over Ezau die op 40-jarige leeftijd trouwt met twee Hethitische vrouwen

H27 De list van Rebekka en Jakob, het verdrtiet van Ezau

Izak wil Ezau zegenen, Jakob steelt op advies van Rebekka deze zegen. Een dramtisch familieverhaal dat eindigt in Rebekka’s advies aan Jakob om naar Haran te gaan totdat de woede van Ezau bedaard is.

Het verdriet van Ezau

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

27

38

וַיֹּאמֶר עֵשָׂו אֶל אָבִיו הַֽבְרָכָה אַחַת הִֽוא לְךָ אָבִי בָּרֲכֵנִי גַם אָנִי אָבִ֑י וַיִּשָּׂא עֵשָׂו קֹלוֹ וַיֵּֽבְךְּ׃

En Ezau zeide tot zijn vader: Hebt gij maar dezen enen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Ezau hief zijn stem op, en weende.

Als argument naar Izak gebruikt Rebekka de huwelijken van Ezau; conclusie Jakob is minstens 40 jaar oud op dit moment.
Ook Ezau wordt door Izak gezegend.

H28:1-9 Jakob overnacht in Betel

  • Jakob vertrekt met de zegen van zijn vader naar Paddan-Aram; nu horen wij de zegen die Izak voor Jakob bedoeld had: vruchtbaar, talrijk, tot een menigte van volken worden, de zegen van Abraham met het aan Abraham beloofde land, dat hij dus op het punt staat om te verlaten

De gestolen zegen

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

27

27

וַיִּגַּשׁ וַיִּשַּׁק לוֹ וַיָּרַח אֶת רֵיחַ בְּגָדָיו וַֽיְבָרֲכֵ֑הוּ וַיֹּאמֶר רְאֵה רֵיחַ בְּנִי כְּרֵיחַ שָׂדֶה אֲשֶׁר בֵּרֲכוֹ יְהוָֽה׃

En hij kwam bij, en hij kuste hem; toen rook hij de reuk zijner klederen, en zegende hem; en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds, hetwelk de Heere gezegend heeft.

GEN

27

28

וְיִֽתֶּן לְךָ הָאֱלֹהִים מִטַּל הַשָּׁמַיִם וּמִשְׁמַנֵּי הָאָ֑רֶץ וְרֹב דָּגָן וְתִירֹֽשׁ׃

Zo geve u dan God van den dauw des hemels, en de vettigheid der aarde, en menigte van tarwe en most.

GEN

27

29

יַֽעַבְדוּךָ עַמִּים וְיִשְׁתַּחוּ לְךָ לְאֻמִּים הֱוֵה גְבִיר לְאַחֶיךָ וְיִשְׁתַּחֲוּוּ לְךָ בְּנֵי אִמֶּ֑ךָ אֹרְרֶיךָ אָרוּר וּֽמְבָרֲכֶיךָ בָּרֽוּךְ׃

Volken zullen u dienen, en natiën zullen zich voor u nederbuigen; wees heer over uw broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen! Vervloekt moet hij zijn, wie u vervloekt; en wie u zegent, zij gezegend!

De zegen voor Jakob

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

28

3

וְאֵל שַׁדַּי יְבָרֵךְ אֹֽתְךָ וְיַפְרְךָ וְיַרְבֶּ֑ךָ וְהָיִיתָ לִקְהַל עַמִּֽים׃

En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar, en vermenigvuldige u, dat gij tot een hoop volken wordt.

GEN

28

4

וְיִֽתֶּן לְךָ אֶת בִּרְכַּת אַבְרָהָם לְךָ וּלְזַרְעֲךָ אִתָּ֑ךְ לְרִשְׁתְּךָ אֶת אֶרֶץ מְגֻרֶיךָ אֲשֶׁר נָתַן אֱלֹהִים לְאַבְרָהָֽם׃

En Hij geve u den zegen van Abraham; aan u, en uw zaad met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, hetwelk God aan Abraham gegeven heeft.

  • Ezau neemt ook nog Machalath, een dochter van Ismael tot vrouw

7. Vayetzei - en Hij trok uit | 28:10-32:2

H28:10-22 Een visioen nadat de zon onder is gegaan

  • Jakob op weg naar Haran vanuit Bersheba, overnacht in Bethel
  • vs11, ‘de zon was ondergegaan’
  • Jakobs droom; ladder in de hemel, landbelofte, belofte van talrijk nageslacht belofte dat in zijn nageslacht alle geslachten van de aarde gezegend zullen worden
  • Jakob richt gedenksteen op en doet belofte: ‘indien ik behouden terugkeer …’

Jakobs reizen
bron: studylight.org/pastoral-resources/bible-maps-archive

kaart in nieuw tabblad

H29 Jakobs huwelijken en oudste vier zonen

  • Jakob ontmoet de herderin Rachel bij een waterput en trekt in bij haar vader Laban, broer van Rebekka
  • Jakob werkt zeven jaar voor Rachel, de jongste dochter van Laban en krijgt in de huwelijksnacht Lea in bed, want zo zegt Laban met wellicht een subtiele verwijzing naar wat Jakob gedaan heeft tov Ezau ‘Zo doet men niet bij ons, dat men de jongste vóór de eerstgeborene ten huwelijk geeft’; Jakob is inmiddels minstens 47 jaar
  • Na de huwelijksweek krijgt Jakob ook Rachel voor de belofte van nog zeven jaar in dienst bij Laban; na deze zeven jaar is hij dus minstens 54 jaar
  • God ziet dat Lea niet bemind is en opent haar moederschoot: Ruben, Simeon, Levi en Juda worden geboren
  • Jakobs nageslacht is nu al talrijker dan dat van Izak

H30 Jakobs gezin en bezittingen vermeerderen

  • Rachel eist dat Jakob haar kinderen schenkt en als Jakob zegt dat dit niet zo geeist kan worden, geeft ze haar slavin Bilha aan Jakob zodat zij op Rachels knieen zal baren en dit kind als haar nageslacht zal gelden; zo geschiedt: Dan en Naftali worden geboren
  • Nu geeft Lea haar slavin Zilpa opdat op soortgelijke wijze zij nog meer kinderen krijgen zal: Gad en Aser worden geboren
  • Lea koopt nachten met Jakob van Rachel in ruil voor ‘liefdesappelen’; Zebulon en Dina worden geboren
  • Dan gedenkt God Rachel en opent haar moederschoot: Jozef wordt geboren
  • Als Jakob wil vertrekken haalt Laban hem over nog te blijven in ruil voor het verwerven van eigen bezit; dan volgt een ingewikkeld verhaal hoe Jakob zijn kudde verwerft met vreemd aandoende manipulatie bij het voederen van het vee (of maakt hij gebruik van erfelijkheidswetten?)
  • Jakob wordt al doende een rijk man met veel vee en personeel

H31 Jakobs vertrek uit Charan

  • Als jaloezie opkomt bij Labans zonen over de rijkdom van Jakob, besluit Jakob, mede op grond van een woord van God (vs10-13) te vertrekken met zijn gezin en bezittingen
  • het vertrek vindt stiekum plaats als Laban aan het schaapscheren is (vs19); na drie dagen heeft Laban in de gaten dat Jakob weg is en besluit hij achter hem aan te gaan; het kost hem zeven dagreizen (vs23) om Jakob in te halen in het bergland van Gilead; Artscroll: een mogelijke verklaring: Laban ontving de boodschap van iemand die Jakob had gezien en na drie dagreizen bij Laban kwam, inmiddels was Jacob drie dagreizen verder, dus zes dagreizen van Laban verwijderd; Laban was daarna in één dag bij Jakob c.s.
  • Laban wordt door God gewaarschuwd Jacob geen kwaad te doen; wel verwijt hij Jacob zijn goden te hebben gestolen; Rachel blijkt dat gedaan te hebben, maar zij voorkomt dat Laban ze bij haar vindt
  • Het is een pittig gesprek, maar omwat God gezegd heeft tegen Laban loopt het niet uit op geweld; het eindigt in een verbond met bijbehorende offers en maaltijd en een steenhoop als verbondsteken

H31:1-2 Huiswaarts

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

31

1

וַיִּשְׁמַע אֶת דִּבְרֵי בְנֵֽי לָבָן לֵאמֹר לָקַח יַעֲקֹב אֵת כָּל אֲשֶׁר לְאָבִ֑ינוּ וּמֵאֲשֶׁר לְאָבִינוּ עָשָׂה אֵת כָּל הַכָּבֹד הַזֶּֽה׃

Toen hoorde hij de woorden der zonen van Laban, zeggende: Jakob heeft genomen alles, wat onzes vaders was, en van hetgeen, dat onzes vaders was, heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.

GEN

31

2

וַיַּרְא יַעֲקֹב אֶת פְּנֵי לָבָ֑ן וְהִנֵּה אֵינֶנּוּ עִמּוֹ כִּתְמוֹל שִׁלְשֽׁוֹם׃

Jakob zag ook het aangezicht van Laban aan, en ziet, het was jegens hem niet als gisteren en eergisteren.

8. Vayislach - en hij zond | 32:3 - 36:43

H32:3-32 Jakobs gevecht

  • Jakob stuurt boden (מַלְאָכִים֙) uit naar Seïr naar zijn broer Ezau, die komen terug met de mededeling dat Ezau onderweg is met 400 man bij zich
  • hij zendt een geschenk (מִנְחָ֥ה) naar Ezau
  • vrouwen en kinderen worden over de Jabbok gezet; Jakob blijft alleen achter en een man/Man (אִישׁ֙) worstelt met hem
  • de man kan hem niet overwinnen en Jakob dwingt af dat hij hem zegent; hierbij krijgt hij toezegging een nieuwe naam te krijgen: Israel - strijder met/voor God of God strijdt/overwint

De zon gaat over Jakob op

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

32

30

וַיִּקְרָא יַעֲקֹב שֵׁם הַמָּקוֹם פְּנִיאֵ֑ל כִּֽי רָאִיתִי אֱלֹהִים פָּנִים אֶל פָּנִים וַתִּנָּצֵל נַפְשִֽׁי׃

En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest.

