Vervoeging נָתַן

Strong H5414
Betekenis: geven
Frequentie Qal: 1916

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

נָתַן

185

וְנָתַן

58

קָטַל

3fs

נָתְנָה

8

וְנָתְנָה

2

קָֽטְלָה

2ms

נָתַתָּה

24

וְנָתַתָּה

41

קָטַ֫לְתָּ

2fs

נָתַתְּ

2

וּנְתַתִּיהוּ

1

קָטַלְתְּ

1cs

נָתַתִּי

115

וְנָתַתִּי

104

קָטַ֫לְתִּי

3cp

נָתְנוּ

53

וְנָתְנוּ

25

קָטְלוּ

2mp

נְתַתֶּם

2

וּנְתַתֶּם

12

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

נָתַנּוּ

2

וְנָתַנּוּ

1

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1CH

29

14

וְכִי מִי אֲנִי וּמִי עַמִּי כִּֽי נַעְצֹר כֹּחַ לְהִתְנַדֵּב כָּזֹ֑את כִּֽי מִמְּךָ הַכֹּל וּמִיָּדְךָ נָתַנּוּ לָֽךְ׃

Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben, om vrijwillig te geven als dit is? Want het is alles van U, en wij geven het U uit Uw hand.

EZE

20

25

וְגַם אֲנִי נָתַתִּי לָהֶם חֻקִּים לֹא טוֹבִ֑ים וּמִשְׁפָּטִים לֹא יִֽחְיוּ בָּהֶֽם׃

Daarom gaf Ik hun ook besluitingen, die niet goed waren, en rechten, waarbij zij niet leven zouden.

EZE

16

36

כֹּֽה אָמַר אֲדֹנָי יְהֹוִה יַעַן הִשָּׁפֵךְ נְחֻשְׁתֵּךְ וַתִּגָּלֶה עֶרְוָתֵךְ בְּתַזְנוּתַיִךְ עַל מְאַהֲבָ֑יִךְ וְעַל כָּל גִּלּוּלֵי תוֹעֲבוֹתַיִךְ וְכִדְמֵי בָנַיִךְ אֲשֶׁר נָתַתְּ לָהֶֽם׃

Alzo zegt de Heere Heere: Omdat uw vergif uitgestort is, en uw schaamte door uw hoererijen met uw boelen ontdekt is, en met al de drekgoden uwer gruwelen, en na het bloed uwer kinderen, dat gij hun gegeven hebt;

JER

37

18

וַיֹּאמֶר יִרְמְיָהוּ אֶל הַמֶּלֶךְ צִדְקִיָּ֑הוּ מֶה חָטָאתִֽי לְךָ וְלַעֲבָדֶיךָ וְלָעָם הַזֶּה כִּֽי נְתַתֶּם אוֹתִי אֶל בֵּית הַכֶּֽלֶא׃

Voorts zeide Jeremia tot den koning Zedekia: Wat heb ik tegen u, of tegen uw knechten, of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in het gevangenhuis gesteld hebt?

PSA

21

4

חַיִּים שָׁאַל מִמְּךָ נָתַתָּה לּ֑וֹ אֹרֶךְ יָמִים עוֹלָם וָעֶֽד׃

[021:5] Het leven heeft hij van U begeerd. Gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.

JOS

6

24

וְהָעִיר שָׂרְפוּ בָאֵשׁ וְכָל אֲשֶׁר בָּ֑הּ רַק הַכֶּסֶף וְהַזָּהָב וּכְלֵי הַנְּחֹשֶׁת וְהַבַּרְזֶל נָתְנוּ אוֹצַר בֵּית יְהוָֽה׃

De stad nu verbrandden zij met vuur, en al wat daarin was; alleenlijk het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij tot den schat van het huis des Heeren.

JER

12

8

הָיְתָה לִּי נַחֲלָתִי כְּאַרְיֵה בַיָּ֑עַר נָתְנָה עָלַי בְּקוֹלָהּ עַל כֵּן שְׂנֵאתִֽיהָ׃

Mijn erfenis is Mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft haar stem tegen Mij verheven, daarom heb Ik haar gehaat.

JOS

1

14

נְשֵׁיכֶם טַפְּכֶם וּמִקְנֵיכֶם֒ יֵשְׁבוּ בָּאָרֶץ אֲשֶׁר נָתַן לָכֶם מֹשֶׁה בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּ֑ן וְאַתֶּם תַּעַבְרוּ חֲמֻשִׁים לִפְנֵי אֲחֵיכֶם כֹּל גִּבּוֹרֵי הַחַיִל וַעֲזַרְתֶּם אוֹתָֽם׃

Laat uw vrouwen, uw kleine kinderen, en uw vee blijven in het land, dat Mozes ulieden aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft; maar gijlieden zult gewapend trekken, voor het aangezicht uwer broederen, alle strijdbare helden, en zult hen helpen;

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

34

16

וְנָתַנּוּ אֶת בְּנֹתֵינוּ לָכֶם וְאֶת בְּנֹתֵיכֶם נִֽקַּֽח לָ֑נוּ וְיָשַׁבְנוּ אִתְּכֶם וְהָיִינוּ לְעַם אֶחָֽד׃

Dan zullen wij u onze dochteren geven, en uw dochteren zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot een volk zijn.

ISA

22

22

וְנָתַתִּי מַפְתֵּחַ בֵּית דָּוִד עַל שִׁכְמ֑וֹ וּפָתַח וְאֵין סֹגֵר וְסָגַר וְאֵין פֹּתֵֽחַ׃

En Ik zal den sleutel van het huis van David op zijn schouder leggen; en hij zal opendoen, en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten, en niemand zal opendoen.

EZE

16

19

וְלַחְמִי אֲשֶׁר נָתַתִּי לָךְ סֹלֶת וָשֶׁמֶן וּדְבַשׁ הֶֽאֱכַלְתִּיךְ וּנְתַתִּיהוּ לִפְנֵיהֶם לְרֵיחַ נִיחֹחַ וַיֶּ֑הִי נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִֽה׃

En Mijn brood, hetwelk Ik u gaf, meelbloem en olie, en honig, waarmede Ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hun aangezichten gesteld tot een liefelijken reuk; zo is het geschied, spreekt de Heere Heere.

JDG

14

13

וְאִם לֹא תוּכְלוּ לְהַגִּיד לִי֒ וּנְתַתֶּם אַתֶּם לִי שְׁלֹשִׁים סְדִינִים וּשְׁלֹשִׁים חֲלִיפוֹת בְּגָדִ֑ים וַיֹּאמְרוּ לוֹ חוּדָה חִידָתְךָ וְנִשְׁמָעֶֽנָּה׃

En indien gij het mij niet zult kunnen verklaren, zo zult gijlieden mij geven dertig fijne lijnwaadsklederen, en dertig wisselklederen. En zij zeiden tot hem: Geef uw raadsel te raden, en laat het ons horen.

