PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | שָׁפַט | 3 | וְשָׁפַט | 5 | קָטַל |
3fs | קָֽטְלָה | ||||
2ms | קָטַ֫לְתָּ | ||||
2fs | קָטַלְתְּ | ||||
1cs | שְׁפַטְתִּים | 1 | וְשָׁפַטְתִּי | 3 | קָטַ֫לְתִּי |
3cp | שְׁפָטוּךְ | 1 | וְשָׁפְטוּ | 4 | קָטְלוּ |
2mp | קְטַלְתֶּם | ||||
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging שָׁפַט
Strong H8199
Betekenis: richten, oordelen
Frequentie Qal: 184
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EZE | 36 | 19 | וָאָפִיץ אֹתָם בַּגּוֹיִם וַיִּזָּרוּ בָּאֲרָצ֑וֹת כְּדַרְכָּם וְכַעֲלִילוֹתָם שְׁפַטְתִּֽים׃ | En Ik verstrooide hen onder de heidenen, en zij werden verspreid in de landen; Ik oordeelde ze naar hun weg en naar hun handelingen. |
EZE | 24 | 14 | אֲנִי יְהוָה דִּבַּרְתִּי בָּאָה וְעָשִׂיתִי לֹֽא אֶפְרַע וְלֹא אָחוּס וְלֹא אֶנָּחֵ֑ם כִּדְרָכַיִךְ וְכַעֲלִילוֹתַיִךְ שְׁפָטוּךְ נְאֻם אֲדֹנָי יְהֹוִֽה׃פ | Ik, de Heere, heb het gesproken; het zal komen, en Ik zal het doen; Ik zal er niet van wijken, en Ik zal niet verschonen noch berouw hebben; naar uw wegen en naar uw handelingen zullen zij u richten, spreekt de Heere Heere. |
1SA | 4 | 18 | וַיְהִי כְּהַזְכִּירוֹ אֶת אֲרוֹן הָאֱלֹהִים וַיִּפֹּל מֵֽעַל הַכִּסֵּא אֲחֹרַנִּית בְּעַד יַד הַשַּׁעַר וַתִּשָּׁבֵר מַפְרַקְתּוֹ וַיָּמֹת כִּֽי זָקֵן הָאִישׁ וְכָבֵ֑ד וְהוּא שָׁפַט אֶת יִשְׂרָאֵל אַרְבָּעִים שָׁנָֽה׃ | En het geschiedde, als hij van de ark Gods vermeldde, zo viel hij achterwaarts van den stoel af, aan de zijde der poort, en brak den nek, en stierf; want de man was oud en zwaar; en hij richtte Israël veertig jaren. |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EZE | 34 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה אֲלֵיהֶ֑ם הִנְנִי אָנִי וְשָֽׁפַטְתִּי בֵּֽין שֶׂה בִרְיָה וּבֵין שֶׂה רָזָֽה׃ | Daarom zegt de Heere Heere alzo tot hen: Ziet Ik, ja, Ik zal richten tussen het vette klein vee, en tussen het magere klein vee. |
EXO | 18 | 26 | וְשָׁפְטוּ אֶת הָעָם בְּכָל עֵ֑ת אֶת הַדָּבָר הַקָּשֶׁה יְבִיאוּן אֶל מֹשֶׁה וְכָל הַדָּבָר הַקָּטֹן יִשְׁפּוּטוּ הֵֽם׃ | Dat zij het volk te allen tijde richtten, de harde zaak tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten. |
1SA | 24 | 15 | וְהָיָה יְהוָה לְדַיָּן וְשָׁפַט בֵּינִי וּבֵינֶ֑ךָ וְיֵרֶא וְיָרֵב אֶת רִיבִי וְיִשְׁפְּטֵנִי מִיָּדֶֽךָ׃פ | [024:16] Doch de Heere zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand. |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|---|---|---|---|
3ms | שְׁפָטְךָ | 1 | ||
3ms | שְׁפָטוֹ | 1 | ||
3ms | שָׁפָט | 1 | ||
3cp | שְׁפָטוּנוּ | 1 | ||
3cp | שָׁפְטוּ | 1 | ||
3cp | שָׁפָטוּ | 1 | ||
3ms | וּשְׁפָטָנוּ | 1 | ||
1cs | וּשְׁפַטְתִּיךְ | 3 | ||
3cp | וּשְׁפָטוּךְ | 1 | ||
3cp | וּשְׁפָטוּם | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
