Vervoeging נָפַל

Strong H5307
Betekenis: vallen
Frequentie Qal: 366

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

נָפַל

19

וְנָפַל

13

קָטַל

3fs

נָפְלָה

13

וְנָפְלָה

7

קָֽטְלָה

2ms

נָפַלְתָּ

1

וְנָפַלְתָּ

1

קָטַ֫לְתָּ

2fs

קָטַלְתְּ

1cs

נָפַלְתִּי

1

וְנָפַלְתִּי

1

קָטַ֫לְתִּי

3cp

נָפְלוּ

24

וְנָפְלוּ

13

קָטְלוּ

2mp

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

MIC

7

8

אַֽל תִּשְׂמְחִי אֹיַבְתִּי לִי כִּי נָפַלְתִּי קָ֑מְתִּי כִּֽי אֵשֵׁב בַּחֹשֶׁךְ יְהוָה אוֹר לִֽי׃ס

Verblijd u niet over mij, o mijn vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal de Heere mij een licht zijn.

ISA

14

12

אֵיךְ נָפַלְתָּ מִשָּׁמַיִם הֵילֵל בֶּן שָׁ֑חַר נִגְדַּעְתָּ לָאָרֶץ חוֹלֵשׁ עַל גּוֹיִֽם׃

Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij, die de heidenen krenktet!

PSA

55

4

לִבִּי יָחִיל בְּקִרְבִּ֑י וְאֵימוֹת מָוֶת נָפְלוּ עָלָֽי׃

[055:5] Mijn hart smart in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

ISA

21

9

וְהִנֵּה זֶה בָא רֶכֶב אִישׁ צֶמֶד פָּֽרָשִׁ֑ים וַיַּעַן וַיֹּאמֶר נָפְלָה נָֽפְלָה בָּבֶל וְכָל פְּסִילֵי אֱלֹהֶיהָ שִׁבַּר לָאָֽרֶץ׃

En zie nu, daar komt een wagen mannen, en een paar ruiters! Toen antwoordde hij, en zeide: Babel is gevallen, zij is gevallen! en al de gesneden beelden harer goden heeft Hij verbroken tegen de aarde.

JOS

23

14

וְהִנֵּה אָנֹכִי הוֹלֵךְ הַיּוֹם בְּדֶרֶךְ כָּל הָאָ֑רֶץ וִידַעְתֶּם בְּכָל לְבַבְכֶם וּבְכָל נַפְשְׁכֶם כִּי לֹֽא נָפַל דָּבָר אֶחָד מִכֹּל הַדְּבָרִים הַטּוֹבִים אֲשֶׁר דִּבֶּר יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם עֲלֵיכֶם הַכֹּל בָּאוּ לָכֶם לֹֽא נָפַל מִמֶּנּוּ דָּבָר אֶחָֽד׃

En ziet, ik ga heden in den weg der ganse aarde; en gij weet in uw ganse hart en in uw ganse ziel, dat er niet een enig woord gevallen is van al die goede woorden, welke de Heere, uw God, over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen; er is van dezelve niet een enig woord gevallen.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JDG

15

18

וַיִּצְמָא מְאֹד֒ וַיִּקְרָא אֶל יְהוָה וַיֹּאמַר אַתָּה נָתַתָּ בְיַֽד עַבְדְּךָ אֶת הַתְּשׁוּעָה הַגְּדֹלָה הַזֹּ֑את וְעַתָּה אָמוּת בַּצָּמָא וְנָפַלְתִּי בְּיַד הָעֲרֵלִֽים׃

Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den Heere, en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbesnedenen?

2CH

25

19

אָמַרְתָּ הִנֵּה הִכִּיתָ אֶת אֱדוֹם וּנְשָׂאֲךָ לִבְּךָ לְהַכְבִּ֑יד עַתָּה שְׁבָה בְּבֵיתֶךָ לָמָּה תִתְגָּרֶה בְּרָעָה וְנָפַלְתָּ אַתָּה וִיהוּדָה עִמָּֽךְ׃

Gij zegt: Zie, gij hebt de Edomieten geslagen; daarom heeft uw hart u verheven, om te roemen; nu, blijf in uw huis; waarom zoudt gij u in het kwaad mengen, dat gij vallen zoudt; gij en Juda met u?