EXO

28

14

וּשְׁתֵּי שַׁרְשְׁרֹת זָהָב טָהוֹר מִגְבָּלֹת תַּעֲשֶׂה אֹתָם מַעֲשֵׂה עֲבֹ֑ת וְנָתַתָּה אֶת שַׁרְשְׁרֹת הָעֲבֹתֹת עַל הַֽמִּשְׁבְּצֹֽת׃ס

En twee ketentjes van louter goud; gelijk-eindigende zult gij die maken, gedraaid werk; en de gedraaide ketentjes zult gij aan de kastjes hechten.

DEU

22

19

וְעָנְשׁוּ אֹתוֹ מֵאָה כֶסֶף וְנָתְנוּ לַאֲבִי הַֽנַּעֲרָה כִּי הוֹצִיא שֵׁם רָע עַל בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵ֑ל וְלֽוֹ תִהְיֶה לְאִשָּׁה לֹא יוּכַל לְשַּׁלְּחָהּ כָּל יָמָֽיו׃ס

En zij zullen hem een boete opleggen van honderd zilverlingen, en ze geven aan den vader van de jonge dochter, omdat hij een kwaden naam heeft uitgebracht over een jonge dochter van Israël; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal haar niet mogen laten gaan al zijn dagen.

LEV

26

4

וְנָתַתִּי גִשְׁמֵיכֶם בְּעִתָּ֑ם וְנָתְנָה הָאָרֶץ יְבוּלָהּ וְעֵץ הַשָּׂדֶה יִתֵּן פִּרְיֽוֹ׃

Zo zal Ik uw regens geven op hun tijd; en het land zal zijn inkomst geven, en het geboomte des velds zal zijn vrucht geven;

ISA

30

23

וְנָתַן מְטַר זַרְעֲךָ אֲשֶׁר תִּזְרַע אֶת הָאֲדָמָה וְלֶחֶם תְּבוּאַת הָֽאֲדָמָה וְהָיָה דָשֵׁן וְשָׁמֵ֑ן יִרְעֶה מִקְנֶיךָ בַּיּוֹם הַהוּא כַּר נִרְחָֽב׃

Dan zal Hij uw zaad, waarmede gij het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van des lands inkomen, en hetzelve zal vet en smoutig zijn; uw vee zal te dien dage in een wijde landouwe weiden.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

נְתָנָם

9

3ms

נְתָנוֹ

5

3ms

נְתָנְךָ

4

3ms

נְתָנַנִי

2

3ms

נְתָנָהּ

2

3ms

נָתָן

2

3ms

נְתָנָנִי

1

3ms

נְתָנָנוּ

1

3ms

שֶׁנָּתַן

1

3fs

נָתָנָה

1

2ms

נָתַתָּ

7

2ms

נְתַתָּנִי

2

2ms

תַּתָּה

1

2fs

נָתַתִּי

1

1cs

נְתַתִּיךָ

14

1cs

נְתַתִּיו

9

1cs

נְתַתִּיהָ

5

1cs

נְתַתִּים

4

1cs

נְתַתִּיךְ

2

1cs

נָתָתִּי

2

3cp

נָתָנּוּ

1

1cp

נְתַנּוּךָ

1

3ms

וּנְתָנָהּ

5

3ms

וּנְתָנָם

5

3ms

וּנְתָנְךָ

2

3ms

וּנְתָנוֹ

1

3ms

יִתֵּן

1

2ms

וְנָתַתָּ

21

2ms

וּנְתַתָּם

6

1cs

וּנְתַתִּיךָ

9

1cs

וּנְתַתִּים

7

1cs

וּנְתַתִּיהָ

5

1cs

וּנְתַתִּיו

4

1cs

וּנְתַתִּיךְ

3

1cs

וְנָתָתִּי

1

1cs

וּנְתַתִּיהוּ

1

1cs

וּנְתַתִּיופ

1

1cp

וּנְתַנּוּךָ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

ISA

2

JDG

25

JDG

18

EZE

18

GEN

6

EZE

19

2CH

16

LEV

15

14

וּבַיּוֹם הַשְּׁמִינִי יִֽקַּֽח לוֹ שְׁתֵּי תֹרִים אוֹ שְׁנֵי בְּנֵי יוֹנָ֑ה וּבָא לִפְנֵי יְהוָה אֶל פֶּתַח אֹהֶל מוֹעֵד וּנְתָנָם אֶל הַכֹּהֵֽן׃

En op den achtsten dag zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen; en zal voor het aangezicht des Heeren, aan de deur van de tent der samenkomst komen, en zal ze den priester geven.

EXO

26

34

וְנָתַתָּ אֶת הַכַּפֹּרֶת עַל אֲרוֹן הָעֵדֻ֑ת בְּקֹדֶשׁ הַקֳּדָשִֽׁים׃

En gij zult het verzoendeksel zetten op de ark der getuigenis, in het heilige der heiligen.

1KI

11

35

וְלָקַחְתִּי הַמְּלוּכָה מִיַּד בְּנ֑וֹ וּנְתַתִּיהָ לְּךָ אֵת עֲשֶׂרֶת הַשְּׁבָטִֽים׃

Maar uit de hand zijns zoons zal Ik het koninkrijk nemen; en Ik zal u daarvan tien stammen geven.

JDG

15

13

וַיֹּאמְרוּ לוֹ לֵאמֹר לֹא כִּֽי אָסֹר נֶֽאֱסָרְךָ וּנְתַנּוּךָ בְיָדָם וְהָמֵת לֹא נְמִיתֶ֑ךָ וַיַּאַסְרֻהוּ בִּשְׁנַיִם עֲבֹתִים חֲדָשִׁים וַֽיַּעֲלוּהוּ מִן הַסָּֽלַע׃

En zij spraken tot hem, zeggende: Neen, maar wij zullen u wel binden, en u in hunlieder hand overgeven; doch wij zullen u geenszins doden. En zij bonden hem met twee nieuwe touwen, en voerden hem op van de rots.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יִתֵּן

99

וַיִּתֵּן

147

וְיִתֵּן

6

יִקְטֹל

3fs

תִּתֵּן

7

וַתִּתֵּן

9

תִּקְטֹל

2ms

תִּתֵּן

28

וַתִּתֵּן

6

תִּקְטֹל

2fs

תִּתְּנִי

2

וַתִּתְּנִים

1

תִּקְטְלִי

1cs

אֶתֵּן

70

וָאֶתֵּן

15

וְאֶתֵּן

2

אֶקְטֹל

3mp

יִתְּנוּ

17

וַיִּתְּנוּ

55

וְיִתְּנוּ

3

יִקְטְלוּ

3fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תִּתְּנוּ

20

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִתֵּן

6

וַנִּתְּנָהּ

1

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

28

22

וְהָאֶבֶן הַזֹּאת אֲשֶׁר שַׂמְתִּי מַצֵּבָה יִהְיֶה בֵּית אֱלֹהִ֑ים וְכֹל אֲשֶׁר תִּתֶּן לִי עַשֵּׂר אֲעַשְּׂרֶנּוּ לָֽךְ׃

En deze steen, dien ik tot een opgericht teken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en van alles, wat Gij mij geven zult, zal ik U voorzeker de tienden geven!