2SA | 18 | 31 | וְהִנֵּה הַכּוּשִׁי בָּ֑א וַיֹּאמֶר הַכּוּשִׁי יִתְבַּשֵּׂר אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ כִּֽי שְׁפָטְךָ יְהוָה הַיּוֹם מִיַּד כָּל הַקָּמִים עָלֶֽיךָ׃ס | En ziet, Cuschi kwam aan; en Cuschi zeide: Mijn heer den koning wordt geboodschapt, dat u de Heere heden heeft recht gedaan van de hand van al degenen, die tegen u opstonden. |
JER | 5 | 28 | שָׁמְנוּ עָשְׁתוּ גַּם עָֽבְרוּ דִבְרֵי רָע דִּין לֹא דָנוּ דִּין יָתוֹם וְיַצְלִ֑יחוּ וּמִשְׁפַּט אֶבְיוֹנִים לֹא שָׁפָֽטוּ׃ | Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet. |
1SA | 8 | 20 | וְהָיִינוּ גַם אֲנַחְנוּ כְּכָל הַגּוֹיִ֑ם וּשְׁפָטָנוּ מַלְכֵּנוּ וְיָצָא לְפָנֵינוּ וְנִלְחַם אֶת מִלְחֲמֹתֵֽנוּ׃ | En wij zullen ook zijn gelijk al de volken; en onze koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren. |
EZE | 7 | 8 | עַתָּה מִקָּרוֹב אֶשְׁפּוֹךְ חֲמָתִי עָלַיִךְ וְכִלֵּיתִי אַפִּי בָּךְ וּשְׁפַטְתִּיךְ כִּדְרָכָ֑יִךְ וְנָתַתִּי עָלַיִךְ אֵת כָּל תּוֹעֲבוֹתָֽיִךְ׃ | Nu zal Ik in kort Mijn grimmigheid over u uitgieten, en Mijn toorn tegen u volbrengen, en u richten naar uw wegen, en zal op u brengen al uw gruwelen. |
EZE | 23 | 24 | וּבָאוּ עָלַיִךְ הֹצֶן רֶכֶב וְגַלְגַּל וּבִקְהַל עַמִּים צִנָּה וּמָגֵן וְקוֹבַע יָשִׂימוּ עָלַיִךְ סָבִ֑יב וְנָתַתִּי לִפְנֵיהֶם מִשְׁפָּט וּשְׁפָטוּךְ בְּמִשְׁפְּטֵיהֶֽם׃ | Die zullen tegen u komen met karren, wagenen en wielen, en met een vergadering van volken, rondassen, en schilden, en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten; en Ik zal voor hun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hun rechten. |
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | IMPF_CONJ | N3 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יִשְׁפֹּט | 10 | וַיִּשְׁפֹּט | 14 | וְיִשְׁפְּטֵנִי | 1 | יִקְטֹל |
3fs | תִּקְטֹל | ||||||
2ms | הֲתִשְׁפֹּט | 3 | תִּקְטֹל | ||||
2fs | תִּקְטְלִי | ||||||
1cs | אֶשְׁפֹּט | 4 | אֶקְטֹל | ||||
3mp | יִשְׁפְּטוּ | 3 | יִקְטְלוּ | ||||
3fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
2mp | תִּשְׁפְּטוּ | 3 | תִּקְטְלוּ | ||||
2fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
1cp | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 5 | 21 | וַיֹּאמְרוּ אֲלֵהֶם יֵרֶא יְהוָה עֲלֵיכֶם וְיִשְׁפֹּ֑ט אֲשֶׁר הִבְאַשְׁתֶּם אֶת רֵיחֵנוּ בְּעֵינֵי פַרְעֹה וּבְעֵינֵי עֲבָדָיו לָֽתֶת חֶרֶב בְּיָדָם לְהָרְגֵֽנוּ׃ | En zeiden tot hen: De Heere zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden. |
JDG | 3 | 10 | וַתְּהִי עָלָיו רֽוּחַ יְהוָה וַיִּשְׁפֹּט אֶת יִשְׂרָאֵל֒ וַיֵּצֵא לַמִּלְחָמָה וַיִּתֵּן יְהוָה בְּיָדוֹ אֶת כּוּשַׁן רִשְׁעָתַיִם מֶלֶךְ אֲרָ֑ם וַתָּעָז יָדוֹ עַל כּוּשַׁן רִשְׁעָתָֽיִם׃ | En de Geest des Heeren was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en de Heere gaf Cuschan Rischataim, den koning van Syrië, in zijn hand, dat zijn hand sterk werd over Cuschan Rischataim. |