JER

23

12

לָכֵן יִֽהְיֶה דַרְכָּם לָהֶם כַּחֲלַקְלַקּוֹת בָּֽאֲפֵלָה יִדַּחוּ וְנָפְלוּ בָ֑הּ כִּֽי אָבִיא עֲלֵיהֶם רָעָה שְׁנַת פְּקֻדָּתָם נְאֻם יְהוָֽה׃

Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid; zij zullen aangedreven worden en daarin vallen; want Ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de Heere.

JOS

6

5

וְהָיָה בִּמְשֹׁךְ בְּקֶרֶן הַיּוֹבֵל בְּשָׁמְעֲכֶם אֶת קוֹל הַשּׁוֹפָר יָרִיעוּ כָל הָעָם תְּרוּעָה גְדוֹלָ֑ה וְנָפְלָה חוֹמַת הָעִיר תַּחְתֶּיהָ וְעָלוּ הָעָם אִישׁ נֶגְדּֽוֹ׃

En het zal geschieden, als men langzaam met den ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zo zal al het volk juichen met een groot gejuich; dan zal de stadsmuur onder zich vallen, en het volk zal daarin klimmen, een iegelijk tegenover zich.

ISA

31

3

וּמִצְרַיִם אָדָם וְֽלֹא אֵל וְסוּסֵיהֶם בָּשָׂר וְלֹא ר֑וּחַ וַֽיהוָה יַטֶּה יָדוֹ וְכָשַׁל עוֹזֵר וְנָפַל עָזֻר וְיַחְדָּו כֻּלָּם יִכְלָיֽוּן׃ס

Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en de Heere zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

נָפָל

5

3ms

נָפָלפ

1

3fs

נָפָלָה

1

2ms

נָפָלְתָּ

1

3cp

נָפָלוּ

5

2ms

וְנָפַלְתָּה

1

3cp

וְנָפָלוּ

3

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

25

18

וַיִּשְׁכְּנוּ מֵֽחֲוִילָה עַד שׁוּר אֲשֶׁר עַל פְּנֵי מִצְרַיִם בֹּאֲכָה אַשּׁ֑וּרָה עַל פְּנֵי כָל אֶחָיו נָפָֽל׃פ

En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, daar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht van al zijn broederen.

JER

51

44

וּפָקַדְתִּי עַל בֵּל בְּבָבֶל וְהֹצֵאתִי אֶת בִּלְעוֹ מִפִּיו וְלֹֽא יִנְהֲרוּ אֵלָיו עוֹד גּוֹיִ֑ם גַּם חוֹמַת בָּבֶל נָפָֽלָה׃

En Ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en Ik zal uit zijn muil uithalen, wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, want ook Babels muur is gevallen.

2SA

3

34

יָדֶךָ לֹֽא אֲסֻרוֹת וְרַגְלֶיךָ לֹא לִנְחֻשְׁתַּיִם הֻגָּשׁוּ כִּנְפוֹל לִפְנֵי בְנֵֽי עַוְלָה נָפָ֑לְתָּ וַיֹּסִפוּ כָל הָעָם לִבְכּוֹת עָלָֽיו׃

Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het ganse volk nog meer over hem.

EZE

27

34

עֵת נִשְׁבֶּרֶת מִיַּמִּים בְּמַֽעֲמַקֵּי מָ֑יִם מַעֲרָבֵךְ וְכָל קְהָלֵךְ בְּתוֹכֵךְ נָפָֽלוּ׃

Ten tijde, dat gij uit de zeeën verbroken zijt in de diepte der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uw ganse gemeente in het midden van u gevallen.