GEN

34

21

הָאֲנָשִׁים הָאֵלֶּה שְֽׁלֵמִים הֵם אִתָּנוּ וְיֵשְׁבוּ בָאָרֶץ וְיִסְחֲרוּ אֹתָהּ וְהָאָרֶץ הִנֵּה רַֽחֲבַת יָדַיִם לִפְנֵיהֶ֑ם אֶת בְּנֹתָם נִקַּֽח לָנוּ לְנָשִׁים וְאֶת בְּנֹתֵינוּ נִתֵּן לָהֶֽם׃

Deze mannen zijn vreedzaam met ons; daarom laat hen in dit land wonen, en daarin handelen, en het land ( ziet het is wijd van begrip) voor hun aangezicht zijn; wij zullen ons hun dochteren tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochteren aan hen geven.

DEU

11

17

וְחָרָה אַף יְהוָה בָּכֶם וְעָצַר אֶת הַשָּׁמַיִם וְלֹֽא יִהְיֶה מָטָר וְהָאֲדָמָה לֹא תִתֵּן אֶת יְבוּלָ֑הּ וַאֲבַדְתֶּם מְהֵרָה מֵעַל הָאָרֶץ הַטֹּבָה אֲשֶׁר יְהוָה נֹתֵן לָכֶֽם׃

Dat de toorn des Heeren tegen ulieden ontsteke, en Hij den hemel toesluite, dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve; en gij haastelijk omkomt van het goede land, dat u de Heere geeft.

DEU

29

8

וַנִּקַּח אֶת אַרְצָם וַנִּתְּנָהּ לְנַחֲלָה לָרֽאוּבֵנִי וְלַגָּדִ֑י וְלַחֲצִי שֵׁבֶט הַֽמְנַשִּֽׁי׃

En wij hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubenieten en Gadieten, mitsgaders aan den halven stam der Manassieten.

JDG

17

4

וַיָּשֶׁב אֶת הַכֶּסֶף לְאִמּ֑וֹ וַתִּקַּח אִמּוֹ מָאתַיִם כֶּסֶף וַתִּתְּנֵהוּ לַצּוֹרֵף וַֽיַּעֲשֵׂהוּ פֶּסֶל וּמַסֵּכָה וַיְהִי בְּבֵית מִיכָֽיְהוּ׃

Maar hij gaf dat geld aan zijn moeder weder. En zijn moeder nam tweehonderd zilverlingen, en gaf ze den goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Micha.

1SA

2

10

יְהוָה יֵחַתּוּ מְרִיבוֹ עָלוֹ בַּשָּׁמַיִם יַרְעֵם יְהוָה יָדִין אַפְסֵי אָ֑רֶץ וְיִתֶּן עֹז לְמַלְכּוֹ וְיָרֵם קֶרֶן מְשִׁיחֽוֹ׃פ

Die met den Heere twisten, zullen verpletterd worden; Hij zal in den hemel over hen donderen; de Heere zal de einden der aarde richten, en zal Zijn Koning sterkte geven, en den hoorn Zijns Gezalfden verhogen.

1SA

28

19

וְיִתֵּן יְהוָה גַּם אֶת יִשְׂרָאֵל עִמְּךָ בְּיַד פְּלִשְׁתִּים וּמָחָר אַתָּה וּבָנֶיךָ עִמִּ֑י גַּם אֶת מַחֲנֵה יִשְׂרָאֵל יִתֵּן יְהוָה בְּיַד פְּלִשְׁתִּֽים׃

En de Heere zal ook Israël met u in de hand der Filistijnen geven, en morgen zult gij en uw zonen bij mij zijn; ook zal de Heere het leger van Israël in de hand der Filistijnen geven.

1KI

14

8

וָאֶקְרַע אֶת הַמַּמְלָכָה מִבֵּית דָּוִד וָאֶתְּנֶהָ לָ֑ךְ וְלֹֽא הָיִיתָ כְּעַבְדִּי דָוִד אֲשֶׁר שָׁמַר מִצְוֺתַי וַאֲשֶׁר הָלַךְ אַחֲרַי בְּכָל לְבָבוֹ לַעֲשׂוֹת רַק הַיָּשָׁר בְּעֵינָֽי׃

En het koninkrijk van het huis van David gescheurd, en dat u gegeven heb, en gij niet geweest zijt, gelijk Mijn knecht David, die Mijn geboden hield, en die Mij met zijn ganse hart navolgde, om te doen alleen wat recht is in Mijn ogen;

2KI

12

7

וַיִּקְרָא הַמֶּלֶךְ יְהוֹאָשׁ לִיהוֹיָדָע הַכֹּהֵן וְלַכֹּהֲנִים וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם מַדּוּעַ אֵינְכֶם מְחַזְּקִים אֶת בֶּדֶק הַבָּ֑יִת וְעַתָּה אַל תִּקְחוּ כֶסֶף מֵאֵת מַכָּֽרֵיכֶם כִּֽי לְבֶדֶק הַבַּיִת תִּתְּנֻֽהוּ׃

Toen riep de koning Joas den priester Jojada en de andere priesteren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden niet de breuken van het huis? Nu dan, neemt geen geld van uw bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het huis.

2KI

12

15

וְלֹא יְחַשְּׁבוּ אֶת הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר יִתְּנוּ אֶת הַכֶּסֶף עַל יָדָם לָתֵת לְעֹשֵׂי הַמְּלָאכָ֑ה כִּי בֶאֱמֻנָה הֵם עֹשִֽׂים׃

Daartoe eisten zij geen rekening van de mannen, wien zij dat geld in hun handen gaven, om aan degenen, die het werk deden, te geven; want zij handelden trouwelijk.

2KI

22

5

וְיִתְּנֹה עַל יַד עֹשֵׂי הַמְּלָאכָה הַמֻּפְקָדִים בְּבֵית יְהוָ֑ה וְיִתְּנוּ אֹתוֹ לְעֹשֵׂי הַמְּלָאכָה אֲשֶׁר בְּבֵית יְהוָה לְחַזֵּק בֶּדֶק הַבָּֽיִת׃

En dat zij dat geven in de hand der verzorgers van het werk, die besteld zijn over het huis des Heeren; opdat zij het geven aan degenen, die het werk doen, dat in het huis des Heeren is, om de breuken van het huis te beteren;

2CH

20

3

וַיִּרָא וַיִּתֵּן יְהוֹשָׁפָט אֶת פָּנָיו לִדְרוֹשׁ לַיהוָ֑ה וַיִּקְרָא צוֹם עַל כָּל יְהוּדָֽה׃

Josafat nu vreesde, en stelde zijn aangezicht, om den Heere te zoeken; en hij riep een vasten uit in gans Juda.

