Vervoeging אָמַר

Strong H559
Betekenis: zeggen
Frequentie Qal: 5264

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

אָמַר

695

וְאָמַר

52

קָטַל

3fs

אָמְרָה

15

וְאָמְרָה

8

קָֽטְלָה

2ms

אָמַרְתָּ

19

וְאָמַרְתָּ

132

קָטַ֫לְתָּ

2fs

אָמַרְתְּ

7

וְאָמַרְתְּ

3

קָטַלְתְּ

1cs

אָמַרְתִּי

76

וְאָמַרְתִּי

11

קָטַ֫לְתִּי

3cp

אָמְרוּ

56

וְאָמְרוּ

35

קָטְלוּ

2mp

אֲמַרְתֶּם

12

וַאֲמַרְתֶּם

28

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

אָמַרְנוּ

3

וְאָמַרְנוּ

3

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

2KI

7

4

אִם אָמַרְנוּ נָבוֹא הָעִיר וְהָרָעָב בָּעִיר וָמַתְנוּ שָׁם וְאִם יָשַׁבְנוּ פֹה וָמָ֑תְנוּ וְעַתָּה לְכוּ וְנִפְּלָה אֶל מַחֲנֵה אֲרָם אִם יְחַיֻּנוּ נִֽחְיֶה וְאִם יְמִיתֻנוּ וָמָֽתְנוּ׃

Indiën wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.

ECC

3

17

אָמַרְתִּֽי אֲנִי בְּלִבִּי אֶת הַצַּדִּיק וְאֶת הָרָשָׁע יִשְׁפֹּט הָאֱלֹהִ֑ים כִּי עֵת לְכָל חֵפֶץ וְעַל כָּל הַֽמַּעֲשֶׂה שָֽׁם׃

Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk.

JER

22

21

דִּבַּרְתִּי אֵלַיִךְ בְּשַׁלְוֺתַיִךְ אָמַרְתְּ לֹא אֶשְׁמָ֑ע זֶה דַרְכֵּךְ מִנְּעוּרַיִךְ כִּי לֹֽא שָׁמַעַתְּ בְּקוֹלִֽי׃

Ik sprak u aan in uw groten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet horen. Dit is uw weg van uw jeugd af, dat gij Mijner stem niet hebt gehoorzaamd.

ISA

28

15

כִּי אֲמַרְתֶּם כָּרַתְנֽוּ בְרִית אֶת מָוֶת וְעִם שְׁאוֹל עָשִׂינוּ חֹזֶ֑ה שִׁיט שׁוֹטֵף כִּֽי עָבַר לֹא יְבוֹאֵנוּ כִּי שַׂמְנוּ כָזָב מַחְסֵנוּ וּבַשֶּׁקֶר נִסְתָּֽרְנוּ׃ס

Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal , zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen.

GEN

26

9

וַיִּקְרָא אֲבִימֶלֶךְ לְיִצְחָק וַיֹּאמֶר אַךְ הִנֵּה אִשְׁתְּךָ הִוא וְאֵיךְ אָמַרְתָּ אֲחֹתִי הִ֑וא וַיֹּאמֶר אֵלָיו יִצְחָק כִּי אָמַרְתִּי פֶּן אָמוּת עָלֶֽיהָ׃

Toen riep Abimelech Izak, en zeide: Voorwaar, zie, zij is uw huisvrouw! hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijn zuster? En Izak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwil sterve.

JER

23

17

אֹמְרִים אָמוֹר לִֽמְנַאֲצַי דִּבֶּר יְהוָה שָׁלוֹם יִֽהְיֶה לָכֶ֑ם וְכֹל הֹלֵךְ בִּשְׁרִרוּת לִבּוֹ אָֽמְרוּ לֹֽא תָבוֹא עֲלֵיכֶם רָעָֽה׃

Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De Heere heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.

GEN

20

5

הֲלֹא הוּא אָֽמַר לִי אֲחֹתִי הִוא וְהִֽיא גַם הִוא אָֽמְרָה אָחִי ה֑וּא בְּתָם לְבָבִי וּבְנִקְיֹן כַּפַּי עָשִׂיתִי זֹֽאת׃

Heeft hij zelf mij niet gezegd: Zij is mijn zuster? en zij, ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder. In oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen, heb ik dit gedaan.