2KI

14

10

הַכֵּה הִכִּיתָ אֶת אֱדוֹם וּֽנְשָׂאֲךָ לִבֶּ֑ךָ הִכָּבֵד וְשֵׁב בְּבֵיתֶךָ וְלָמָּה תִתְגָּרֶה בְּרָעָה וְנָפַלְתָּה אַתָּה וִיהוּדָה עִמָּֽךְ׃

Gij hebt de Edomieten dapper geslagen, daarom heeft uw hart u verheven; heb de eer, en blijf in uw huis; want waarom zoudt gij u in het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u?

JER

46

6

אַל יָנוּס הַקַּל וְאַל יִמָּלֵט הַגִּבּ֑וֹר צָפוֹנָה עַל יַד נְהַר פְּרָת כָּשְׁלוּ וְנָפָֽלוּ׃

De snelle ontvliede niet, en de held ontkome niet; tegen het noorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יִפֹּל

22

וַיִּפֹּל

43

וְיִפֹּל

3

יִקְטֹל

3fs

תִּפֹּל

3

וַתִּפֹּל

15

וְתִפֹּל

1

תִּקְטֹל

2ms

תִּפּוֹל

4

תִּקְטֹל

2fs

תִּקְטְלִי

1cs

אֶפֹּל

1

וָאֶפֹּל

5

אֶקְטֹל

3mp

יִפְּלוּ

19

וַיִּפְּלוּ

28

יִקְטְלוּ

3fp

תִּפֹּלְנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תִּפֹּלוּ

2

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּפֹּלְנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NUM

16

22

וַיִּפְּלוּ עַל פְּנֵיהֶם וַיֹּאמְרוּ אֵל אֱלֹהֵי הָרוּחֹת לְכָל בָּשָׂ֑ר הָאִישׁ אֶחָד יֶחֱטָא וְעַל כָּל הָעֵדָה תִּקְצֹֽף׃פ

Maar zij vielen op hun aangezichten, en zeiden: O God! God der geesten van alle vlees! een enig man zal gezondigd hebben, en zult Gij U over deze ganse vergadering grotelijks vertoornen?

NUM

34

2

צַו אֶת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל וְאָמַרְתָּ אֲלֵהֶם כִּֽי אַתֶּם בָּאִים אֶל הָאָרֶץ כְּנָ֑עַן זֹאת הָאָרֶץ אֲשֶׁר תִּפֹּל לָכֶם בְּֽנַחֲלָה אֶרֶץ כְּנַעַן לִגְבֻלֹתֶֽיהָ׃

Gebied den kinderen Israëls, en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaän ingaat, zo zal dit land zijn, dat u ter erfenis vallen zal, het land Kanaän, naar zijn landpalen.

2SA

4

4

וְלִיהֽוֹנָתָן בֶּן שָׁאוּל בֵּן נְכֵה רַגְלָ֑יִם בֶּן חָמֵשׁ שָׁנִים הָיָה בְּבֹא שְׁמֻעַת שָׁאוּל וִיהֽוֹנָתָן מִֽיִּזְרְעֶאל וַתִּשָּׂאֵהוּ אֹֽמַנְתּוֹ וַתָּנֹס וַיְהִי בְּחָפְזָהּ לָנוּס וַיִּפֹּל וַיִּפָּסֵחַ וּשְׁמוֹ מְפִיבֹֽשֶׁת׃

En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth.

1KI

20

30

וַיָּנֻסוּ הַנּוֹתָרִים אֲפֵקָה אֶל הָעִיר֒ וַתִּפֹּל הַחוֹמָה עַל עֶשְׂרִים וְשִׁבְעָה אֶלֶף אִישׁ הַנּוֹתָרִ֑ים וּבֶן הֲדַד נָס וַיָּבֹא אֶל הָעִיר חֶדֶר בְּחָֽדֶר׃ס

En de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zeven en twintig duizend mannen, die overgebleven waren; ook vlood Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.

1CH

21

13

וַיֹּאמֶר דָּוִיד אֶל גָּד צַר לִי מְאֹ֑ד אֶפְּלָה נָּא בְיַד יְהוָה כִּֽי רַבִּים רַחֲמָיו מְאֹד וּבְיַד אָדָם אַל אֶפֹּֽל׃

Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand des Heeren vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand der mensen niet vallen.

ISA

47

11

וּבָא עָלַיִךְ רָעָה לֹא תֵדְעִי שַׁחְרָהּ וְתִפֹּל עָלַיִךְ הֹוָה לֹא תוּכְלִי כַּפְּרָ֑הּ וְתָבֹא עָלַיִךְ פִּתְאֹם שׁוֹאָה לֹא תֵדָֽעִי׃

Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult den dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, hetwelk gij niet zult kunnen verzoenen; want er zal snellijk een onstuimige verwoesting over u komen, dat gij het niet weten zult.

JER

39

18

כִּי מַלֵּט אֲמַלֶּטְךָ וּבַחֶרֶב לֹא תִפֹּ֑ל וְהָיְתָה לְךָ נַפְשְׁךָ לְשָׁלָל כִּֽי בָטַחְתָּ בִּי נְאֻם יְהוָֽה׃ס

Want Ik zal u zekerlijk bevrijden, en gij zult door het zwaard niet vallen; maar gij zult uw ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt, spreekt de Heere.

EZE

1

28

כְּמַרְאֵה הַקֶּשֶׁת אֲשֶׁר יִֽהְיֶה בֶעָנָן בְּיוֹם הַגֶּשֶׁם כֵּן מַרְאֵה הַנֹּגַהּ סָבִיב הוּא מַרְאֵה דְּמוּת כְּבוֹד יְהוָ֑ה וָֽאֶרְאֶה וָאֶפֹּל עַל פָּנַי וָאֶשְׁמַע קוֹל מְדַבֵּֽר׃ס

Gelijk de gedaante van den boog, die in de wolk is ten dage des plasregens, alzo was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des Heeren; en als ik het zag, viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde een stem van Een, Die sprak.

EZE

11

10

בַּחֶרֶב תִּפֹּלוּ עַל גְּבוּל יִשְׂרָאֵל אֶשְׁפּוֹט אֶתְכֶ֑ם וִֽידַעְתֶּם כִּֽי אֲנִי יְהוָֽה׃

Gij zult door het zwaard vallen; in de landpale Israëls zal Ik u richten, en gij zult weten, dat Ik de Heere ben.

EZE

13

11

אֱמֹר אֶל טָחֵי תָפֵל וְיִפֹּ֑ל הָיָה גֶּשֶׁם שׁוֹטֵף וְאַתֵּנָה אַבְנֵי אֶלְגָּבִישׁ תִּפֹּלְנָה וְרוּחַ סְעָרוֹת תְּבַקֵּֽעַ׃

Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.

EZE

13

11

אֱמֹר אֶל טָחֵי תָפֵל וְיִפֹּ֑ל הָיָה גֶּשֶׁם שׁוֹטֵף וְאַתֵּנָה אַבְנֵי אֶלְגָּבִישׁ תִּפֹּלְנָה וְרוּחַ סְעָרוֹת תְּבַקֵּֽעַ׃

Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.

EZE

30

6

כֹּה אָמַר יְהוָה וְנָֽפְלוּ סֹמְכֵי מִצְרַיִם וְיָרַד גְּאוֹן עֻזָּ֑הּ מִמִּגְדֹּל סְוֵנֵה בַּחֶרֶב יִפְּלוּ בָהּ נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִֽה׃

Zo zegt de Heere: Ja, zij zullen vallen, die Egypte ondersteunen, en de hovaardij harer sterkte zal nederdalen; van den toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heere Heere.