NEH

9

10

וַתִּתֵּן אֹתֹת וּמֹֽפְתִים בְּפַרְעֹה וּבְכָל עֲבָדָיו וּבְכָל עַם אַרְצוֹ כִּי יָדַעְתָּ כִּי הֵזִידוּ עֲלֵיהֶ֑ם וַתַּֽעַשׂ לְךָ שֵׁם כְּהַיּוֹם הַזֶּֽה׃

En Gij hebt tekenen en wonderen gedaan aan Farao, en aan al zijn knechten, en aan al het volk zijns lands; want Gij wist, dat zij trotselijk tegen hen handelden; en Gij hebt U een Naam gemaakt, als het is te dezen dage.

ISA

22

21

וְהִלְבַּשְׁתִּיו כֻּתָּנְתֶּךָ וְאַבְנֵֽטְךָ אֲחַזְּקֶנּוּ וּמֶֽמְשֶׁלְתְּךָ אֶתֵּן בְּיָד֑וֹ וְהָיָה לְאָב לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִַם וּלְבֵית יְהוּדָֽה׃

En Ik zal hem met uw rok bekleden, en Ik zal hem met uw gordel sterken, en uw heerschappij zal Ik in zijn hand geven; en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize van Juda tot een vader zijn.

ISA

49

8

כֹּה אָמַר יְהוָה בְּעֵת רָצוֹן עֲנִיתִיךָ וּבְיוֹם יְשׁוּעָה עֲזַרְתִּ֑יךָ וְאֶצָּרְךָ וְאֶתֶּנְךָ לִבְרִית עָם לְהָקִים אֶרֶץ לְהַנְחִיל נְחָלוֹת שֹׁמֵמֽוֹת׃

Alzo zegt de Heere: In dien tijd des welbehagens heb Ik U verhoord, en ten dage des heils heb Ik U geholpen; en Ik zal U bewaren, en Ik zal U geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten, om de verwoeste erfenissen te doen beërven;

JER

4

16

הַזְכִּירוּ לַגּוֹיִם הִנֵּה הַשְׁמִיעוּ עַל יְרוּשָׁלִַם נֹצְרִים בָּאִים מֵאֶרֶץ הַמֶּרְחָ֑ק וַֽיִּתְּנוּ עַל עָרֵי יְהוּדָה קוֹלָֽם׃

Vermeldt den volke, ziet, doet het horen tegen Jeruzalem; daar komen hoeders uit verren lande; en zij verheffen hun stem tegen de steden van Juda.

EZE

16

21

וַֽתִּשְׁחֲטִי אֶת בָּנָ֑י וַֽתִּתְּנִים בְּהַעֲבִיר אוֹתָם לָהֶֽם׃

Dat gij Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vuur hebt doen gaan?

EZE

16

41

וְשָׂרְפוּ בָתַּיִךְ בָּאֵשׁ וְעָשׂוּ בָךְ שְׁפָטִים לְעֵינֵי נָשִׁים רַבּ֑וֹת וְהִשְׁבַּתִּיךְ מִזּוֹנָה וְגַם אֶתְנַן לֹא תִתְּנִי עֽוֹד׃

Zij zullen ook uw huizen met vuur verbranden, en oordelen tegen u uitvoeren voor veler vrouwen ogen; en Ik zal u doen ophouden van een hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

17

2

וְאֶתְּנָה בְרִיתִי בֵּינִי וּבֵינֶ֑ךָ וְאַרְבֶּה אוֹתְךָ בִּמְאֹד מְאֹֽד׃

En Ik zal Mijn verbond stellen tussen Mij en tussen u, en Ik zal u gans zeer vermenigvuldigen.

GEN

29

27

מַלֵּא שְׁבֻעַ זֹ֑את וְנִתְּנָה לְךָ גַּם אֶת זֹאת בַּעֲבֹדָה אֲשֶׁר תַּעֲבֹד עִמָּדִי עוֹד שֶֽׁבַע שָׁנִים אֲחֵרֽוֹת׃

Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.

GEN

30

28

וַיֹּאמַ֑ר נָקְבָה שְׂכָרְךָ עָלַי וְאֶתֵּֽנָה׃

Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.

GEN

34

12

הַרְבּוּ עָלַי מְאֹד מֹהַר וּמַתָּן וְאֶתְּנָה כַּאֲשֶׁר תֹּאמְרוּ אֵלָ֑י וּתְנוּ לִי אֶת הַֽנַּעֲרָ לְאִשָּֽׁה׃

Vergroot zeer over mij den bruidschat en het geschenk; en ik zal geven, gelijk als gij tot mij zult zeggen; geef mij slechts de jonge dochter tot een vrouw.

GEN

45

18

וּקְחוּ אֶת אֲבִיכֶם וְאֶת בָּתֵּיכֶם וּבֹאוּ אֵלָ֑י וְאֶתְּנָה לָכֶם אֶת טוּב אֶרֶץ מִצְרַיִם וְאִכְלוּ אֶת חֵלֶב הָאָֽרֶץ׃

En neemt uw vader en uw huisgezinnen, en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypteland geven, en gij zult het vette dezes lands eten.

GEN

47

16

וַיֹּאמֶר יוֹסֵף הָבוּ מִקְנֵיכֶם וְאֶתְּנָה לָכֶם בְּמִקְנֵיכֶ֑ם אִם אָפֵס כָּֽסֶף׃

En Jozef zeide: Geeft uw vee, zo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.

EXO

24

12

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה עֲלֵה אֵלַי הָהָרָה וֶהְיֵה שָׁ֑ם וְאֶתְּנָה לְךָ אֶת לֻחֹת הָאֶבֶן וְהַתּוֹרָה וְהַמִּצְוָה אֲשֶׁר כָּתַבְתִּי לְהוֹרֹתָֽם׃

Toen zeide de Heere tot Mozes: Kom tot Mij op den berg, en wees aldaar; en Ik zal u stenen tafelen geven, en de wet, en de geboden, die Ik geschreven heb, om hen te onderwijzen.

NUM

14

4

וַיֹּאמְרוּ אִישׁ אֶל אָחִ֑יו נִתְּנָה רֹאשׁ וְנָשׁוּבָה מִצְרָֽיְמָה׃

En zij zeiden de een tot den ander: Laat ons een hoofd opwerpen, en wederkeren naar Egypte!

NUM

21

16

וּמִשָּׁם בְּאֵ֑רָה הִוא הַבְּאֵר אֲשֶׁר אָמַר יְהוָה לְמֹשֶׁה אֱסֹף אֶת הָעָם וְאֶתְּנָה לָהֶם מָֽיִם׃ס

En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de Heere tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.

