Vervoeging יָלַד

Strong H3205
Betekenis: baren, verwekken
Frequentie Qal: 265

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

יָלַד

19

וְיָלַד

1

קָטַל

3fs

יָלְדָה

38

וְיָלְדָה

2

קָֽטְלָה

2ms

קָטַ֫לְתָּ

2fs

יְלִדְתִּנִי

2

וְיֹלַדְתְּ

3

קָטַלְתְּ

1cs

יָלַדְתִּי

6

קָטַ֫לְתִּי

3cp

יָלְדוּ

2

וְיָלְדוּ

4

קָטְלוּ

2mp

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

יָלַדְנוּ

1

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

ISA

26

18

הָרִינוּ חַלְנוּ כְּמוֹ יָלַדְנוּ ר֑וּחַ יְשׁוּעֹת בַּל נַעֲשֶׂה אֶרֶץ וּבַֽל יִפְּלוּ יֹשְׁבֵי תֵבֵֽל׃

Wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben niet dan wind gebaard; wij deden het land geen behoudenis aan, en de inwoners der wereld vielen niet neder.

1CH

4

9

וַיְהִי יַעְבֵּץ נִכְבָּד מֵאֶחָ֑יו וְאִמּוֹ קָרְאָה שְׁמוֹ יַעְבֵּץ לֵאמֹר כִּי יָלַדְתִּי בְּעֹֽצֶב׃

Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.

JER

15

10

אֽוֹי לִי אִמִּי כִּי יְלִדְתִּנִי אִישׁ רִיב וְאִישׁ מָדוֹן לְכָל הָאָ֑רֶץ לֹֽא נָשִׁיתִי וְלֹא נָֽשׁוּ בִי כֻּלֹּה מְקַלְלַֽונִי׃ס

Wee mij, mijn moeder, dat gij mij gebaard hebt, een man van twist, en een man van krakeel den gansen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nog vloekt mij een ieder van hen.

EZE

31

6

בִּסְעַפֹּתָיו קִֽנְנוּ כָּל עוֹף הַשָּׁמַיִם וְתַחַת פֹּֽארֹתָיו יָֽלְדוּ כֹּל חַיַּת הַשָּׂדֶ֑ה וּבְצִלּוֹ יֵֽשְׁבוּ כֹּל גּוֹיִם רַבִּֽים׃

Alle vogelen des hemels nestelden op zijn takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijn scheuten; en alle grote volken zaten onder zijn schaduw.

GEN

16

1

וְשָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם לֹא יָלְדָה ל֑וֹ וְלָהּ שִׁפְחָה מִצְרִית וּשְׁמָהּ הָגָֽר׃

Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had een Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.

1CH

1

18

וְאַרְפַּכְשַׁד יָלַד אֶת שָׁ֑לַח וְשֶׁלַח יָלַד אֶת עֵֽבֶר׃

Arfachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JDG

13

5

כִּי הִנָּךְ הָרָה וְיֹלַדְתְּ בֵּן וּמוֹרָה לֹא יַעֲלֶה עַל רֹאשׁוֹ כִּֽי נְזִיר אֱלֹהִים יִהְיֶה הַנַּעַר מִן הַבָּ֑טֶן וְהוּא יָחֵל לְהוֹשִׁיעַ אֶת יִשְׂרָאֵל מִיַּד פְּלִשְׁתִּֽים׃

want zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren, op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit der Filistijnen hand.

GEN

31

8

אִם כֹּה יֹאמַר נְקֻדִּים יִהְיֶה שְׂכָרֶךָ וְיָלְדוּ כָל הַצֹּאן נְקֻדִּ֑ים וְאִם כֹּה יֹאמַר עֲקֻדִּים יִהְיֶה שְׂכָרֶךָ וְיָלְדוּ כָל הַצֹּאן עֲקֻדִּֽים׃

Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gespikkelde; en wanneer hij alzo zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zo lammerden al de kudden gesprenkelde.

LEV

12

2

דַּבֵּר אֶל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר אִשָּׁה כִּי תַזְרִיעַ וְיָלְדָה זָכָ֑ר וְטָֽמְאָה שִׁבְעַת יָמִים כִּימֵי נִדַּת דְּוֺתָהּ תִּטְמָֽא׃

Spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Wanneer een vrouw zaad gegeven, en een knechtje gebaard zal hebben, zo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn.