EZE

30

25

וְהַחֲזַקְתִּי אֶת זְרֹעוֹת מֶלֶךְ בָּבֶל וּזְרֹעוֹת פַּרְעֹה תִּפֹּ֑לְנָה וְֽיָדְעוּ כִּֽי אֲנִי יְהוָה בְּתִתִּי חַרְבִּי בְּיַד מֶֽלֶךְ בָּבֶל וְנָטָה אוֹתָהּ אֶל אֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Ja, Ik zal de armen des konings van Babel sterken, maar Farao’s armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten, dat Ik de Heere ben, als Ik Mijn zwaard in de hand des konings van Babel zal hebben gegeven, en hij datzelve over Egypteland zal hebben uitgestrekt.

AMO

9

9

כִּֽי הִנֵּה אָֽנֹכִי מְצַוֶּה וַהֲנִעוֹתִי בְכָֽל הַגּוֹיִם אֶת בֵּית יִשְׂרָאֵ֑ל כַּאֲשֶׁר יִנּוֹעַ בַּכְּבָרָה וְלֹֽא יִפּוֹל צְרוֹר אָֽרֶץ׃

Want ziet, Ik geef bevel, en Ik zal het huis Israëls onder al de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in een zeef; en niet een steentje zal er ter aarde vallen.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

2SA

24

14

וַיֹּאמֶר דָּוִד אֶל גָּד צַר לִי מְאֹ֑ד נִפְּלָה נָּא בְיַד יְהוָה כִּֽי רַבִּים רַחֲמוֹ וּבְיַד אָדָם אַל אֶפֹּֽלָה׃

Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.

2SA

24

14

וַיֹּאמֶר דָּוִד אֶל גָּד צַר לִי מְאֹ֑ד נִפְּלָה נָּא בְיַד יְהוָה כִּֽי רַבִּים רַחֲמוֹ וּבְיַד אָדָם אַל אֶפֹּֽלָה׃

Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want Zijn barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van mensen niet vallen.

2KI

7

4

אִם אָמַרְנוּ נָבוֹא הָעִיר וְהָרָעָב בָּעִיר וָמַתְנוּ שָׁם וְאִם יָשַׁבְנוּ פֹה וָמָ֑תְנוּ וְעַתָּה לְכוּ וְנִפְּלָה אֶל מַחֲנֵה אֲרָם אִם יְחַיֻּנוּ נִֽחְיֶה וְאִם יְמִיתֻנוּ וָמָֽתְנוּ׃

Indiën wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.

1CH

21

13

וַיֹּאמֶר דָּוִיד אֶל גָּד צַר לִי מְאֹ֑ד אֶפְּלָה נָּא בְיַד יְהוָה כִּֽי רַבִּים רַחֲמָיו מְאֹד וּבְיַד אָדָם אַל אֶפֹּֽל׃

Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand des Heeren vallen; want Zijn barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand der mensen niet vallen.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JER

37

20

וְעַתָּה שְֽׁמַֽע נָא אֲדֹנִי הַמֶּ֑לֶךְ תִּפָּל נָא תְחִנָּתִי לְפָנֶיךָ וְאַל תְּשִׁבֵנִי בֵּית יְהוֹנָתָן הַסֹּפֵר וְלֹא אָמוּת שָֽׁם׃

Nu dan, hoor toch, o mijn heer koning! laat toch mijn smeking voor uw aangezicht nedervallen, en breng mij niet weder in het huis van Jonathan, den schrijver, opdat ik aldaar niet sterve.

JER

42

2

וַיֹּאמְרוּ אֶֽל יִרְמְיָהוּ הַנָּבִיא תִּפָּל נָא תְחִנָּתֵנוּ לְפָנֶיךָ וְהִתְפַּלֵּל בַּעֲדֵנוּ אֶל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּעַד כָּל הַשְּׁאֵרִית הַזֹּ֑את כִּֽי נִשְׁאַרְנוּ מְעַט מֵֽהַרְבֵּה כַּאֲשֶׁר עֵינֶיךָ רֹאוֹת אֹתָֽנוּ׃

En zij zeiden tot den profeet Jeremia: Laat toch onze smeking voor uw aangezicht nedervallen, en bid voor ons tot den Heere, uw God, voor dit ganse overblijfsel; want wij zijn weinigen van velen overgelaten, gelijk als uw ogen ons zien;