1SA

17

44

וַיֹּאמֶר הַפְּלִשְׁתִּי אֶל דָּוִ֑ד לְכָה אֵלַי וְאֶתְּנָה אֶת בְּשָׂרְךָ לְעוֹף הַשָּׁמַיִם וּלְבֶהֱמַת הַשָּׂדֶֽה׃ס

Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zo zal ik uw vlees aan de vogelen des hemels geven, en aan de dieren des velds.

1KI

13

7

וַיְדַבֵּר הַמֶּלֶךְ אֶל אִישׁ הָאֱלֹהִים בֹּאָה אִתִּי הַבַּיְתָה וּֽסְעָ֑דָה וְאֶתְּנָה לְךָ מַתָּֽת׃

En de koning sprak tot den man Gods: Kom met mij naar huis, en sterk u, en ik zal u een geschenk geven.

1KI

18

1

וַיְהִי יָמִים רַבִּים וּדְבַר יְהוָה הָיָה אֶל אֵלִיָּהוּ בַּשָּׁנָה הַשְּׁלִישִׁית לֵאמֹ֑ר לֵךְ הֵרָאֵה אֶל אַחְאָב וְאֶתְּנָה מָטָר עַל פְּנֵי הָאֲדָמָֽה׃

En het gebeurde na vele dagen, dat het woord des Heeren geschiedde tot Elia, in het derde jaar, zeggende: Ga heen, vertoon u aan Achab; want Ik zal regen geven op den aardbodem.

1KI

21

2

וַיְדַבֵּר אַחְאָב אֶל נָבוֹת לֵאמֹר תְּנָה לִּי אֶֽת כַּרְמְךָ וִֽיהִי לִי לְגַן יָרָק כִּי הוּא קָרוֹב אֵצֶל בֵּיתִי וְאֶתְּנָה לְךָ תַּחְתָּיו כֶּרֶם טוֹב מִמֶּ֑נּוּ אִם טוֹב בְּעֵינֶיךָ אֶתְּנָה לְךָ כֶסֶף מְחִיר זֶֽה׃

Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld deszelfs waarde geven.

1KI

21

2

וַיְדַבֵּר אַחְאָב אֶל נָבוֹת לֵאמֹר תְּנָה לִּי אֶֽת כַּרְמְךָ וִֽיהִי לִי לְגַן יָרָק כִּי הוּא קָרוֹב אֵצֶל בֵּיתִי וְאֶתְּנָה לְךָ תַּחְתָּיו כֶּרֶם טוֹב מִמֶּ֑נּוּ אִם טוֹב בְּעֵינֶיךָ אֶתְּנָה לְךָ כֶסֶף מְחִיר זֶֽה׃

Dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef mij uw wijngaard, opdat hij mij zij tot een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven een wijngaard, die beter is dan die; of, zo het goed in uw ogen is, zal ik u in geld deszelfs waarde geven.

1KI

21

6

וַיְדַבֵּר אֵלֶיהָ כִּֽי אֲדַבֵּר אֶל נָבוֹת הַיִּזְרְעֵאלִי וָאֹמַר לוֹ תְּנָה לִּי אֶֽת כַּרְמְךָ בְּכֶסֶף אוֹ אִם חָפֵץ אַתָּה אֶתְּנָה לְךָ כֶרֶם תַּחְתָּ֑יו וַיֹּאמֶר לֹֽא אֶתֵּן לְךָ אֶת כַּרְמִֽי׃

En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth, den Jizreëliet, gesproken en hem gezegd heb: Geef mij uw wijngaard om geld, of, zo het u behaagt, zal ik u een wijngaard in zijn plaats geven; maar hij heeft gezegd: Ik zal u mijn wijngaard niet geven.

2KI

18

23

וְעַתָּה הִתְעָרֶב נָא אֶת אֲדֹנִי אֶת מֶלֶךְ אַשּׁ֑וּר וְאֶתְּנָה לְךָ אַלְפַּיִם סוּסִים אִם תּוּכַל לָתֶת לְךָ רֹכְבִים עֲלֵיהֶֽם׃

Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.

PSA

2

8

שְׁאַל מִמֶּנִּי וְאֶתְּנָה גוֹיִם נַחֲלָתֶ֑ךָ וַאֲחֻזָּתְךָ אַפְסֵי אָֽרֶץ׃

Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.

PSA

51

16

כִּי לֹא תַחְפֹּץ זֶבַח וְאֶתֵּ֑נָה עוֹלָה לֹא תִרְצֶֽה׃

[051:18] Want Gij hebt geen lust tot offerande, anders zou ik ze geven; in brandofferen hebt Gij geen behagen.

ISA

36

8

וְעַתָּה הִתְעָרֶב נָא אֶת אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ אַשּׁ֑וּר וְאֶתְּנָה לְךָ אַלְפַּיִם סוּסִים אִם תּוּכַל לָתֶת לְךָ רֹכְבִים עֲלֵיהֶֽם׃

Nu dan, wed toch met mijn heer, den koning van Assyrië; en ik zal u twee duizend paarden geven, zo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.

ISA

43

28

וַאֲחַלֵּל שָׂרֵי קֹ֑דֶשׁ וְאֶתְּנָה לַחֵרֶם יַעֲקֹב וְיִשְׂרָאֵל לְגִדּוּפִֽים׃ס

Daarom zal Ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

23

9

וְיִתֶּן לִי אֶת מְעָרַת הַמַּכְפֵּלָה אֲשֶׁר לוֹ אֲשֶׁר בִּקְצֵה שָׂדֵ֑הוּ בְּכֶסֶף מָלֵא יִתְּנֶנָּה לִי בְּתוֹכְכֶם לַאֲחֻזַּת קָֽבֶר׃

Dat hij mij geve de spelonk van Machpela, die hij heeft, die in het einde van zijn akker is, dat hij dezelve mij om het volle geld geve, tot een erfbegrafenis in het midden van u.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

תֵּן

9

קְטֹל

fs

תְּנִי

6

קִטְלִי

mp

תְּנוּ

22

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

14

21

וַיֹּאמֶר מֶֽלֶךְ סְדֹם אֶל אַבְרָ֑ם תֶּן לִי הַנֶּפֶשׁ וְהָרְכֻשׁ קַֽח לָֽךְ׃

En de koning van Sodom zeide tot Abram: Geef mij de zielen; maar neem de have voor u.

1CH

29

19

וְלִשְׁלֹמֹה בְנִי תֵּן לֵבָב שָׁלֵם לִשְׁמוֹר מִצְוֺתֶיךָ עֵדְוֺתֶיךָ וְחֻקֶּ֑יךָ וְלַעֲשׂוֹת הַכֹּל וְלִבְנוֹת הַבִּירָה אֲשֶׁר הֲכִינֽוֹתִי׃פ

En geef mijn zoon Salomo een volkomen hart, om te houden Uw geboden, Uw getuigenissen en Uw inzettingen; en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen, hetwelk ik bereid heb.