2CH | 19 | 6 | וַיֹּאמֶר אֶל הַשֹּֽׁפְטִים רְאוּ מָֽה אַתֶּם עֹשִׂים כִּי לֹא לְאָדָם תִּשְׁפְּטוּ כִּי לַיהוָ֑ה וְעִמָּכֶם בִּדְבַר מִשְׁפָּֽט׃ | En hij zeide tot de richters: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mens, maar den Heere; en Hij is bij u in de zaak van het gericht. |
JOB | 21 | 22 | הַלְאֵל יְלַמֶּד דָּ֑עַת וְהוּא רָמִים יִשְׁפּֽוֹט׃ | Zal men God wetenschap leren, daar Hij de hogen richt? |
PSA | 75 | 2 | כִּי אֶקַּח מוֹעֵ֑ד אֲנִי מֵישָׁרִים אֶשְׁפֹּֽט׃ | [075:3] Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zo zal ik gans recht richten. |
EZE | 22 | 2 | וְאַתָּה בֶן אָדָם הֲתִשְׁפֹּט הֲתִשְׁפֹּט אֶת עִיר הַדָּמִ֑ים וְהוֹדַעְתָּהּ אֵת כָּל תּוֹעֲבוֹתֶֽיהָ׃ | Gij nu, mensenkind, zoudt gij der bloedstad recht geven? Zoudt gij haar recht geven? Ja, maak haar bekend al haar gruwelen. |
EZE | 23 | 45 | וַאֲנָשִׁים צַדִּיקִם הֵמָּה יִשְׁפְּטוּ אֽוֹתְהֶם מִשְׁפַּט נֹֽאֲפוֹת וּמִשְׁפַּט שֹׁפְכוֹת דָּ֑ם כִּי נֹֽאֲפֹת הֵנָּה וְדָם בִּֽידֵיהֶֽן׃ס | Rechtvaardige mannen dan, die zullen haar richten naar het recht der overspeelsters, en naar het recht der bloedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bloed is in haar handen. |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | שְׁפָט | 1 | קְטֹל |
fs | קִטְלִי | ||
mp | שִׁפְטוּ | 4 | קִטְלִוּ |
fp | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
PRO | 31 | 9 | פְּתַח פִּיךָ שְׁפָט צֶ֑דֶק וְדִין עָנִי וְאֶבְיֽוֹן׃פ | Open uw mond; oordeel gerechtelijk, en doe den verdrukte en nooddruftige recht. |
ZEC | 8 | 16 | אֵלֶּה הַדְּבָרִים אֲשֶׁר תַּֽעֲשׂ֑וּ דַּבְּרוּ אֱמֶת אִישׁ אֶת רֵעֵהוּ אֱמֶת וּמִשְׁפַּט שָׁלוֹם שִׁפְטוּ בְּשַׁעֲרֵיכֶֽם׃ | Dit zijn de dingen, die gij doen zult: spreekt de waarheid, een iegelijk met zijn naaste; oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uw poorten. |
ISA | 1 | 17 | לִמְדוּ הֵיטֵב דִּרְשׁוּ מִשְׁפָּט אַשְּׁרוּ חָמ֑וֹץ שִׁפְטוּ יָתוֹם רִיבוּ אַלְמָנָֽה׃ס | Leert goed te doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees recht, handelt de twistzaak der weduwe. |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | שֹׁפֵט | 7 | קֹטֵל |
V-Qal-Prtcpl-fs | fs | שֹׁפְטָה | 1 | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת |
V-Qal-Prtcpl-mp | mp | שֹׁפְטִים | 9 | קֹטְלִים |
fp | קֹטְלוֹת | |||
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הַשֹּׁפֵט | 5 | |
fs | ||||
Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | הַשֹּׁפְטִים | 4 | |
fp | ||||
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | שׁוֹפֵט | 5 | |
Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | הַשֹּׁפְטִים | 4 | |