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

קְטֹל

fs

קִטְלִי

mp

נִפְלוּ

1

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

HOS

10

8

וְנִשְׁמְדוּ בָּמוֹת אָוֶן חַטַּאת יִשְׂרָאֵל קוֹץ וְדַרְדַּר יַעֲלֶה עַל מִזְבְּחוֹתָ֑ם וְאָמְרוּ לֶֽהָרִים כַּסּוּנוּ וְלַגְּבָעוֹת נִפְלוּ עָלֵֽינוּ׃ס

En de hoogten van Aven, Israëls zonde, zullen verdelgd worden; doornen en distelen zullen op hunlieder altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons! en tot de heuvelen: Valt op ons!

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

נֹפֵל

14

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

נֹפֶלֶת

3

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

נֹפְלִים

7

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַנֹּפֵל

2

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַנֹּפֶלֶת

1

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַנֹּפְלִים

8

fp

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

נוֹפֵל

1

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַנֹּפֵל

2

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַנֹּפֶלֶת

1

Prep-b, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

בַנֹּפְלִים

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְנֹפֵל

1

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְהַנֹּפְלִים

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּנְפֹל

6

Prep-l | V-Qal-Inf

לִנְפֹּל

4

Prep-k | V-Qal-Inf

כִּנְפֹל

1

Prep-k | V-Qal-Inf

כִּנְפוֹל

1

V-Qal-Inf | 3mp

נִפְלָם

1

V-Qal-Inf | 3ms

נִפְלוֹ

1

V-Qal-Inf | 3ms

נָפְלוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NUM

14

3

וְלָמָה יְהוָה מֵבִיא אֹתָנוּ אֶל הָאָרֶץ הַזֹּאת לִנְפֹּל בַּחֶרֶב נָשֵׁינוּ וְטַפֵּנוּ יִהְיוּ לָבַ֑ז הֲלוֹא טוֹב לָנוּ שׁוּב מִצְרָֽיְמָה׃

En waarom brengt ons de Heere naar dat land, dat wij door het zwaard vallen, en onze vrouwen, en onze kinderkens ten roof worden? Zou het ons niet goed zijn naar Egypte weder te keren?

1SA

29

3

וַיֹּֽאמְרוּ שָׂרֵי פְלִשְׁתִּים מָה הָעִבְרִים הָאֵ֑לֶּה וַיֹּאמֶר אָכִישׁ אֶל שָׂרֵי פְלִשְׁתִּים הֲלֽוֹא זֶה דָוִד עֶבֶד שָׁאוּל מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר הָיָה אִתִּי זֶה יָמִים אוֹ זֶה שָׁנִים וְלֹֽא מָצָאתִי בוֹ מְאוּמָה מִיּוֹם נָפְלוֹ עַד הַיּוֹם הַזֶּֽה׃פ

Toen zeiden de oversten der Filistijnen: Wat zullen deze Hebreën? Zo zeide Achis tot de oversten der Filistijnen: Is deze niet David, de knecht van Saul, den koning van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? En ik heb in hem niets gevonden van dien dag af, dat hij afgevallen is tot dezen dag toe.

2SA

1

10

וָאֶעֱמֹד עָלָיו וַאֲמֹתְתֵהוּ כִּי יָדַעְתִּי כִּי לֹא יִֽחְיֶה אַחֲרֵי נִפְל֑וֹ וָאֶקַּח הַנֵּזֶר אֲשֶׁר עַל רֹאשׁוֹ וְאֶצְעָדָה אֲשֶׁר עַל זְרֹעוֹ וָאֲבִיאֵם אֶל אֲדֹנִי הֵֽנָּה׃

Zo stond ik bij hem, en doodde hem; want ik wist, dat hij na zijn val niet leven zou; en ik nam de kroon, die op zijn hoofd was, en het armgesmijde, dat aan zijn arm was, en heb ze hier tot mijn heer gebracht.