ISA

43

6

אֹמַר לַצָּפוֹן תֵּנִי וּלְתֵימָן אַל תִּכְלָ֑אִי הָבִיאִי בָנַי מֵרָחוֹק וּבְנוֹתַי מִקְצֵה הָאָֽרֶץ׃

Ik zal zeggen tot het noorden: Geef; en tot het zuiden: Houd niet terug; breng Mijn zonen van verre, en Mijn dochters van het einde der aarde;

JER

22

20

עֲלִי הַלְּבָנוֹן וּֽצְעָקִי וּבַבָּשָׁן תְּנִי קוֹלֵ֑ךְ וְצַֽעֲקִי מֵֽעֲבָרִים כִּי נִשְׁבְּרוּ כָּל מְאַהֲבָֽיִךְ׃

Klim op den Libanon en roep, en verhef uw stem op den Basan; roep ook van de veren; maar al uw liefhebbers zijn verbroken.

JER

48

9

תְּנוּ צִיץ לְמוֹאָב כִּי נָצֹא תֵּצֵ֑א וְעָרֶיהָ לְשַׁמָּה תִֽהְיֶינָה מֵאֵין יוֹשֵׁב בָּהֵֽן׃

Geeft Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en haar steden zullen ter verwoesting worden, dat niemand in dezelve wone.

GEN

34

8

וַיְדַבֵּר חֲמוֹר אִתָּם לֵאמֹ֑ר שְׁכֶם בְּנִי חָֽשְׁקָה נַפְשׁוֹ בְּבִתְּכֶם תְּנוּ נָא אֹתָהּ לוֹ לְאִשָּֽׁה׃

Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichems ziel is verliefd op ulieder dochter; geeft hem haar toch tot een vrouw.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

נֹתֵן

83

קֹטֵל

fs

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

נֹתְנִים

3

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַנֹּתֵן

6

fs

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַנֹּתְנִים

1

fp

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

נוֹתֵן

5

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַנּוֹתֵן

4

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַנֹּתְנִים

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 2fs

fs

נֹתְנָךְ

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְנֹתֵן

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְנוֹתֵן

1

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

נֹתְנֵי

1

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

נֹתֵן

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 2ms

ms

נֹתֶנְךָ

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 3ms

ms

נֹתְנוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

ms

נָתוּן

3

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

V-Qal-QalPassPrtcpl-mp

mp

נְתֻנִים

5

קְטוּלִים

V-Qal-QalPassPrtcpl-mp

mp

נְתוּנִים

1

קְטוּלִים

V-Qal-QalPassPrtcpl-fp

fp

נְתֻנוֹת

1

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NUM

8

16

כִּי נְתֻנִים נְתֻנִים הֵמָּה לִי מִתּוֹךְ בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל תַּחַת פִּטְרַת כָּל רֶחֶם בְּכוֹר כֹּל מִבְּנֵי יִשְׂרָאֵל לָקַחְתִּי אֹתָם לִֽי׃

Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israëls; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israëls, heb Ik ze Mij genomen.

NUM

8

16

כִּי נְתֻנִים נְתֻנִים הֵמָּה לִי מִתּוֹךְ בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל תַּחַת פִּטְרַת כָּל רֶחֶם בְּכוֹר כֹּל מִבְּנֵי יִשְׂרָאֵל לָקַחְתִּי אֹתָם לִֽי׃

Want zij zijn gegeven, zij zijn Mij gegeven uit het midden van de kinderen Israëls; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israëls, heb Ik ze Mij genomen.

NUM

8

19

וָאֶתְּנָה אֶת הַלְוִיִּם נְתֻנִים לְאַהֲרֹן וּלְבָנָיו מִתּוֹךְ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל֒ לַעֲבֹד אֶת עֲבֹדַת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל בְּאֹהֶל מוֹעֵד וּלְכַפֵּר עַל בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל וְלֹא יִהְיֶה בִּבְנֵי יִשְׂרָאֵל נֶגֶף בְּגֶשֶׁת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל אֶל הַקֹּֽדֶשׁ׃

En Ik heb de Levieten aan Aäron en aan zijn zonen tot een gift gegeven, uit het midden van de kinderen Israëls, om den dienst van de kinderen Israëls in de tent der samenkomst te bedienen, en om voor de kinderen Israëls verzoening te doen, dat er geen plage zij onder de kinderen Israëls, als de kinderen Israëls tot het heiligdom naderen zouden.

NUM

18

6

וַאֲנִי הִנֵּה לָקַחְתִּי אֶת אֲחֵיכֶם הַלְוִיִּם מִתּוֹךְ בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל לָכֶם מַתָּנָה נְתֻנִים לַֽיהוָה לַעֲבֹד אֶת עֲבֹדַת אֹהֶל מוֹעֵֽד׃

Want Ik, zie, Ik heb uw broederen, de Levieten, uit het midden der kinderen Israëls genomen; zij zijn ulieden een gave, gegeven den Heere, om den dienst van de tent der samenkomst te bedienen.

DEU

28

31

שׁוֹרְךָ טָבוּחַ לְעֵינֶיךָ וְלֹא תֹאכַל מִמֶּנּוּ֒ חֲמֹֽרְךָ גָּזוּל מִלְּפָנֶיךָ וְלֹא יָשׁוּב לָ֑ךְ צֹֽאנְךָ נְתֻנוֹת לְאֹיְבֶיךָ וְאֵין לְךָ מוֹשִֽׁיעַ׃

Uw os zal voor uw ogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden, en tot u niet wederkeren; uw klein vee zal aan uw vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.

DEU

28

32

בָּנֶיךָ וּבְנֹתֶיךָ נְתֻנִים לְעַם אַחֵר וְעֵינֶיךָ רֹאוֹת וְכָלוֹת אֲלֵיהֶם כָּל הַיּ֑וֹם וְאֵין לְאֵל יָדֶֽךָ׃

Uw zonen en uw dochteren zullen aan een ander volk gegeven worden, dat het uw ogen aanzien, en naar hen bezwijken den gansen dag; maar het zal in het vermogen uwer hand niet zijn.

1CH

6

48

וַאֲחֵיהֶם הַלְוִיִּ֑ם נְתוּנִים לְכָל עֲבוֹדַת מִשְׁכַּן בֵּית הָאֱלֹהִֽים׃

Hun broeders nu, de Levieten, waren gegeven tot allerlei dienst des tabernakels van het huis Gods.

2CH

1

12

הַֽחָכְמָה וְהַמַּדָּע נָתוּן לָ֑ךְ וְעֹשֶׁר וּנְכָסִים וְכָבוֹד אֶתֶּן לָךְ אֲשֶׁר לֹא הָיָה כֵן לַמְּלָכִים אֲשֶׁר לְפָנֶיךָ וְאַחֲרֶיךָ לֹא יִֽהְיֶה כֵּֽן׃

De wijsheid, en de wetenschap is u gegeven; daartoe zal Ik u rijkdom, en goederen, en eer geven, dergelijke geen koningen, die voor u geweest zijn, gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.