GEN

32

31

וַיִּֽזְרַֽח לוֹ הַשֶּׁמֶשׁ כַּאֲשֶׁר עָבַר אֶת פְּנוּאֵ֑ל וְהוּא צֹלֵעַ עַל יְרֵכֽוֹ׃

En de zon rees hem op, als hij door Pniël gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.

GEN

32

32

עַל כֵּן לֹֽא יֹאכְלוּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל אֶת גִּיד הַנָּשֶׁה אֲשֶׁר עַל כַּף הַיָּרֵךְ עַד הַיּוֹם הַזֶּ֑ה כִּי נָגַע בְּכַף יֶרֶךְ יַעֲקֹב בְּגִיד הַנָּשֶֽׁה׃

Daarom eten de kinderen Israëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heup is, tot op dezen dag, omdat Hij het gewricht van Jakobs heup aangeroerd had, aan de verrukte zenuw.

H33 Ontmoeting met Ezau

  • Ezau komt eraan, Jakob stelt zijn vrouwen, kinderen en dienaren op; de spanning in het verhaal is tastbaar

Ontmoeting na ruim 20 jaar

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

33

4

וַיָּרָץ עֵשָׂו לִקְרָאתוֹ וַֽיְחַבְּקֵהוּ וַיִּפֹּל עַל צַוָּארָו וַיִּשָּׁקֵ֑הוּ וַיִּבְכּֽוּ׃

Toen liep Ezau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem aan den hals, en kuste hem; en zij weenden.

  • Jakob noemt zich tegenover Ezau ‘uw knecht/dienaar’; tot zeven keer toe in H32 en H33 (32:4,18,20; 33:5,14,17,19), buigt zich zevenmaal ter aarde (33:3) en spreekt Ezau aan met ‘mijn heer’ (32:4,5; 33:8,13,14,15); wie dient wie?
  • 33:9-11 Ezau in reactie op Jakobs geachenk: ‘Ik heb veel, mijn broer. Laat wat je hebt van jou blijven.’ Jakobs dringt erop aan dat Ezau het geschenk (mincha) aanneemt (vs10). En nogmaals in vs11 met, veelzeggend, een ander woord voor geschenk: beracha (zegen/zegening NB) en hij zegt - blijkbaar als reactie op Ezau’s ‘ik heb veel’ - ‘ik heb alles’.
  • 33:13-16 Ezau’s aanbod samen terug te keren slaat Jakob af; hij geeft aan naar Seïr te komen (vs14), we lezen nooit dat hij daar daadwerkelijk geweest is; Gill en Aalders (Korte Verklaring) gaan ervan uit dat Jakob zeker van plan is zijn broer te bezoeken in Seïr, dat zo’n bezoek niet in de Schrift staat is niet vreemd, niet alles staat erin; [Rashi meent dat Jakob het nooit van plan is geweest, maar toch nog wat achterdochtig was over de bedoelingen van Ezau wat volgens Rashi niet betekent dat hij gelogen heeft, want in de dagen van de Messias zal Jakob in Seïr komen, met een verwijzing naar Ob.1:21]
  • 33:18-20 Jakob vestig zich eerst in Sukkoth aan de overzijde van de Jordaan waar hij een tijd verblijft (Rashi: 18 maanden) alvorens zich bij Sichem te vestigen in het beloofde land; hij koopt daar een stuk land van Hemor, Sichems vader; de mededeling dat hij uit Paddan-Aram gekomen is slaat terug op zijn vertrek uit Haran bij Laban, Haran lag in de streek die Paddan-Aram wordt genoemd (zie Artscroll op Gen.25:20); Jakob richt hier een altaar op

H34 Ellende in Sichem

  • Dina, ‘de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had’ ging naar buiten om de dochters van het land te zien; dit resulteert in verliefdheid bij Sichem die haar neemt en verkracht; hij meent in haar zijn ‘soulmate’ (zie vs.3) te hebben gevonden en haalt zijn vader over haar voor hem te nemen tot vrouw
  • Jakobs zonen stellen een voorwaarde (besnijdenis) als list om na de besnijdenis de mannen te doden
  • als de vooraanstaanden van de clan, krijgen Hemor en Sichem het eenvoudig voor elkaar dat de mannen uit de stad meegaan in dit voorstel, waarbij ook geen eerlijke argumenten worden gebruikt overigens (vs.23)
  • de zonen van Jaob voeren hun plan uit en maken heel veel spullen uit Sichem buit met als gevolg dat Jakob zich bedreigd voelt

H35 Naar Bethel

  • 35:1 God spreekt tot Jakob en zegt hem naar Bethel te gaan (in 28:20 had hij beloofd terug te zullen keren naar Bethel als God met hem zou zijn)
  • 35:2-4 Jakob zegt zijn reisgenoten de vreemde goden weg te doen, een oproep waar gehoor aan wordt gegeven (wellicht ook nog zooi uit de buit in Sichem)
  • 35:5 God voorkomt dat de groep lastiggevallen wordt
  • 35:6-7 aankomst in Bethel, oprichting van een altaar op de plek waar God hem verschenen was op de heenweg
  • 35:8 melding tussendoor van de dood en begrafenis van Debora, voedster van Rebekka, die blijkbaar met Jakob meetrok (of hem tegemoet was gegaan) (Artscroll: ‘wij worden hier ook geïnformeerd over Rebekka’s dood’)
  • 35:9-12 God verschijnt opnieuw aan Jakob en spreekt tot hem; nu krijgt hij de naam Israel zoals eerder beloofd

Jakob krijgt zijn nieuwe naam

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

35

10

וַיֹּֽאמֶר לוֹ אֱלֹהִים שִׁמְךָ יַעֲקֹ֑ב לֹֽא יִקָּרֵא שִׁמְךָ עוֹד יַעֲקֹב כִּי אִם יִשְׂרָאֵל יִהְיֶה שְׁמֶךָ וַיִּקְרָא אֶת שְׁמוֹ יִשְׂרָאֵֽל׃

En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.

GEN

35

11

וַיֹּאמֶר לוֹ אֱלֹהִים אֲנִי אֵל שַׁדַּי פְּרֵה וּרְבֵה גּוֹי וּקְהַל גּוֹיִם יִהְיֶה מִמֶּ֑ךָּ וּמְלָכִים מֵחֲלָצֶיךָ יֵצֵֽאוּ׃

Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.

GEN

35

12

וְאֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר נָתַתִּי לְאַבְרָהָם וּלְיִצְחָק לְךָ אֶתְּנֶ֑נָּה וּֽלְזַרְעֲךָ אַחֲרֶיךָ אֶתֵּן אֶת הָאָֽרֶץ׃

En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.

  • 35:14-15 Jakob doet wat hij beloofd heeft bij zijn ontmoeting op de heenweg (28:18vv)
  • 35:16-20 wat een contrast, Rachel baart een tweede zoon en sterft daarbij
  • 35:22 Ruben slaapt met Bilha (hoewel Joodse commentaren dit anders uitleggen, zie Artscroll)
  • 35:23-26 Opsomming van de zonen van Jakob met de uitdrukkelijke vermelding “Ruben, de eerstgeborene van Jakob’
  • 35:27 Na al die jaren Jakob terug bij Izak in Hebron
  • 35:38 dood en begrafenis door Ezau en Jakob van Izak in Hebron

H36 Toledoth Ezau

  • geen leeftijden
  • 36:12 hier horen wij van Amalek, kleinzoon van Ezau
  • 36:31 koningen van Edom, ‘voordat er een koning over de Israelieten regeerde’