PSA

7

14

הִנֵּה יְחַבֶּל אָ֑וֶן וְהָרָה עָמָל וְיָלַד שָֽׁקֶר׃

[07:15] Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

יְלָדְךָ

1

3ms

יְלָדֶךָ

1

3ms

יְלָדוֹ

1

3ms

יָלָד

1

3fs

יָלָדָה

6

3fs

יְלָדַתְךָ

2

3fs

יְלָדַתְנִי

1

3fs

יְלָדַתּוּ

1

2fs

יָלַדְתְּ

2

2fs

יָלָדְתְּ

1

1cs

יְלִדְתִּיהוּ

1

1cs

יְלִדְתִּיךָ

1

1cs

יָלָדְתִּי

1

3cp

יָלָדוּ

2

2fs

וְיָלַדְתְּ

1

3cp

וְיָלָדוּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JER

17

11

קֹרֵא דָגַר וְלֹא יָלָד עֹשֶׂה עֹשֶׁר וְלֹא בְמִשְׁפָּ֑ט בַּחֲצִי יֹמוֹ יַעַזְבֶנּוּ וּבְאַחֲרִיתוֹ יִהְיֶה נָבָֽל׃

Gelijk een veldhoen eieren vergadert, maar broedt ze niet uit, alzo is hij, die rijkdom vergadert, doch niet met recht; in de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en in zijn laatste een dwaas zijn.

JDG

13

2

וַיְהִי אִישׁ אֶחָד מִצָּרְעָה מִמִּשְׁפַּחַת הַדָּנִי וּשְׁמוֹ מָנ֑וֹחַ וְאִשְׁתּוֹ עֲקָרָה וְלֹא יָלָֽדָה׃

En er was een man van Zora, uit het geslacht van een Daniet, wiens naam was Manoach; en zijn huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.

1SA

4

20

וּכְעֵת מוּתָהּ וַתְּדַבֵּרְנָה הַנִּצָּבוֹת עָלֶיהָ אַל תִּֽירְאִי כִּי בֵן יָלָ֑דְתְּ וְלֹא עָנְתָה וְלֹא שָׁתָה לִבָּֽהּ׃

En omtrent den tijd van haar sterven, zo spraken de vrouwen, die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt een zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet, en nam het niet ter harte.

1KI

3

21

וָאָקֻם בַּבֹּקֶר לְהֵינִיק אֶת בְּנִי וְהִנֵּה מֵ֑ת וָאֶתְבּוֹנֵן אֵלָיו בַּבֹּקֶר וְהִנֵּה לֹֽא הָיָה בְנִי אֲשֶׁר יָלָֽדְתִּי׃

En ik stond in de morgen op, om mijn zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in den morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet, dien ik gebaard had.

HOS

5

7

בַּיהוָה בָּגָדוּ כִּֽי בָנִים זָרִים יָלָ֑דוּ עַתָּה יֹאכְלֵם חֹדֶשׁ אֶת חֶלְקֵיהֶֽם׃ס

Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den Heere; want zij hebben vreemde kinderen gewonnen; nu zal hen de nieuwe maand verteren met hun delen.

JDG

13

3

וַיֵּרָא מַלְאַךְ יְהוָה אֶל הָאִשָּׁ֑ה וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ הִנֵּה נָא אַתְּ עֲקָרָה וְלֹא יָלַדְתְּ וְהָרִית וְיָלַדְתְּ בֵּֽן׃

En een Engel des Heeren verscheen aan deze vrouw, en Hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar, en hebt niet gebaard; maar gij zult zwanger worden, en een zoon baren.

EXO

1

19

וַתֹּאמַרְןָ הַֽמְיַלְּדֹת אֶל פַּרְעֹה כִּי לֹא כַנָּשִׁים הַמִּצְרִיֹּת הָֽעִבְרִיֹּ֑ת כִּֽי חָיוֹת הֵנָּה בְּטֶרֶם תָּבוֹא אֲלֵהֶן הַמְיַלֶּדֶת וְיָלָֽדוּ׃

En de vroedvrouwen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen; want zij zijn sterk; eer de vroedvrouw tot haar komt, zo hebben zij gebaard.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יֵּלֶד

1

יִקְטֹל

3fs

תֵּלֵד

4

וַתֵּלֶד

62

וְתֵלֵד

1

תִּקְטֹל

2ms

תִּקְטֹל

2fs

תֵּלְדִי

1

תִּקְטְלִי

1cs

אֵלֵד

1

וָאֵלֵד

1

אֶקְטֹל

3mp

יֵלְדוּ

1

וַיֵּלֵדוּ

1

יִקְטְלוּ

3fp

וַתֵּלַדְןָ

1

וְתֵלַדְנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תֵּלְדוּ

1

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

3

16

אֶֽל הָאִשָּׁה אָמַר הַרְבָּה אַרְבֶּה עִצְּבוֹנֵךְ וְהֵֽרֹנֵךְ בְּעֶצֶב תֵּֽלְדִי בָנִ֑ים וְאֶל אִישֵׁךְ תְּשׁוּקָתֵךְ וְהוּא יִמְשָׁל בָּֽךְ׃ס

Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermenigvuldigen uw smart, namelijk uwer dracht; met smart zult gij kinderen baren; en tot uw man zal uw begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.

GEN

18

13

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל אַבְרָהָ֑ם לָמָּה זֶּה צָחֲקָה שָׂרָה לֵאמֹר הַאַף אֻמְנָם אֵלֵד וַאֲנִי זָקַֽנְתִּי׃

En de Heere zeide tot Abraham: Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zou ik ook waarlijk baren, nu ik oud geworden ben?

GEN

20

17

וַיִּתְפַּלֵּל אַבְרָהָם אֶל הָאֱלֹהִ֑ים וַיִּרְפָּא אֱלֹהִים אֶת אֲבִימֶלֶךְ וְאֶת אִשְׁתּוֹ וְאַמְהֹתָיו וַיֵּלֵֽדוּ׃

En Abraham bad tot God; en God genas Abimelech, en zijn huisvrouw, en zijn dienstmaagden, zodat zij baarden.

GEN

30

3

וַתֹּאמֶר הִנֵּה אֲמָתִי בִלְהָה בֹּא אֵלֶ֑יהָ וְתֵלֵד עַל בִּרְכַּי וְאִבָּנֶה גַם אָנֹכִי מִמֶּֽנָּה׃

En zij zeide: Zie, daar is mijn dienstmaagd Bilha, ga tot haar in; dat zij op mijn knieën bare, en ik ook uit haar gebouwd worde.

JDG

13

24

וַתֵּלֶד הָֽאִשָּׁה בֵּן וַתִּקְרָא אֶת שְׁמוֹ שִׁמְשׁ֑וֹן וַיִּגְדַּל הַנַּעַר וַֽיְבָרְכֵהוּ יְהוָֽה׃

Daarna baarde deze vrouw een zoon, en zij noemde zijn naam Simson; en dat knechtje werd groot, en de Heere zegende het.

1KI

3

17

וַתֹּאמֶר הָאִשָּׁה הָֽאַחַת בִּי אֲדֹנִי אֲנִי וְהָאִשָּׁה הַזֹּאת יֹשְׁבֹת בְּבַיִת אֶחָ֑ד וָאֵלֵד עִמָּהּ בַּבָּֽיִת׃

En de ene vrouw zeide: Och, mijn heer. Ik en deze vrouw wonen in een huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard.

JOB

24

21

רֹעֶה עֲקָרָה לֹא תֵלֵ֑ד וְאַלְמָנָה לֹא יְיֵטִֽיב׃

De onvruchtbare, die niet baart, teert hij af, en aan de weduwe doet hij niets goeds.

PRO

27

1

אַֽל תִּתְהַלֵּל בְּיוֹם מָחָ֑ר כִּי לֹא תֵדַע מַה יֵּלֶד יֽוֹם׃

Beroem u niet over den dag van morgen; want gij weet niet, wat de dag zal baren.

ISA

33

11

תַּהֲרוּ חֲשַׁשׁ תֵּלְדוּ קַ֑שׁ רוּחֲכֶם אֵשׁ תֹּאכַלְכֶֽם׃

Gijlieden gaat met stro zwanger, gij zult stoppelen baren; uw geest zal u als vuur verslinden.

JER

29

6

קְחוּ נָשִׁים וְהוֹלִידוּ בָּנִים וּבָנוֹת֒ וּקְחוּ לִבְנֵיכֶם נָשִׁים וְאֶת בְּנֽוֹתֵיכֶם תְּנוּ לַֽאֲנָשִׁים וְתֵלַדְנָה בָּנִים וּבָנ֑וֹת וּרְבוּ שָׁם וְאַל תִּמְעָֽטוּ׃

Neemt vrouwen, en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uw zonen, en geeft uw dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd, en wordt niet verminderd.

EZE

23

4

וּשְׁמוֹתָן אָהֳלָה הַגְּדוֹלָה וְאָהֳלִיבָה אֲחוֹתָהּ וַתִּֽהְיֶינָה לִי וַתֵּלַדְנָה בָּנִים וּבָנ֑וֹת וּשְׁמוֹתָן שֹׁמְרוֹן אָהֳלָה וִירוּשָׁלִַם אָהֳלִיבָֽה׃

Haar namen nu waren: Ohola, de grootste, en Oholiba, haar zuster; en zij werden de Mijne, en baarden zonen en dochteren; dit waren haar namen: Samaria is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.

HOS

9

16

הֻכָּה אֶפְרַיִם שָׁרְשָׁם יָבֵשׁ פְּרִי בְלִי יַעֲשׂ֑וּן גַּם כִּי יֵֽלֵדוּן וְהֵמַתִּי מַחֲמַדֵּי בִטְנָֽם׃ס

Efraïm is geslagen, hunlieder wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zo zal Ik toch de gewenste vruchten van hun buik doden.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

קְטֹל

fs

קִטְלִי

mp

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

יֹלֵד

2

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

יוֹלֵדָה

3

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

mp

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

ms

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַיֹּלֶדֶת

1

mp

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הַיֹּלְדוֹת

1

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

יֹלֶדֶת

1

Prep-k, Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

כַּיּוֹלֵדָה

9

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

וְיֹלֶדֶת

2

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

יֹלְדָיו

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְיוֹלֵד

1

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-msc | 3fs

fs

וְהַיֹּלְדָהּ

1

Prep-k, Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

כַּיֹּלֵדָה

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-fsc | 3fs

fs

לְיוֹלַדְתָּהּ

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-fsc | 3ms

ms

לְיוֹלַדְתּוֹ

1

V-Qal-Prtcpl-fsc

sc

יֹלֶדֶת

1

V-Qal-Prtcpl-fsc | 2mp

mp

יוֹלַדְתְּכֶם

1

V-Qal-Prtcpl-fsc | 2ms

ms

יוֹלַדְתֶּךָ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

V-Qal-QalPassPrtcpl-msc

יְלוּד

3

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

הַיָּלוּד

2

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-mp

הַיְלוּדִים

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1KI

3

26

וַתֹּאמֶר הָאִשָּׁה אֲשֶׁר בְּנָהּ הַחַי אֶל הַמֶּלֶךְ כִּֽי נִכְמְרוּ רַחֲמֶיהָ עַל בְּנָהּ֒ וַתֹּאמֶר בִּי אֲדֹנִי תְּנוּ לָהּ אֶת הַיָּלוּד הַחַי וְהָמֵת אַל תְּמִיתֻ֑הוּ וְזֹאת אֹמֶרֶת גַּם לִי גַם לָךְ לֹא יִהְיֶה גְּזֹֽרוּ׃

Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot den koning ( want haar ingewand ontstak over haar zoon), en zeide: Och, mijn heer! Geef haar dat levende kind, en dood het geenszins; deze daarentegen zeide: Het zij noch het uwe noch het mijne, doorsnijdt het.

1KI

3

27

וַיַּעַן הַמֶּלֶךְ וַיֹּאמֶר תְּנוּ לָהּ אֶת הַיָּלוּד הַחַי וְהָמֵת לֹא תְמִיתֻ֑הוּ הִיא אִמּֽוֹ׃

Toen antwoordde de koning, en zeide: Geeft aan die het levende kind, en doodt het geenszins; die is zijn moeder.

1CH

14

4

וְאֵלֶּה שְׁמוֹת הַיְלוּדִים אֲשֶׁר הָיוּ לוֹ בִּירוּשָׁלִָ֑ם שַׁמּוּעַ וְשׁוֹבָב נָתָן וּשְׁלֹמֹֽה׃

Dit nu zijn de namen der kinderen, die hij te Jeruzalem had: Sammua, en Sobab, Nathan en Salomo,

JOB

14

1

אָדָם יְלוּד אִשָּׁ֑ה קְצַר יָמִים וּֽשְׂבַֽע רֹֽגֶז׃

De mens, van een vrouw geboren, is kort van dagen, en zat van onrust.

JOB

15

14

מָֽה אֱנוֹשׁ כִּֽי יִזְכֶּ֑ה וְכִֽי יִצְדַּק יְלוּד אִשָּֽׁה׃

Wat is de mens, dat hij zuiver zou zijn, en die geboren is van een vrouw, dat hij rechtvaardig zou zijn?

JOB

25

4

וּמַה יִּצְדַּק אֱנוֹשׁ עִם אֵ֑ל וּמַה יִּזְכֶּה יְלוּד אִשָּֽׁה׃

Hoe zou dan een mens rechtvaardig zijn bij God, en hoe zou hij zuiver zijn, die van een vrouw geboren is?

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לָלֶדֶת

4

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fs

בְּלִדְתָּהּ

3

Prep-m | V-Qal-Inf

מִלֶּדֶת

3

Prep-b | V-Qal-Inf

בְּלֶדֶת

2

Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

לְלֵדָה

2

V-Qal-Inf

לֶדֶת

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fs

בְלִדְתָּהּ

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לָלַת

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 1cs

לְלִדְתִּי

1

Prep-m | V-Qal-Inf | 3fs

מִלֵּדָה

1

V-Qal-Inf | 3fp

לִדְתָּנָה

1

V-Qal-Inf | 3fs

לִדְתָּהּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

4

2

וַתֹּסֶף לָלֶדֶת אֶת אָחִיו אֶת הָ֑בֶל וַֽיְהִי הֶבֶל רֹעֵה צֹאן וְקַיִן הָיָה עֹבֵד אֲדָמָֽה׃

En zij voer voort te baren zijn broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kaïn werd een landbouwer.

GEN

16

2

וַתֹּאמֶר שָׂרַי אֶל אַבְרָם הִנֵּה נָא עֲצָרַנִי יְהוָה מִלֶּדֶת בֹּא נָא אֶל שִׁפְחָתִי אוּלַי אִבָּנֶה מִמֶּ֑נָּה וַיִּשְׁמַע אַבְרָם לְקוֹל שָׂרָֽי׃

Zo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare; ga toch in tot mijn dienstmaagd, misschien zal ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.

GEN

16

16

וְאַבְרָם בֶּן שְׁמֹנִים שָׁנָה וְשֵׁשׁ שָׁנִ֑ים בְּלֶֽדֶת הָגָר אֶת יִשְׁמָעֵאל לְאַבְרָֽם׃ס

En Abram was zes en tachtig jaren oud, toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

GEN

25

24

וַיִּמְלְאוּ יָמֶיהָ לָלֶ֑דֶת וְהִנֵּה תוֹמִם בְּבִטְנָֽהּ׃

Als nu haar dagen vervuld waren om te baren, ziet, zo waren tweelingen in haar buik.

GEN

25

26

וְאַֽחֲרֵי כֵן יָצָא אָחִיו וְיָדוֹ אֹחֶזֶת בַּעֲקֵב עֵשָׂו וַיִּקְרָא שְׁמוֹ יַעֲקֹ֑ב וְיִצְחָק בֶּן שִׁשִּׁים שָׁנָה בְּלֶדֶת אֹתָֽם׃

En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Ezau’s verzenen hield; daarom noemde men zijn naam Jakob. En Izak was zestig jaren oud, als hij hen gewon.

GEN

29

35

וַתַּהַר עוֹד וַתֵּלֶד בֵּן וַתֹּאמֶר הַפַּעַם אוֹדֶה אֶת יְהוָה עַל כֵּן קָרְאָה שְׁמוֹ יְהוּדָ֑ה וַֽתַּעֲמֹד מִלֶּֽדֶת׃

En zij werd wederom bevrucht, en baarde een zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den Heere loven; daarom noemde zij zijn naam Juda. En zij hield op van baren.

GEN

30

9

וַתֵּרֶא לֵאָה כִּי עָמְדָה מִלֶּ֑דֶת וַתִּקַּח אֶת זִלְפָּה שִׁפְחָתָהּ וַתִּתֵּן אֹתָהּ לְיַעֲקֹב לְאִשָּֽׁה׃

Toen nu Lea zag, dat zij ophield van baren, nam zij ook haar dienstmaagd Zilpa, en gaf die aan Jakob tot een vrouw.

GEN

35

16

וַיִּסְעוּ מִבֵּית אֵל וַֽיְהִי עוֹד כִּבְרַת הָאָרֶץ לָבוֹא אֶפְרָ֑תָה וַתֵּלֶד רָחֵל וַתְּקַשׁ בְּלִדְתָּֽהּ׃

En zij reisden van Beth-el; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren.

GEN

35

17

וַיְהִי בְהַקְשֹׁתָהּ בְּלִדְתָּ֑הּ וַתֹּאמֶר לָהּ הַמְיַלֶּדֶת אַל תִּירְאִי כִּֽי גַם זֶה לָךְ בֵּֽן׃

En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben!

GEN

38

5

וַתֹּסֶף עוֹד וַתֵּלֶד בֵּן וַתִּקְרָא אֶת שְׁמוֹ שֵׁלָ֑ה וְהָיָה בִכְזִיב בְּלִדְתָּהּ אֹתֽוֹ׃

En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hij was te Chezib, toen zij hem baarde.

PARSING

HEBR

COUNT

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְיָלֹד

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JOB

15

35

הָרֹה עָמָל וְיָלֹד אָ֑וֶן וּבִטְנָם תָּכִין מִרְמָֽה׃ס

Zijn ontvangen moeite, en baren ijdelheid, en hun buik richt bedrog aan.