NEH

13

4

וְלִפְנֵי מִזֶּה אֶלְיָשִׁיב הַכֹּהֵן נָתוּן בְּלִשְׁכַּת בֵּית אֱלֹהֵ֑ינוּ קָרוֹב לְטוֹבִיָּֽה׃

Eljasib nu, de priester, die gesteld was over de kamer van het huis onzes Gods, was voor dezen nabestaande van Tobia geworden.

EST

3

11

וַיֹּאמֶר הַמֶּלֶךְ לְהָמָן הַכֶּסֶף נָתוּן לָ֑ךְ וְהָעָם לַעֲשׂוֹת בּוֹ כַּטּוֹב בְּעֵינֶֽיךָ׃

En de koning zeide tot Haman: Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen, naar dat het goed is in uw ogen.

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לָתֵת

73

Prep-l | V-Qal-Inf

לָתֶת

24

V-Qal-Inf

תֵּת

14

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלָתֵת

6

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בְּתִתִּי

6

Prep-b | V-Qal-Inf

בְּתֵת

4

Prep-l | V-Qal-Inf | 2ms

לְתִתְּךָ

3

Prep-m | V-Qal-Inf | 1cs

מִתִּתִּי

3

V-Qal-Inf | 3ms

תִּתּוֹ

3

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלָתֶת

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 2ms

בְּתִתְּךָ

2

Prep-l | V-Qal-Inf | 1cs

לְתִתִּי

2

Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

לְתִתָּהּ

2

Prep-m | V-Qal-Inf

מִתֵּת

2

V-Qal-Inf | 1cs

תִּתִּי

2

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf | 2fs

וּבְתִתֵּךְ

1

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf | 1cp

וּלְתִתֵּנוּ

1

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf | 2ms

וּלְתִתְּךָ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בְּתִתָּם

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בְּתִתּוֹ

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לְתִתֵּן

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3mp

לְתִתָּם

1

V-Qal-Inf

נְתָן

1

V-Qal-Inf

נְתֹן

1

V-Qal-Inf | 1cs

תִתִּי

1

V-Qal-Inf | 2ms

תִּתְּךָ

1

V-Qal-Inf | 3mp

תִּתָּם

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

4

12

כִּי תַֽעֲבֹד אֶת הָאֲדָמָה לֹֽא תֹסֵף תֵּת כֹּחָהּ לָ֑ךְ נָע וָנָד תִּֽהְיֶה בָאָֽרֶץ׃

Als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.

GEN

15

7

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑יו אֲנִי יְהוָה אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ מֵאוּר כַּשְׂדִּים לָתֶת לְךָ אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת לְרִשְׁתָּֽהּ׃

Voorts zeide Hij tot hem: Ik ben de Heere, Die u uitgeleid heb uit Ur der Chaldeen, om u dit land te geven, om dat erfelijk te bezitten.

GEN

29

19

וַיֹּאמֶר לָבָן טוֹב תִּתִּי אֹתָהּ לָךְ מִתִּתִּי אֹתָהּ לְאִישׁ אַחֵ֑ר שְׁבָה עִמָּדִֽי׃

Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.

GEN

29

19

וַיֹּאמֶר לָבָן טוֹב תִּתִּי אֹתָהּ לָךְ מִתִּתִּי אֹתָהּ לְאִישׁ אַחֵ֑ר שְׁבָה עִמָּדִֽי׃

Toen zeide Laban: Het is beter, dat ik haar aan u geve, dan dat ik haar aan een anderen man geve; blijf bij mij.

GEN

29

26

וַיֹּאמֶר לָבָן לֹא יֵעָשֶׂה כֵן בִּמְקוֹמֵ֑נוּ לָתֵת הַצְּעִירָה לִפְנֵי הַבְּכִירָֽה׃

En Laban zeide: Men doet alzo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uitgeve voor de eerstgeborene.

GEN

34

14

וַיֹּאמְרוּ אֲלֵיהֶם לֹא נוּכַל לַעֲשׂוֹת הַדָּבָר הַזֶּה לָתֵת אֶת אֲחֹתֵנוּ לְאִישׁ אֲשֶׁר לוֹ עָרְלָ֑ה כִּֽי חֶרְפָּה הִוא לָֽנוּ׃

En zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zaak niet kunnen doen, dat wij onze zuster aan een man geven zouden, die de voorhuid heeft; want dat ware ons een schande.

GEN

38

9

וַיֵּדַע אוֹנָן כִּי לֹּא לוֹ יִהְיֶה הַזָּ֑רַע וְהָיָה אִם בָּא אֶל אֵשֶׁת אָחִיו וְשִׁחֵת אַרְצָה לְבִלְתִּי נְתָן זֶרַע לְאָחִֽיו׃

Doch Onan, wetende, dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zo geschiedde het, als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij het verdierf tegen de aarde, om zijn broeder geen zaad te geven.

GEN

42

25

וַיְצַו יוֹסֵף וַיְמַלְאוּ אֶת כְּלֵיהֶם בָּר֒ וּלְהָשִׁיב כַּסְפֵּיהֶם אִישׁ אֶל שַׂקּוֹ וְלָתֵת לָהֶם צֵדָה לַדָּ֑רֶךְ וַיַּעַשׂ לָהֶם כֵּֽן׃

En Jozef gebood, dat men hun zakken met koren vullen zou, en dat men hun geld wederkeerde, een iegelijk in zijn zak, en dat men hun teerkost gave tot den weg; en men deed hun alzo.

GEN

42

27

וַיִּפְתַּח הָאֶחָד אֶת שַׂקּוֹ לָתֵת מִסְפּוֹא לַחֲמֹרוֹ בַּמָּל֑וֹן וַיַּרְא אֶת כַּסְפּוֹ וְהִנֵּה הוּא בְּפִי אַמְתַּחְתּֽוֹ׃

Toen een zijn zak opendeed, om zijn ezel voeder te geven in de herberg, zo zag hij zijn geld; want ziet, het was in den mond van zijn zak.

EXO

5

7

לֹא תֹאסִפוּן לָתֵת תֶּבֶן לָעָם לִלְבֹּן הַלְּבֵנִים כִּתְמוֹל שִׁלְשֹׁ֑ם הֵם יֵֽלְכוּ וְקֹשְׁשׁוּ לָהֶם תֶּֽבֶן׃

Gij zult voortaan aan deze lieden geen stro meer geven, tot het maken der tichelstenen, als gisteren en eergisteren; laat hen zelven heengaan, en stro voor zichzelven verzamelen.

PARSING

HEBR

COUNT

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְנָתוֹן

4

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְנָתֹן

3

V-Qal-InfAbs

נָתֹן

3

V-Qal-InfAbs

נָתוֹן

3

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

41

43

וַיַּרְכֵּב אֹתוֹ בְּמִרְכֶּבֶת הַמִּשְׁנֶה אֲשֶׁר לוֹ וַיִּקְרְאוּ לְפָנָיו אַבְרֵ֑ךְ וְנָתוֹן אֹתוֹ עַל כָּל אֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

En hij deed hem rijden op den tweeden wagen, dien hij had; en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzo stelde hij hem over gans Egypteland.