9. Vayeshev - en hij woonde | 37-40

H37 Dit zijn de toledot van Jakob, Jozef …

  • 37:2 de toledot van Jakob, “Jozef …”; zo wordt onze aandacht bepaald bij Jozef, de oudste zoon van Rachel en we volgen hem tot aan het einde van Genesis; alleen in H38 valt zijn naam niet en is hij niet direct in beeld
  • 37:2; het vers wijkt af van wat verwacht wordt na ‘dit zijn de toledot’ van Jakob, verwacht zou worden een vervolg als ‘.. Ruben, Simeon, Levi, … etc’; de toledot Jakob focussen echter op Jozef; let op verband met voorgaande, nadat gesproken is over Ezau’s nakomelingen en dat zij zich vestigden in Seïr, gaat de geschiedenis nu verder met hoe Jakos nakomelingen zich zullen vestigen in hun land en dat verhaal begint met de lotgevallen van Jozef op jonge leeftijd, de geschiedenis die de aanzet is tot die vestiging daar (bron: Artscroll)
  • 37:2; opmerkelijk, Jozef hoedde het kleinvee met zijn broers, de zonen van Bilha (de slavin van Rachel) en de zonen van Zilpa (de slavin van Lea), d.w.z. met Dan en Naftali en Gad en Aser; later spelen echter Ruben en Juda een belangrijke rol; dus zin moet waarschijnlijk anders vertaald/gelezen worden, namelijk dat hij met zijn broers de schapen weidde en als aparte mededeling dat hij als jonge man (na’ar) samen was met de zonen van Bilha en Zilpa; er klinkt iets van spanning met de zonen van Lea in door op deze manier; het is ook niet helemaal duidelijk van wie Jozef hun slecht rapport overbracht aan zijn vader, over alle broers, over de zonen van Lea, over de zonen van Bilha en Zilpa? Het zal de verhoudingen in elk geval geen goed gedaan hebben
  • 37:3-4; Israels voorkeur voor Jozef; hij was een man die liefhad, en daarbij de niet-geliefde(n) uit het oog lijkt te verliezen; de verhoudingen in het gezin worden slechter
  • 37:4-8; Jozefs eerste droom; de verhoudingen worden nog slechter
  • 37:9-11; Jozefs tweede droom - de interpretatie van Jakob kan niet te letterlijk waar worden immers Rachel was al gestorven, of had hij deze droom eerder gehad, maar dan had hij nog geen 11 broers, of betrof het Lea of Bilha die na de dood van Rachel de moederrol voor Jozef vervulde, wij horen echter niet dat zij bij het moment dat de droom zijn vervulling vond erbij waren, dus ???;
  • 37:12-17; afstand Hebron-Sichem zo’n 80 kilometer; bij Sichem vindt hij zijn broers nog niet, een man verwijst hem naar Dothan waar ze heen zouden zijn gegaan (24 km ten noorden van Sichem)
  • 37:18-25; de broers zien hem aankomen en besluiten voor eens en altijd van hem af te komen; Ruben voorkomt dat ze hem direct doden, zo gooien hem in de put ‘en gingen zitten om brood te eten’ (sic!)
  • 37:26-28; Jozef wordt verkocht - door wie is niet uit de tekst op te maken - aan Ismaëlieten voor 20 zilverstukken en zo komt hij in Egypte
  • 37:29-36; wat een drama wordt hier getekend; Ruben die zich geen raad weet als hij merkt dat Jozef niet meer in de put is; de leugen die ze besluiten aan Jakob te vertellen en die hem in rouw dompelt, al zijn zonen en dochters (!! alleen hier horen we van zijn dochters in het meervoud) die hem kwamen troosten (hoezo huichelaars?), Jozef aan Potifar verkocht in Egypte; en dat alles in acht verzen

H38 Tamar

In dit hoofdstuk maken we kennis met Tamar, een voormoeder van de Here Jezus (Matt.1:3). Over haar afkomst is weinig bekend; was zij een Kanaänitische, zoals Sua de vrouw van Juda? Was de vader van Sua eigenlijk een Kanaäniet, of moet כְּנַעֲנִי hier ook met koopman vertaald worden zoals in Spr.31:24 en Job 41:6 (de overige 71 keer wordt het als Kanaäniet vertaald, ook de meest logische vrtaling hier). Een bijzondere vrouw is zij wel, een vrouw die initiatief neemt tegen alle maatschappelijke conventies in, en die Juda niet in het openbaar te schande zet. In de Joodse literatuur wordt haar gedrag tot een voorbeeld.

Wie iemand in het openbaar vernedert, is alsof hij bloed vergiet.
bron: Baba Metzia 58b (12)

Rabbi Akiva zegt: ‘Heb je naaste lief als jezelf’ (Leviticus 19:18) — dat vers verwoordt de centrale leer van de Torah, [omdat het leert] dat je niet moet zeggen: Omdat ik ben beledigd, laat dan ook iemand anders beledigd worden; omdat ik ben vervloekt, laat dan ook iemand anders vervloekt worden. Rabbi Tanḥuma zei: Als je inderdaad zo handelt, bedenk dan wie je te schande maakt: ‘naar Gods gelijkenis heeft Hij hem gemaakt’ (Genesis 5:1).
bron: Berehiet Raba 24: 7; vertaling: duck.ai

Opmerkelijk zijn de overeenkomsten tussen de geschiedenis van Tamar en de geschiedenis van Ruth,de Moabitische, ook een voormoeder van de Here Jezus (Matt.1:5).

Tamar baart een tweeling, Perez en Zera, en men kan zich afvragen wie de oudste is (zie 38:28-30).

Waarom deze geschiedenis hier geplaatst is temidden van de geschiedenis van Jozef? Is het een kwestie van chronologie, dan zou dit allemaal plaats hebben in de 22 jaar dat Jozef in Egypte is wat welhaast onmogelijk is, of is het om het contrast tussen het gedrag van Jozef t.o.v. de vrouw van Potifar en dat van Juda t.o.v. Tamar te accentueren? Of ….?

H39 Jozef van Potifars huis naar het huis van bewaring

  • 39:1-6; Jozef als slaaf gekocht door Potifar, bepaald een goede deal voor Potifar (zie vervolg); de Here zegent het huis van Potifar, Potifar merkt dat op en Jozef krijgt een hoge positie
  • 39:7-23; Potifars vrouw probeert Jozef te verleiden en wil zijn nee niet horen; als ze hem letterlijk in bed wil trekken vlucht hij, laat zijn kleed in haar handen achter en vlucht; gevolg: zij beschuldigt hem van poging tot aanranding en hij komt in de gevangenis; ook daar is de HERE met Jozef en krijgt hij het vertrouwen van het hoofd van de gevangenis en deze geeft al de gevangenen in zijn hand en al het werk wat men daar deed, deed hij; het hoofd zag er niet meer naar om.

H40 De dromen van de schenker en de bakker

  • 40:1-8 Twee gevangenen uit Farao’s personeel, het hoofd van de schenkers en het hoofd van de bakkers, worden gevangen gezet in de gevangenis waar ook Jozef zit. Jozef moet hen bedienen. Na geruime tijd (v5) krijgen beiden een droom waar ze neerlsachtig van zijn. Jozef merkt dit op en nodigt uit hem de droom te vertellen.
  • 40:9-23; de schenker begint, Jozef legt de droom uit; de uitleg is positief voor de man, binnen drie dagen zal hij in zijn functie hersteld zijn; Jozef verzoekt hem aan hem te denken en zijn zaak buiten de gevangenis te bespreken met farao; de bakker door de gunstige uitlegging aangemoedigd vertelt zijn droom en krijgt een voor hem negatieve uitleg van Jozef te horen, hij zal binnen drie dagen opgehangen worden. En zo gebeurt het. De schenker vergeet Jozefs verzoek.

10. Miketz - na verloop van | 41:1 - 44:17

H41 Van gevangene tot heerser

  • opmerkelijke overeenkomst met Daniël 2
  • 41:1-8; farao heeft twee keer een droom; de wijzen van Egypte zijn niet in staat er een uitlegging van te geven
  • 41:9-14; de schenker herinnert zich zijn ervaring met Jozef in de gevangenis; farao geeft bevel Jozef te halen (vs14 … וַיְרִיצֻהוּ מִן־הַבּוֹר - en zij lieten hem rennen uit de kerker (lett. de put)) Artscroll: ’He was rushed - in the manner of every case of Divine salvation which comes hastily and unexpectedly. Similarly, the coming of the Messiah will be sudden and hasty [see Malachi 3:1] (Sforno6)
  • 41:15-24; farao vertelt Jozef zijn dromen met kleine verschillen in vergelijking met wat we eerst hebben gehoord (zie Artscroll voor de vraag of deze verschillen van belang zijn of niet en wat de verschillen zijn)
  • 41:25-45; Jozef maakt Farao de betekenis bekend die hij van God ontvangen heeft: zeven jaren overvloed gevolgd door zeven jaren hongersnood, en hij geeft advies hoe met deze economische cyclus om te gaan; farao stelt Jozef aan om dit advies tot beleid te maken en uit te voeren; hij krijgt Zafnath Paäneah, de dochter van Potifera, tot vrouw en is in rang de tweede in Egypte, direct onder farao; hij gaat direct aan de slag
  • 41:46-57; het gebeurt zoals Jozef de dromen had uitgelegd; de hongersnood is er ook in de andere landen en men komt naar Egypte om koren te kopen dat Jozef had laten opslaan; voordat de hongersnood er is, krijgt Jozef twee zonen; opmerkelijk is hoe hij ze noemt en dan vooral het verschil in de verwoording van Jozefs motivatie om ze deze namen te geven

Jozefs twee zonen

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NB

GEN

41

51

וַיִּקְרָא יוֹסֵף אֶת שֵׁם הַבְּכוֹר מְנַשֶּׁ֑ה כִּֽי נַשַּׁנִי אֱלֹהִים אֶת כָּל עֲמָלִי וְאֵת כָּל בֵּית אָבִֽי׃

En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse; want, zeide hij God heeft mij doen vergeten al mijn moeite, en het ganse huis mijns vaders.

Jozef roept als naam van de eersteling uit:    Manasse,- die doet vergeten, ‘want doen vergeten heeft God mij    al mijn moeite en heel het huis van mijn vader’.

GEN

41

52

וְאֵת שֵׁם הַשֵּׁנִי קָרָא אֶפְרָ֑יִם כִּֽי הִפְרַנִי אֱלֹהִים בְּאֶרֶץ עָנְיִֽי׃

En den naam des tweeden noemde hij Efraïm; want, zeide hij God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking.

En als naam van de tweede    heeft hij uitgeroepen: Efraïm,- dubbelvrucht, ‘want vruchtdragend heeft God mij gemaakt in het land van mijn vernedering.’