EZE

7

5

כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִ֑ה רָעָה אַחַת רָעָה הִנֵּה בָאָֽה׃

Zo zegt de Heere Heere: Een kwaad, een enig kwaad, ziet, is gekomen;

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JOS

22

28

וַנֹּאמֶר וְהָיָה כִּֽי יֹאמְרוּ אֵלֵינוּ וְאֶל דֹּרֹתֵינוּ מָחָ֑ר וְאָמַרְנוּ רְאוּ אֶת תַּבְנִית מִזְבַּח יְהוָה אֲשֶׁר עָשׂוּ אֲבוֹתֵינוּ לֹא לְעוֹלָה וְלֹא לְזֶבַח כִּי עֵד הוּא בֵּינֵינוּ וּבֵינֵיכֶֽם׃

Daarom zeiden wij: Wanneer het geschiedt, dat zij morgen alzo tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen; zo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante van het altaar des Heeren, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer, noch ten offer; maar het is een getuige tussen ons en tussen ulieden.

ECC

9

16

וְאָמַרְתִּי אָנִי טוֹבָה חָכְמָה מִגְּבוּרָ֑ה וְחָכְמַת הַמִּסְכֵּן בְּזוּיָה וּדְבָרָיו אֵינָם נִשְׁמָעִֽים׃

Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest.

JDG

4

20

וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ עֲמֹד פֶּתַח הָאֹ֑הֶל וְהָיָה אִם אִישׁ יָבוֹא וּשְׁאֵלֵךְ וְאָמַר הֲיֵֽשׁ פֹּה אִישׁ וְאָמַרְתְּ אָֽיִן׃

Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij, zo iemand zal komen, en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.

1SA

14

34

וַיֹּאמֶר שָׁאוּל פֻּצוּ בָעָם וַאֲמַרְתֶּם לָהֶם הַגִּישׁוּ אֵלַי אִישׁ שׁוֹרוֹ וְאִישׁ שְׂיֵהוּ וּשְׁחַטְתֶּם בָּזֶה וַאֲכַלְתֶּם וְלֹֽא תֶחֶטְאוּ לַֽיהוָה לֶאֱכֹל אֶל הַדָּ֑ם וַיַּגִּשׁוּ כָל הָעָם אִישׁ שׁוֹרוֹ בְיָדוֹ הַלַּיְלָה וַיִּשְׁחֲטוּ שָֽׁם׃

Verder sprak Saul: Verstrooit u onder het volk, en zegt tot hen: Brengt tot mij een iegelijk zijn os, en een iegelijk zijn schaap, en slacht het hier, en eet, en bezondigt u niet aan den Heere, die etende met het bloed. Toen bracht al het volk een iegelijk zijn os met zijn hand, des nachts, en slachtte ze aldaar.

2SA

11

21

מִֽי הִכָּה אֶת אֲבִימֶלֶךְ בֶּן יְרֻבֶּשֶׁת הֲלֽוֹא אִשָּׁה הִשְׁלִיכָה עָלָיו פֶּלַח רֶכֶב מֵעַל הַֽחוֹמָה וַיָּמָת בְּתֵבֵץ לָמָּה נִגַּשְׁתֶּם אֶל הַֽחוֹמָ֑ה וְאָמַרְתָּ גַּם עַבְדְּךָ אוּרִיָּה הַחִתִּי מֵֽת׃

Wie sloeg Abimelech, den zoon van Jerubbeseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem van den muur, dat hij te Thebez stierf? Waarom zijt gij tot den muur genaderd? Dan zult gij zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood.

EZE

26

17

וְנָשְׂאוּ עָלַיִךְ קִינָה וְאָמְרוּ לָךְ אֵיךְ אָבַדְתְּ נוֹשֶׁבֶת מִיַּמִּ֑ים הָעִיר הַהֻלָּלָה אֲשֶׁר הָיְתָה חֲזָקָה בַיָּם הִיא וְיֹשְׁבֶיהָ אֲשֶׁר נָתְנוּ חִתִּיתָם לְכָל יוֹשְׁבֶֽיהָ׃

En zij zullen een klaaglied over u opheffen, en tot u zeggen: Hoe zijt gij uit de zeeën vergaan, gij welbewoonde, gij beroemde stad, die sterk geweest is ter zee, zij en haar inwoners; die hunlieder schrik gaven aan allen, die in haar woonden!