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הַשּׁוֹפֵט | 2 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | שֹׁפְטֵי | 6 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 3mp | mp | שֹׁפְטֵיהֶם | 3 | |
V-Qal-Prtcpl-msc | sc | שֹׁפֵט | 3 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | וְשֹׁפְטִים | 2 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms | ms | וְשֹׁפְטֶיךָ | 2 | |
Conj-w, Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms | ms | וּלְשֹׁפְטָיו | 2 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 3fs | fs | שֹׁפְטֶיהָ | 2 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3fs | fs | וְשֹׁפְטֶיהָ | 1 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms | ms | וְשֹׁפְטָיו | 1 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | וְשֹׁפֵט | 1 | |
Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | וְהַשֹּׁפְטִים | 1 | |
Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | וְהַשֹּׁפֵט | 1 | |
Conj-w, Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | וּלְשֹׁפְטִים | 1 | |
Conj-w, Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | וְלַשֹּׁפְטִים | 1 | |
Prep-m | V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | מִשֹּׁפְטֵי | 1 | |
Prep-m | V-Qal-Prtcpl-msc | 1cs | cs | מִשֹּׁפְטִי | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 1cp | cp | שֹׁפְטֵינוּ | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 2fs | fs | שֹׁפְטַיִךְ | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 2mp | mp | שֹׁפְטֵיכֶם | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-msc | sc | הֲשֹׁפֵט | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-msc | sc | שׁוֹפֵט | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-msc | 1cp | cp | שֹׁפְטֵנוּ | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קָטוּל | |||
fs | קְטוּלָה | |||
mp | קְטוּלִים | |||
fp | קְטוּלוֹת |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Prep-l | V-Qal-Inf | לִשְׁפֹּט | 8 |
Prep-l | V-Qal-Inf | 1cp | לְשָׁפְטֵנוּ | 2 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 2ms | בְשָׁפְטֶךָ | 1 |
Prep-l | V-Qal-Inf | לִשְׁפּוֹט | 1 |
V-Qal-Inf | שְׁפֹט | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 18 | 13 | וַיְהִי מִֽמָּחֳרָת וַיֵּשֶׁב מֹשֶׁה לִשְׁפֹּט אֶת הָעָ֑ם וַיַּעֲמֹד הָעָם עַל מֹשֶׁה מִן הַבֹּקֶר עַד הָעָֽרֶב׃ | Doch het geschiedde des anderen daags, zo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond voor Mozes, van den morgen tot den avond. |
RUT | 1 | 1 | וַיְהִי בִּימֵי שְׁפֹט הַשֹּׁפְטִים וַיְהִי רָעָב בָּאָ֑רֶץ וַיֵּלֶךְ אִישׁ מִבֵּית לֶחֶם יְהוּדָה לָגוּר בִּשְׂדֵי מוֹאָב הוּא וְאִשְׁתּוֹ וּשְׁנֵי בָנָֽיו׃ | In de dagen, als de richters richtten, zo geschiedde het, dat er honger in het land was; daarom toog een man van Bethlehem-juda, om als vreemdeling te verkeren in de velden Moabs, hij, en zijn huisvrouw, en zijn twee zonen. |
1SA | 8 | 5 | וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו הִנֵּה אַתָּה זָקַנְתָּ וּבָנֶיךָ לֹא הָלְכוּ בִּדְרָכֶ֑יךָ עַתָּה שִֽׂימָה לָּנוּ מֶלֶךְ לְשָׁפְטֵנוּ כְּכָל הַגּוֹיִֽם׃ | En zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uw zonen wandelen niet in uw wegen; zo zet nu een koning over ons, om ons te richten, gelijk al de volken hebben. |
1SA | 8 | 6 | וַיֵּרַע הַדָּבָר בְּעֵינֵי שְׁמוּאֵל כַּאֲשֶׁר אָמְרוּ תְּנָה לָּנוּ מֶלֶךְ לְשָׁפְטֵ֑נוּ וַיִּתְפַּלֵּל שְׁמוּאֵל אֶל יְהוָֽה׃פ | Maar dit woord was kwaad in de ogen van Samuël, als zij zeiden: Geef ons een koning, om ons te richten. En Samuël bad den Heere aan. |
1KI | 3 | 9 | וְנָתַתָּ לְעַבְדְּךָ לֵב שֹׁמֵעַ לִשְׁפֹּט אֶֽת עַמְּךָ לְהָבִין בֵּֽין טוֹב לְרָ֑ע כִּי מִי יוּכַל לִשְׁפֹּט אֶת עַמְּךָ הַכָּבֵד הַזֶּֽה׃ | Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? |
1KI | 3 | 9 | וְנָתַתָּ לְעַבְדְּךָ לֵב שֹׁמֵעַ לִשְׁפֹּט אֶֽת עַמְּךָ לְהָבִין בֵּֽין טוֹב לְרָ֑ע כִּי מִי יוּכַל לִשְׁפֹּט אֶת עַמְּךָ הַכָּבֵד הַזֶּֽה׃ | Geef dan Uw knecht een verstandig hart, om Uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tussen goed en kwaad; want wie zou dit Uw zwaar volk kunnen richten? |
1CH | 16 | 33 | אָז יְרַנְּנוּ עֲצֵי הַיָּ֑עַר מִלִּפְנֵי יְהוָה כִּי בָא לִשְׁפּוֹט אֶת הָאָֽרֶץ׃ | Dan zullen de bomen des wouds juichen voor het aangezicht des Heeren, omdat Hij komt, om de aarde te richten. |
PSA | 10 | 18 | לִשְׁפֹּט יָתוֹם וָדָךְ בַּל יוֹסִיף ע֑וֹד לַעֲרֹץ אֱנוֹשׁ מִן הָאָֽרֶץ׃ | Om den wees en verdrukte recht te doen; opdat een mens van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven. |
PSA | 51 | 4 | לְךָ לְבַדְּךָ חָטָאתִי וְהָרַע בְּעֵינֶיךָ עָשִׂיתִי לְמַעַן תִּצְדַּק בְּדָבְרֶךָ תִּזְכֶּה בְשָׁפְטֶֽךָ׃ | [051:6] Tegen U, U alleen, heb ik gezondigd, en gedaan, dat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken, en rein zijt in Uw richten. |
PSA | 96 | 13 | לִפְנֵי יְהוָה כִּי בָא כִּי בָא לִשְׁפֹּט הָאָרֶץ יִשְׁפֹּֽט תֵּבֵל בְּצֶ֑דֶק וְעַמִּים בֶּאֱמוּנָתֽוֹ׃ | Voor het aangezicht des Heeren; want Hij komt, want Hij komt, om de aarde te richten; Hij zal de wereld richten met gerechtigheid, en de volken met Zijn waarheid. |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
V-Qal-InfAbs | שָׁפוֹט | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 19 | 9 | וַיֹּאמְרוּ גֶּשׁ הָלְאָה וַיֹּֽאמְרוּ הָאֶחָד בָּֽא לָגוּר וַיִּשְׁפֹּט שָׁפוֹט עַתָּה נָרַע לְךָ מֵהֶ֑ם וַיִּפְצְרוּ בָאִישׁ בְּלוֹט מְאֹד וַֽיִּגְּשׁוּ לִשְׁבֹּר הַדָּֽלֶת׃ | Toen zeiden zij: Kom verder aan! Voorts zeiden zij: Deze ene is gekomen, om als vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaads doen, dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken. |