H42 Jozefs broers naar Egypte

  • 42:1-9; Jakob stuurt zijn zonen naar Egypte om koren te kopen; zo komen ze bij Jozef, die hen direct herkent; Jozef herinnert zich de droom die aanleiding was voor zoveel haat en besluit zijn broers van spionage te beschuldigen; wat hij precies hiermee voor heeft is aan de lezer, het kan geen wraak geweest zijn, want als hij dat wilde had hij dat gezien zijn positie anders kunnen doen
  • 42:10-20; er ontspint zich een gesprek/verhoor waarin de broers spreken over hun jongere broer; aanleiding voor Jozef om te eisen dat deze jongere broer meekomt naar Egypte om aan te tonen dat ze de waarheid spreken; dit leidt tot een gesprek tussen de broers

Het berouw begint zich af te tekenen

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NB

GEN

42

21

וַיֹּאמְרוּ אִישׁ אֶל אָחִיו אֲבָל אֲשֵׁמִים אֲנַחְנוּ עַל אָחִינוּ֒ אֲשֶׁר רָאִינוּ צָרַת נַפְשׁוֹ בְּהִתְחַֽנְנוֹ אֵלֵינוּ וְלֹא שָׁמָ֑עְנוּ עַל כֵּן בָּאָה אֵלֵינוּ הַצָּרָה הַזֹּֽאת׃

Toen zeiden zij de een tot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen, toen hij ons om genade bad; maar wij hoorden niet! daarom komt deze benauwdheid over ons.

En ze zeggen, ieder tot zijn broeder: toch zijn wij schuldenaars, om onze broeder, wiens zielsbenauwdheid wij hebben gezien    toen hij tot ons om genade smeekte    en wij niet hebben gehoord; daarom is nu tot ons gekomen déze benauwing!

GEN

42

22

וַיַּעַן רְאוּבֵן אֹתָם לֵאמֹר הֲלוֹא אָמַרְתִּי אֲלֵיכֶם לֵאמֹר אַל תֶּחֶטְאוּ בַיֶּלֶד וְלֹא שְׁמַעְתֶּ֑ם וְגַם דָּמוֹ הִנֵּה נִדְרָֽשׁ׃

En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling! maar gij hoordet niet; en ook zijn bloed, ziet, het wordt gezocht!

Dan antwoordt Ruben hun en zegt: heb ik het jullie niet gezegd toen ik zei:    ‘bezondigt je niet aan de boreling!’    en jullie niet hebben gehoord?- en dus wordt zijn bloed hier nu opgeëist!

GEN

42

23

וְהֵם לֹא יָֽדְעוּ כִּי שֹׁמֵעַ יוֹסֵ֑ף כִּי הַמֵּלִיץ בֵּינֹתָֽם׃

En zij wisten niet, dat het Jozef hoorde; want daar was een taalman tussen hen.

Zíj hebben niet geweten dat Jozef het kon horen, want de tolk was hun tussenpersoon.

GEN

42

24

וַיִּסֹּב מֵֽעֲלֵיהֶם וַיֵּ֑בְךְּ וַיָּשָׁב אֲלֵהֶם וַיְדַבֵּר אֲלֵהֶם וַיִּקַּח מֵֽאִתָּם אֶת שִׁמְעוֹן וַיֶּאֱסֹר אֹתוֹ לְעֵינֵיהֶֽם׃

Toen wendde hij zich om, van hen af, en weende; daarna keerde hij weder tot hen, en sprak tot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hun ogen.

Hij draait zich om, van hen af, en weent; maar hij keert terug tot hen, spreekt tot hen, neemt Simeon bij hen vandaan en zet die voor hun ogen gevangen.

  • 42:25-38; de broers m.u.v. Simeon gaan terug; Jozef laat het betaalde geld in de zakken met graan terugleggen, iets wat ontdekt wordt en hen verwart; zo komen ze met hun verhaal terug bij Jakob; hij weigert Benjamin mee te laten gaan, het merkwaardige aanbod van Ruben (U mag mijn twee zonen doden, als ik hem niet bij u terugbreng.) verandert daar (begrijpelijk) niets aan

H43 Met Benjamin naar Egypte

  • 43:1-14; de honger wordt zo problematisch voor Jakobs familie dat hij na discussie en de woorden van Juda - Ikzelf zal borg voor hem staan, … - toestemming geeft Benjamin mee te nemen al is het met pijn in zijn hart die uit zijn woorden spreekt
  • 43:15-34; de broers worden vriendelijk ontvangen, bij Jozef voor de maaltijd uitgenodigd, wat hen nog meer onzeker maakt; het eerste waar Jozef naar vraagt is naar de welstand van hun vader; het zien van Benjamin ontroert Jozef zodanig dat hij zich even moet afzonderen; de tafelschikking van oud naar jong verbaast de broers (en de lezer vraagt zich ook af waarom dit belangrijk is); Benjamin krijgt vijf keer zoveel toegediend als de anderen; wilde Jozef hiermee testen of dit ook weer jaloezie op zou roepen

H44:1-17 De terugreis afgebroken

  • 44:1-17; Jozef laat behalve het geld in de zakken met koren ook zijn zilveren beker in de zak van Benjamin doen; amper zijn ze vertrokken of Jozef stuurt een bediende achter hen aan welke hen beschuldigd van diefstal van de beker; de broers ontkennen en zeggen dat degenen van hen die daarop betrapt wordt moet sterven en de rest tot slaaf gemaakt; de bediende zwakt dit af tot: degene bij wie de beker gevonden wordt slaaf slaaf worden; samen gaan ze terug en komen voor Jozef die dreigt Benjamin tot slaaf te maken; Juda neemt het woord, en stelt voor dat hij slaaf wordt en Benjamin teruggaat; Jozef gaat niet akkoord

11. Vayigash - en hij naderde | 44:18 - 47:27

  • 44:18-34; een persoonlijk emotioneel betoog van Juda die refereert aan de familiegeschiedenis en aangeeft dat hun vader het bericht over achterblijven van Benjamin niet zal overleven
  • 45; Jozef maakt zich bekend; een uiterst geladen, emotionele ontmoeting; Benjamin en Jozef huilend in elkaars armen; verwarring bij de andere broers

Jozef maakt zich bekend in besloten gezinsbijeenkomst

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

45

1

וְלֹֽא יָכֹל יוֹסֵף לְהִתְאַפֵּק לְכֹל הַנִּצָּבִים עָלָיו וַיִּקְרָא הוֹצִיאוּ כָל אִישׁ מֵעָלָ֑י וְלֹא עָמַד אִישׁ אִתּוֹ בְּהִתְוַדַּע יוֹסֵף אֶל אֶחָֽיו׃

Toen kon zich Jozef niet bedwingen voor allen, die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan! En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijn broederen bekend maakte.

GEN

45

2

וַיִּתֵּן אֶת קֹלוֹ בִּבְכִ֑י וַיִּשְׁמְעוּ מִצְרַיִם וַיִּשְׁמַע בֵּית פַּרְעֹֽה׃

En hij verhief zijn stem met wenen, zodat het de Egyptenaren hoorden, en dat het Farao’s huis hoorde.

GEN

45

3

וַיֹּאמֶר יוֹסֵף אֶל אֶחָיו אֲנִי יוֹסֵף הַעוֹד אָבִי חָ֑י וְלֹֽא יָכְלוּ אֶחָיו לַעֲנוֹת אֹתוֹ כִּי נִבְהֲלוּ מִפָּנָֽיו׃

En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.

GEN

45

4

וַיֹּאמֶר יוֹסֵף אֶל אֶחָיו גְּשׁוּ נָא אֵלַי וַיִּגָּ֑שׁוּ וַיֹּאמֶר אֲנִי יוֹסֵף אֲחִיכֶם אֲשֶׁר מְכַרְתֶּם אֹתִי מִצְרָֽיְמָה׃

En Jozef zeide tot zijn broederen: Nadert toch tot mij! En zij naderden. Toen zeide hij: Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.

Jozefs reflectie op het verloop van zijn leven

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

45

5

וְעַתָּה אַל תֵּעָצְבוּ וְאַל יִחַר בְּעֵינֵיכֶם כִּֽי מְכַרְתֶּם אֹתִי הֵ֑נָּה כִּי לְמִֽחְיָה שְׁלָחַנִי אֱלֹהִים לִפְנֵיכֶֽם׃

Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uw ogen, omdat gij mij hierheen verkocht hebt; want God heeft mij voor uw aangezicht gezonden, tot behoudenis des levens.

GEN

45

6

כִּי זֶה שְׁנָתַיִם הָרָעָב בְּקֶרֶב הָאָ֑רֶץ וְעוֹד חָמֵשׁ שָׁנִים אֲשֶׁר אֵין חָרִישׁ וְקָצִּֽיר׃

Want het zijn nu twee jaren des hongers in het midden des lands; en er zijn nog vijf jaren, in welke geen ploeging noch oogst zijn zal.

GEN

45

7

וַיִּשְׁלָחֵנִי אֱלֹהִים לִפְנֵיכֶם לָשׂוּם לָכֶם שְׁאֵרִית בָּאָ֑רֶץ וּלְהַחֲיוֹת לָכֶם לִפְלֵיטָה גְּדֹלָֽה׃

Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing.

GEN

45

8

וְעַתָּה לֹֽא אַתֶּם שְׁלַחְתֶּם אֹתִי הֵנָּה כִּי הָאֱלֹהִ֑ים וַיְשִׂימֵנִֽי לְאָב לְפַרְעֹה וּלְאָדוֹן לְכָל בֵּיתוֹ וּמֹשֵׁל בְּכָל אֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar God Zelf, Die mij tot Farao’s vader gesteld heeft, en tot een heer over zijn ganse huis, en regeerder in het ganse land van Egypte.

  • 45:9-24; Jozef stuurt zijn broers terug naar Jakob met de opdracht hem op te halen en samen met hem en hun gezinnen over te komen naar Egypte; er gaat een reeks geschenken mee voor Jakob om hem te overtuigen dat Jozef inderdaad nog leeft
  • 45:25-28; het kost Jakob moeite om het bericht te geloven, het zien va de geschenken (tien ezels met geschenken en tien ezelinnen die koren en brood droegen) overtuigt hem
  • 46:1-4; tussenstop in Bersheba om offers te brengen; hier verschijnt God aan Jakob en zegt hem onbevreesd naar Egypte te gaan
  • 46:5-34; vanuit Bersheba naar Egypte; de namen van degenen die meetrekken worden genoemd: 66 zielen, niet genoemd worden de namen van de vrouwen van Jakobs zonen; totaal bestaat de familie nakomelingen uit 70 zielen


noot: overgenomen uit Artscroll Series Bereshis, p.2021

  • 46:17; opmerkelijk dat van Aser de naam van een dochter vermeld staat: Serah; in de Midrash speelt zij een belangrijke rol, o.a. gaan de wijzen van Israel bij haar te rade of Mozes werkelijk de door God verzonden verlosser is; hoewel historisch niet aannemelijk dat zij nog zou leven in de periode van de uittocht, lijkt dit verhaal op de achtergrond te spelen in Lukas 2 waar Anna, uit de stam Aser, Jezus aanwijst als Verlosser (Lukas 2:36-38)
  • 46:28-34; de Hebreeërs vestigen zich in Gosen; Jakob ziet zijn zoon Jozef terug
  • 47:1-12; Jakob ontmoet farao, vijf zonen zijn aanwezig; zij vragen toestemming in Gosen te mogen wonen; farao heet hen welkom in Egypte en geeft de gevraagde toestemming; ze vestigen zich in Rameses, een streek in Gosen Jozef zorgt voor zijn familie
  • 47:13-27; Jozef neemt steeds aanvullende maatregelen om de Egyptenaren in leven te houden, die overigens de Egyptenaren veel ondernemersvrijheid lijken te ontnemen waarvan uiteindelijk een belasting van 20% van de opbrengst van het veld structureel is

De belofte van veel nakomelingen krijgt gestalte

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

47

27

וַיֵּשֶׁב יִשְׂרָאֵל בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם בְּאֶרֶץ גֹּ֑שֶׁן וַיֵּאָחֲזוּ בָהּ וַיִּפְרוּ וַיִּרְבּוּ מְאֹֽד׃

Zo woonde Israël in het land van Egypte, in het land Gosen; en zij stelden zich tot bezitters daarin, en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.

12. Vayechi - en hij leefde | 47:28-50:26

  • 47:28-31; Jakob voelt zijn levenseinde naderen en laat Jozef beloven zijn lichaam in het beloofde land te begraven bij zijn vaderen
  • 48:1-6; Jozef komt met zijn twee zonen bij Jakobs ziekbed; Jakob geeft hen het deel van zonen in zijn (geestelijke) erfenis; zo krijgt Jozef een dubbel deel
  • 48:7; Jakob denkt terug aan het verlies van Rachel
  • 48:8-20; Jakob gaat de twee zonen van Jozef zegenen en legt zijn rechterhand op de jongste, tot ergernis (vs17-18!) van Jozef; maar Jakob houdt vol en stelt Efraïm voor Manasse
  • 48:21-22; Jakob benadrukt dat God zijn volk zal terugbrengen naar het ‘land van jullie vaderen’; Jozef krijgt een extra deel (Sichem?)
  • 49; Jakob zegent zijn zonen een voor een en geeft de geest
  • 50:1-14; Jakobs lichaam wordt gebalsemd en over zijn dood weenden de Egyptenaren 70 dagen; Jozef krijgt toestemming van farao zijn vader in Kanaän te begraven; het wordt een aanzienlijke begrafenisstoet (vs7-8); in Kanaän wordt nog eens zeven dagen rouw bedreven; daarna wordt zijn lichaam begraven in de spelonk van Machpela en volgt de terugkeer naar Egypte
  • 50:15-21; de broers zijn, na de dood van Jakob, bevreesd dat Jozef zich alsnog op hen zal wreken en zenden een boodschap met wat Jakob voor zijn dood gezegd zou hebben; Jozef huilt over het wantrouwen (vs17)

Jozef is vrij van wrok

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

50

19

וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יוֹסֵף אַל תִּירָ֑אוּ כִּי הֲתַחַת אֱלֹהִים אָֽנִי׃

En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?

GEN

50

20

וְאַתֶּם חֲשַׁבְתֶּם עָלַי רָעָ֑ה אֱלֹהִים חֲשָׁבָהּ לְטֹבָה לְמַעַן עֲשֹׂה כַּיּוֹם הַזֶּה לְהַחֲיֹת עַם רָֽב׃

Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.

GEN

50

21

וְעַתָּה אַל תִּירָאוּ אָנֹכִי אֲכַלְכֵּל אֶתְכֶם וְאֶֽת טַפְּכֶ֑ם וַיְנַחֵם אוֹתָם וַיְדַבֵּר עַל לִבָּֽם׃

Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.

  • 50:22-26; Jozef wordt 110 jaar; voor zijn dood laat hij ‘de zonen van Israel’ zweren zijn lichaam mee te nemen als God naar hen omziet en uit Egypte laat vertrekken

Afsluting

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

50

19

וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יוֹסֵף אַל תִּירָ֑אוּ כִּי הֲתַחַת אֱלֹהִים אָֽנִי׃

En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?

GEN

50

20

וְאַתֶּם חֲשַׁבְתֶּם עָלַי רָעָ֑ה אֱלֹהִים חֲשָׁבָהּ לְטֹבָה לְמַעַן עֲשֹׂה כַּיּוֹם הַזֶּה לְהַחֲיֹת עַם רָֽב׃

Gijlieden wel, gij hebt kwaad tegen mij gedacht; doch God heeft dat ten goede gedacht; opdat Hij deed, gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.

GEN

50

21

וְעַתָּה אַל תִּירָאוּ אָנֹכִי אֲכַלְכֵּל אֶתְכֶם וְאֶֽת טַפְּכֶ֑ם וַיְנַחֵם אוֹתָם וַיְדַבֵּר עַל לִבָּֽם׃

Nu dan, vreest niet! Ik zal u en uw kleine kinderen onderhouden. Zo troostte hij hen, en sprak naar hun hart.

Excurs 1: de belofte als erfenis

Genesis 12 verhaalt de roeping van Abraham en hier ontvangt Abraham - toen nog Abram - de belofte die als erfenis doorgegeven wordt aan de generaties na hem.

De inhoud van de belofte

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

12

1

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל אַבְרָם לֶךְ לְךָ מֵאַרְצְךָ וּמִמּֽוֹלַדְתְּךָ וּמִבֵּית אָבִ֑יךָ אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר אַרְאֶֽךָּ׃

De Heere nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land, en uit uw maagschap, en uit uws vaders huis, naar het land, dat Ik u wijzen zal.

GEN

12

2

וְאֶֽעֶשְׂךָ לְגוֹי גָּדוֹל וַאֲבָרֶכְךָ וַאֲגַדְּלָה שְׁמֶ֑ךָ וֶהְיֵה בְּרָכָֽה׃

En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen!

GEN

12

3

וַאֲבָֽרֲכָה מְבָרְכֶיךָ וּמְקַלֶּלְךָ אָאֹ֑ר וְנִבְרְכוּ בְךָ כֹּל מִשְׁפְּחֹת הָאֲדָמָֽה׃

En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

GEN

12

4

וַיֵּלֶךְ אַבְרָם כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו יְהוָה וַיֵּלֶךְ אִתּוֹ ל֑וֹט וְאַבְרָם בֶּן חָמֵשׁ שָׁנִים וְשִׁבְעִים שָׁנָה בְּצֵאתוֹ מֵחָרָֽן׃

En Abram toog heen, gelijk de Heere tot hem gesproken had; en Lot toog met hem; en Abram was vijf en zeventig jaren oud, toen hij uit Haran ging.

GEN

12

5

וַיִּקַּח אַבְרָם אֶת שָׂרַי אִשְׁתּוֹ וְאֶת לוֹט בֶּן אָחִיו וְאֶת כָּל רְכוּשָׁם אֲשֶׁר רָכָשׁוּ וְאֶת הַנֶּפֶשׁ אֲשֶׁר עָשׂוּ בְחָרָ֑ן וַיֵּצְאוּ לָלֶכֶת אַרְצָה כְּנַעַן וַיָּבֹאוּ אַרְצָה כְּנָֽעַן׃

En Abram nam Sarai, zijn huisvrouw, en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit, om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.

GEN

12

6

וַיַּעֲבֹר אַבְרָם בָּאָרֶץ עַד מְקוֹם שְׁכֶם עַד אֵלוֹן מוֹרֶ֑ה וְהַֽכְּנַעֲנִי אָז בָּאָֽרֶץ׃

En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbos More; en de Kanaänieten waren toen ter tijd in dat land.

GEN

12

7

וַיֵּרָא יְהוָה אֶל אַבְרָם וַיֹּאמֶר לְזַרְעֲךָ אֶתֵּן אֶת הָאָרֶץ הַזֹּ֑את וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵּחַ לַיהוָה הַנִּרְאֶה אֵלָֽיו׃

Zo verscheen de Heere aan Abram, en zeide: Aan uw zaad zal Ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, Die hem verschenen was.

Samengevat is dit de inhoud van de belofte:

  • een groot volk
  • een grote naam
  • een zegen voor alle geslachten op aarde
  • een eigen land

Gezien wat in 11:30 over Saraï gezegd wordt - Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kinderen - een opmerkelijke belofte.
De eerste teleurstelling lezen we in 12:6b - en de Kanaänieten waren toen in het land. Om vervolgens te horen van een hongersnood die hem en de zijnen naar Egypte doet gaan.

In het volgende hoofdstuk wordt verhaald dat Lots en Abrahams wegen scheiden, als dat gebeurd is staat er:

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

13

14

וַֽיהוָה אָמַר אֶל אַבְרָם אַחֲרֵי הִפָּֽרֶד לוֹט מֵֽעִמּוֹ שָׂא נָא עֵינֶיךָ וּרְאֵה מִן הַמָּקוֹם אֲשֶׁר אַתָּה שָׁ֑ם צָפֹנָה וָנֶגְבָּה וָקֵדְמָה וָיָֽמָּה׃

En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en westwaarts.

GEN

13

15

כִּי אֶת כָּל הָאָרֶץ אֲשֶׁר אַתָּה רֹאֶה לְךָ אֶתְּנֶ֑נָּה וּֽלְזַרְעֲךָ עַד עוֹלָֽם׃

Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid.

GEN

13

16

וְשַׂמְתִּי אֶֽת זַרְעֲךָ כַּעֲפַר הָאָ֑רֶץ אֲשֶׁר אִם יוּכַל אִישׁ לִמְנוֹת אֶת עֲפַר הָאָרֶץ גַּֽם זַרְעֲךָ יִמָּנֶֽה׃

En Ik zal uw zaad stellen als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zal kunnen tellen, zal ook uw zaad geteld worden.

GEN

13

17

קוּם הִתְהַלֵּךְ בָּאָרֶץ לְאָרְכָּהּ וּלְרָחְבָּ֑הּ כִּי לְךָ אֶתְּנֶֽנָּה׃

Maak u op, wandel door dit land, in zijn lengte en in zijn breedte; want Ik zal het u geven.

Na de oorlog die Abraham voert om Lot te bevrijden en zijn ontmoeting met Melchizedek in H14, begint H15 met het vermelden van het woord van de HERE dat tot Abraham komt.

Herhaling belofte nageslacht

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

15

1

אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה הָיָה דְבַר יְהוָה אֶל אַבְרָם בַּֽמַּחֲזֶה לֵאמֹ֑ר אַל תִּירָא אַבְרָם אָנֹכִי מָגֵן לָךְ שְׂכָרְךָ הַרְבֵּה מְאֹֽד׃

Na deze dingen geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

GEN

15

2

וַיֹּאמֶר אַבְרָם אֲדֹנָי יֱהוִה מַה תִּתֶּן לִי וְאָנֹכִי הוֹלֵךְ עֲרִירִ֑י וּבֶן מֶשֶׁק בֵּיתִי הוּא דַּמֶּשֶׂק אֱלִיעֶֽזֶר׃

Toen zeide Abram: Heere, Heere! wat zult Gij mij geven, daar ik zonder kinderen heenga en de bezorger van mijn huis is deze Damaskener Eliëzer?

GEN

15

3

וַיֹּאמֶר אַבְרָם הֵן לִי לֹא נָתַתָּה זָ֑רַע וְהִנֵּה בֶן בֵּיתִי יוֹרֵשׁ אֹתִֽי׃

Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt Gij geen zaad gegeven, en zie, de zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn!

GEN

15

4

וְהִנֵּה דְבַר יְהוָה אֵלָיו לֵאמֹר לֹא יִֽירָשְׁךָ זֶ֑ה כִּי אִם אֲשֶׁר יֵצֵא מִמֵּעֶיךָ הוּא יִֽירָשֶֽׁךָ׃

En ziet, het woord des Heeren was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

GEN

15

5

וַיּוֹצֵא אֹתוֹ הַחוּצָה וַיֹּאמֶר הַבֶּט נָא הַשָּׁמַיְמָה וּסְפֹר הַכּוֹכָבִים אִם תּוּכַל לִסְפֹּר אֹתָ֑ם וַיֹּאמֶר לוֹ כֹּה יִהְיֶה זַרְעֶֽךָ׃

Toen leidde Hij hem uit naar buiten, en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!

GEN

15

6

וְהֶאֱמִן בַּֽיהוָ֑ה וַיַּחְשְׁבֶהָ לּוֹ צְדָקָֽה׃

En hij geloofde in den Heere; en Hij rekende het hem tot gerechtigheid.

In Romeinen 4 wordt naar deze passage verwezen in Paulus’ betoog over gerechtigheid die toegerekend wordt op basis van geloof (vertrouwen), en niet op basis van werken. En om ‘zijn besnijdenisloze’ evangelie van de inclusie van niet-Joodse volgelingen van de Here Jezus in de gemeente te ondersteunen.

In het vervolg van H15 sluit de Here met Abram het verbond tussen de stukken, d.w.z. dat de verbondspartners tussen stukgesneden dieren doorlopen. Een wijze van doen die in bijbelse tijden bekend was zoals ook blijkt uit Jeremia 34:18-20. Hierbij wordt Abram het volgende aangezegd:

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

15

13

וַיֹּאמֶר לְאַבְרָם יָדֹעַ תֵּדַע כִּי גֵר יִהְיֶה זַרְעֲךָ בְּאֶרֶץ לֹא לָהֶם וַעֲבָדוּם וְעִנּוּ אֹתָ֑ם אַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָֽה׃

Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.

GEN

15

14

וְגַם אֶת הַגּוֹי אֲשֶׁר יַעֲבֹדוּ דָּן אָנֹ֑כִי וְאַחֲרֵי כֵן יֵצְאוּ בִּרְכֻשׁ גָּדֽוֹל׃

Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have.

GEN

15

15

וְאַתָּה תָּבוֹא אֶל אֲבֹתֶיךָ בְּשָׁל֑וֹם תִּקָּבֵר בְּשֵׂיבָה טוֹבָֽה׃

En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.

GEN

15

16

וְדוֹר רְבִיעִי יָשׁוּבוּ הֵ֑נָּה כִּי לֹא שָׁלֵם עֲוֺן הָאֱמֹרִי עַד הֵֽנָּה׃

En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen.

GEN

15

17

וַיְהִי הַשֶּׁמֶשׁ בָּאָה וַעֲלָטָה הָיָ֑ה וְהִנֵּה תַנּוּר עָשָׁן וְלַפִּיד אֵשׁ אֲשֶׁר עָבַר בֵּין הַגְּזָרִים הָאֵֽלֶּה׃

En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging.

GEN

15

18

בַּיּוֹם הַהוּא כָּרַת יְהוָה אֶת אַבְרָם בְּרִית לֵאמֹ֑ר לְזַרְעֲךָ נָתַתִּי אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת מִנְּהַר מִצְרַיִם עַד הַנָּהָר הַגָּדֹל נְהַר פְּרָֽת׃

Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:

GEN

15

19

אֶת הַקֵּינִי וְאֶת הַקְּנִזִּי וְאֵת הַקַּדְמֹנִֽי׃

Den Keniet, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

GEN

15

20

וְאֶת הַחִתִּי וְאֶת הַפְּרִזִּי וְאֶת הָרְפָאִֽים׃

En den Hethiet, en den Fereziet, en de Refaieten,

GEN

15

21

וְאֶת הָֽאֱמֹרִי וְאֶת הַֽכְּנַעֲנִי וְאֶת הַגִּרְגָּשִׁי וְאֶת הַיְבוּסִֽי׃ס

En den Amoriet, en den Kanaäniet, en den Girgaziet, en den Jebusiet.

Het gedeelte is vol symboliek die aparte studie vraagt. Een aspect daarvan is dat Abram niet tussen de stukken doorgaat, wat wijst dat hier sprake is van een eenzijdig door God gesloten verbond dat daarmee ook onherroepelijk is.
In het volgende hoofdstuk neemt Sara het initiatief om Gods belofte van nageslacht tot vervulling te laten komen: Hagar als draagmoeder. Het blijkt in H17, 13 jaar later, niet Gods bedoeling. Opnieuw spreekt God van een verbond met Abram en maakt duidelijk dat het om meer gaat dan één volk, Abrams naam wordt Abraham, vader van een menigte van volken. Opnieuw klinkt de belofte van een groot nageslacht en de landbelofte. Abraham krijgt de opdracht dit verbond te bewaren (shamar) en dat te doen door het teken van het verbond, de besnijdenis, aan te brengen bij alle mannelijke verbondsgenoten. En de erfgenaam van dit verbond is Izak, die uit Sara geboren zal worden.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

17

21

וְאֶת בְּרִיתִי אָקִים אֶת יִצְחָ֑ק אֲשֶׁר תֵּלֵד לְךָ שָׂרָה לַמּוֹעֵד הַזֶּה בַּשָּׁנָה הָאַחֶֽרֶת׃

Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.

In H22, waar de geschiedenis van de binding van Izak verhaald wordt, horen wij opnieuw de verbondsbelofte:

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

22

15

וַיִּקְרָא מַלְאַךְ יְהוָה אֶל אַבְרָהָ֑ם שֵׁנִית מִן הַשָּׁמָֽיִם׃

Toen riep de Engel des Heeren tot Abraham ten tweeden male van den hemel;

GEN

22

16

וַיֹּאמֶר בִּי נִשְׁבַּעְתִּי נְאֻם יְהוָ֑ה כִּי יַעַן אֲשֶׁר עָשִׂיתָ אֶת הַדָּבָר הַזֶּה וְלֹא חָשַׂכְתָּ אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידֶֽךָ׃

En zeide: Ik zweer bij Mijzelven, spreekt de Heere; daarom dat gij deze zaak gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, niet onthouden hebt;

GEN

22

17

כִּֽי בָרֵךְ אֲבָרֶכְךָ וְהַרְבָּה אַרְבֶּה אֶֽת זַרְעֲךָ כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם וְכַחוֹל אֲשֶׁר עַל שְׂפַת הַיָּ֑ם וְיִרַשׁ זַרְעֲךָ אֵת שַׁעַר אֹיְבָֽיו׃

Voorzeker zal Ik u grotelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels, en als het zand, dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poort zijner vijanden erfelijk bezitten.

GEN

22

18

וְהִתְבָּרֲכוּ בְזַרְעֲךָ כֹּל גּוֹיֵי הָאָ֑רֶץ עֵקֶב אֲשֶׁר שָׁמַעְתָּ בְּקֹלִֽי׃

En in uw zaad zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij Mijn stem gehoorzaam geweest zijt.

In H26 verschijnt de HERE in Bersheba aan Izak in de nacht:

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

26

24

וַיֵּרָא אֵלָיו יְהוָה בַּלַּיְלָה הַהוּא וַיֹּאמֶר אָנֹכִי אֱלֹהֵי אַבְרָהָם אָבִ֑יךָ אַל תִּירָא כִּֽי אִתְּךָ אָנֹכִי וּבֵֽרַכְתִּיךָ וְהִרְבֵּיתִי אֶֽת זַרְעֲךָ בַּעֲבוּר אַבְרָהָם עַבְדִּֽי׃

En de Heere verscheen hem in denzelven nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham, uw vader; vrees niet; want Ik ben met u; en Ik zal u zegenen, en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams, Mijns knechts, wil.

In H28 vertrekt Jakob, uit angst voor de wraak van Ezau, uit Bersheba naar Haran. Hij overnacht in Betel, waar de HERE hem verschijnt en wij expliciet te horen krijgen dat hij de erfgenaam van de belofte aan Abraham is.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

26

13

וַיִּגְדַּל הָאִ֑ישׁ וַיֵּלֶךְ הָלוֹךְ וְגָדֵל עַד כִּֽי גָדַל מְאֹֽד׃

En die man werd groot, ja, hij werd doorgaans groter, totdat hij zeer groot geworden was.

GEN

26

14

וַֽיְהִי לוֹ מִקְנֵה צֹאן וּמִקְנֵה בָקָר וַעֲבֻדָּה רַבָּ֑ה וַיְקַנְאוּ אֹתוֹ פְּלִשְׁתִּֽים׃

En hij had bezitting van schapen, en bezitting van runderen, en groot gezin; zodat hem de Filistijnen benijdden.

In H35 is Jakob eindelijk terug in Bethel en verschijnt God aan hem, Abrahams erfgenaam.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

35

9

וַיֵּרָא אֱלֹהִים אֶֽל יַעֲקֹב עוֹד בְּבֹאוֹ מִפַּדַּן אֲרָ֑ם וַיְבָרֶךְ אֹתֽוֹ׃

En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-aram gekomen was; en Hij zegende hem.

GEN

35

10

וַיֹּֽאמֶר לוֹ אֱלֹהִים שִׁמְךָ יַעֲקֹ֑ב לֹֽא יִקָּרֵא שִׁמְךָ עוֹד יַעֲקֹב כִּי אִם יִשְׂרָאֵל יִהְיֶה שְׁמֶךָ וַיִּקְרָא אֶת שְׁמוֹ יִשְׂרָאֵֽל׃

En God zeide tot hem: Uw naam is Jakob, uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal uw naam zijn; en Hij noemde zijn naam Israël.

GEN

35

11

וַיֹּאמֶר לוֹ אֱלֹהִים אֲנִי אֵל שַׁדַּי פְּרֵה וּרְבֵה גּוֹי וּקְהַל גּוֹיִם יִהְיֶה מִמֶּ֑ךָּ וּמְלָכִים מֵחֲלָצֶיךָ יֵצֵֽאוּ׃

Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige! wees vruchtbaar, en vermenigvuldig! Een volk, ja, een hoop der volken zal uit u worden, en koningen zullen uit uw lenden voortkomen.

GEN

35

12

וְאֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר נָתַתִּי לְאַבְרָהָם וּלְיִצְחָק לְךָ אֶתְּנֶ֑נָּה וּֽלְזַרְעֲךָ אַחֲרֶיךָ אֶתֵּן אֶת הָאָֽרֶץ׃

En dit land, dat Ik aan Abraham en Izak gegeven heb, dat zal Ik u geven; en aan uw zaad na u zal Ik dit land geven.

GEN

35

13

וַיַּעַל מֵעָלָיו אֱלֹהִ֑ים בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר דִּבֶּר אִתּֽוֹ׃

Toen voer God van hem op in die plaats, waar Hij met hem gesproken had.

Vanaf Jakob verbindt God Zich uitdrukkelijk aan zijn nakomelingen. Binnen dat volk zijn er figuren die een opmerkelijke rol vervullen - denk aan Jozef, Mozes, Jozua, David, e.a. - maar de erfenis van Abraham is nu het deel van dit volk dat uit Abraham is voortgekomen in de lijn Izak, Jakob. Gelovigen uit de andere volken kunnen deel krijgen aan de geestelijke erfenis, niet in plaats van Israel, maar als medeerfgenamen (zie Efeze 2).

Excurs 2: Christus in Genesis

Christus de hoofdpersoon van heel de Schrift

BOEK

HFD

VS

TR

SV

LUK

24

27

καὶ  ἀρξάμενος  ἀπὸ  Μωσέως  καὶ  ἀπὸ  πάντων  τῶν  προφητῶν  διηρμήνευεν  αὐτοῖς  ἐν  πάσαις  ταῖς  γραφαῖς  τὰ  περὶ  ἑαυτοῦ 

En begonnen hebbende van Mozes en van al de profeten legde Hij hun uit in al de Schriften hetgeen van Hem geschreven was.

De Schriften getuigen van Jezus. Vanaf het begin van het NT wordt dat benadrukt in de herhaalde woorden van Mattheus opdat vervuld zou worden (of woorden van gelijke strekking) gevolgd door een citaat uit het OT. Paulus onderbouwt ‘zijn’ evangelie bij voortduring met een beroep op teksten uit de Tanach. En ook in andere boeken in het NT wordt zo geredeneerd.
Het blijkt hierbij niet alleen om vervulling van profetieën te gaan, maar ook gebeurtenissen - denk aan Abrahams ontmoeting met Melchizedek, zie Hebreeën 7 -, instellingen - denk aan de offerdienst - en personen - denk aan Adam, zie 1 Korinthe 15:22vv - verwijzen naar de Here Jezus Christus. In Genesis komen we zo ook heenwijzingen tegen naar Hem die Middelpunt van de Schrift is. Enkele voorbeelden, zeker geen volledig overzicht, hieronder.

Adam - type van Christus, de laatste Adam

Verantwoording: onderstaande over Adam als (anti)type van Christus is overgenomen uit het lesmateriaal van de Brandpunt Bijbelschool, les 2 van lessen Christus in het Oude en Nieuwe Testament.

**Adam een voorbeeld - Grieks τυπος - typos, type - van Christus

BOEK

HFD

VS

TR

SV

ROM

5

14

ἀλλ᾽  ἐβασίλευσεν  ὁ  θάνατος  ἀπὸ  Ἀδὰμ  μέχρι  Μωσέως  καὶ  ἐπὶ  τοὺς  μὴ  ἁμαρτήσαντας  ἐπὶ  τῷ  ὁμοιώματι  τῆς  παραβάσεως  Ἀδάμ  ὅς  ἐστιν  τύπος  τοῦ  μέλλοντος 

Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe ook over degenen die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding van Adam welke een voorbeeld is Desgenen Die komen zou.

Adam als voorbeeld van Christus wordt uitgewerkt in Romeinen 5:12-21 en 1 Korinthe 15:21-54.

Overeenkomsten:

  • Zij hadden beide geen aardse vader, maar kwamen wat hun oorsprong betreft uit God, zonder de wil van een man.
  • Zij waren het beeld en de zoon van God in geheel enige zin.
  • Zij zijn beiden aangesteld tot heer der schepping, om heerschappij uit te oefenen over alle schepselen.
  • Zij waren beiden het vertegenwoordigend bondshoofd van het menselijk geslacht; de eerste van de oude schepping, de tweede van de nieuwe schepping.
  • God heeft uit enen bloede het ganse menselijk geslacht gemaakt en zo werden wij door Christus de Goddelijke natuur deelachtig, 2 Petr.1:4; Gal.2:20; Efeze 4:24.

Tegenstellingen (Adam als anti-type)

Romeinen 5:12-21

Adam

Christus

Door één mens de zonde ingekomen

De genadegift door één Mens

Door de misdaad van één sterven velen

De genade Gods overvloedig geweest over velen

De schuld door één mens tot verdoemenis

De genadegift tot rechtvaardiging des levens

Door de misdaad van één heerst de dood

Door Jezus Christus heersen wij in het leven

Door de misdaad van één de schuld tot verdoemenis

Door de rechtvaardigheid van Eén de de rechtvaardigmaking des levens

Door de ongehoorzaamheid van één vele zondaars

Door de gehoorzaamheid v a n Eén vele rechtvaardigen

De zonde heerst tot de dood

De genade heerst tot het eeuwige leven

1 Korinthe 15:21-54

Adam

Christus

Door één mens de dood

Door één Mens de opstanding.

Eerste Adam . .. een levende ziel

Laatste Adam .. een levendmakende geest

In Adam sterven allen

In Christus allen levend gemaakt

De eerste mens is uit de aarde aards

De tweede Mens is "de Here uit de hemel".

De natuurlijke mens draagt het beeld van de aardse

De wedergeboren mens zal het beeld van de hemelse dragen

In Adam sterfelijk

In Christus onsterfelijk

In Adam verderfelijk

In Christus onverderfelijk

Alle mensen zijn òf “in Christus” òf “in Adam”. Iedere afstammeling van Adam kan door eenvoudig geloof “uit Adam” en “in Christus” komen. Het geloof is de enige brug, waarop men van de oude schepping (in Adam) in de nieuwe schepping (in Christus) kan overgaan.

De mens “in Adam” en de mens “in Christus”

Adam

Christus

Verloren - Joh.3 : 18; 2 Cor.4 : 4

Behouden - Ef. 2: 8,9; 2 Tim. 1 : 9

Dood in zonden - Efeze 2 : 1

Der zonde dood - Rom.6 : 11

Kind van Satan - Joh. 8 : 44

Kind van God - Joh. 1 : 12

Ver van God - Ef. 2 : 12

Nabij God - Ef.2 : 13

Zeker van de hel - Openb. 21 : 8

Zeker van de hemel - 1 Petr.1 : 9

Wacht op dood en oordeel - Hebr.9:27; Luc.16 : 22,23.

Wacht op Christus en heerlijkheid - Fil.3:20; Hebr.9: 28

Onder Gods oordeel - Joh.3 : 36, Rom.1:18

Onder Gods genade - Rom.5 : 2; Ef.1: 2

Jozef als type van de Here Jezus

Jozef

Tekst1

Jezus

Tekst2

Lievelingszoon van zijn vader Jacob

Gen.37:3

Geliefde zoon van de Vader

Mat.3:17

Jozef was eerst bij zijn vader thuis

Gen.37

Jezus, het Woord was bij God

Joh.1:1

Jozef door zijn broers gehaat

Gen.37:4

Jezus gehaat door zijn broers

Joh.15:18

Mantel afgenomen

Gen.37:3,31; 39:13

Mantel afgenomen

Joh.19:23-24, Mt.27:35; Mk.15:24; Lk. 23:34

Dromen beloven Jozef hoge positie

Gen.37:5-11

Profetieën en visioenen voorzeggen Jezus' Koningschap

Jes.9:6 e.a.

Door zijn vader naar zijn broers gezonden

Gen.37:13, 14

Door Zijn Vader naar Zijn volk gezonden

Joh.5:23,24

Jozef in de put geworpen

Gen.37:20

Jezus werd in het graf gelegd, daalde af naar het dodenrijk

Ef.4:9,10

Jozef verkocht voor 20 zilverstukken

Gen.37:28

Jezus werd verraden voor 30 zilverlingen

Mt.26:16

Spot & eigen rechtvaardiging

Gen.37:20

Spot & eigen rechtvaardiging

Mk.15:30-32

Jozef werd verzocht

Gen. 39:28

Jezus werd verzocht

Mt.4

Jozef in de put geworpen

Gen.37:20

Jezus werd in het graf gelegd, daalde af naar het dodenrijk

Ef.4:9,10

Jozef huwt een heidense bruid

Gen.41:45

Jezus verwerft de gemeente uit Jood en heiden

Ef.2:

Jozef voorziet de wereld van brood

Gen.41:57

Jezus is het levende brood

Joh.6:51

Hij maakt zich aan zijn broeders bekend

Gen.45:1vv

Jezus zal aan Israel geopenbaard worden

Op.1:7;Rom.11:32; Jer.31:31

Hij wordt de behouder van Israel

Gen.47:11-12

In Hem wordt gans Israel behouden

Rom.11:27-32

Noot. Grotendeels overgenomen uit PP-presentatie EC bijbelcursus OT les 2, 2026-2027

Excurs 3: Het tegoed

Abraham krijgt de belofte van een groot nageslacht en een eigen land voor zijn nageslacht. Abraham heeft in zijn leven alleen de eerste vervulling van de belofte van nakomelingen gezien bij de geboorte van Izak en de geboorte van Jakob. Wat de landbelofte betreft heeft hij alleen het in eigendom krijgen van de spelonk van Machpela als graf voor Sara als vervulling gezien.
Het boek Genesis eindigt overigens in Egypte, Abrahams nageslacht is wel toegenomen maar nog niet heel talrijk, en het eigen land is nog steeds beperkt tot de spelonk van Machpela, al wordt er al geen gebruik meer van gemaakt.
Als de Tora afsluit is het volk behoorlijk in aantal toegenomen, en het beloofde land is wel in zicht, maar nog steeds een ‘tegoed’.
Er volgen tijden dat het volk Israel in het beloofde land leeft, het in eigendom heeft, maar het blijkt een tijdelijk iets te zijn. Ten tijde van de laatst profeet, Maleachi, is het volk terug in het land, maar is niet de bezitter ervan. Het boek eindigt met een belofte, met andere woorden met uitzicht op een ‘tegoed’.
Het boek 2 Kronieken, het laatste van de Geschriften, eindigt als het volk in ballingschap is en koning Cyrus toestemming geeft voor terugkeer om de tempel te herbouwen. Een nog niet gerealiseerd vooruitzicht, een ‘tegoed’.
Het is in het NT niet veel anders wat dit betreft. Misschien is het NT nog wel meer het boek met uitzicht op het ‘tegoed’ dan het OT. Het ‘tegoed’ van de toekomende wereld waar gerechtigheid woont, van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, van de tijd dat God alle tranen van de ogen afwist, etc., etc.
Zo is de bijbel het boek voor mensen onderweg, onderweg naar de toekomst die aan en van de Here God is, waarvan de voorsmaak geproefd wordt en de totale vervulling een ‘tegoed’ is. Leven in geloof is leven met dat ‘tegoed’ voor ogen, een vooruitzicht dat gevoed door Hem die Zijn handtekening eronder gezet heeft op Golgotha, een kracht is voor mensen onderweg die daardoor alles wat op die weg op hun pad komt aankunnen. Zie Hebreeën 11.

Excurs 4: de leeftijd van Izaak in Gen.22

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

17

17

וַיִּפֹּל אַבְרָהָם עַל פָּנָיו וַיִּצְחָ֑ק וַיֹּאמֶר בְּלִבּוֹ הַלְּבֶן מֵאָֽה שָׁנָה יִוָּלֵד וְאִם שָׂרָה הֲבַת תִּשְׁעִים שָׁנָה תֵּלֵֽד׃

Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hart: Zal een, die honderd jaren oud is, een kind geboren worden; en zal Sara, die negentig jaren oud is, baren?

GEN

23

1

וַיִּהְיוּ חַיֵּי שָׂרָה מֵאָה שָׁנָה וְעֶשְׂרִים שָׁנָה וְשֶׁבַע שָׁנִ֑ים שְׁנֵי חַיֵּי שָׂרָֽה׃

En het leven van Sara was honderd zeven en twintig jaren; dit waren de jaren des levens van Sara.

Sara leefde 127 jaar, bij haar overlijden is Izak 37. Ervan uitgaande dat er niet veeel tijd ligt tussen Genesis 22 en het in Genesis 23 vermelde overlijden van Sara, is Izaäk iets jonger dan 37 jaar geweest bij de binding. Josephus vermeldt dat Isaak 25 jaar was en gaat dus blijkbaar uit van een langere periode tussen H22 en H23.

Bronnen

Josephus Antiquities of the Jews 1.13.2
2. Now Abraham thought that it was not right to disobey God in any thing, but that he was obliged to serve him in every circumstance of life, since all creatures that live enjoy their life by his providence, and the kindness he bestows on them. Accordingly he concealed this command of God, and his own intentions about the slaughter of his son, from his wife, as also from every one of his servants, otherwise he should have been hindered from his obedience to God; and he took Isaac, together with two of his servants, and laying what things were necessary for a sacrifice upon an ass, he went away to the mountain. Now the two servants went along with him two days; but on the third day, as soon as he saw the mountain, he left those servants that were with him till then in the plain, and, having his son alone with him, he came to the mountain. It was that mountain upon which king David afterwards built the temple. (28) Now they had brought with them every thing necessary for a sacrifice, excepting the animal that was to be offered only. Now Isaac was twenty-five years old. And as he was building the altar, he asked his father what he was about to offer, since there was no animal there for an oblation : - to which it was answered, “That God would provide himself an oblation, he being able to make a plentiful provision for men out of what they have not, and to deprive others of what they already have, when they put too much trust therein; that therefore, if God pleased to be present and propitious at this sacrifice, he would provide himself an oblation.”


  1. Art Scroll Tanach Series Bershies op Gen.11:29↩︎

  2. een andere optie is dat niet Abraham maar Haran de oudste zoon van Terah is en dat Abraham 60 jaar later is geboren en dan uit Haran vertrok na de dood van zijn vader↩︎

  3. De vierhonderd jaar onderdrukking; dat zijn geen vierhonderd jaar in Egypte; deze jaren moeten gerekend worden vanaf dit moment of iets later↩︎

  4. Hebr. מַלְאַךְ יְהוָה kan vertaald worden als ‘de engel van de HERE’, ‘een engel van de HERE’ of als ‘een boodschapper van de HERE’↩︎

  5. als Sara dezelfde is als Jiska, die genoemd wordt als dochter van Haran (Gen.11:29); in dat geval zou zij een kleindochter van Terah en een nicht van Abram zijn; nu wordt ook Lot - zoon van Haran, dus neef van Abram - wel zijn broeder genoemd (Gen.14:12-14) dus onmogelijk is het niet dat Jiska dezelfde is als Sara; de twee broers Abram en Nachor zouden dan getrouwd zijn met de dochters van hun jong overleden (Gen.11:28) broer Haran↩︎

  6. Sforno een een bekende Joodse rabbi en bijbelcommentator uit Italië, 1475-1550.↩︎