PRO

9

16

מִי פֶתִי יָסֻר הֵ֑נָּה וַחֲסַר לֵב וְאָמְרָה לּֽוֹ׃

Wie is slecht? Hij kere zich herwaarts; en tot den verstandeloze zegt zij:

ZEC

13

6

וְאָמַר אֵלָיו מָה הַמַּכּוֹת הָאֵלֶּה בֵּין יָדֶ֑יךָ וְאָמַר אֲשֶׁר הֻכֵּיתִי בֵּית מְאַהֲבָֽי׃ס

En zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmede ik geslagen ben, in het huis mijner liefhebbers.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

אָמָר

3

3ms

אָמַרֵַ

1

3ms

הֶאָמַר

1

1cs

אָמָרְתִּי

1

3cp

אָמַר

1

2ms

וְאָמָרְתָּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

18

17

וַֽיהֹוָה אָמָ֑ר הַֽמְכַסֶּה אֲנִי מֵֽאַבְרָהָם אֲשֶׁר אֲנִי עֹשֶֽׂה׃

En de Heere zeide: Zal Ik voor Abraham verbergen, wat Ik doe?

PSA

40

10

צִדְקָתְךָ לֹא כִסִּיתִי בְּתוֹךְ לִבִּי אֱמוּנָתְךָ וּתְשׁוּעָתְךָ אָמָ֑רְתִּי לֹא כִחַדְתִּי חַסְדְּךָ וַאֲמִתְּךָ לְקָהָל רָֽב׃

[040:11] Uw gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; Uw waarheid en Uw heil spreek ik uit; Uw weldadigheid en Uw trouw verheel ik niet in de grote gemeente.

1SA

13

19

וְחָרָשׁ לֹא יִמָּצֵא בְּכֹל אֶרֶץ יִשְׂרָאֵ֑ל כִּֽי אָמַר פְלִשְׁתִּים פֶּן יַעֲשׂוּ הָעִבְרִים חֶרֶב אוֹ חֲנִֽית׃

En er werd geen smid gevonden in het ganse land van Israël; want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreën geen zwaard noch spies maken.

ISA

14

4

וְנָשָׂאתָ הַמָּשָׁל הַזֶּה עַל מֶלֶךְ בָּבֶל וְאָמָ֑רְתָּ אֵיךְ שָׁבַת נֹגֵשׂ שָׁבְתָה מַדְהֵבָֽה׃

Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op?

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יֹאמַר

57

וַיֹּאמֶר

1,937

וְיֹאמַר

6

יִקְטֹל

3fs

תֹּאמַר

4

וַתֹּאמֶר

188

תִּקְטֹל

2ms

תֹּאמַר

26

וַתֹּאמֶר

11

תִּקְטֹל

2fs

תֹּאמְרִי

4

וַתֹּאמְרִי

5

תִּקְטְלִי

1cs

אֹמַר

16

וָאֹמַר

90

וְאֹמַר

1

אֶקְטֹל

3mp

יֹאמְרוּ

50

וַיֹּאמְרוּ

295

וְיֹאמְרוּ

9

יִקְטְלוּ

3fp

תֹּאמַרְנָה

2

וַתֹּאמַרְנָה

5

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תֹאמְרוּ

13

וַתֹּאמְרוּ

8

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נֹּאמַר

3

וַנֹּאמֶר

8

וְנֹאמַר

1

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

42

31

וַנֹּאמֶר אֵלָיו כֵּנִים אֲנָ֑חְנוּ לֹא הָיִינוּ מְרַגְּלִֽים׃

Maar wij zeiden tot hem: Wij zijn vroom; wij zijn geen verspieders.

GEN

44

16

וַיֹּאמֶר יְהוּדָה מַה נֹּאמַר לַֽאדֹנִי מַה נְּדַבֵּר וּמַה נִּצְטַדָּ֑ק הָאֱלֹהִים מָצָא אֶת עֲוֺן עֲבָדֶיךָ הִנֶּנּוּ עֲבָדִים לַֽאדֹנִי גַּם אֲנַחְנוּ גַּם אֲשֶׁר נִמְצָא הַגָּבִיעַ בְּיָדֽוֹ׃

Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijn heer zeggen, wat zullen wij spreken, en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heren slaven, zo wij, als hij, in wiens hand de beker gevonden is.

JOS

7

8

בִּי אֲדֹנָ֑י מָה אֹמַר אַחֲרֵי אֲשֶׁר הָפַךְ יִשְׂרָאֵל עֹרֶף לִפְנֵי אֹיְבָֽיו׃

Och, Heere! wat zal ik zeggen, nademaal dat Israël voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?

JDG

4

18

וַתֵּצֵא יָעֵל לִקְרַאת סִֽיסְרָא֒ וַתֹּאמֶר אֵלָיו סוּרָה אֲדֹנִי סוּרָה אֵלַי אַל תִּירָ֑א וַיָּסַר אֵלֶיהָ הָאֹהֱלָה וַתְּכַסֵּהוּ בַּשְּׂמִיכָֽה׃

Jaël nu ging uit, Sisera tegemoet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet! En hij week tot haar in de tent, en zij bedekte hem met een deken.

RUT

2

8

וַיֹּאמֶר בֹּעַז אֶל רוּת הֲלוֹא שָׁמַעַתְּ בִּתִּי אַל תֵּלְכִי לִלְקֹט בְּשָׂדֶה אַחֵר וְגַם לֹא תַעֲבוּרִי מִזֶּ֑ה וְכֹה תִדְבָּקִין עִם נַעֲרֹתָֽי׃

Toen zeide Boaz tot Ruth: Hoort gij niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijn maagden.

RUT

3

11

וְעַתָּה בִּתִּי אַל תִּירְאִי כֹּל אֲשֶׁר תֹּאמְרִי אֶֽעֱשֶׂה לָּ֑ךְ כִּי יוֹדֵעַ כָּל שַׁעַר עַמִּי כִּי אֵשֶׁת חַיִל אָֽתְּ׃

En nu, mijn dochter, vrees niet; al wat gij gezegd hebt, zal ik u doen; want de ganse stad mijns volks weet, dat gij een deugdelijke vrouw zijt.

RUT

4

14

וַתֹּאמַרְנָה הַנָּשִׁים אֶֽל נָעֳמִי בָּרוּךְ יְהוָה אֲשֶׁר לֹא הִשְׁבִּית לָךְ גֹּאֵל הַיּ֑וֹם וְיִקָּרֵא שְׁמוֹ בְּיִשְׂרָאֵֽל׃

Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij de Heere, Die niet heeft nagelaten u heden een losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël!

1SA

10

19

וְאַתֶּם הַיּוֹם מְאַסְתֶּם אֶת אֱלֹהֵיכֶם אֲשֶׁר הוּא מוֹשִׁיעַ לָכֶם מִכָּל רָעוֹתֵיכֶם וְצָרֹֽתֵיכֶם֒ וַתֹּאמְרוּ לוֹ כִּי מֶלֶךְ תָּשִׂים עָלֵ֑ינוּ וְעַתָּה הִֽתְיַצְּבוּ לִפְנֵי יְהוָה לְשִׁבְטֵיכֶם וּלְאַלְפֵיכֶֽם׃

Maar gijlieden hebt heden uw God verworpen, Die u uit al uw ellenden en uw noden verlost heeft, en hebt tot Hem gezegd: Zet een koning over ons; nu dan, stelt u voor het aangezicht des Heeren, naar uw stammen en naar uw duizenden.

1SA

20

4

וַיֹּאמֶר יְהוֹנָתָן אֶל דָּוִ֑ד מַה תֹּאמַר נַפְשְׁךָ וְאֶֽעֱשֶׂה לָּֽךְ׃פ

Jonathan nu zeide tot David: Wat uw ziel zegt, dat zal ik u doen.

2SA

2

26

וַיִּקְרָא אַבְנֵר אֶל יוֹאָב וַיֹּאמֶר הֲלָנֶצַח תֹּאכַל חֶרֶב הֲלוֹא יָדַעְתָּה כִּֽי מָרָה תִהְיֶה בָּאַחֲרוֹנָ֑ה וְעַד מָתַי לֹֽא תֹאמַר לָעָם לָשׁוּב מֵאַחֲרֵי אֲחֵיהֶֽם׃

Toen riep Abner tot Joab, en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet, dat het in het laatste bitterheid zal zijn? En hoe lang zult gij het volk niet zeggen, dat zij wederkeren van hun broederen te vervolgen?

1KI

2

42

וַיִּשְׁלַח הַמֶּלֶךְ וַיִּקְרָא לְשִׁמְעִי וַיֹּאמֶר אֵלָיו הֲלוֹא הִשְׁבַּעְתִּיךָ בַֽיהוָה וָאָעִד בְּךָ לֵאמֹר בְּיוֹם צֵאתְךָ וְהָֽלַכְתָּ אָנֶה וָאָנָה יָדֹעַ תֵּדַע כִּי מוֹת תָּמ֑וּת וַתֹּאמֶר אֵלַי טוֹב הַדָּבָר שָׁמָֽעְתִּי׃

Toen zond de koning, en riep Simeï, en zeide tot hem: Heb ik u niet beedigd bij den Heere, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker, dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.

1KI

22

8

וַיֹּאמֶר מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל אֶֽל יְהוֹשָׁפָט עוֹד אִישׁ אֶחָד לִדְרֹשׁ אֶת יְהוָה מֵאֹתוֹ וַאֲנִי שְׂנֵאתִיו כִּי לֹֽא יִתְנַבֵּא עָלַי טוֹב כִּי אִם רָע מִיכָיְהוּ בֶּן יִמְלָ֑ה וַיֹּאמֶר יְהוֹשָׁפָט אַל יֹאמַר הַמֶּלֶךְ כֵּֽן׃

Toen zeide de koning van Israël tot Josafat: Er is nog een man, om door hem den Heere te vragen; maar ik haat hem, omdat hij over mij niets goeds profeteert, maar kwaad: Micha, de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De koning zegge niet alzo!

2KI

9

17

וְהַצֹּפֶה עֹמֵד עַֽל הַמִּגְדָּל בְּיִזְרְעֶאל וַיַּרְא אֶת שִׁפְעַת יֵהוּא בְּבֹאוֹ וַיֹּאמֶר שִׁפְעַת אֲנִי רֹאֶ֑ה וַיֹּאמֶר יְהוֹרָם קַח רַכָּב וּֽשְׁלַח לִקְרָאתָם וְיֹאמַר הֲשָׁלֽוֹם׃

De wachter nu stond op den toren te Jizreël, en zag den hoop van Jehu, als hij aankwam, en zeide: Ik zie een hoop. Toen zeide Joram: Neem een ruiter, en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?

1CH

16

31

יִשְׂמְחוּ הַשָּׁמַיִם וְתָגֵל הָאָרֶץ וְיֹאמְרוּ בַגּוֹיִם יְהוָה מָלָֽךְ׃

Dat de hemelen zich verblijden, en de aarde verheuge zich, en dat men onder de heidenen zegge: De Heere regeert.

JOB

19

28

כִּי תֹאמְרוּ מַה נִּרְדָּף ל֑וֹ וְשֹׁרֶשׁ דָּבָר נִמְצָא בִֽי׃

Voorwaar, gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Nademaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.

PSA

35

10

כָּל עַצְמוֹתַי תֹּאמַרְנָה יְהוָה מִי כָמוֹךָ מַצִּיל עָנִי מֵחָזָק מִמֶּ֑נּוּ וְעָנִי וְאֶבְיוֹן מִגֹּזְלֽוֹ׃

Al mijn beenderen zullen zeggen: Heere, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.

ISA

41

26

מִֽי הִגִּיד מֵרֹאשׁ וְנֵדָעָה וּמִלְּפָנִים וְנֹאמַר צַדִּ֑יק אַף אֵין מַגִּיד אַף אֵין מַשְׁמִיעַ אַף אֵין שֹׁמֵעַ אִמְרֵיכֶֽם׃

Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.

JER

2

25

מִנְעִי רַגְלֵךְ מִיָּחֵף וְגוֹרְנֵךְ מִצִּמְאָ֑ה וַתֹּאמְרִי נוֹאָשׁ לוֹא כִּֽי אָהַבְתִּי זָרִים וְאַחֲרֵיהֶם אֵלֵֽךְ׃

Bedwing uw voet van ontschoeiing, en uw keel van dorst; maar gij zegt: Het is buiten hoop; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen!

JER

2

27

אֹמְרִים לָעֵץ אָבִי אַתָּה וְלָאֶבֶן אַתְּ יְלִדְתִּנִי כִּֽי פָנוּ אֵלַי עֹרֶף וְלֹא פָנִ֑ים וּבְעֵת רָֽעָתָם יֹֽאמְרוּ קוּמָה וְהוֹשִׁיעֵֽנוּ׃

Die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader; en tot een steen: Gij hebt mij gegenereerd; want zij keren Mij den nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.

JER

26

16

וַיֹּאמְרוּ הַשָּׂרִים וְכָל הָעָם אֶל הַכֹּהֲנִים וְאֶל הַנְּבִיאִ֑ים אֵין לָאִישׁ הַזֶּה מִשְׁפַּט מָוֶת כִּי בְּשֵׁם יְהוָה אֱלֹהֵינוּ דִּבֶּר אֵלֵֽינוּ׃

Toen zeiden de vorsten en al het volk tot de priesteren en tot de profeten: Aan dezen man is geen oordeel des doods, want hij heeft tot ons gesproken in den Naam des Heeren, onzes Gods.

LAM

3

18

וָאֹמַר אָבַד נִצְחִי וְתוֹחַלְתִּי מֵיְהוָֽה׃ס

. Toen zeide ik: Mijn sterkte is vergaan, en mijn hoop van den Heere.

EZE

13

15

וְכִלֵּיתִי אֶת חֲמָתִי בַּקִּיר וּבַטָּחִים אֹתוֹ תָּפֵ֑ל וְאֹמַר לָכֶם אֵין הַקִּיר וְאֵין הַטָּחִים אֹתֽוֹ׃

Zo zal Ik Mijn grimmigheid tegen den wand voortbrengen, en tegen degenen, die hem pleisteren met loze kalk; en Ik zal tot ulieden zeggen: Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden, zijn er niet;

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

46

31

וַיֹּאמֶר יוֹסֵף אֶל אֶחָיו וְאֶל בֵּית אָבִיו אֶעֱלֶה וְאַגִּידָה לְפַרְעֹ֑ה וְאֹֽמְרָה אֵלָיו אַחַי וּבֵית אָבִי אֲשֶׁר בְּאֶֽרֶץ כְּנַעַן בָּאוּ אֵלָֽי׃

Daarna zeide Jozef tot zijn broederen, en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijn broeders en het huis mijns vaders, die in het land Kanaän waren, zijn tot mij gekomen.

PSA

42

9

אוֹמְרָה לְאֵל סַלְעִי לָמָה שְׁכַחְתָּנִי לָֽמָּה קֹדֵר אֵלֵךְ בְּלַחַץ אוֹיֵֽב׃

[042:10] Ik zal zeggen tot God: Mijn Steenrots! waarom vergeet Gij mij? Waarom ga ik in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

אֱמֹר

49

קְטֹל

fs

אִמְרִי

6

קִטְלִי

mp

אִמְרוּ

18

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1KI

12

23

אֱמֹר אֶל רְחַבְעָם בֶּן שְׁלֹמֹה מֶלֶךְ יְהוּדָה וְאֶל כָּל בֵּית יְהוּדָה וּבִנְיָמִ֑ין וְיֶתֶר הָעָם לֵאמֹֽר׃

Zeg tot Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en tot het ganse huis van Juda en Benjamin, en overige des volks, zeggende:

EZE

13

11

אֱמֹר אֶל טָחֵי תָפֵל וְיִפֹּ֑ל הָיָה גֶּשֶׁם שׁוֹטֵף וְאַתֵּנָה אַבְנֵי אֶלְגָּבִישׁ תִּפֹּלְנָה וְרוּחַ סְעָרוֹת תְּבַקֵּֽעַ׃

Zeg tot degenen, die met loze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; er zal een overstelpende plasregen zijn; en gij, o grote hagelstenen, zult vallen, en een grote stormwind zal hem splijten.

JER

48

19

אֶל דֶּרֶךְ עִמְדִי וְצַפִּי יוֹשֶׁבֶת עֲרוֹעֵ֑ר שַׁאֲלִי נָס וְנִמְלָטָה אִמְרִי מַה נִּֽהְיָֽתָה׃

Sta aan den weg, en zie toe, gij inwoneres van Aroer! Vraag den vluchtenden man en de ontkomene vrouw; zeg: Wat is er geschied?

GEN

20

13

וַיְהִי כַּאֲשֶׁר הִתְעוּ אֹתִי אֱלֹהִים מִבֵּית אָבִי֒ וָאֹמַר לָהּ זֶה חַסְדֵּךְ אֲשֶׁר תַּעֲשִׂי עִמָּדִ֑י אֶל כָּל הַמָּקוֹם אֲשֶׁר נָבוֹא שָׁמָּה אִמְרִי לִי אָחִי הֽוּא׃

En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!

JER

48

17

נֻדוּ לוֹ כָּל סְבִיבָיו וְכֹל יֹדְעֵי שְׁמ֑וֹ אִמְרוּ אֵיכָה נִשְׁבַּר מַטֵּה עֹז מַקֵּל תִּפְאָרָֽה׃

Beklaagt hem, gij allen, die rondom hem zijt, en allen, die zijn naam kent; zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken?

PSA

4

4

רִגְזוּ וְֽאַל תֶּחֱטָאוּ אִמְרוּ בִלְבַבְכֶם עַֽל מִשְׁכַּבְכֶם וְדֹמּוּ סֶֽלָה׃

[04:5] Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

אֹמֵר

24

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

אֹמֶרֶת

4

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

אֹמְרִים

34

קֹטְלִים

V-Qal-Prtcpl-fp

fp

אֹמְרוֹת

1

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָאֹמֵר

9

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הָאֹמְרָה

3

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הָאֹמְרִים

16

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הָאֹמְרֹת

1

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

אוֹמֵר

2

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָאֹמֵר

9

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הָאֹמְרָה

3

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הָאֹמְרֹת

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְאֹמְרִים

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְאֹמֵר

1

Prep-b | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

בְּאֹמְרִים

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

ms

הֶאָמוּר

1

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

MIC

2

7

הֶאָמוּר בֵּֽית יַעֲקֹב הֲקָצַר רוּחַ יְהוָה אִם אֵלֶּה מַעֲלָלָ֑יו הֲלוֹא דְבָרַי יֵיטִיבוּ עִם הַיָּשָׁר הוֹלֵֽךְ׃

O gij, die Jakobs huis geheten zijt! Is dan de Geest des Heeren verkort? Zijn dat Zijn werken? Doen Mijn woorden geen goed bij dien, die recht wandelt?

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לֵאמֹר

853

Prep-l | V-Qal-Inf

לֵּאמֹר

76

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלֵאמֹר

3

Prep-b | V-Qal-Inf

בֶּאֱמֹר

3

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בְּאָמְרִי

3

Prep-b | V-Qal-Inf | 2mp

בֶּאֱמָרְכֶם

3

Prep-l | V-Qal-Inf

לֵאמוֹר

3

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בְּאָמְרָם

2

V-Qal-Inf | 1cs

אָמְרִי

2

V-Qal-Inf | 2fs

אָמְרֵךְ

2

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

וּבְאָמְרִי

1

Prep-k | V-Qal-Inf

כֶּאֱמֹר

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3mp

כְּאָמְרָם

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לֵּאמֹר‪‬

1

V-Qal-Inf

אֲמָר

1

V-Qal-Inf

אֲמֹר

1

V-Qal-Inf

הַאֲמֹר

1

V-Qal-Inf | 2mp

אֲמָרְכֶם

1

V-Qal-Inf | 2ms

אֲמָרְךָ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

1

22

וַיְבָרֶךְ אֹתָם אֱלֹהִים לֵאמֹ֑ר פְּרוּ וּרְבוּ וּמִלְאוּ אֶת הַמַּיִם בַּיַּמִּים וְהָעוֹף יִרֶב בָּאָֽרֶץ׃

En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde!

GEN

2

16

וַיְצַו יְהוָה אֱלֹהִים עַל הָֽאָדָם לֵאמֹ֑ר מִכֹּל עֵֽץ הַגָּן אָכֹל תֹּאכֵֽל׃

En de Heere God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;

GEN

3

17

וּלְאָדָם אָמַר כִּֽי שָׁמַעְתָּ לְקוֹל אִשְׁתֶּךָ֒ וַתֹּאכַל מִן הָעֵץ אֲשֶׁר צִוִּיתִיךָ לֵאמֹר לֹא תֹאכַל מִמֶּ֑נּוּ אֲרוּרָה הָֽאֲדָמָה בַּֽעֲבוּרֶךָ בְּעִצָּבוֹן תֹּֽאכֲלֶנָּה כֹּל יְמֵי חַיֶּֽיךָ׃

En tot Adam zeide Hij: Dewijl gij geluisterd hebt naar de stem uwer vrouw, en van dien boom gegeten, waarvan Ik u gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten; zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt; en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens.

GEN

5

29

וַיִּקְרָא אֶת שְׁמוֹ נֹחַ לֵאמֹ֑ר זֶה יְנַחֲמֵנוּ מִֽמַּעֲשֵׂנוּ וּמֵעִצְּבוֹן יָדֵינוּ מִן הָאֲדָמָה אֲשֶׁר אֵֽרְרָהּ יְהוָֽה׃

En hij noemde zijn naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk, en over de smart onzer handen, vanwege het aardrijk, dat de Heere vervloekt heeft!

GEN

8

15

וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל נֹחַ לֵאמֹֽר׃

Toen sprak God tot Noach, zeggende:

GEN

9

8

וַיֹּאמֶר אֱלֹהִים אֶל נֹחַ וְאֶל בָּנָיו אִתּוֹ לֵאמֹֽר׃

Voorts zeide God tot Noach, en tot zijn zonen met hem, zeggende:

GEN

15

1

אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה הָיָה דְבַר יְהוָה אֶל אַבְרָם בַּֽמַּחֲזֶה לֵאמֹ֑ר אַל תִּירָא אַבְרָם אָנֹכִי מָגֵן לָךְ שְׂכָרְךָ הַרְבֵּה מְאֹֽד׃

Na deze dingen geschiedde het woord des Heeren tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram! Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot.

GEN

15

4

וְהִנֵּה דְבַר יְהוָה אֵלָיו לֵאמֹר לֹא יִֽירָשְׁךָ זֶ֑ה כִּי אִם אֲשֶׁר יֵצֵא מִמֵּעֶיךָ הוּא יִֽירָשֶֽׁךָ׃

En ziet, het woord des Heeren was tot hem, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar die uit uw lijf voortkomen zal, die zal uw erfgenaam zijn.

GEN

15

18

בַּיּוֹם הַהוּא כָּרַת יְהוָה אֶת אַבְרָם בְּרִית לֵאמֹ֑ר לְזַרְעֲךָ נָתַתִּי אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת מִנְּהַר מִצְרַיִם עַד הַנָּהָר הַגָּדֹל נְהַר פְּרָֽת׃

Ten zelfden dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath:

GEN

17

3

וַיִּפֹּל אַבְרָם עַל פָּנָ֑יו וַיְדַבֵּר אִתּוֹ אֱלֹהִים לֵאמֹֽר׃

Toen viel Abram op zijn aangezicht, en God sprak met hem, zeggende:

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

אָמֹר

3

V-Qal-InfAbs

אָמוֹר

3

V-Qal-InfAbs

הֶאָמֹר

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

21

5

וְאִם אָמֹר יֹאמַר הָעֶבֶד אָהַבְתִּי אֶת אֲדֹנִי אֶת אִשְׁתִּי וְאֶת בָּנָ֑י לֹא אֵצֵא חָפְשִֽׁי׃

Maar indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijn heer, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;

NUM

6

23

דַּבֵּר אֶֽל אַהֲרֹן וְאֶל בָּנָיו לֵאמֹר כֹּה תְבָרֲכוּ אֶת בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל אָמוֹר לָהֶֽם׃ס

Spreek tot Aäron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israëls zegenen, zeggende tot hen:

JDG

15

2

וַיֹּאמֶר אָבִיהָ אָמֹר אָמַרְתִּי כִּי שָׂנֹא שְׂנֵאתָהּ וָאֶתְּנֶנָּה לְמֵרֵעֶ֑ךָ הֲלֹא אֲחֹתָהּ הַקְּטַנָּה טוֹבָה מִמֶּנָּה תְּהִי נָא לְךָ תַּחְתֶּֽיהָ׃

want haar vader zeide: Ik sprak zeker, dat gij haar ganselijk haattet, zo heb ik haar aan uw metgezel gegeven. Is niet haar kleinste zuster schoner dan zij? Laat ze u toch zijn in de plaats van haar.

1SA

2

30

לָכֵן נְאֻם יְהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל֒ אָמוֹר אָמַרְתִּי בֵּֽיתְךָ וּבֵית אָבִיךָ יִתְהַלְּכוּ לְפָנַי עַד עוֹלָ֑ם וְעַתָּה נְאֻם יְהוָה חָלִילָה לִּי כִּֽי מְכַבְּדַי אֲכַבֵּד וּבֹזַי יֵקָֽלּוּ׃

Daarom spreekt de Heere, de God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor Mijn aangezicht wandelen tot in eeuwigheid; maar nu spreekt de Heere: Dat zij verre van Mij; want die Mij eren, zal Ik eren, maar die Mij versmaden, zullen licht geacht worden.

1SA

20

21

וְהִנֵּה אֶשְׁלַח אֶת הַנַּעַר לֵךְ מְצָא אֶת הַחִצִּ֑ים אִם אָמֹר אֹמַר לַנַּעַר הִנֵּה הַחִצִּים מִמְּךָ וָהֵנָּה קָחֶנּוּ וָבֹאָה כִּֽי שָׁלוֹם לְךָ וְאֵין דָּבָר חַי יְהוָֽה׃

En zie, ik zal den jongen zenden, zeggende: Ga heen, zoek de pijlen, indien ik uitdrukkelijk tot den jongen zeg: Zie, de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem; en kom gij, want er is vrede voor u, en er is geen ding, zo waarlijk de Heere leeft!

JER

23

17

אֹמְרִים אָמוֹר לִֽמְנַאֲצַי דִּבֶּר יְהוָה שָׁלוֹם יִֽהְיֶה לָכֶ֑ם וְכֹל הֹלֵךְ בִּשְׁרִרוּת לִבּוֹ אָֽמְרוּ לֹֽא תָבוֹא עֲלֵיכֶם רָעָֽה׃

Zij zeggen steeds tot degenen, die Mij lasteren: De Heere heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt, zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkomen.

EZE

28

9

הֶאָמֹר תֹּאמַר אֱלֹהִים אָנִי לִפְנֵי הֹֽרְגֶ֑ךָ וְאַתָּה אָדָם וְלֹא אֵל בְּיַד מְחַלְלֶֽיךָ׃

Zult gij dan enigszins, voor het aangezicht uws doodslagers, zeggen: Ik ben God? daar gij een mens zijt en geen God, in de hand desgenen, die u verslaat?