2SA

3

34

יָדֶךָ לֹֽא אֲסֻרוֹת וְרַגְלֶיךָ לֹא לִנְחֻשְׁתַּיִם הֻגָּשׁוּ כִּנְפוֹל לִפְנֵי בְנֵֽי עַוְלָה נָפָ֑לְתָּ וַיֹּסִפוּ כָל הָעָם לִבְכּוֹת עָלָֽיו׃

Uw handen waren niet gebonden, noch uw voeten in koperen boeien gedaan, maar gij zijt gevallen, gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het ganse volk nog meer over hem.

2SA

17

9

הִנֵּה עַתָּה הֽוּא נֶחְבָּא בְּאַחַת הַפְּחָתִים אוֹ בְּאַחַד הַמְּקוֹמֹ֑ת וְהָיָה כִּנְפֹל בָּהֶם בַּתְּחִלָּה וְשָׁמַע הַשֹּׁמֵעַ וְאָמַר הָֽיְתָה מַגֵּפָה בָּעָם אֲשֶׁר אַחֲרֵי אַבְשָׁלֹֽם׃

Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen, of in een der plaatsen. En het zal geschieden, als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder, die het zal horen, alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk, dat Absalom navolgt.

EST

6

13

וַיְסַפֵּר הָמָן לְזֶרֶשׁ אִשְׁתּוֹ וּלְכָל אֹהֲבָיו אֵת כָּל אֲשֶׁר קָרָ֑הוּ וַיֹּאמְרוּ לוֹ חֲכָמָיו וְזֶרֶשׁ אִשְׁתּוֹ אִם מִזֶּרַע הַיְּהוּדִים מָרְדֳּכַי אֲשֶׁר הַחִלּוֹתָ לִנְפֹּל לְפָנָיו לֹא תוּכַל לוֹ כִּֽי נָפוֹל תִּפּוֹל לְפָנָֽיו׃

En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indiën Mordechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.

JOB

4

13

בִּשְׂעִפִּים מֵחֶזְיֹנוֹת לָ֑יְלָה בִּנְפֹל תַּרְדֵּמָה עַל אֲנָשִֽׁים׃

Onder de gedachten van de gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de mensen;

JOB

33

15

בַּחֲלוֹם חֶזְיוֹן לַיְלָה בִּנְפֹל תַּרְדֵּמָה עַל אֲנָשִׁ֑ים בִּתְנוּמוֹת עֲלֵי מִשְׁכָּֽב׃

In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger;

PSA

118

13

דַּחֹה דְחִיתַנִי לִנְפֹּ֑ל וַיהוָה עֲזָרָֽנִי׃

Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de Heere heeft mij geholpen.

PRO

24

17

בִּנְפֹל אוֹיְבֶיךָ אַל תִּשְׂמָ֑ח וּבִכָּשְׁלוֹ אַל יָגֵל לִבֶּֽךָ׃

Verblijd u niet, als uw vijand valt; en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen;

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

נָפוֹל

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EST

6

13

וַיְסַפֵּר הָמָן לְזֶרֶשׁ אִשְׁתּוֹ וּלְכָל אֹהֲבָיו אֵת כָּל אֲשֶׁר קָרָ֑הוּ וַיֹּאמְרוּ לוֹ חֲכָמָיו וְזֶרֶשׁ אִשְׁתּוֹ אִם מִזֶּרַע הַיְּהוּדִים מָרְדֳּכַי אֲשֶׁר הַחִלּוֹתָ לִנְפֹּל לְפָנָיו לֹא תוּכַל לוֹ כִּֽי נָפוֹל תִּפּוֹל לְפָנָֽיו׃

En Haman vertelde aan zijn huisvrouw Zeres en al zijn vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijn wijzen, en Zeres, zijn huisvrouw: Indiën Mordechai, voor wiens aangezicht gij hebt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zo zult gij tegen hem niet vermogen; maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.