NUM

21

2

וַיִּדַּר יִשְׂרָאֵל נֶדֶר לַֽיהוָה וַיֹּאמַ֑ר אִם נָתֹן תִּתֵּן אֶת הָעָם הַזֶּה בְּיָדִי וְהַֽחֲרַמְתִּי אֶת עָרֵיהֶֽם׃

Toen beloofde Israël den Heere een gelofte, en zeide: Indiën Gij dit volk geheel in mijn hand geeft, zo zal ik hun steden verbannen.

NUM

27

7

כֵּן בְּנוֹת צְלָפְחָד דֹּבְרֹת֒ נָתֹן תִּתֵּן לָהֶם אֲחֻזַּת נַחֲלָה בְּתוֹךְ אֲחֵי אֲבִיהֶ֑ם וְהַֽעֲבַרְתָּ אֶת נַחֲלַת אֲבִיהֶן לָהֶֽן׃

De dochteren van Zelafead spreken recht; gij zult haar ganselijk geven de bezitting ener erfenis, in het midden van de broederen haars vaders; en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen.

DEU

15

10

נָתוֹן תִּתֵּן לוֹ וְלֹא יֵרַע לְבָבְךָ בְּתִתְּךָ ל֑וֹ כִּי בִּגְלַל הַדָּבָר הַזֶּה יְבָרֶכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּכָֽל מַעֲשֶׂךָ וּבְכֹל מִשְׁלַח יָדֶֽךָ׃

Gij zult hem mildelijk geven, en uw hart zal niet boos zijn, als gij hem geeft; want om dezer zake wil zal u de Heere, uw God, zegenen in al uw werk, en in alles, waaraan gij uw hand slaat.

JDG

8

25

וַיֹּאמְרוּ נָתוֹן נִתֵּ֑ן וַֽיִּפְרְשׂוּ אֶת הַשִּׂמְלָה וַיַּשְׁלִיכוּ שָׁמָּה אִישׁ נֶזֶם שְׁלָלֽוֹ׃

En zij zeiden: Wij zullen ze gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijn roof.

JDG

11

30

וַיִּדַּר יִפְתָּח נֶדֶר לַיהוָה וַיֹּאמַ֑ר אִם נָתוֹן תִּתֵּן אֶת בְּנֵי עַמּוֹן בְּיָדִֽי׃

En Jeftha beloofde den Heere een gelofte, en zeide: Indiën Gij de kinderen Ammons ganselijk in mijn hand zult geven;

2SA

5

19

וַיִּשְׁאַל דָּוִד בַּֽיהוָה לֵאמֹר הַאֶֽעֱלֶה אֶל פְּלִשְׁתִּים הֲתִתְּנֵם בְּיָדִ֑י וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל דָּוִד עֲלֵה כִּֽי נָתֹן אֶתֵּן אֶת הַפְּלִשְׁתִּים בְּיָדֶֽךָ׃

Zo vraagde David den Heere, zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistijnen? Zult Gij ze in mijn hand geven? En de Heere zeide tot David: Trek op, want Ik zal de Filistijnen zekerlijk in uw hand geven.

EST

2

3

וְיַפְקֵד הַמֶּלֶךְ פְּקִידִים בְּכָל מְדִינוֹת מַלְכוּתוֹ֒ וְיִקְבְּצוּ אֶת כָּל נַעֲרָֽה בְתוּלָה טוֹבַת מַרְאֶה אֶל שׁוּשַׁן הַבִּירָה אֶל בֵּית הַנָּשִׁים אֶל יַד הֵגֶא סְרִיס הַמֶּלֶךְ שֹׁמֵר הַנָּשִׁ֑ים וְנָתוֹן תַּמְרוּקֵיהֶֽן׃

En de koning bestelle toezieners in al de landschappen zijns koninkrijks, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht, tot den burg Susan, tot het huis der vrouwen, onder de hand van Hegai, des konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en men geve haar haar versierselen.

EST

6

9

וְנָתוֹן הַלְּבוּשׁ וְהַסּוּס עַל יַד אִישׁ מִשָּׂרֵי הַמֶּלֶךְ הַֽפַּרְתְּמִים וְהִלְבִּישׁוּ אֶת הָאִישׁ אֲשֶׁר הַמֶּלֶךְ חָפֵץ בִּֽיקָר֑וֹ וְהִרְכִּיבֻהוּ עַל הַסּוּס בִּרְחוֹב הָעִיר וְקָרְאוּ לְפָנָיו כָּכָה יֵעָשֶׂה לָאִישׁ אֲשֶׁר הַמֶּלֶךְ חָפֵץ בִּיקָרֽוֹ׃

En men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van een uit de vorsten des konings, van de grootste heren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft; en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal voor hem roepen: Alzo zal men dien man doen, tot wiens eer de koning een welbehagen heeft!

ECC

8

9

אֶת כָּל זֶה רָאִיתִי וְנָתוֹן אֶת לִבִּי לְכָֽל מַעֲשֶׂה אֲשֶׁר נַעֲשָׂה תַּחַת הַשָּׁ֑מֶשׁ עֵת אֲשֶׁר שָׁלַט הָאָדָם בְּאָדָם לְרַע לֽוֹ׃

Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de ene mens over den anderen mens heerst, hem ten kwade.

ISA

37

19

וְנָתֹן אֶת אֱלֹהֵיהֶם בָּאֵ֑שׁ כִּי לֹא אֱלֹהִים הֵמָּה כִּי אִם מַעֲשֵׂה יְדֵֽי אָדָם עֵץ וָאֶבֶן וַֽיְאַבְּדֽוּם׃

En hebben hun goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden, maar het werk van mensenhanden, hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.

JER

37

21

וַיְצַוֶּה הַמֶּלֶךְ צִדְקִיָּהוּ וַיַּפְקִדוּ אֶֽת יִרְמְיָהוּ בַּחֲצַר הַמַּטָּרָה֒ וְנָתֹן לוֹ כִכַּר לֶחֶם לַיּוֹם מִחוּץ הָאֹפִים עַד תֹּם כָּל הַלֶּחֶם מִן הָעִ֑יר וַיֵּשֶׁב יִרְמְיָהוּ בַּחֲצַר הַמַּטָּרָֽה׃

Toen gaf de koning Zedekia bevel; en zij bestelden Jeremia in het voorhof der bewaring, en men gaf hem des daags een bol broods uit de Bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Alzo bleef Jeremia in het voorhof der bewaring.

EZE

23

46

כִּי כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִ֑ה הַעֲלֵה עֲלֵיהֶם קָהָל וְנָתֹן אֶתְהֶן לְזַעֲוָה וְלָבַֽז׃

Want alzo zegt de Heere Heere: Ik zal een vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven.