Vervoeging הָיָה

Strong H1961
Betekenis: zijn, worden
Frequentie Qal: 3530

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

הָיָה

333

וְהָיָה

394

קָטַל

3fs

הָיְתָה

111

וְהָיְתָה

91

קָֽטְלָה

2ms

הָיִיתָ

22

וְהָיִיתָ

25

קָטַ֫לְתָּ

2fs

הָיִית

4

וְהָיִית

1

קָטַלְתְּ

1cs

הָיִיתִי

48

וְהָיִיתִי

18

קָטַ֫לְתִּי

3cp

הָיוּ

163

וְהָיוּ

105

קָטְלוּ

2mp

הֱיִיתֶם

12

וִהְיִיתֶם

17

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

הָיִינוּ

11

וְהָיִינוּ

5

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

42

31

וַנֹּאמֶר אֵלָיו כֵּנִים אֲנָ֑חְנוּ לֹא הָיִינוּ מְרַגְּלִֽים׃

Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders.

JER

2

31

הַדּוֹר אַתֶּם רְאוּ דְבַר יְהוָה הֲמִדְבָּר הָיִיתִי לְיִשְׂרָאֵל אִם אֶרֶץ מַאְפֵּלְיָ֑ה מַדּוּעַ אָמְרוּ עַמִּי רַדְנוּ לֽוֹא נָבוֹא עוֹד אֵלֶֽיךָ׃

O geslacht, aanmerkt toch gijlieden des Heeren woord! Ben Ik Israël een woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan Mijn volk: Wij zijn heren, wij zullen niet meer tot U komen?

EZE

16

22

וְאֵת כָּל תּוֹעֲבֹתַיִךְ וְתַזְנֻתַיִךְ לֹא זָכַרְתִּי אֶת יְמֵי נְעוּרָ֑יִךְ בִּֽהְיוֹתֵךְ עֵרֹם וְעֶרְיָה מִתְבּוֹסֶסֶת בְּדָמֵךְ הָיִֽית׃

Ook hebt gij bij al uw gruwelen en uw hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed.

DEU

28

62

וְנִשְׁאַרְתֶּם בִּמְתֵי מְעָט תַּחַת אֲשֶׁר הֱיִיתֶם כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם לָרֹ֑ב כִּי לֹא שָׁמַעְתָּ בְּקוֹל יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃

En gij zult met weinige mensen overgelaten worden, in plaats dat gij geweest zijt als de sterren des hemels in menigte; omdat gij der stem des Heeren, uws Gods, niet gehoorzaam geweest zijt.

EZE

28

19

כָּל יוֹדְעֶיךָ בָּֽעַמִּים שָׁמְמוּ עָלֶ֑יךָ בַּלָּהוֹת הָיִיתָ וְאֵינְךָ עַד עוֹלָֽם׃פ

Allen, die u kennen onder de volken, zijn over u ontzet; gij zijt een grote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.

JER

32

30

כִּֽי הָיוּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל וּבְנֵי יְהוּדָה אַךְ עֹשִׂים הָרַע בְּעֵינַי מִנְּעֻרֹֽתֵיהֶ֑ם כִּי בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל אַךְ מַכְעִסִים אֹתִי בְּמַעֲשֵׂה יְדֵיהֶם נְאֻם יְהוָֽה׃

Want de kinderen Israëls en de kinderen van Juda hebben van hun jeugd aan alleenlijk gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen; want de kinderen Israëls hebben Mij door het werk hunner handen alleenlijk vertoornd, spreekt de Heere.

2CH

22

11

וַתִּקַּח יְהוֹשַׁבְעַת בַּת הַמֶּלֶךְ אֶת יוֹאָשׁ בֶּן אֲחַזְיָהוּ וַתִּגְנֹב אֹתוֹ מִתּוֹךְ בְּנֵֽי הַמֶּלֶךְ הַמּוּמָתִים וַתִּתֵּן אֹתוֹ וְאֶת מֵֽינִקְתּוֹ בַּחֲדַר הַמִּטּ֑וֹת וַתַּסְתִּירֵהוּ יְהוֹשַׁבְעַת בַּת הַמֶּלֶךְ יְהוֹרָם אֵשֶׁת יְהוֹיָדָע הַכֹּהֵן כִּי הִיא הָיְתָה אֲחוֹת אֲחַזְיָהוּ מִפְּנֵי עֲתַלְיָהוּ וְלֹא הֱמִיתָֽתְהוּ׃

Maar Jozabath, de dochter des konings, nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des konings zonen, die gedood werden, en zette hem en zijn voedster in een slaapkamer; zo verborg hem Jozabath, de dochter van den koning Joram, de huisvrouw van den priester Jojada ( want zij was de zuster van Ahazia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.

PSA

89

41

שַׁסֻּהוּ כָּל עֹבְרֵי דָ֑רֶךְ הָיָה חֶרְפָּה לִשְׁכֵנָֽיו׃

[089:42] Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

47

25

וַיֹּאמְרוּ הֶחֱיִתָ֑נוּ נִמְצָא חֵן בְּעֵינֵי אֲדֹנִי וְהָיִינוּ עֲבָדִים לְפַרְעֹֽה׃

En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat ons genade vinden in de ogen mijns heren, en wij zullen Farao’s knechten zijn.

JDG

16

11

וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ אִם אָסוֹר יַאַסְרוּנִי בַּעֲבֹתִים חֲדָשִׁים אֲשֶׁר לֹֽא נַעֲשָׂה בָהֶם מְלָאכָ֑ה וְחָלִיתִי וְהָיִיתִי כְּאַחַד הָאָדָֽם׃

En hij zeide tot haar: Indiën zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met dewelke geen werk gedaan is, zo zou ik zwak worden, en wezen als een ander mens.

2SA

14

2

וַיִּשְׁלַח יוֹאָב תְּקוֹעָה וַיִּקַּח מִשָּׁם אִשָּׁה חֲכָמָ֑ה וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ הִֽתְאַבְּלִי נָא וְלִבְשִׁי נָא בִגְדֵי אֵבֶל וְאַל תָּסוּכִי שֶׁמֶן וְהָיִית כְּאִשָּׁה זֶה יָמִים רַבִּים מִתְאַבֶּלֶת עַל מֵֽת׃

Zo zond Joab heen naar Thekoa, en nam van daar een wijze vrouw; en hij zeide tot haar: Stel u toch, alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwklederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als een vrouw, die nu vele dagen rouw gedragen heeft over een dode;

1SA

4

9

הִֽתְחַזְּקוּ וִֽהְיוּ לַֽאֲנָשִׁים פְּלִשְׁתִּים פֶּן תַּעַבְדוּ לָעִבְרִים כַּאֲשֶׁר עָבְדוּ לָכֶ֑ם וִהְיִיתֶם לַאֲנָשִׁים וְנִלְחַמְתֶּֽם׃

Zijt sterk, en weest mannen, gij Filistijnen, opdat gij de Hebreën niet misschien dient, gelijk als zij ulieden gediend hebben; zo zijt mannen, en strijdt.

DEU

7

26

וְלֹא תָבִיא תֽוֹעֵבָה אֶל בֵּיתֶךָ וְהָיִיתָ חֵרֶם כָּמֹ֑הוּ שַׁקֵּץ תְּשַׁקְּצֶנּוּ וְתַעֵב תְּֽתַעֲבֶנּוּ כִּי חֵרֶם הֽוּא׃פ

Gij zult dan den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk datzelve is; gij zult het ganselijk verfoeien, en ten enenmaal een gruwel daarvan hebben, want het is een ban.

JOS

16

8

מִתַּפּוּחַ יֵלֵךְ הַגְּבוּל יָמָּה נַחַל קָנָה וְהָיוּ תֹצְאֹתָיו הַיָּ֑מָּה זֹאת נַחֲלַת מַטֵּה בְנֵי אֶפְרַיִם לְמִשְׁפְּחֹתָֽם׃

Van Tappuah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en haar uitgangen zijn aan de zee. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Efraïm, naar hun huisgezinnen.

JER

7

33

וְֽהָיְתָה נִבְלַת הָעָם הַזֶּה לְמַֽאֲכָל לְעוֹף הַשָּׁמַיִם וּלְבֶהֱמַת הָאָ֑רֶץ וְאֵין מַחֲרִֽיד׃

En de dode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels, en het gedierte der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken.

1SA

10

7

וְהָיָה כִּי תְבֹאֶינָה הָאֹתוֹת הָאֵלֶּה לָ֑ךְ עֲשֵׂה לְךָ אֲשֶׁר תִּמְצָא יָדֶךָ כִּי הָאֱלֹהִים עִמָּֽךְ׃

En het zal geschieden, als u deze tekenen zullen komen, doe gij, wat uw hand vinden zal, want God zal met u zijn.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

שֶׁהָיָה

4

3ms

שֶּׁהָיָה

4

3ms

הָיָהס

1

3ms

כְּשֶׁהָיָה

1

3fs

הָיָתָה

4

3fs

הֶהָיְתָה

1

3fs

הָיתָה

1

2ms

הָיִיתָה

1

2fs

הָיִיתְ

1

2fs

הָיִיתי

1

3cp

הָיוּפ

2

3cp

הָיָה

1

3cp

הָיוּס

1

3cp

שֶׁהָיוּ

1

2mp

הֱיִתֶם

1

3ms

וְהָיוּ

1

3ms

יִהְיֶה

1

3fs

וְהָיָת

1

2ms

וְהָיִיתָה

1

2ms

וְהָיִתָ

1

2ms

וְהָיִתָה

1

2fs

וְהָיִיתְ

1

3cp

וְהָיָה

5

3cp

וְיִהְיוּ

1

2mp

וִהְיִתֶם

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

ECC

3

LAM

1

2SA

5

JDG

11

2SA

8

DEU

31

EZE

47

12

וְעַל הַנַּחַל יַעֲלֶה עַל שְׂפָתוֹ מִזֶּה וּמִזֶּה כָּל עֵֽץ מַאֲכָל לֹא יִבּוֹל עָלֵהוּ וְלֹֽא יִתֹּם פִּרְיוֹ לָֽחֳדָשָׁיו יְבַכֵּר כִּי מֵימָיו מִן הַמִּקְדָּשׁ הֵמָּה יֽוֹצְאִ֑ים וְהָיוּ פִרְיוֹ לְמַֽאֲכָל וְעָלֵהוּ לִתְרוּפָֽה׃ס

Aan de beek nu, aan haar oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad niet zal afvallen, noch de vrucht daarvan vergaan; in zijn maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen; want zijn wateren vlieten uit het heiligdom; en zijn vrucht zal zijn tot spijze, en zijn blad tot heling.

2KI

9

37

וְהָיָת נִבְלַת אִיזֶבֶל כְּדֹמֶן עַל פְּנֵי הַשָּׂדֶה בְּחֵלֶק יִזְרְעֶ֑אל אֲשֶׁר לֹֽא יֹאמְרוּ זֹאת אִיזָֽבֶל׃פ

En het dode lichaam van Izebel zal zijn gelijk mest op het veld, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izebel.

JDG

11

6

וַיֹּאמְרוּ לְיִפְתָּח לְכָה וְהָיִיתָה לָּנוּ לְקָצִ֑ין וְנִֽלָּחֲמָה בִּבְנֵי עַמּֽוֹן׃

En zij zeiden tot Jeftha: Kom, en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.

ISA

62

3

וְהָיִיתְ עֲטֶרֶת תִּפְאֶרֶת בְּיַד יְהוָ֑ה וּצְנוֹף מְלוּכָה בְּכַף אֱלֹהָֽיִךְ׃

En gij zult een sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren, en een koninklijke hoed in de hand uws Gods.

JOS

19

29

וְשָׁב הַגְּבוּל הָֽרָמָה וְעַד עִיר מִבְצַר צֹ֑ר וְשָׁב הַגְּבוּל חֹסָה וְיִהְיוּ תֹצְאֹתָיו הַיָּמָּה מֵחֶבֶל אַכְזִֽיבָה׃

En deze landpale wendt zich naar Rama, en tot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naar Hosa, en haar uitgangen zijn aan de zee, van het landsnoer strekkende naar Achzib,

1SA

12

14

אִם תִּֽירְאוּ אֶת יְהוָה וַעֲבַדְתֶּם אֹתוֹ וּשְׁמַעְתֶּם בְּקֹלוֹ וְלֹא תַמְרוּ אֶת פִּי יְהוָ֑ה וִהְיִתֶם גַּם אַתֶּם וְגַם הַמֶּלֶךְ אֲשֶׁר מָלַךְ עֲלֵיכֶם אַחַר יְהוָה אֱלֹהֵיכֶֽם׃

Zo gij den Heere zult vrezen, en Hem dienen, en naar Zijn stem horen, en den mond des Heeren niet wederspannig zijt, zo zult gijlieden, zowel gij als de koning, die over u regeren zal, achter den Heere, uw God, zijn.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יִהְיֶה

413

וַיְהִי

780

יִקְטֹל

3fs

תִּהְיֶה

92

וַתְּהִי

84

תִּקְטֹל

2ms

תִּהְיֶה

19

וַתְּהִי

1

תִּקְטֹל

2fs

תִהְיִי

1

וַתְּהִי

1

תִּקְטְלִי

1cs

אֶהְיֶה

41

וָאֱהִי

13

וְאֶהְיֶה

2

אֶקְטֹל

3mp

יִהְיוּ

114

וַיִּהְיוּ

104

וְיִהְיוּ

11

יִקְטְלוּ

3fp

תִּהְיֶינָה

16

וַתִּהְיֶינָה

7

וְתִהְיֶינָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תִּהְיוּ

12

וַתִּהְיוּ

1

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִהְיֶה

5

וַנְּהִי

2

וְנִהְיֶה

1

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

31

3

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶֽל יַעֲקֹב שׁוּב אֶל אֶרֶץ אֲבוֹתֶיךָ וּלְמוֹלַדְתֶּ֑ךָ וְאֶֽהְיֶה עִמָּֽךְ׃

En de Heere zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen, en tot uw maagschap, en Ik zal met u zijn.

GEN

38

23

וַיֹּאמֶר יְהוּדָה תִּֽקַּֽח לָהּ פֶּן נִהְיֶה לָב֑וּז הִנֵּה שָׁלַחְתִּי הַגְּדִי הַזֶּה וְאַתָּה לֹא מְצָאתָֽהּ׃

Toen zeide Juda: Zij neme het voor zich, opdat wij misschien niet tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden; maar gij hebt haar niet gevonden.

GEN

44

10

וַיֹּאמֶר גַּם עַתָּה כְדִבְרֵיכֶם כֶּן ה֑וּא אֲשֶׁר יִמָּצֵא אִתּוֹ יִהְיֶה לִּי עָבֶד וְאַתֶּם תִּהְיוּ נְקִיִּֽם׃

En hij zeide: Dit zij nu ook alzo, naar uw woorden! Bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn.

GEN

47

19

לָמָּה נָמוּת לְעֵינֶיךָ גַּם אֲנַחְנוּ גַּם אַדְמָתֵנוּ קְנֵֽה אֹתָנוּ וְאֶת אַדְמָתֵנוּ בַּלָּ֑חֶם וְנִֽהְיֶה אֲנַחְנוּ וְאַדְמָתֵנוּ עֲבָדִים לְפַרְעֹה וְתֶן זֶרַע וְנִֽחְיֶה וְלֹא נָמוּת וְהָאֲדָמָה לֹא תֵשָֽׁם׃

Waarom zullen wij voor uw ogen sterven, zo wij als ons land? Koop ons en ons land voor brood; zo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde!

EXO

21

23

וְאִם אָסוֹן יִהְיֶ֑ה וְנָתַתָּה נֶפֶשׁ תַּחַת נָֽפֶשׁ׃

Maar indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel voor ziel,

EXO

26

24

וְיִֽהְיוּ תֹֽאֲמִים מִלְּמַטָּה֒ וְיַחְדָּו יִהְיוּ תַמִּים עַל רֹאשׁוֹ אֶל הַטַּבַּעַת הָאֶחָ֑ת כֵּן יִהְיֶה לִשְׁנֵיהֶם לִשְׁנֵי הַמִּקְצֹעֹת יִהְיֽוּ׃

En zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn; zij zullen ook als tweelingen aan het oppereinde deszelven samengevoegd zijn, met een ring; alzo zal het met de twee berderen zijn; tot twee hoekberderen zullen zij zijn.

NUM

4

40

וַיִּֽהְיוּ פְּקֻדֵיהֶם לְמִשְׁפְּחֹתָם לְבֵית אֲבֹתָ֑ם אַלְפַּיִם וְשֵׁשׁ מֵאוֹת וּשְׁלֹשִֽׁים׃

Hun getelden waren, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, twee duizend zeshonderd en dertig.

NUM

13

33

וְשָׁם רָאִינוּ אֶת הַנְּפִילִים בְּנֵי עֲנָק מִן הַנְּפִלִ֑ים וַנְּהִי בְעֵינֵינוּ כַּֽחֲגָבִים וְכֵן הָיִינוּ בְּעֵינֵיהֶֽם׃

Wij hebben ook daar de reuzen gezien, en de kinderen van Enak, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze ogen, alzo waren wij ook in hun ogen.

DEU

21

15

כִּֽי תִהְיֶיןָ לְאִישׁ שְׁתֵּי נָשִׁים הָאַחַת אֲהוּבָה וְהָאַחַת שְׂנוּאָה וְיָֽלְדוּ לוֹ בָנִים הָאֲהוּבָה וְהַשְּׂנוּאָ֑ה וְהָיָה הַבֵּן הַבְּכוֹר לַשְּׂנִיאָֽה׃

Wanneer een man twee vrouwen heeft, een beminde, en een gehate; en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard hebben, en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn;

DEU

23

12

וְיָד תִּהְיֶה לְךָ מִחוּץ לַֽמַּחֲנֶ֑ה וְיָצָאתָ שָׁמָּה חֽוּץ׃

Gij zult ook een plaats hebben buiten het leger, en daarhenen zult gij uitgaan naar buiten.

JOS

15

18

וַיְהִי בְּבוֹאָהּ וַתְּסִיתֵהוּ לִשְׁאוֹל מֵֽאֵת אָבִיהָ שָׂדֶה וַתִּצְנַח מֵעַל הַחֲמ֑וֹר וַיֹּֽאמֶר לָהּ כָּלֵב מַה לָּֽךְ׃

En het geschiedde, als zij tot hem kwam, zo porde zij hem aan, om een veld van haar vader te begeren; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?

2SA

19

13

וְלַֽעֲמָשָׂא תֹּֽמְרוּ הֲלוֹא עַצְמִי וּבְשָׂרִי אָ֑תָּה כֹּה יַֽעֲשֶׂה לִּי אֱלֹהִים וְכֹה יוֹסִיף אִם לֹא שַׂר צָבָא תִּהְיֶה לְפָנַי כָּל הַיָּמִים תַּחַת יוֹאָֽב׃

En tot Amasa zult gijlieden zeggen: Zijt gij niet mijn been en mijn vlees? God doe mij zo, en doe er zo toe, zo gij niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht, te allen dage, in Joabs plaats.

1KI

13

6

וַיַּעַן הַמֶּלֶךְ וַיֹּאמֶר אֶל אִישׁ הָאֱלֹהִים חַל נָא אֶת פְּנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְהִתְפַּלֵּל בַּעֲדִי וְתָשֹׁב יָדִי אֵלָ֑י וַיְחַל אִישׁ הָֽאֱלֹהִים אֶת פְּנֵי יְהוָה וַתָּשָׁב יַד הַמֶּלֶךְ אֵלָיו וַתְּהִי כְּבָרִֽאשֹׁנָֽה׃

Toen antwoordde de koning, en zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des Heeren, uws Gods, ernstelijk, en bid voor mij, dat mijn hand weder tot mij kome! Toen bad de man Gods het aangezicht des Heeren ernstelijk; en de hand des konings kwam weder tot hem, en werd gelijk te voren.

1CH

7

15

וּמָכִיר לָקַח אִשָּׁה לְחֻפִּים וּלְשֻׁפִּים וְשֵׁם אֲחֹתוֹ מַעֲכָה וְשֵׁם הַשֵּׁנִי צְלָפְחָ֑ד וַתִּהְיֶנָה לִצְלָפְחָד בָּנֽוֹת׃

Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters.

NEH

2

15

וָאֱהִי עֹלֶה בַנַּחַל לַיְלָה וָאֱהִי שֹׂבֵר בַּחוֹמָ֑ה וָאָשׁוּב וָאָבוֹא בְּשַׁעַר הַגַּיְא וָאָשֽׁוּב׃

Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan den muur; en ik keerde weder, en kwam in door de Dalpoort; alzo keerde ik wederom.

PSA

118

21

אוֹדְךָ כִּי עֲנִיתָ֑נִי וַתְּהִי לִי לִֽישׁוּעָֽה׃

Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.

ISA

59

6

קֽוּרֵיהֶם לֹא יִהְיוּ לְבֶגֶד וְלֹא יִתְכַּסּוּ בְּמַֽעֲשֵׂיהֶ֑ם מַֽעֲשֵׂיהֶם מַֽעֲשֵׂי אָוֶן וּפֹעַל חָמָס בְּכַפֵּיהֶֽם׃

Hun webben deugen niet tot klederen, en zij zullen zichzelven niet kunnen dekken met hun werken; hun werken zijn werken der ongerechtigheid, en een maaksel des wrevels is in hun handen.

JER

18

21

לָכֵן תֵּן אֶת בְּנֵיהֶם לָרָעָב וְהַגִּרֵם עַל יְדֵי חֶרֶב֒ וְתִֽהְיֶנָה נְשֵׁיהֶם שַׁכֻּלוֹת וְאַלְמָנוֹת וְאַנְשֵׁיהֶם יִֽהְיוּ הֲרֻגֵי מָ֑וֶת בַּחוּרֵיהֶם מֻכֵּי חֶרֶב בַּמִּלְחָמָֽה׃

Daarom, geef hun zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door den dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd.

EZE

16

34

וַיְהִי בָךְ הֵפֶךְ מִן הַנָּשִׁים בְּתַזְנוּתַיִךְ וְאַחֲרַיִךְ לֹא זוּנָּ֑ה וּבְתִתֵּךְ אֶתְנָן וְאֶתְנַן לֹא נִתַּן לָךְ וַתְּהִי לְהֶֽפֶךְ׃

Zo geschiedt met u in uw hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt, om te hoereren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegeven wordt; zo zijt gij tot een tegendeel geworden.

EZE

37

23

וְלֹא יִֽטַמְּאוּ עוֹד בְּגִלּֽוּלֵיהֶם וּבְשִׁקּוּצֵיהֶם וּבְכֹל פִּשְׁעֵיהֶ֑ם וְהוֹשַׁעְתִּי אֹתָם מִכֹּל מוֹשְׁבֹֽתֵיהֶם אֲשֶׁר חָטְאוּ בָהֶם וְטִהַרְתִּי אוֹתָם וְהָיוּ לִי לְעָם וַאֲנִי אֶהְיֶה לָהֶם לֵאלֹהִֽים׃

En zij zullen zich niet meer verontreinigen met hun drekgoden, en met hun verfoeiselen, en met al hun overtredingen; en Ik zal ze verlossen uit al hun woonplaatsen, in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zo zullen zij Mij tot een volk zijn, en Ik zal hun tot een God zijn.

HOS

3

3

וָאֹמַר אֵלֶיהָ יָמִים רַבִּים תֵּשְׁבִי לִי לֹא תִזְנִי וְלֹא תִֽהְיִי לְאִ֑ישׁ וְגַם אֲנִי אֵלָֽיִךְ׃

En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen na mij blijven zitten (gij zult niet hoereren, noch een anderen man geworden), en ik ook na u.

AMO

4

11

הָפַכְתִּי בָכֶם כְּמַהְפֵּכַת אֱלֹהִים אֶת סְדֹם וְאֶת עֲמֹרָה וַתִּהְיוּ כְּאוּד מֻצָּל מִשְׂרֵפָ֑ה וְלֹֽא שַׁבְתֶּם עָדַי נְאֻם יְהוָֽה׃ס

Ik heb sommigen onder ulieden omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, u, die waart als een vuurbrand, dat uit den brand gered is; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de Heere.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

1

3

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי א֑וֹר וַֽיְהִי אֽוֹר׃

En God zeide: Daar zij licht! en daar werd licht.

GEN

1

6

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי רָקִיעַ בְּתוֹךְ הַמָּ֑יִם וִיהִי מַבְדִּיל בֵּין מַיִם לָמָֽיִם׃

En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!

GEN

1

6

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי רָקִיעַ בְּתוֹךְ הַמָּ֑יִם וִיהִי מַבְדִּיל בֵּין מַיִם לָמָֽיִם׃

En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren; en dat make scheiding tussen wateren en wateren!

GEN

1

14

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים יְהִי מְאֹרֹת בִּרְקִיעַ הַשָּׁמַיִם לְהַבְדִּיל בֵּין הַיּוֹם וּבֵין הַלָּ֑יְלָה וְהָיוּ לְאֹתֹת וּלְמוֹעֲדִים וּלְיָמִים וְשָׁנִֽים׃

En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren!

GEN

9

26

וַיֹּאמֶר בָּרוּךְ יְהֹוָה אֱלֹהֵי שֵׁ֑ם וִיהִי כְנַעַן עֶבֶד לָֽמוֹ׃

Voorts zeide hij: Gezegend zij de Heere, de God van Sem; en Kanaän zij hem een knecht!

GEN

9

27

יַפְתְּ אֱלֹהִים לְיֶפֶת וְיִשְׁכֹּן בְּאָֽהֳלֵי שֵׁ֑ם וִיהִי כְנַעַן עֶבֶד לָֽמוֹ׃

God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten! en Kanaän zij hem een knecht!

GEN

13

8

וַיֹּאמֶר אַבְרָם אֶל לוֹט אַל נָא תְהִי מְרִיבָה בֵּינִי וּבֵינֶיךָ וּבֵין רֹעַי וּבֵין רֹעֶ֑יךָ כִּֽי אֲנָשִׁים אַחִים אֲנָֽחְנוּ׃

En Abram zeide tot Lot: Laat toch geen twisting zijn tussen mij en tussen u, en tussen mijn herders en tussen uw herders; want wij zijn mannen broeders.

GEN

24

51

הִנֵּֽה רִבְקָה לְפָנֶיךָ קַח וָלֵ֑ךְ וּתְהִי אִשָּׁה לְבֶן אֲדֹנֶיךָ כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יְהוָֽה׃

Zie, Rebekka is voor uw aangezicht; neem haar en trek henen; zij zij de vrouw van den zoon uws heren, gelijk de Heere gesproken heeft!

GEN

26

28

וַיֹּאמְרוּ רָאוֹ רָאִינוּ כִּֽי הָיָה יְהוָה עִמָּךְ֒ וַנֹּאמֶר תְּהִי נָא אָלָה בֵּינוֹתֵינוּ בֵּינֵינוּ וּבֵינֶ֑ךָ וְנִכְרְתָה בְרִית עִמָּֽךְ׃

En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de Heere met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken:

GEN

30

34

וַיֹּאמֶר לָבָן הֵ֑ן לוּ יְהִי כִדְבָרֶֽךָ׃

Toen zeide Laban: Zie, och ja, het zij naar uw woord!

GEN

33

9

וַיֹּאמֶר עֵשָׂו יֶשׁ לִי רָ֑ב אָחִי יְהִי לְךָ אֲשֶׁר לָֽךְ׃

Maar Ezau zeide: Ik heb veel, mijn broeder! het zij het uwe, wat gij hebt!

GEN

37

27

לְכוּ וְנִמְכְּרֶנּוּ לַיִּשְׁמְעֵאלִים וְיָדֵנוּ אַל תְּהִי בוֹ כִּֽי אָחִינוּ בְשָׂרֵנוּ ה֑וּא וַֽיִּשְׁמְעוּ אֶחָֽיו׃

Komt, en laat ons hem aan deze Ismaëlieten verkopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vlees, en zijn broederen hoorden hem.

GEN

49

17

יְהִי דָן נָחָשׁ עֲלֵי דֶרֶךְ שְׁפִיפֹן עֲלֵי אֹ֑רַח הַנֹּשֵׁךְ עִקְּבֵי סוּס וַיִּפֹּל רֹכְבוֹ אָחֽוֹר׃

Dan zal een slang zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende des paards verzenen, dat zijn rijder achterover valle.

EXO

7

9

כִּי יְדַבֵּר אֲלֵכֶם פַּרְעֹה לֵאמֹר תְּנוּ לָכֶם מוֹפֵ֑ת וְאָמַרְתָּ אֶֽל אַהֲרֹן קַח אֶֽת מַטְּךָ וְהַשְׁלֵךְ לִפְנֵֽי פַרְעֹה יְהִי לְתַנִּֽין׃

Wanneer Farao tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteken voor ulieden; zo zult gij tot Aäron zeggen: Neem uw staf, en werp hem voor Farao’s aangezicht neder; hij zal tot een draak worden.

EXO

9

22

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה נְטֵה אֶת יָֽדְךָ עַל הַשָּׁמַיִם וִיהִי בָרָד בְּכָל אֶרֶץ מִצְרָ֑יִם עַל הָאָדָם וְעַל הַבְּהֵמָה וְעַל כָּל עֵשֶׂב הַשָּׂדֶה בְּאֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal hagel zijn in het ganse Egypteland; over de mensen, en over het vee, en over al het kruid des velds in Egypteland.

EXO

10

10

וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יְהִי כֵן יְהוָה עִמָּכֶם כַּאֲשֶׁר אֲשַׁלַּח אֶתְכֶם וְאֶֽת טַפְּכֶ֑ם רְאוּ כִּי רָעָה נֶגֶד פְּנֵיכֶֽם׃

Toen zeide hij tot hen: De Heere zij alzo met ulieden, gelijk ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezicht!

EXO

10

21

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה נְטֵה יָֽדְךָ עַל הַשָּׁמַיִם וִיהִי חֹשֶׁךְ עַל אֶרֶץ מִצְרָ֑יִם וְיָמֵשׁ חֹֽשֶׁךְ׃

Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uw hand uit naar den hemel, en er zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal.

EXO

18

19

עַתָּה שְׁמַע בְּקֹלִי אִיעָצְךָ וִיהִי אֱלֹהִים עִמָּ֑ךְ הֱיֵה אַתָּה לָעָם מוּל הָֽאֱלֹהִים וְהֵבֵאתָ אַתָּה אֶת הַדְּבָרִים אֶל הָאֱלֹהִֽים׃

Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God;

LEV

15

24

וְאִם שָׁכֹב יִשְׁכַּב אִישׁ אֹתָהּ וּתְהִי נִדָּתָהּ עָלָיו וְטָמֵא שִׁבְעַת יָמִ֑ים וְכָל הַמִּשְׁכָּב אֲשֶׁר יִשְׁכַּב עָלָיו יִטְמָֽא׃פ

Insgelijks zo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat haar afzondering op hem zij, zo zal hij zeven dagen onrein zijn; daartoe alle leger, waarop hij zal gelegen hebben, zal onrein zijn.

NUM

12

12

אַל נָא תְהִי כַּמֵּ֑ת אֲשֶׁר בְּצֵאתוֹ מֵרֶחֶם אִמּוֹ וַיֵּאָכֵל חֲצִי בְשָׂרֽוֹ׃

Laat zij toch niet zijn als een dode, van wiens vlees, als hij uit zijns moeders lijf uitgaat, de helft wel verteerd is!

NUM

23

10

מִי מָנָה עֲפַר יַעֲקֹב וּמִסְפָּר אֶת רֹבַע יִשְׂרָאֵ֑ל תָּמֹת נַפְשִׁי מוֹת יְשָׁרִים וּתְהִי אַחֲרִיתִי כָּמֹֽהוּ׃

Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!

DEU

32

38

אֲשֶׁר חֵלֶב זְבָחֵימוֹ יֹאכֵלוּ יִשְׁתּוּ יֵין נְסִיכָ֑ם יָקוּמוּ וְיַעְזְרֻכֶם יְהִי עֲלֵיכֶם סִתְרָֽה׃

Welker slachtofferen vet zij aten, welker drankofferen wijn zij dronken; dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.

DEU

33

6

יְחִי רְאוּבֵן וְאַל יָמֹ֑ת וִיהִי מְתָיו מִסְפָּֽר׃ס

Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn!

DEU

33

24

וּלְאָשֵׁר אָמַר בָּרוּךְ מִבָּנִים אָשֵׁ֑ר יְהִי רְצוּי אֶחָיו וְטֹבֵל בַּשֶּׁמֶן רַגְלֽוֹ׃

En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen; hij zij zijn broederen aangenaam, en dope zijn voet in olie.

JDG

6

39

וַיֹּאמֶר גִּדְעוֹן אֶל הָאֱלֹהִים אַל יִחַר אַפְּךָ בִּי וַאֲדַבְּרָה אַךְ הַפָּ֑עַם אֲנַסֶּה נָּא רַק הַפַּעַם בַּגִּזָּה יְהִי נָא חֹרֶב אֶל הַגִּזָּה לְבַדָּהּ וְעַל כָּל הָאָרֶץ יִֽהְיֶה טָּֽל׃

En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij, dat ik alleenlijk ditmaal spreke; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken; er zij toch droogte op het vlies alleen, en op de ganse aarde zij dauw.

JDG

15

2

וַיֹּאמֶר אָבִיהָ אָמֹר אָמַרְתִּי כִּי שָׂנֹא שְׂנֵאתָהּ וָאֶתְּנֶנָּה לְמֵרֵעֶ֑ךָ הֲלֹא אֲחֹתָהּ הַקְּטַנָּה טוֹבָה מִמֶּנָּה תְּהִי נָא לְךָ תַּחְתֶּֽיהָ׃

want haar vader zeide: Ik sprak zeker, dat gij haar ganselijk haattet, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zuster schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar.

RUT

2

12

יְשַׁלֵּם יְהוָה פָּעֳלֵ֑ךְ וּתְהִי מַשְׂכֻּרְתֵּךְ שְׁלֵמָה מֵעִם יְהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר בָּאת לַחֲסוֹת תַּֽחַת כְּנָפָֽיו׃

De Heere vergelde u uw daad en uw loon zij volkomen, van den Heere, den God Israëls, onder Wiens vleugelen gij gekomen zijt om toevlucht te nemen!

RUT

2

19

וַתֹּאמֶר לָהּ חֲמוֹתָהּ אֵיפֹה לִקַּטְתְּ הַיּוֹם וְאָנָה עָשִׂית יְהִי מַכִּירֵךְ בָּר֑וּךְ וַתַּגֵּד לַחֲמוֹתָהּ אֵת אֲשֶׁר עָשְׂתָה עִמּוֹ וַתֹּאמֶר שֵׁם הָאִישׁ אֲשֶׁר עָשִׂיתִי עִמּוֹ הַיּוֹם בֹּֽעַז׃

Toen zeide haar schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen, en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij, die u gekend heeft! En zij verhaalde haar schoonmoeder, bij wien zij gewrocht had, en zeide: De naam des mans, bij welken ik heden gewrocht heb, is Boaz.

RUT

3

4

וִיהִי בְשָׁכְבוֹ וְיָדַעַתְּ אֶת הַמָּקוֹם אֲשֶׁר יִשְׁכַּב שָׁם וּבָאת וְגִלִּית מַרְגְּלֹתָיו וְשָׁכָבְתִּי וְהוּא יַגִּיד לָךְ אֵת אֲשֶׁר תַּעַשִֽׂין׃

En het zal geschieden, als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken, waar hij zal nedergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult.

RUT

4

12

וִיהִי בֵֽיתְךָ כְּבֵית פֶּרֶץ אֲשֶׁר יָלְדָה תָמָר לִֽיהוּדָ֑ה מִן הַזֶּרַע אֲשֶׁר יִתֵּן יְהוָה לְךָ מִן הַֽנַּעֲרָה הַזֹּֽאת׃

En uw huis zij, als het huis van Perez ( die Thamar aan Juda baarde), van het zaad, dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw.

1SA

10

5

אַחַר כֵּן תָּבוֹא גִּבְעַת הָאֱלֹהִים אֲשֶׁר שָׁם נְצִבֵי פְלִשְׁתִּ֑ים וִיהִי כְבֹאֲךָ שָׁם הָעִיר וּפָגַעְתָּ חֶבֶל נְבִיאִים יֹרְדִים מֵֽהַבָּמָה וְלִפְנֵיהֶם נֵבֶל וְתֹף וְחָלִיל וְכִנּוֹר וְהֵמָּה מִֽתְנַבְּאִֽים׃

Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden, als gij aldaar in de stad komt, zo zult gij ontmoeten een hoop profeten, van de hoogte afkomende, en voor hun aangezichten luiten, en trommelen, en pijpen, en harpen, en zij zullen profeteren.

1SA

18

17

וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל דָּוִד הִנֵּה בִתִּי הַגְּדוֹלָה מֵרַב אֹתָהּ אֶתֶּן לְךָ לְאִשָּׁה אַךְ הֱיֵה לִּי לְבֶן חַיִל וְהִלָּחֵם מִלְחֲמוֹת יְהוָ֑ה וְשָׁאוּל אָמַר אַל תְּהִי יָדִי בּוֹ וּתְהִי בוֹ יַד פְּלִשְׁתִּֽים׃ס

Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des Heeren. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.

1SA

18

17

וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל דָּוִד הִנֵּה בִתִּי הַגְּדוֹלָה מֵרַב אֹתָהּ אֶתֶּן לְךָ לְאִשָּׁה אַךְ הֱיֵה לִּי לְבֶן חַיִל וְהִלָּחֵם מִלְחֲמוֹת יְהוָ֑ה וְשָׁאוּל אָמַר אַל תְּהִי יָדִי בּוֹ וּתְהִי בוֹ יַד פְּלִשְׁתִּֽים׃ס

Derhalve zeide Saul tot David: Zie, mijn grootste dochter Merab zal ik u tot een vrouw geven; alleenlijk, wees mij een dapper zoon, en voer den krijg des Heeren. Want Saul zeide: Dat mijn hand niet tegen hem zij, maar dat de hand der Filistijnen tegen hem zij.

1SA

18

21

וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶתְּנֶנָּה לּוֹ וּתְהִי לוֹ לְמוֹקֵשׁ וּתְהִי בוֹ יַד פְּלִשְׁתִּ֑ים וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל דָּוִד בִּשְׁתַּיִם תִּתְחַתֵּן בִּי הַיּֽוֹם׃

En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.

1SA

18

21

וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶתְּנֶנָּה לּוֹ וּתְהִי לוֹ לְמוֹקֵשׁ וּתְהִי בוֹ יַד פְּלִשְׁתִּ֑ים וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל דָּוִד בִּשְׁתַּיִם תִּתְחַתֵּן בִּי הַיּֽוֹם׃

En Saul zeide: Ik zal haar hem geven, dat zij hem tot een valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.

1SA

20

13

כֹּֽה יַעֲשֶׂה יְהוָה לִֽיהוֹנָתָן וְכֹה יֹסִיף כִּֽי יֵיטִב אֶל אָבִי אֶת הָֽרָעָה עָלֶיךָ וְגָלִיתִי אֶת אָזְנֶךָ וְשִׁלַּחְתִּיךָ וְהָלַכְתָּ לְשָׁל֑וֹם וִיהִי יְהוָה עִמָּךְ כַּאֲשֶׁר הָיָה עִם אָבִֽי׃

Alzo doe de Heere aan Jonathan, en alzo doe Hij daartoe! Als mijn vader het kwaad over u behaagt, zo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u trekken laten, dat gij in vrede heengaat; en de Heere zij met u, gelijk als Hij met mijn vader geweest is.

1SA

28

22

וְעַתָּה שְׁמַֽע נָא גַם אַתָּה בְּקוֹל שִׁפְחָתֶךָ וְאָשִׂמָה לְפָנֶיךָ פַּת לֶחֶם וֶאֱכ֑וֹל וִיהִי בְךָ כֹּחַ כִּי תֵלֵךְ בַּדָּֽרֶךְ׃

Zo hoor toch gij nu ook naar de stem uwer dienstmaagd, en laat mij een bete broods voor u zetten, en eet; zo zal er kracht in u zijn, dat gij over weg gaat.

2SA

5

24

וִיהִי בְּשָׁמְעֲךָ אֶת קוֹל צְעָדָה בְּרָאשֵׁי הַבְּכָאִים אָז תֶּחֱרָ֑ץ כִּי אָז יָצָא יְהוָה לְפָנֶיךָ לְהַכּוֹת בְּמַחֲנֵה פְלִשְׁתִּֽים׃

En het geschiede, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, dan rep u; want alsdan is de Heere voor uw aangezicht uitgegaan, om het heirleger der Filistijnen te slaan.

2SA

14

17

וַתֹּאמֶר שִׁפְחָתְךָ יִֽהְיֶה נָּא דְּבַר אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ לִמְנוּחָ֑ה כִּי כְּמַלְאַךְ הָאֱלֹהִים כֵּן אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ לִשְׁמֹעַ הַטּוֹב וְהָרָע וַֽיהוָה אֱלֹהֶיךָ יְהִי עִמָּֽךְ׃פ

Wijders zeide uw dienstmaagd: Het woord mijns heren, des konings, zij toch tot rust; want gelijk een Engel Gods, alzo is mijn heer de koning, om te horen het goede en het kwade; en de Heere, uw God, zal met u zijn.

2SA

18

22

וַיֹּסֶף עוֹד אֲחִימַעַץ בֶּן צָדוֹק וַיֹּאמֶר אֶל יוֹאָב וִיהִי מָה אָרֻֽצָה נָּא גַם אָנִי אַחֲרֵי הַכּוּשִׁ֑י וַיֹּאמֶר יוֹאָב לָֽמָּה זֶּה אַתָּה רָץ בְּנִי וּלְכָה אֵין בְּשׂוֹרָה מֹצֵֽאת׃

Doch Ahimaäz, Zadoks zoon, voer nog voort en zeide tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Cuschi achterna lopen. En Joab zeide: Waarom zoudt gij nu heenlopen, mijn zoon! Zo gij toch geen bekwame boodschap hebt?

2SA

18

23

וִיהִי מָה אָרוּץ וַיֹּאמֶר לוֹ ר֑וּץ וַיָּרָץ אֲחִימַעַץ דֶּרֶךְ הַכִּכָּר וַֽיַּעֲבֹר אֶת הַכּוּשִֽׁי׃

Wat het ook zij, zeide hij, laat mij heenlopen; zo zeide hij tot hem: Loop heen. En Ahimaäz liep den weg van het effen veld, en kwam Cuschi voorbij.

2SA

24

17

וַיֹּאמֶר דָּוִד אֶל יְהוָה בִּרְאֹתוֹ אֶֽת הַמַּלְאָךְ הַמַּכֶּה בָעָם וַיֹּאמֶר הִנֵּה אָנֹכִי חָטָאתִי וְאָנֹכִי הֶעֱוֵיתִי וְאֵלֶּה הַצֹּאן מֶה עָשׂ֑וּ תְּהִי נָא יָדְךָ בִּי וּבְבֵית אָבִֽי׃פ

En David, als hij den engel zag, die het volk sloeg, sprak tot den Heere, en zeide: Zie ik, ik heb gezondigd, en ik, ik heb onrecht gehandeld, maar wat hebben deze schapen gedaan? Uw hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.

1KI

1

2

וַיֹּאמְרוּ לוֹ עֲבָדָיו יְבַקְשׁוּ לַאדֹנִי הַמֶּלֶךְ נַעֲרָה בְתוּלָה וְעָֽמְדָה לִפְנֵי הַמֶּלֶךְ וּתְהִי לוֹ סֹכֶ֑נֶת וְשָׁכְבָה בְחֵיקֶךָ וְחַם לַאדֹנִי הַמֶּֽלֶךְ׃

Toen zeiden zijn knechten tot hem: Laat ze mijn heer den koning een jonge dochter, een maagd zoeken, die voor het aangezicht des konings sta, en hem koestere; en zij slape in uw schoot, dat mijn heer de koning warm worde.

1KI

8

57

יְהִי יְהוָה אֱלֹהֵינוּ עִמָּנוּ כַּאֲשֶׁר הָיָה עִם אֲבֹתֵ֑ינוּ אַל יַעַזְבֵנוּ וְאַֽל יִטְּשֵֽׁנוּ׃

De Heere, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet;

1KI

10

9

יְהִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בָּרוּךְ אֲשֶׁר חָפֵץ בְּךָ לְתִתְּךָ עַל כִּסֵּא יִשְׂרָאֵ֑ל בְּאַהֲבַת יְהוָה אֶת יִשְׂרָאֵל לְעֹלָם וַיְשִֽׂימְךָ לְמֶלֶךְ לַעֲשׂוֹת מִשְׁפָּט וּצְדָקָֽה׃

Geloofd zij de Heere, uw God, Die behagen in u heeft gehad, om u op den troon van Israël te zetten! Omdat de Heere Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft Hij u tot koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

1KI

13

33

אַחַר הַדָּבָר הַזֶּה לֹֽא שָׁב יָרָבְעָם מִדַּרְכּוֹ הָרָעָ֑ה וַיָּשָׁב וַיַּעַשׂ מִקְצוֹת הָעָם כֹּהֲנֵי בָמוֹת הֶֽחָפֵץ יְמַלֵּא אֶת יָדוֹ וִיהִי כֹּהֲנֵי בָמֽוֹת׃

Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijn bozen weg; maar maakte wederom priesters der hoogten van de geringsten des volks; wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de priesters der hoogten.

1KI

14

5

וַיהוָה אָמַר אֶל אֲחִיָּהוּ הִנֵּה אֵשֶׁת יָרָבְעָם בָּאָה לִדְרֹשׁ דָּבָר מֵעִמְּךָ אֶל בְּנָהּ כִּֽי חֹלֶה הוּא כָּזֹה וְכָזֶה תְּדַבֵּר אֵלֶ֑יהָ וִיהִי כְבֹאָהּ וְהִיא מִתְנַכֵּרָֽה׃

Maar de Heere zeide tot Ahia: Zie, Jerobeams huisvrouw komt, om een zaak van u te vragen, aangaande haar zoon, want hij is krank; zo en zo zult gij tot haar spreken, en het zal zijn, als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal.

1KI

21

2

וַיְדַבֵּר אַחְאָב אֶל נָבוֹת לֵאמֹר תְּנָה לִּי אֶֽת כַּרְמְךָ וִֽיהִי לִי לְגַן יָרָק כִּי הוּא קָרוֹב אֵצֶל בֵּיתִי וְאֶתְּנָה לְךָ תַּחְתָּיו כֶּרֶם טוֹב מִמֶּ֑נּוּ אִם טוֹב בְּעֵינֶיךָ אֶתְּנָה לְךָ כֶסֶף מְחִיר זֶֽה׃

Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld deszelfs waarde geven.

1KI

22

13

וְהַמַּלְאָךְ אֲשֶׁר הָלַךְ לִקְרֹא מִיכָיְהוּ דִּבֶּר אֵלָיו לֵאמֹר הִנֵּה נָא דִּבְרֵי הַנְּבִיאִים פֶּֽה אֶחָד טוֹב אֶל הַמֶּ֑לֶךְ יְהִֽי נָא דִבְרֶיךָ כִּדְבַר אַחַד מֵהֶם וְדִבַּרְתָּ טּֽוֹב׃

De bode nu, die henengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden der profeten zijn uit een mond goed tot den koning; dat toch uw woord zij, gelijk als het woord van een uit hen, en spreek het goede.

2KI

2

9

וַיְהִי כְעָבְרָם וְאֵלִיָּהוּ אָמַר אֶל אֱלִישָׁע שְׁאַל מָה אֶֽעֱשֶׂה לָּךְ בְּטֶרֶם אֶלָּקַח מֵעִמָּ֑ךְ וַיֹּאמֶר אֱלִישָׁע וִֽיהִי נָא פִּֽי שְׁנַיִם בְּרוּחֲךָ אֵלָֽי׃

Het geschiedde nu, als zij overgekomen waren, dat Elia zeide tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal, eer ik van bij u weggenomen worde. En Elisa zeide: Dat toch twee delen van uw geest op mij zijn!

2KI

2

10

וַיֹּאמֶר הִקְשִׁיתָ לִשְׁא֑וֹל אִם תִּרְאֶה אֹתִי לֻקָּח מֵֽאִתָּךְ יְהִֽי לְךָ כֵן וְאִם אַיִן לֹא יִהְיֶֽה׃

En hij zeide: Gij hebt een harde zaak begeerd; indien gij mij zult zien, als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzo geschieden; doch zo niet, het zal niet geschieden.

2KI

19

25

הֲלֹֽא שָׁמַעְתָּ לְמֵֽרָחוֹק אֹתָהּ עָשִׂיתִי לְמִימֵי קֶדֶם וִֽיצַרְתִּ֑יהָ עַתָּה הֲבֵיאתִיהָ וּתְהִי לַהְשׁוֹת גַּלִּים נִצִּים עָרִים בְּצֻרֽוֹת׃

Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.

1CH

14

15

וִיהִי כְּֽשָׁמְעֲךָ אֶת קוֹל הַצְּעָדָה בְּרָאשֵׁי הַבְּכָאִים אָז תֵּצֵא בַמִּלְחָמָ֑ה כִּֽי יָצָא הָֽאֱלֹהִים לְפָנֶיךָ לְהַכּוֹת אֶת מַחֲנֵה פְלִשְׁתִּֽים׃

En het zal geschieden, als gij hoort het geruis van een gang in de toppen der moerbezienbomen, kom dan uit ten strijde; want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn, om het leger der Filistijnen te slaan.

1CH

21

17

וַיֹּאמֶר דָּוִיד אֶֽל הָאֱלֹהִים הֲלֹא אֲנִי אָמַרְתִּי לִמְנוֹת בָּעָם וַאֲנִי הוּא אֲשֶׁר חָטָאתִי וְהָרֵעַ הֲרֵעוֹתִי וְאֵלֶּה הַצֹּאן מֶה עָשׂ֑וּ יְהוָה אֱלֹהַי תְּהִי נָא יָֽדְךָ בִּי וּבְבֵית אָבִי וּֽבְעַמְּךָ לֹא לְמַגֵּפָֽה׃ס

En David zeide tot God: Ben ik het niet, die gezegd heb, dat men het volk tellen zou? Ja, ik zelf ben het, die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O Heere, mijn God, dat toch Uw hand tegen mij, en tegen het huis mijns vaders zij, maar niet tegen Uw volk ter plage.

1CH

22

11

עַתָּה בְנִי יְהִי יְהוָה עִמָּ֑ךְ וְהִצְלַחְתָּ וּבָנִיתָ בֵּית יְהוָה אֱלֹהֶיךָ כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר עָלֶֽיךָ׃

Nu, mijn zoon, de Heere zal met u zijn, en gij zult voorspoedig zijn, en zult het huis des Heeren, uws Gods, bouwen, gelijk als Hij van u gesproken heeft.

1CH

22

16

לַזָּהָב לַכֶּסֶף וְלַנְּחֹשֶׁת וְלַבַּרְזֶל אֵין מִסְפָּ֑ר קוּם וַעֲשֵׂה וִיהִי יְהוָה עִמָּֽךְ׃

Des gouds, des zilvers, en des kopers, en des ijzers is geen getal; maak u op, en doe het, en de Heere zal met u zijn.

2CH

9

8

יְהִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בָּרוּךְ אֲשֶׁר חָפֵץ בְּךָ לְתִתְּךָ עַל כִּסְאוֹ לְמֶלֶךְ לַיהוָה אֱלֹהֶ֑יךָ בְּאַהֲבַת אֱלֹהֶיךָ אֶת יִשְׂרָאֵל לְהַעֲמִידוֹ לְעוֹלָם וַיִּתֶּנְךָ עֲלֵיהֶם לְמֶלֶךְ לַעֲשׂוֹת מִשְׁפָּט וּצְדָקָֽה׃

Geloofd zij de Heere, uw God, Die behagen in u gehad heeft, om u op Zijn troon, den Heere, uw God, tot een koning te zetten; overmits uw God Israël bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zo heeft Hij u tot een koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

2CH

18

12

וְהַמַּלְאָךְ אֲשֶׁר הָלַךְ לִקְרֹא לְמִיכָיְהוּ דִּבֶּר אֵלָיו לֵאמֹר הִנֵּה דִּבְרֵי הַנְּבִאִים פֶּֽה אֶחָד טוֹב אֶל הַמֶּ֑לֶךְ וִֽיהִי נָא דְבָרְךָ כְּאַחַד מֵהֶם וְדִבַּרְתָּ טּֽוֹב׃

De bode nu, die heengegaan was, om Micha te roepen, sprak tot hem, zeggende: Zie, de woorden der profeten zijn, uit een mond, goed tot den koning; dat nu toch uw woord zij, gelijk als van een uit hen, en spreek het goede.

2CH

19

7

וְעַתָּה יְהִי פַֽחַד יְהוָה עֲלֵיכֶ֑ם שִׁמְרוּ וַעֲשׂוּ כִּֽי אֵין עִם יְהוָה אֱלֹהֵינוּ עַוְלָה וּמַשֹּׂא פָנִים וּמִקַּח שֹֽׁחַד׃

Nu dan, de verschrikking des Heeren zij op ulieden; neemt waar, en doet het; want bij den Heere, onzen God, is geen onrecht, noch aanneming van personen, noch ontvanging van geschenken.

2CH

19

11

וְהִנֵּה אֲמַרְיָהוּ כֹהֵן הָרֹאשׁ עֲלֵיכֶם לְכֹל דְּבַר יְהוָה וּזְבַדְיָהוּ בֶן יִשְׁמָעֵאל הַנָּגִיד לְבֵית יְהוּדָה לְכֹל דְּבַר הַמֶּלֶךְ וְשֹׁטְרִים הַלְוִיִּם לִפְנֵיכֶ֑ם חִזְקוּ וַעֲשׂוּ וִיהִי יְהוָה עִם הַטּֽוֹב׃פ

En ziet, Amarja, de hoofdpriester, is over u in alle zaak des Heeren; en Zebadja, de zoon van Ismaël, de vorst van het huis van Juda, in alle zaak des konings; ook zijn de ambtlieden, de Levieten, voor uw aangezicht; weest sterk en doet het, en de Heere zal met den goede zijn.

EZR

1

3

מִֽי בָכֶם מִכָּל עַמּוֹ יְהִי אֱלֹהָיו עִמּוֹ וְיַעַל לִירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר בִּיהוּדָ֑ה וְיִבֶן אֶת בֵּית יְהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל הוּא הָאֱלֹהִים אֲשֶׁר בִּירוּשָׁלִָֽם׃

Wie is onder ulieden van al Zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem, dat in Juda is, en hij bouwe het huis des Heeren, des Gods van Israël; Hij is de God, Die te Jeruzalem woont.

NEH

1

6

תְּהִי נָא אָזְנְךָֽ קַשֶּׁבֶת וְֽעֵינֶיךָ פְתֻוּחוֹת לִשְׁמֹעַ אֶל תְּפִלַּת עַבְדְּךָ אֲשֶׁר אָנֹכִי מִתְפַּלֵּל לְפָנֶיךָ הַיּוֹם יוֹמָם וָלַיְלָה עַל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל עֲבָדֶ֑יךָ וּמִתְוַדֶּה עַל חַטֹּאות בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר חָטָאנוּ לָךְ וַאֲנִי וּבֵית אָבִי חָטָֽאנוּ׃

Laat toch Uw oor opmerkende, en Uw ogen open zijn, om te horen naar het gebed Uws knechts, dat ik heden voor Uw aangezicht bid, dag en nacht, voor de kinderen Israëls, Uw knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israëls, die wij tegen U gezondigd hebben; ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.

NEH

1

11

אָנָּא אֲדֹנָי תְּהִי נָא אָזְנְךָֽ קַשֶּׁבֶת אֶל תְּפִלַּת עַבְדְּךָ וְאֶל תְּפִלַּת עֲבָדֶיךָ הַֽחֲפֵצִים לְיִרְאָה אֶת שְׁמֶךָ וְהַצְלִֽיחָה נָּא לְעַבְדְּךָ הַיּוֹם וּתְנֵהוּ לְרַחֲמִים לִפְנֵי הָאִישׁ הַזֶּ֑ה וַאֲנִי הָיִיתִי מַשְׁקֶה לַמֶּֽלֶךְ׃פ

Och, Heere, laat toch Uw oor opmerkende zijn op het gebed Uws knechts, en op het gebed Uwer knechten, die lust hebben Uw Naam te vrezen; en doe het toch Uw knecht heden wel gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des konings schenker.

JOB

1

21

וַיֹּאמֶר עָרֹם יָצָתִי מִבֶּטֶן אִמִּי וְעָרֹם אָשׁוּב שָׁמָה יְהוָה נָתַן וַיהוָה לָקָ֑ח יְהִי שֵׁם יְהוָה מְבֹרָֽךְ׃

En hij zeide: Naakt ben ik uit mijner moeders buik gekomen, en naakt zal ik daarhenen wederkeren. De Heere heeft gegeven, en de Heere heeft genomen; de Naam des Heeren zij geloofd!

JOB

3

4

הַיּוֹם הַהוּא יְֽהִי חֹשֶׁךְ אַֽל יִדְרְשֵׁהוּ אֱלוֹהַּ מִמָּ֑עַל וְאַל תּוֹפַע עָלָיו נְהָרָֽה׃

Diezelve dag zij duisternis; dat God naar hem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne;

JOB

3

7

הִנֵּה הַלַּיְלָה הַהוּא יְהִי גַלְמ֑וּד אַל תָּבֹא רְנָנָה בֽוֹ׃

Ziet, diezelve nacht zij eenzaam; dat geen vrolijk gezang daarin kome;

JOB

6

10

וּתְהִי עוֹד נֶחָמָתִי וַאֲסַלְּדָה בְחִילָה לֹא יַחְמ֑וֹל כִּי לֹא כִחַדְתִּי אִמְרֵי קָדֽוֹשׁ׃

Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

JOB

6

29

שֻֽׁבוּ נָא אַל תְּהִי עַוְלָ֑ה וְשֻׁבִי עוֹד צִדְקִי בָֽהּ׃

Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.

JOB

13

5

מִֽי יִתֵּן הַחֲרֵשׁ תַּחֲרִישׁ֑וּן וּתְהִי לָכֶם לְחָכְמָֽה׃

Och, of gij gans stilzweegt! Dat zou ulieden voor wijsheid wezen.

JOB

16

18

אֶרֶץ אַל תְּכַסִּי דָמִ֑י וְֽאַל יְהִי מָקוֹם לְזַעֲקָתִֽי׃

O, aarde! bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.

JOB

18

12

יְהִי רָעֵב אֹנ֑וֹ וְאֵיד נָכוֹן לְצַלְעֽוֹ׃

Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.

JOB

20

23

יְהִי לְמַלֵּא בִטְנוֹ יְֽשַׁלַּח בּוֹ חֲרוֹן אַפּ֑וֹ וְיַמְטֵר עָלֵימוֹ בִּלְחוּמֽוֹ׃

Er zij wat om zijn buik te vullen; God zal over hem de hitte Zijns toorns zenden, en over hem regenen op zijn spijze.

JOB

21

2

שִׁמְעוּ שָׁמוֹעַ מִלָּתִ֑י וּתְהִי זֹאת תַּנְחוּמֹֽתֵיכֶֽם׃

Hoort aandachtelijk mijn rede, en laat dit zijn uw vertroostingen.

JOB

24

14

לָאוֹר יָקוּם רוֹצֵחַ יִֽקְטָל עָנִי וְאֶבְי֑וֹן וּבַלַּיְלָה יְהִי כַגַּנָּֽב׃

Met het licht staat de moorder op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts is hij als een dief.

JOB

27

7

יְהִי כְרָשָׁע אֹיְבִ֑י וּמִתְקוֹמְמִי כְעַוָּֽל׃

Mijn vijand zij als de goddeloze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.

PSA

9

9

וִיהִי יְהוָה מִשְׂגָּב לַדָּ֑ךְ מִשְׂגָּב לְעִתּוֹת בַּצָּרָֽה׃

[09:10] En de Heere zal een Hoog Vertrek zijn voor den verdrukte, een Hoog Vertrek in tijden van benauwdheid.

PSA

33

22

יְהִֽי חַסְדְּךָ יְהוָה עָלֵ֑ינוּ כַּאֲשֶׁר יִחַלְנוּ לָֽךְ׃

Uw goedertierenheid, Heere! zij over ons; gelijk als wij op U hopen.

PSA

35

6

יְֽהִי דַרְכָּם חֹשֶׁךְ וַחֲלַקְלַקּ֑וֹת וּמַלְאַךְ יְהוָה רֹדְפָֽם׃

Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des Heeren vervolge hen.

PSA

69

22

יְהִֽי שֻׁלְחָנָם לִפְנֵיהֶם לְפָ֑ח וְלִשְׁלוֹמִים לְמוֹקֵֽשׁ׃

[069:23] Hun tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik.

PSA

69

25

תְּהִי טִֽירָתָם נְשַׁמָּ֑ה בְּאָהֳלֵיהֶם אַל יְהִי יֹשֵֽׁב׃

[069:26] Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.

PSA

69

25

תְּהִי טִֽירָתָם נְשַׁמָּ֑ה בְּאָהֳלֵיהֶם אַל יְהִי יֹשֵֽׁב׃

[069:26] Hun paleis zij verwoest; in hun tenten zij geen inwoner.

PSA

72

16

יְהִי פִסַּת בַּר בָּאָרֶץ בְּרֹאשׁ הָרִים יִרְעַשׁ כַּלְּבָנוֹן פִּרְי֑וֹ וְיָצִיצוּ מֵעִיר כְּעֵשֶׂב הָאָֽרֶץ׃

Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.

PSA

72

17

יְהִי שְׁמוֹ לְֽעוֹלָם לִפְנֵי שֶׁמֶשׁ יָנִין שְׁמוֹ וְיִתְבָּרְכוּ ב֑וֹ כָּל גּוֹיִם יְאַשְּׁרֽוּהוּ׃

Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden ; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.

PSA

80

17

תְּֽהִי יָדְךָ עַל אִישׁ יְמִינֶ֑ךָ עַל בֶּן אָדָם אִמַּצְתָּ לָּֽךְ׃

[080:18] Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.

PSA

81

15

מְשַׂנְאֵי יְהוָה יְכַֽחֲשׁוּ ל֑וֹ וִיהִי עִתָּם לְעוֹלָֽם׃

[081:16] Die den Heere haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.

PSA

90

17

וִיהִי נֹעַם אֲדֹנָי אֱלֹהֵינוּ עָלֵינוּ וּמַעֲשֵׂה יָדֵינוּ כּוֹנְנָה עָלֵ֑ינוּ וּֽמַעֲשֵׂה יָדֵינוּ כּוֹנְנֵֽהוּ׃

En de liefelijkheid des Heeren, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

PSA

104

20

תָּֽשֶׁת חֹשֶׁךְ וִיהִי לָ֑יְלָה בּֽוֹ תִרְמֹשׂ כָּל חַיְתוֹ יָֽעַר׃

Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt:

PSA

104

31

יְהִי כְבוֹד יְהוָה לְעוֹלָ֑ם יִשְׂמַח יְהוָה בְּמַעֲשָֽׂיו׃

De heerlijkheid des Heeren zij tot in der eeuwigheid; de Heere verblijde Zich in Zijn werken.

PSA

109

11

יְנַקֵּשׁ נוֹשֶׁה לְכָל אֲשֶׁר ל֑וֹ וְיָבֹזּוּ זָרִים יְגִיעֽוֹ׃

Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

PSA

109

12

אַל יְהִי לוֹ מֹשֵׁךְ חָ֑סֶד וְֽאַל יְהִי חוֹנֵן לִיתוֹמָֽיו׃

Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.

PSA

109

13

יְהִֽי אַחֲרִיתוֹ לְהַכְרִ֑ית בְּדוֹר אַחֵר יִמַּח שְׁמָֽם׃

Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.

PSA

109

19

תְּהִי לוֹ כְּבֶגֶד יַעְטֶ֑ה וּלְמֵזַח תָּמִיד יַחְגְּרֶֽהָ׃

Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.

PSA

113

2

יְהִי שֵׁם יְהוָה מְבֹרָ֑ךְ מֵֽעַתָּה וְעַד עוֹלָֽם׃

De Naam des Heeren zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.

PSA

119

76

יְהִי נָא חַסְדְּךָ לְנַחֲמֵ֑נִי כְּאִמְרָתְךָ לְעַבְדֶּֽךָ׃

Laat toch Uw goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar Uw toezegging aan Uw knecht.

PSA

119

80

יְהִֽי לִבִּי תָמִים בְּחֻקֶּ֑יךָ לְמַעַן לֹא אֵבֽוֹשׁ׃

Laat mijn hart oprecht zijn tot Uw inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.

PSA

119

173

תְּהִֽי יָדְךָ לְעָזְרֵ֑נִי כִּי פִקּוּדֶיךָ בָחָֽרְתִּי׃

Laat Uw hand mij te hulp komen, want ik heb Uw bevelen verkoren.

PSA

122

7

יְהִֽי שָׁלוֹם בְּחֵילֵ֑ךְ שַׁלְוָה בְּאַרְמְנוֹתָֽיִךְ׃

Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.

PRO

3

7

אַל תְּהִי חָכָם בְּעֵינֶ֑יךָ יְרָא אֶת יְהוָה וְסוּר מֵרָֽע׃

Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den Heere, en wijk van het kwade.

PRO

3

8

רִפְאוּת תְּהִי לְשָׁרֶּ֑ךָ וְשִׁקּוּי לְעַצְמוֹתֶֽיךָ׃

Het zal een medicijn voor uw navel zijn, en een bevochtiging voor uw beenderen.

PRO

5

18

יְהִֽי מְקוֹרְךָ בָר֑וּךְ וּשְׂמַח מֵאֵשֶׁת נְעוּרֶֽךָ׃

Uw springader zij gezegend; en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd;

PRO

22

26

אַל תְּהִי בְתֹֽקְעֵי כָ֑ף בַּעֹרְבִים מַשָּׁאֽוֹת׃

Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen, die voor schulden borg zijn.

PRO

23

20

אַל תְּהִי בְסֹֽבְאֵי יָ֑יִן בְּזֹלֲלֵי בָשָׂר לָֽמוֹ׃

Zijt niet onder de wijnzuipers, noch onder de vleesvreters;

PRO

24

28

אַל תְּהִי עֵד חִנָּם בְּרֵעֶ֑ךָ וַהֲפִתִּיתָ בִּשְׂפָתֶֽיךָ׃

Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uw naaste; want zoudt gij verleiden met uw lip?

ECC

7

16

אַל תְּהִי צַדִּיק הַרְבֵּה וְאַל תִּתְחַכַּם יוֹתֵ֑ר לָמָּה תִּשּׁוֹמֵֽם׃

Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?

ECC

7

17

אַל תִּרְשַׁע הַרְבֵּה וְאַל תְּהִי סָכָ֑ל לָמָּה תָמוּת בְּלֹא עִתֶּֽךָ׃

Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?

ISA

30

8

עַתָּה בּוֹא כָתְבָהּ עַל לוּחַ אִתָּם וְעַל סֵפֶר חֻקָּ֑הּ וּתְהִי לְיוֹם אַחֲרוֹן לָעַד עַד עוֹלָֽם׃

Nu dan, ga henen, schrijf voor hen op een tafel, en teken het in een boek, opdat het blijve tot den laatsten dag, voor altoos, tot in eeuwigheid.

ISA

37

26

הֲלֽוֹא שָׁמַעְתָּ לְמֵֽרָחוֹק אוֹתָהּ עָשִׂיתִי מִימֵי קֶדֶם וִיצַרְתִּ֑יהָ עַתָּה הֲבֵאתִיהָ וּתְהִי לְהַשְׁאוֹת גַּלִּים נִצִּים עָרִים בְּצֻרֽוֹת׃

Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.

JER

13

10

הָעָם הַזֶּה הָרָע הַֽמֵּאֲנִים לִשְׁמוֹעַ אֶת דְּבָרַי הַהֹֽלְכִים בִּשְׁרִרוּת לִבָּם וַיֵּלְכוּ אַֽחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים לְעָבְדָם וּלְהִשְׁתַּחֲוֺת לָהֶ֑ם וִיהִי כָּאֵזוֹר הַזֶּה אֲשֶׁר לֹא יִצְלַח לַכֹּֽל׃

Ditzelve boze volk, dat Mijn woorden weigert te horen, dat in het goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen, en voor die zich neder te buigen; dat zal worden gelijk deze gordel, die nergens toe deugt.

JER

20

14

אָרוּר הַיּוֹם אֲשֶׁר יֻלַּדְתִּי בּ֑וֹ יוֹם אֲשֶׁר יְלָדַתְנִי אִמִּי אַל יְהִי בָרֽוּךְ׃

Vervloekt zij de dag, op welken ik geboren ben; de dag, op welken mijn moeder mij gebaard heeft, zij niet gezegend!

JER

42

5

וְהֵמָּה אָמְרוּ אֶֽל יִרְמְיָהוּ יְהִי יְהוָה בָּנוּ לְעֵד אֱמֶת וְנֶאֱמָ֑ן אִם לֹא כְּֽכָל הַדָּבָר אֲשֶׁר יִֽשְׁלָחֲךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֵלֵינוּ כֵּן נַעֲשֶֽׂה׃

Toen zeiden zij tot Jeremia: De Heere zij tussen ons tot een waarachtig en gewis Getuige: indien wij niet naar alle woord, met hetwelk u de Heere, uw God, tot ons zal zenden, alzo zullen doen!

JER

50

26

בֹּֽאוּ לָהּ מִקֵּץ פִּתְחוּ מַאֲבֻסֶיהָ סָלּוּהָ כְמוֹ עֲרֵמִים וְהַחֲרִימ֑וּהָ אַל תְּהִי לָהּ שְׁאֵרִֽית׃

Komt aan tegen haar van het uiterste, opent haar schuren, vertreedt haar als korenhopen, en verbant ze; laat ze geen overblijfsel hebben.

JER

50

29

הַשְׁמִיעוּ אֶל בָּבֶל רַבִּים כָּל דֹּרְכֵי קֶשֶׁת חֲנוּ עָלֶיהָ סָבִיב אַל יְהִיָ פְּלֵטָה שַׁלְּמוּ לָהּ כְּפָעֳלָהּ כְּכֹל אֲשֶׁר עָשְׂתָה עֲשׂוּ לָ֑הּ כִּי אֶל יְהוָה זָדָה אֶל קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵֽל׃

Laat u horen tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen den Heere, tegen den Heilige Israëls.

EZE

2

8

וְאַתָּה בֶן אָדָם שְׁמַע אֵת אֲשֶׁר אֲנִי מְדַבֵּר אֵלֶיךָ אַל תְּהִי מֶרִי כְּבֵית הַמֶּ֑רִי פְּצֵה פִיךָ וֶאֱכֹל אֵת אֲשֶׁר אֲנִי נֹתֵן אֵלֶֽיךָ׃

Doch gij, mensenkind, hoor hetgeen Ik tot u spreek; wees gij niet wederspannig, gelijk dat wederspannig huis; open uw mond, en eet, wat Ik u geef.

EZE

16

15

וַתִּבְטְחִי בְיָפְיֵךְ וַתִּזְנִי עַל שְׁמֵ֑ךְ וַתִּשְׁפְּכִי אֶת תַּזְנוּתַיִךְ עַל כָּל עוֹבֵר לוֹ יֶֽהִי׃

Maar gij hebt vertrouwd op uw schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uw naam; ja, hebt uw hoererijen uitgestort aan een ieder, die voorbijging; voor hem was zij.

EZE

45

10

מֹֽאזְנֵי צֶדֶק וְאֵֽיפַת צֶדֶק וּבַת צֶדֶק יְהִי לָכֶֽם׃

Een rechte waag, en een rechte efa, en een rechte bath zult gijlieden hebben.

HOS

14

6

יֵֽלְכוּ יֹֽנְקוֹתָיו וִיהִי כַזַּיִת הוֹד֑וֹ וְרֵיחַֽ לוֹ כַּלְּבָנֽוֹן׃

[014:7] Zijn scheuten zullen zich uitspreiden, en zijn heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal een reuk hebben als de Libanon.

AMO

5

14

דִּרְשׁוּ טוֹב וְאַל רָע לְמַעַן תִּֽחְי֑וּ וִיהִי כֵן יְהוָה אֱלֹהֵֽי צְבָאוֹת אִתְּכֶם כַּאֲשֶׁר אֲמַרְתֶּֽם׃

Zoekt het goede, en niet het boze, opdat gij leeft; en alzo zal de Heere, de God der heirscharen, met ulieden zijn, gelijk als gij zegt.

MIC

1

2

שִׁמְעוּ עַמִּים כֻּלָּם הַקְשִׁיבִי אֶרֶץ וּמְלֹאָ֑הּ וִיהִי אֲדֹנָי יְהוִה בָּכֶם לְעֵד אֲדֹנָי מֵהֵיכַל קָדְשֽׁוֹ׃

Hoort, gij volken altemaal! merk op, gij aarde, mitsgaders derzelver volheid! de Heere Heere nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden, de Heere uit den tempel Zijner heiligheid.

NAH

3

11

גַּם אַתְּ תִּשְׁכְּרִי תְּהִי נַֽעֲלָמָ֑ה גַּם אַתְּ תְּבַקְשִׁי מָעוֹז מֵאוֹיֵֽב׃

Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij een sterkte zoeken vanwege den vijand.

MAL

3

10

הָבִיאוּ אֶת כָּל הַֽמַּעֲשֵׂר אֶל בֵּית הָאוֹצָר וִיהִי טֶרֶף בְּבֵיתִי וּבְחָנוּנִי נָא בָּזֹאת אָמַר יְהוָה צְבָא֑וֹת אִם לֹא אֶפְתַּח לָכֶם אֵת אֲרֻבּוֹת הַשָּׁמַיִם וַהֲרִיקֹתִי לָכֶם בְּרָכָה עַד בְּלִי דָֽי׃

Brengt al de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in Mijn huis; en beproeft Mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen, of Ik u dan niet opendoen zal de vensteren des hemels, en u zegen afgieten, zodat er geen schuren genoeg wezen zullen.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

הֱיֵה

7

קְטֹל

fs

הֲיִי

1

קִטְלִי

mp

הֱיוּ

2

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

18

19

עַתָּה שְׁמַע בְּקֹלִי אִיעָצְךָ וִיהִי אֱלֹהִים עִמָּ֑ךְ הֱיֵה אַתָּה לָעָם מוּל הָֽאֱלֹהִים וְהֵבֵאתָ אַתָּה אֶת הַדְּבָרִים אֶל הָאֱלֹהִֽים׃

Hoor nu mijn stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn; wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God;

PSA

71

3

הֱיֵה לִי לְצוּר מָעוֹן לָבוֹא תָּמִיד צִוִּיתָ לְהוֹשִׁיעֵ֑נִי כִּֽי סַלְעִי וּמְצוּדָתִי אָֽתָּה׃

Wees mij tot een Rotssteen, om daarin te wonen, om geduriglijk daarin te gaan; Gij hebt bevel gegeven, om mij te verlossen, want Gij zijt mijn Steenrots en mijn Burg.

GEN

24

60

וַיְבָרֲכוּ אֶת רִבְקָה וַיֹּאמְרוּ לָהּ אֲחֹתֵנוּ אַתְּ הֲיִי לְאַלְפֵי רְבָבָ֑ה וְיִירַשׁ זַרְעֵךְ אֵת שַׁעַר שֹׂנְאָֽיו׃

En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters!

NUM

16

16

וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אֶל קֹרַח אַתָּה וְכָל עֲדָתְךָ הֱיוּ לִפְנֵי יְהוָ֑ה אַתָּה וָהֵם וְאַהֲרֹן מָחָֽר׃

Voorts zeide Mozes tot Korach: Gij, en uw ganse vergadering, weest voor het aangezicht des Heeren; gij, en zij, ook Aäron, op morgen.

EXO

19

15

וַיֹּאמֶר אֶל הָעָם הֱיוּ נְכֹנִים לִשְׁלֹשֶׁת יָמִ֑ים אַֽל תִּגְּשׁוּ אֶל אִשָּֽׁה׃

En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

ms

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הוֹיָה

1

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

mp

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

ms

fs

mp

fp

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לִהְיוֹת

67

V-Qal-Inf

הֱיוֹת

16

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּהְיוֹת

12

Prep-m | V-Qal-Inf

מִהְיוֹת

8

Prep-l | V-Qal-Inf

לִהְיֹת

6

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בִּהְיוֹתָם

5

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בִּהְיוֹתוֹ

4

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בִּהְיֹתוֹ

3

Prep-m | V-Qal-Inf

מִהְיֹת

3

V-Qal-Inf | 3mp

הֱיוֹתָם

3

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלִהְיוֹת

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 2mp

בִּהְיוֹתְכֶם

2

V-Qal-Inf | 2ms

הֱיוֹתְךָ

2

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf | 2ms

וְלִהְיֹתְךָ

1

Prep | V-Qal-Inf

בִּהְיוֹת

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּהְיֹת

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בִהְיוֹת

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cp

בִּהְיוֹתֵנוּ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 2fs

בִּהְיוֹתֵךְ

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 2mp

לִהְיוֹתְכֶם

1

Prep-m | V-Qal-Inf | 2ms

מִהְיוֹתְךָ

1

Prep-m | V-Qal-Inf | 3mp

מִהְיוֹתָם

1

V-Qal-Inf | 1cp

הֱיוֹתֵנוּ

1

V-Qal-Inf | 1cs

הֱיוֹתִי

1

V-Qal-Inf | 2fs

הֱיוֹתֵךְ

1

V-Qal-Inf | 2mp

הֱיוֹתְכֶם

1

V-Qal-Inf | 3fs

הֱיוֹתָהּ

1

V-Qal-Inf | 3ms

הֱיוֹתוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

2

18

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֱלֹהִים לֹא טוֹב הֱיוֹת הָֽאָדָם לְבַדּ֑וֹ אֶֽעֱשֶׂהּ לּוֹ עֵזֶר כְּנֶגְדּֽוֹ׃

Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed, dat de mens alleen zij; Ik zal hem een hulpe maken, die als tegen hem over zij.

GEN

4

8

וַיֹּאמֶר קַיִן אֶל הֶבֶל אָחִ֑יו וַֽיְהִי בִּהְיוֹתָם בַּשָּׂדֶה וַיָּקָם קַיִן אֶל הֶבֶל אָחִיו וַיַּהַרְגֵֽהוּ׃

En Kaïn sprak met zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn tegen zijn broeder Habel opstond, en sloeg hem dood.

GEN

10

8

וְכוּשׁ יָלַד אֶת נִמְרֹ֑ד הוּא הֵחֵל לִֽהְיוֹת גִּבֹּר בָּאָֽרֶץ׃

En Cusch gewon Nimrod; deze begon geweldig te zijn op de aarde.

GEN

17

7

וַהֲקִמֹתִי אֶת בְּרִיתִי בֵּינִי וּבֵינֶךָ וּבֵין זַרְעֲךָ אַחֲרֶיךָ לְדֹרֹתָם לִבְרִית עוֹלָ֑ם לִהְיוֹת לְךָ לֵֽאלֹהִים וּֽלְזַרְעֲךָ אַחֲרֶֽיךָ׃

En Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u, en tussen uw zaad na u in hun geslachten, tot een eeuwig verbond, om u te zijn tot een God, en uw zaad na u.

GEN

18

11

וְאַבְרָהָם וְשָׂרָה זְקֵנִים בָּאִים בַּיָּמִ֑ים חָדַל לִהְיוֹת לְשָׂרָה אֹרַח כַּנָּשִֽׁים׃

Abraham nu en Sara waren oud, en wel bedaagd; het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen.

GEN

34

22

אַךְ בְּזֹאת יֵאֹתוּ לָנוּ הָאֲנָשִׁים לָשֶׁבֶת אִתָּנוּ לִהְיוֹת לְעַם אֶחָ֑ד בְּהִמּוֹל לָנוּ כָּל זָכָר כַּאֲשֶׁר הֵם נִמֹּלִֽים׃

Doch hierin zullen deze mannen ons te wille zijn, dat zij met ons wonen, om tot een volk te zijn; als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt, gelijk als zij besneden zijn.

GEN

34

25

וַיְהִי בַיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי בִּֽהְיוֹתָם כֹּֽאֲבִים וַיִּקְחוּ שְׁנֵֽי בְנֵי יַעֲקֹב שִׁמְעוֹן וְלֵוִי אֲחֵי דִינָה אִישׁ חַרְבּוֹ וַיָּבֹאוּ עַל הָעִיר בֶּ֑טַח וַיַּֽהַרְגוּ כָּל זָכָֽר׃

En het geschiedde ten derden dage, toen zij in de smart waren, zo namen de twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutelijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was.

GEN

39

10

וַיְהִי כְּדַבְּרָהּ אֶל יוֹסֵף יוֹם י֑וֹם וְלֹא שָׁמַע אֵלֶיהָ לִשְׁכַּב אֶצְלָהּ לִהְיוֹת עִמָּֽהּ׃

En het geschiedde, als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen, en bij haar te zijn;

EXO

5

13

וְהַנֹּגְשִׂים אָצִים לֵאמֹ֑ר כַּלּוּ מַעֲשֵׂיכֶם דְּבַר יוֹם בְּיוֹמוֹ כַּאֲשֶׁר בִּהְיוֹת הַתֶּֽבֶן׃

En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uw werken, elk dagwerk op zijn dag, gelijk toen er stro was.

EXO

8

22

וְהִפְלֵיתִי בַיּוֹם הַהוּא אֶת אֶרֶץ גֹּשֶׁן אֲשֶׁר עַמִּי עֹמֵד עָלֶיהָ לְבִלְתִּי הֱיֽוֹת שָׁם עָרֹ֑ב לְמַעַן תֵּדַע כִּי אֲנִי יְהוָה בְּקֶרֶב הָאָֽרֶץ׃

En Ik zal te dien dage het land Gosen, waarin Mijn volk woont, afzonderen, dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet, dat Ik, de Heere, in het midden dezes lands ben.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

הָיוֹ

4

V-Qal-InfAbs

הָיֹה

2

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

18

18

וְאַבְרָהָם הָיוֹ יִֽהְיֶה לְגוֹי גָּדוֹל וְעָצ֑וּם וְנִבְרְכוּ בוֹ כֹּל גּוֹיֵי הָאָֽרֶץ׃

Dewijl Abraham gewisselijk tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volken der aarde in hem gezegend zullen worden?

NUM

30

6

וְאִם הָיוֹ תִֽהְיֶה לְאִישׁ וּנְדָרֶיהָ עָלֶ֑יהָ אוֹ מִבְטָא שְׂפָתֶיהָ אֲשֶׁר אָסְרָה עַל נַפְשָֽׁהּ׃

Doch indien zij immers een man heeft, en haar geloften op haar zijn, of de uitspraak harer lippen, waarmede zij haar ziel verbonden heeft;

1KI

13

32

כִּי הָיֹה יִהְיֶה הַדָּבָר אֲשֶׁר קָרָא בִּדְבַר יְהוָה עַל הַמִּזְבֵּחַ אֲשֶׁר בְּבֵֽית אֵ֑ל וְעַל כָּל בָּתֵּי הַבָּמוֹת אֲשֶׁר בְּעָרֵי שֹׁמְרֽוֹן׃פ

Want de zaak zal gewisselijk geschieden, die hij door het woord des Heeren uitgeroepen heeft tegen het altaar, dat te Beth-el is, en tegen al de huizen der hoogten, die in de steden van Samaria zijn.

JER

15

18

לָמָּה הָיָה כְאֵבִי נֶצַח וּמַכָּתִי אֲנוּשָׁ֑ה מֵֽאֲנָה הֵֽרָפֵא הָיוֹ תִֽהְיֶה לִי כְּמוֹ אַכְזָב מַיִם לֹא נֶאֱמָֽנוּ׃ס

Waarom is mijn pijn steeds durende, en mijn plage smartelijk? Zij weigert geheeld te worden; zoudt Gij mij ganselijk zijn als een leugenachtige, als wateren, die niet bestendig zijn?

EZE

1

3

הָיֹה הָיָה דְבַר יְהוָה אֶל יְחֶזְקֵאל בֶּן בּוּזִי הַכֹּהֵן בְּאֶרֶץ כַּשְׂדִּים עַל נְהַר כְּבָ֑ר וַתְּהִי עָלָיו שָׁם יַד יְהוָֽה׃

Geschiedde het woord des Heeren uitdrukkelijk tot Ezechiël, den zoon van Buzi, den priester, in het land der Chaldeen, bij de rivier Chebar; en de hand des Heeren was daar op hem.

EZE

20

32

וְהָֽעֹלָה עַל רוּחֲכֶם הָיוֹ לֹא תִֽהְיֶ֑ה אֲשֶׁר אַתֶּם אֹמְרִים נִֽהְיֶה כַגּוֹיִם כְּמִשְׁפְּחוֹת הָאֲרָצוֹת לְשָׁרֵת עֵץ וָאָֽבֶן׃

Daarom, dat in uw geest opgeklommen is, zal geenszins geschieden, dat gij zegt: Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen.