Vervoeging מוּת

Strong H4191
Betekenis: sterven
Frequentie Qal: 620

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

מֵת

45

וָמֵת

14

קָטַל

3fs

מֵתָה

3

וָמֵתָה

1

קָֽטְלָה

2ms

קָטַ֫לְתָּ

2fs

קָטַלְתְּ

1cs

קָטַ֫לְתִּי

3cp

מֵתוּ

14

וָמֵתוּ

7

קָטְלוּ

2mp

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

מָתְנוּ

2

וָמָתְנוּ

4

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NUM

14

2

וַיִּלֹּנוּ עַל מֹשֶׁה וְעַֽל אַהֲרֹן כֹּל בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽיֹּאמְרוּ אֲלֵהֶם כָּל הָעֵדָה לוּ מַתְנוּ בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם אוֹ בַּמִּדְבָּר הַזֶּה לוּ מָֽתְנוּ׃

En al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!

1SA

4

11

וַאֲרוֹן אֱלֹהִים נִלְקָ֑ח וּשְׁנֵי בְנֵֽי עֵלִי מֵתוּ חָפְנִי וּפִֽינְחָֽס׃

En de ark Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.

GEN

48

7

וַאֲנִי בְּבֹאִי מִפַּדָּן מֵתָה עָלַי רָחֵל בְּאֶרֶץ כְּנַעַן בַּדֶּרֶךְ בְּעוֹד כִּבְרַת אֶרֶץ לָבֹא אֶפְרָ֑תָה וָאֶקְבְּרֶהָ שָּׁם בְּדֶרֶךְ אֶפְרָת הִוא בֵּית לָֽחֶם׃

Toen ik nu van Paddan kwam, zo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaän, op den weg, als het nog een kleine streek lands was, om tot Efrath te komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, welke is Bethlehem.

GEN

44

20

וַנֹּאמֶר אֶל אֲדֹנִי יֶשׁ לָנוּ אָב זָקֵן וְיֶלֶד זְקֻנִים קָטָ֑ן וְאָחִיו מֵת וַיִּוָּתֵר הוּא לְבַדּוֹ לְאִמּוֹ וְאָבִיו אֲהֵבֽוֹ׃

Zo zeiden wij tot mijn heer: Wij hebben een ouden vader, en een jongeling des ouderdoms, den kleinsten, wiens broeder dood is, en hij is alleen van zijn moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

2KI

7

4

אִם אָמַרְנוּ נָבוֹא הָעִיר וְהָרָעָב בָּעִיר וָמַתְנוּ שָׁם וְאִם יָשַׁבְנוּ פֹה וָמָ֑תְנוּ וְעַתָּה לְכוּ וְנִפְּלָה אֶל מַחֲנֵה אֲרָם אִם יְחַיֻּנוּ נִֽחְיֶה וְאִם יְמִיתֻנוּ וָמָֽתְנוּ׃

Indiën wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.

EXO

9

19

וְעַתָּה שְׁלַח הָעֵז אֶֽת מִקְנְךָ וְאֵת כָּל אֲשֶׁר לְךָ בַּשָּׂדֶ֑ה כָּל הָאָדָם וְהַבְּהֵמָה אֲשֶֽׁר יִמָּצֵא בַשָּׂדֶה וְלֹא יֵֽאָסֵף הַבַּיְתָה וְיָרַד עֲלֵהֶם הַבָּרָד וָמֵֽתוּ׃

En nu, zend heen, vergader uw vee, en alles wat gij op het veld hebt; alle mens en gedierte, dat op het veld gevonden zal worden, en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zo zullen zij sterven.

DEU

22

21

וְהוֹצִיאוּ אֶת הַנַּעַר אֶל פֶּתַח בֵּית אָבִיהָ וּסְקָלוּהָ אַנְשֵׁי עִירָהּ בָּאֲבָנִים וָמֵתָה כִּֽי עָשְׂתָה נְבָלָה בְּיִשְׂרָאֵל לִזְנוֹת בֵּית אָבִ֑יהָ וּבִֽעַרְתָּ הָרָע מִקִּרְבֶּֽךָ׃ס

Zo zullen zij deze jonge dochter uitbrengen tot de deur van haars vaders huis, en de lieden harer stad zullen haar met stenen stenigen, dat zij sterve, omdat zij een dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoererende in haars vaders huis; zo zult gij het boze uit het midden van u wegdoen.

DEU

19

11

וְכִֽי יִהְיֶה אִישׁ שֹׂנֵא לְרֵעֵהוּ וְאָרַב לוֹ וְקָם עָלָיו וְהִכָּהוּ נֶפֶשׁ וָמֵ֑ת וְנָס אֶל אַחַת הֶעָרִים הָאֵֽל׃

Maar wanneer er iemand zijn zal, die zijn naaste haat, en hem lagen legt, en staat tegen hem op, en slaat hem aan het leven, dat hij sterve; en vliedt tot een van die steden;

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

מֵתס

3

3ms

הֲמֵת

1

3ms

מֵתפ

1

3cp

מֵתוּס

1

1cp

מַתְנוּ

1

3ms

וּמֵת

14

3ms

וָמֵתס

1

3cp

וּמֵתוּ

3

3cp

וָמֵתוּפ

1

1cp

וָמַתְנוּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1SA

14

45

וַיֹּאמֶר הָעָם אֶל שָׁאוּל הֲֽיוֹנָתָן יָמוּת אֲשֶׁר עָשָׂה הַיְשׁוּעָה הַגְּדוֹלָה הַזֹּאת בְּיִשְׂרָאֵל֒ חָלִילָה חַי יְהוָה אִם יִפֹּל מִשַּׂעֲרַת רֹאשׁוֹ אַרְצָה כִּֽי עִם אֱלֹהִים עָשָׂה הַיּוֹם הַזֶּ֑ה וַיִּפְדּוּ הָעָם אֶת יוֹנָתָן וְלֹא מֵֽת׃ס

Maar het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan sterven, die deze grote verlossing in Israël gedaan heeft? Dat zij verre! zo waarachtig als de Heere leeft, als er een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal; want hij heeft dit heden met God gedaan. Alzo verloste het volk Jonathan, dat hij niet stierf.

NUM

26

11

וּבְנֵי קֹרַח לֹא מֵֽתוּ׃ס

Maar de kinderen van Korach stierven niet.

NUM

14

2

וַיִּלֹּנוּ עַל מֹשֶׁה וְעַֽל אַהֲרֹן כֹּל בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל וַֽיֹּאמְרוּ אֲלֵהֶם כָּל הָעֵדָה לוּ מַתְנוּ בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם אוֹ בַּמִּדְבָּר הַזֶּה לוּ מָֽתְנוּ׃

En al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!

EZE

33

18

בְּשׁוּב צַדִּיק מִצִּדְקָתוֹ וְעָשָׂה עָ֑וֶל וּמֵת בָּהֶֽם׃

Als de rechtvaardige afkeert van zijn gerechtigheid, en doet onrecht, zo zal hij daarin sterven.

NUM

4

20

וְלֹא יָבֹאוּ לִרְאוֹת כְּבַלַּע אֶת הַקֹּדֶשׁ וָמֵֽתוּ׃פ

Doch zij zullen niet inkomen om te zien, als men het heiligdom inwindt, opdat zij niet sterven.

2KI

7

4

אִם אָמַרְנוּ נָבוֹא הָעִיר וְהָרָעָב בָּעִיר וָמַתְנוּ שָׁם וְאִם יָשַׁבְנוּ פֹה וָמָ֑תְנוּ וְעַתָּה לְכוּ וְנִפְּלָה אֶל מַחֲנֵה אֲרָם אִם יְחַיֻּנוּ נִֽחְיֶה וְאִם יְמִיתֻנוּ וָמָֽתְנוּ׃

Indiën wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יָמוּת

66

וַיָּמָת

84

יִקְטֹל

3fs

תָמוּת

4

וַתָּמָת

7

תִּקְטֹל

2ms

תָּמוּת

19

תִּקְטֹל

2fs

תָּמוּתִי

1

תִּקְטְלִי

1cs

אָמוּת

13

וְאָמֻת

1

אֶקְטֹל

3mp

יָמֻתוּ

16

וַיָּמֻתוּ

7

יִקְטְלוּ

3fp

תְמוּתֶנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תָמוּתוּ

5

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נָמוּת

12

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

3

4

וַיֹּאמֶר הַנָּחָשׁ אֶל הָֽאִשָּׁ֑ה לֹֽא מוֹת תְּמֻתֽוּן׃

Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;

GEN

23

2

וַתָּמָת שָׂרָה בְּקִרְיַת אַרְבַּע הִוא חֶבְרוֹן בְּאֶרֶץ כְּנָ֑עַן וַיָּבֹא אַבְרָהָם לִסְפֹּד לְשָׂרָה וְלִבְכֹּתָֽהּ׃

En Sara stierf te Kiriath-arba, dat is Hebron, in het land Kanaän; en Abraham kwam om Sara te beklagen, en haar te bewenen.

GEN

42

2

וַיֹּאמֶר הִנֵּה שָׁמַעְתִּי כִּי יֶשׁ שֶׁבֶר בְּמִצְרָ֑יִם רְדוּ שָׁמָּה וְשִׁבְרוּ לָנוּ מִשָּׁם וְנִחְיֶה וְלֹא נָמֽוּת׃

Voorts zeide hij: Ziet, ik heb gehoord, dat er koren in Egypte is; trekt daarhenen af, en koopt ons koren van daar, opdat wij leven en niet sterven.

JDG

15

18

וַיִּצְמָא מְאֹד֒ וַיִּקְרָא אֶל יְהוָה וַיֹּאמַר אַתָּה נָתַתָּ בְיַֽד עַבְדְּךָ אֶת הַתְּשׁוּעָה הַגְּדֹלָה הַזֹּ֑את וְעַתָּה אָמוּת בַּצָּמָא וְנָפַלְתִּי בְּיַד הָעֲרֵלִֽים׃

Als hem nu zeer dorstte, zo riep hij tot den Heere, en zeide: Gij hebt door de hand van Uw knecht dit grote heil gegeven; zou ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbesnedenen?

RUT

1

17

בַּאֲשֶׁר תָּמוּתִי אָמוּת וְשָׁם אֶקָּבֵ֑ר כֹּה יַעֲשֶׂה יְהוָה לִי וְכֹה יֹסִיף כִּי הַמָּוֶת יַפְרִיד בֵּינִי וּבֵינֵֽךְ׃

Waar gij zult sterven, zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden; alzo doe mij de Heere en alzo doe Hij daartoe, zo niet de dood alleen zal scheiding maken tussen mij en tussen u!

2SA

11

21

מִֽי הִכָּה אֶת אֲבִימֶלֶךְ בֶּן יְרֻבֶּשֶׁת הֲלֽוֹא אִשָּׁה הִשְׁלִיכָה עָלָיו פֶּלַח רֶכֶב מֵעַל הַֽחוֹמָה וַיָּמָת בְּתֵבֵץ לָמָּה נִגַּשְׁתֶּם אֶל הַֽחוֹמָ֑ה וְאָמַרְתָּ גַּם עַבְדְּךָ אוּרִיָּה הַחִתִּי מֵֽת׃

Wie sloeg Abimelech, den zoon van Jerubbeseth? Wierp niet een vrouw een stuk van een molensteen op hem van den muur, dat hij te Thebez stierf? Waarom zijt gij tot den muur genaderd? Dan zult gij zeggen: Uw knecht, Uria, de Hethiet, is ook dood.

2SA

19

37

יָֽשָׁב נָא עַבְדְּךָ וְאָמֻת בְּעִירִי עִם קֶבֶר אָבִי וְאִמִּ֑י וְהִנֵּה עַבְדְּךָ כִמְהָם יַֽעֲבֹר עִם אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ וַעֲשֵׂה לוֹ אֵת אֲשֶׁר טוֹב בְּעֵינֶֽיךָ׃ס

Laat toch uw knecht wederkeren, dat ik sterve in mijn stad, bij het graf mijns vaders en mijner moeder; maar zie, daar is uw knecht Chimham, laat dien met mijn heer den koning overtrekken, en doe hem, wat goed is in uw ogen.

2CH

25

4

וְאֶת בְּנֵיהֶם לֹא הֵמִ֑ית כִּי כַכָּתוּב בַּתּוֹרָה בְּסֵפֶר מֹשֶׁה אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה לֵאמֹר לֹא יָמוּתוּ אָבוֹת עַל בָּנִים וּבָנִים לֹא יָמוּתוּ עַל אָבוֹת כִּי אִישׁ בְּחֶטְאוֹ יָמֽוּתוּ׃פ

Doch hun kinderen doodde hij niet, maar hij deed, gelijk in de wet, in het boek van Mozes, geschreven is, waar de Heere geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om de kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders; maar een ieder zal om zijn zonde sterven.

JOB

1

19

וְהִנֵּה רוּחַ גְּדוֹלָה בָּאָה מֵעֵבֶר הַמִּדְבָּר וַיִּגַּע בְּאַרְבַּע פִּנּוֹת הַבַּיִת וַיִּפֹּל עַל הַנְּעָרִים וַיָּמ֑וּתוּ וָאִמָּלְטָה רַק אֲנִי לְבַדִּי לְהַגִּיד לָֽךְ׃

En zie, een grote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.

ECC

7

17

אַל תִּרְשַׁע הַרְבֵּה וְאַל תְּהִי סָכָ֑ל לָמָּה תָמוּת בְּלֹא עִתֶּֽךָ׃

Wees niet al te goddeloos, noch wees al te dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uw tijd?

ISA

51

14

מִהַר צֹעֶה לְהִפָּתֵ֑חַ וְלֹא יָמוּת לַשַּׁחַת וְלֹא יֶחְסַר לַחְמֽוֹ׃

De omzwevende gevangene zal haastelijk los gelaten worden; en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.

EZE

13

19

וַתְּחַלֶּלְנָה אֹתִי אֶל עַמִּי בְּשַׁעֲלֵי שְׂעֹרִים וּבִפְתוֹתֵי לֶחֶם֒ לְהָמִית נְפָשׁוֹת אֲשֶׁר לֹֽא תְמוּתֶנָה וּלְחַיּוֹת נְפָשׁוֹת אֲשֶׁר לֹא תִֽחְיֶ֑ינָה בְּכַזֶּבְכֶם לְעַמִּי שֹׁמְעֵי כָזָֽב׃ס

En zult gij Mij ontheiligen bij Mijn volk, voor handvollen van gerst, en voor stukken broods, om zielen te doden, die niet zouden sterven, en om zielen in het leven te behouden, die niet zouden leven, door uw liegen tot Mijn volk, dat de leugen hoort?

EZE

18

20

הַנֶּפֶשׁ הַחֹטֵאת הִיא תָמ֑וּת בֵּן לֹא יִשָּׂא בַּעֲוֺן הָאָב וְאָב לֹא יִשָּׂא בַּעֲוֺן הַבֵּן צִדְקַת הַצַּדִּיק עָלָיו תִּֽהְיֶה וְרִשְׁעַת רָשָׁע עָלָיו תִּֽהְיֶֽה׃ס

De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

46

30

וַיֹּאמֶר יִשְׂרָאֵל אֶל יוֹסֵף אָמוּתָה הַפָּ֑עַם אַחֲרֵי רְאוֹתִי אֶת פָּנֶיךָ כִּי עוֹדְךָ חָֽי׃

En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu sterve, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft!

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NUM

23

10

מִי מָנָה עֲפַר יַעֲקֹב וּמִסְפָּר אֶת רֹבַע יִשְׂרָאֵ֑ל תָּמֹת נַפְשִׁי מוֹת יְשָׁרִים וּתְהִי אַחֲרִיתִי כָּמֹֽהוּ׃

Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!

DEU

33

6

יְחִי רְאוּבֵן וְאַל יָמֹ֑ת וִיהִי מְתָיו מִסְפָּֽר׃ס

Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn!

JDG

6

30

וַיֹּאמְרוּ אַנְשֵׁי הָעִיר אֶל יוֹאָשׁ הוֹצֵא אֶת בִּנְךָ וְיָמֹ֑ת כִּי נָתַץ אֶת מִזְבַּח הַבַּעַל וְכִי כָרַת הָאֲשֵׁרָה אֲשֶׁר עָלָֽיו׃

Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uw zoon uit, dat hij sterve, omdat hij het altaar van Baäl heeft omgeworpen, en omdat hij de haag, die daarbij was, afgehouwen heeft.

1KI

21

10

וְהוֹשִׁיבוּ שְׁנַיִם אֲנָשִׁים בְּנֵֽי בְלִיַּעַל נֶגְדּוֹ֒ וִיעִדֻהוּ לֵאמֹר בֵּרַכְתָּ אֱלֹהִים וָמֶ֑לֶךְ וְהוֹצִיאֻהוּ וְסִקְלֻהוּ וְיָמֹֽת׃

En zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en den koning gezegend; en voert hem uit, en stenigt hem, dat hij sterve.

JOB

36

14

תָּמֹת בַּנֹּעַר נַפְשָׁ֑ם וְחַיָּתָם בַּקְּדֵשִֽׁים׃

Hun ziel zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.

ISA

50

2

מַדּוּעַ בָּאתִי וְאֵין אִישׁ קָרָֽאתִי וְאֵין עוֹנֶה֒ הֲקָצוֹר קָצְרָה יָדִי מִפְּדוּת וְאִם אֵֽין בִּי כֹחַ לְהַצִּ֑יל הֵן בְּגַעֲרָתִי אַחֲרִיב יָם אָשִׂים נְהָרוֹת מִדְבָּר תִּבְאַשׁ דְּגָתָם מֵאֵין מַיִם וְתָמֹת בַּצָּמָֽא׃

Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus gans kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

קְטֹל

fs

קִטְלִי

mp

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

מֵת

20

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

מֵתָה

1

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

מֵתִים

7

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַמֵּת

21

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַמֵּתָה

1

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַמֵּתִים

12

fp

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַמֵּתִים

12

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַמֵּתָה

1

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְהַמֵּת

5

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cs

cs

מֵתִי

3

V-Qal-Prtcpl-msc | 2ms

ms

מֵתֶךָ

3

Prep-b | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

בְּמֵת

2

Prep-k | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

כְּמֵתֵי

2

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

לְמֵת

2

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְהַמֵּתִים

1

Prep-b | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

בְמֵת

1

Prep-b, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

בַּמֵּתִים

1

Prep-b, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

בַמֵּת

1

Prep-k | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

כְּמֵת

1

Prep-k, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

כַּמֵּתִים

1

Prep-k, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

כַּמֵּת

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

לָמֵת

1

Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הֲלַמֵּתִים

1

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

מֵתֵי

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms

ms

מֵתֶיךָ

1

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

מֵת

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 2ms

ms

מֵתְךָ

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 3ms

ms

מֵתוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לָמוּת

23

Conj-w, Prep-k | V-Qal-Inf | 3ms

וּכְמוֹתוֹ

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בְּמוֹת

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בְּמוֹתִי

1

Prep-m | V-Qal-Inf | 1cp

מִמֻּתֵנוּ

1

V-Qal-Inf | 1cp

מוּתֵנוּ

1

V-Qal-Inf | 1cs

מוּתִי

1

V-Qal-Inf | 3fs

מוּתָהּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

25

32

וַיֹּאמֶר עֵשָׂו הִנֵּה אָנֹכִי הוֹלֵךְ לָמ֑וּת וְלָמָּה זֶּה לִי בְּכֹרָֽה׃

En Ezau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?

GEN

47

29

וַיִּקְרְבוּ יְמֵֽי יִשְׂרָאֵל לָמוּת֒ וַיִּקְרָא לִבְנוֹ לְיוֹסֵף וַיֹּאמֶר לוֹ אִם נָא מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֶיךָ שִֽׂים נָא יָדְךָ תַּחַת יְרֵכִ֑י וְעָשִׂיתָ עִמָּדִי חֶסֶד וֶאֱמֶת אַל נָא תִקְבְּרֵנִי בְּמִצְרָֽיִם׃

Als nu de dagen van Israël naderden, dat hij sterven zou, zo riep hij zijn zoon Jozef, en zeide tot hem: Indiën ik nu genade gevonden heb in uw ogen, zo leg toch uw hand onder mijn heup, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;

EXO

14

11

וַיֹּאמְרוּ אֶל מֹשֶׁה֒ הַֽמִבְּלִי אֵין קְבָרִים בְּמִצְרַיִם לְקַחְתָּנוּ לָמוּת בַּמִּדְבָּ֑ר מַה זֹּאת עָשִׂיתָ לָּנוּ לְהוֹצִיאָנוּ מִמִּצְרָֽיִם׃

En zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gans geen graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt?

EXO

14

12

הֲלֹא זֶה הַדָּבָר אֲשֶׁר דִּבַּרְנוּ אֵלֶיךָ בְמִצְרַיִם לֵאמֹר חֲדַל מִמֶּנּוּ וְנַֽעַבְדָה אֶת מִצְרָ֑יִם כִּי טוֹב לָנוּ עֲבֹד אֶת מִצְרַיִם מִמֻּתֵנוּ בַּמִּדְבָּֽר׃

Is dit niet het woord, dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: Houd af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen, dan in deze woestijn te sterven.

EXO

16

3

וַיֹּאמְרוּ אֲלֵהֶם בְּנֵי יִשְׂרָאֵל מִֽי יִתֵּן מוּתֵנוּ בְיַד יְהוָה בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם בְּשִׁבְתֵּנוּ עַל סִיר הַבָּשָׂר בְּאָכְלֵנוּ לֶחֶם לָשֹׂ֑בַע כִּֽי הוֹצֵאתֶם אֹתָנוּ אֶל הַמִּדְבָּר הַזֶּה לְהָמִית אֶת כָּל הַקָּהָל הַזֶּה בָּרָעָֽב׃ס

En de kinderen Israëls zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.

EXO

21

14

וְכִֽי יָזִד אִישׁ עַל רֵעֵהוּ לְהָרְגוֹ בְעָרְמָ֑ה מֵעִם מִזְבְּחִי תִּקָּחֶנּוּ לָמֽוּת׃ס

Maar indien iemand tegen zijn naaste moedwillig gehandeld heeft, om hem met list te doden, zo zult gij denzelven van voor Mijn altaar nemen, dat hij sterve.

NUM

18

22

וְלֹא יִקְרְבוּ עוֹד בְּנֵי יִשְׂרָאֵל אֶל אֹהֶל מוֹעֵ֑ד לָשֵׂאת חֵטְא לָמֽוּת׃

En de kinderen Israëls zullen niet meer naderen tot de tent der samenkomst, om zonde te dragen en te sterven.

NUM

20

4

וְלָמָה הֲבֵאתֶם אֶת קְהַל יְהוָה אֶל הַמִּדְבָּר הַזֶּ֑ה לָמוּת שָׁם אֲנַחְנוּ וּבְעִירֵֽנוּ׃

Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des Heeren in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?

NUM

21

5

וַיְדַבֵּר הָעָם בֵּֽאלֹהִים וּבְמֹשֶׁה֒ לָמָה הֶֽעֱלִיתֻנוּ מִמִּצְרַיִם לָמוּת בַּמִּדְבָּ֑ר כִּי אֵין לֶחֶם וְאֵין מַיִם וְנַפְשֵׁנוּ קָצָה בַּלֶּחֶם הַקְּלֹקֵֽל׃

En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.

NUM

35

30

כָּל מַכֵּה נֶפֶשׁ לְפִי עֵדִים יִרְצַח אֶת הָרֹצֵ֑חַ וְעֵד אֶחָד לֹא יַעֲנֶה בְנֶפֶשׁ לָמֽוּת׃

Al wie de ziel slaat, naar den mond der getuigen zal men den doodslager doden, maar een enig getuige zal niet getuigen tegen een ziel, dat zij sterve.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

מוֹת

49

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

2

17

וּמֵעֵץ הַדַּעַת טוֹב וָרָע לֹא תֹאכַל מִמֶּ֑נּוּ כִּי בְּיוֹם אֲכָלְךָ מִמֶּנּוּ מוֹת תָּמֽוּת׃

Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

GEN

3

4

וַיֹּאמֶר הַנָּחָשׁ אֶל הָֽאִשָּׁ֑ה לֹֽא מוֹת תְּמֻתֽוּן׃

Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;

GEN

20

7

וְעַתָּה הָשֵׁב אֵֽשֶׁת הָאִישׁ כִּֽי נָבִיא הוּא וְיִתְפַּלֵּל בַּֽעַדְךָ וֶֽחְיֵ֑ה וְאִם אֵֽינְךָ מֵשִׁיב דַּע כִּי מוֹת תָּמוּת אַתָּה וְכָל אֲשֶׁר לָֽךְ׃

Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!

GEN

26

11

וַיְצַו אֲבִימֶלֶךְ אֶת כָּל הָעָם לֵאמֹ֑ר הַנֹּגֵעַ בָּאִישׁ הַזֶּה וּבְאִשְׁתּוֹ מוֹת יוּמָֽת׃

En Abimelech gebood het ganse volk, zeggende: Zo wie deze man of zijn huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden!

EXO

19

12

וְהִגְבַּלְתָּ אֶת הָעָם סָבִיב לֵאמֹר הִשָּׁמְרוּ לָכֶם עֲלוֹת בָּהָר וּנְגֹעַ בְּקָצֵ֑הוּ כָּל הַנֹּגֵעַ בָּהָר מוֹת יוּמָֽת׃

En bepaal het volk rondom, zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en deszelfs einde aan te roeren; al wie den berg aanroert, zal zekerlijk gedood worden.

EXO

21

12

מַכֵּה אִישׁ וָמֵת מוֹת יוּמָֽת׃

Wie iemand slaat, dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden.

EXO

21

15

וּמַכֵּה אָבִיו וְאִמּוֹ מוֹת יוּמָֽת׃

Zo wie zijn vader of zijn moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden.

EXO

21

16

וְגֹנֵב אִישׁ וּמְכָרוֹ וְנִמְצָא בְיָדוֹ מוֹת יוּמָֽת׃ס

Verder, zo wie een mens steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft, of dat hij in zijn hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden.

EXO

21

17

וּמְקַלֵּל אָבִיו וְאִמּוֹ מוֹת יוּמָֽת׃ס

Wie ook zijn vader of zijn moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden.

EXO

22

19

כָּל שֹׁכֵב עִם בְּהֵמָה מוֹת יוּמָֽת׃ס

Al wie bij een beest ligt, die zal zekerlijk gedood worden.

EXO

31

14

וּשְׁמַרְתֶּם אֶת הַשַּׁבָּת כִּי קֹדֶשׁ הִוא לָכֶ֑ם מְחַֽלְלֶיהָ מוֹת יוּמָת כִּי כָּל הָעֹשֶׂה בָהּ מְלָאכָה וְנִכְרְתָה הַנֶּפֶשׁ הַהִוא מִקֶּרֶב עַמֶּֽיהָ׃

Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is! Wie hem ontheiligt, zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven enig werk doet, die ziel zal uitgeroeid worden uit het midden harer volken.

EXO

31

15

שֵׁשֶׁת יָמִים יֵעָשֶׂה מְלָאכָה֒ וּבַיּוֹם הַשְּׁבִיעִי שַׁבַּת שַׁבָּתוֹן קֹדֶשׁ לַיהוָ֑ה כָּל הָעֹשֶׂה מְלָאכָה בְּיוֹם הַשַּׁבָּת מוֹת יוּמָֽת׃

Zes dagen zal men het werk doen; doch op den zevenden dag is den sabbat der rust, een heiligheid des Heeren! Wie op den sabbatdag arbeid doet, zal zekerlijk gedood worden.

LEV

20

2

וְאֶל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל תֹּאמַר֒ אִישׁ אִישׁ מִבְּנֵי יִשְׂרָאֵל וּמִן הַגֵּר הַגָּר בְּיִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר יִתֵּן מִזַּרְעוֹ לַמֹּלֶךְ מוֹת יוּמָ֑ת עַם הָאָרֶץ יִרְגְּמֻהוּ בָאָֽבֶן׃

Gij zult ook tot de kinderen Israëls zeggen: Een ieder uit de kinderen Israëls, of uit de vreemdelingen, die in Israël als vreemdelingen verkeren, die van zijn zaad den Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; het volk des lands zal hem met stenen stenigen.

LEV

20

9

כִּֽי אִישׁ אִישׁ אֲשֶׁר יְקַלֵּל אֶת אָבִיו וְאֶת אִמּוֹ מוֹת יוּמָ֑ת אָבִיו וְאִמּוֹ קִלֵּל דָּמָיו בּֽוֹ׃

Als er iemand is, die zijn vader of zijn moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden; hij heeft zijn vader of zijn moeder gevloekt; zijn bloed is op hem!

LEV

20

10

וְאִישׁ אֲשֶׁר יִנְאַף אֶת אֵשֶׁת אִישׁ אֲשֶׁר יִנְאַף אֶת אֵשֶׁת רֵעֵ֑הוּ מֽוֹת יוּמַת הַנֹּאֵף וְהַנֹּאָֽפֶת׃

Een man ook, die met iemands huisvrouw overspel zal gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster.

LEV

20

11

וְאִישׁ אֲשֶׁר יִשְׁכַּב אֶת אֵשֶׁת אָבִיו עֶרְוַת אָבִיו גִּלָּ֑ה מֽוֹת יוּמְתוּ שְׁנֵיהֶם דְּמֵיהֶם בָּֽם׃

En een man, die bij zijns vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!

LEV

20

12

וְאִישׁ אֲשֶׁר יִשְׁכַּב אֶת כַּלָּתוֹ מוֹת יוּמְתוּ שְׁנֵיהֶ֑ם תֶּבֶל עָשׂוּ דְּמֵיהֶם בָּֽם׃

Insgelijks, als de man bij de vrouw zijns zoons zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben een gruwelijke vermenging gedaan; hun bloed is op hen!

LEV

20

13

וְאִישׁ אֲשֶׁר יִשְׁכַּב אֶת זָכָר מִשְׁכְּבֵי אִשָּׁה תּוֹעֵבָה עָשׂוּ שְׁנֵיהֶ֑ם מוֹת יוּמָתוּ דְּמֵיהֶם בָּֽם׃

Wanneer ook een man bij een manspersoon zal gelegen hebben, met vrouwelijke bijligging, zij hebben beiden een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!

LEV

20

15

וְאִישׁ אֲשֶׁר יִתֵּן שְׁכָבְתּוֹ בִּבְהֵמָה מוֹת יוּמָ֑ת וְאֶת הַבְּהֵמָה תַּהֲרֹֽגוּ׃

Daartoe als een man bij enig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest doden.

LEV

20

16

וְאִשָּׁה אֲשֶׁר תִּקְרַב אֶל כָּל בְּהֵמָה לְרִבְעָה אֹתָהּ וְהָרַגְתָּ אֶת הָאִשָּׁה וְאֶת הַבְּהֵמָ֑ה מוֹת יוּמָתוּ דְּמֵיהֶם בָּֽם׃

Alzo wanneer een vrouw tot enig beest genaderd zal zijn, om daarmede te doen te hebben, zo zult gij die vrouw en dat beest doden; zij zullen zekerlijk gedood worden; hun bloed is op hen!

LEV

20

27

וְאִישׁ אֽוֹ אִשָּׁה כִּֽי יִהְיֶה בָהֶם אוֹב אוֹ יִדְּעֹנִי מוֹת יוּמָ֑תוּ בָּאֶבֶן יִרְגְּמוּ אֹתָם דְּמֵיהֶם בָּֽם׃פ

Als nu een man en vrouw in zich een waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zekerlijk gedood worden; men zal hen met stenen stenigen; hun bloed is op hen.

LEV

24

16

וְנֹקֵב שֵׁם יְהוָה מוֹת יוּמָת רָגוֹם יִרְגְּמוּ בוֹ כָּל הָעֵדָ֑ה כַּגֵּר כָּֽאֶזְרָח בְּנָקְבוֹ שֵׁם יוּמָֽת׃

En wie den Naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem zekerlijk stenigen; alzo zal de vreemdeling zijn, gelijk de inboorling, als hij den NAAM zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.

LEV

24

17

וְאִישׁ כִּי יַכֶּה כָּל נֶפֶשׁ אָדָ֑ם מוֹת יוּמָֽת׃

En als iemand enige ziel des mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden.

LEV

27

29

כָּל חֵרֶם אֲשֶׁר יָחֳרַם מִן הָאָדָם לֹא יִפָּדֶ֑ה מוֹת יוּמָֽת׃

Al wat verbannen is, dat van de mensen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden; het zal zekerlijk gedood worden.

NUM

15

35

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה מוֹת יוּמַת הָאִ֑ישׁ רָגוֹם אֹתוֹ בָֽאֲבָנִים כָּל הָעֵדָה מִחוּץ לַֽמַּחֲנֶֽה׃

Zo zeide de Heere tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de ganse vergadering zal hem met stenen stenigen buiten het leger.

NUM

26

65

כִּֽי אָמַר יְהוָה לָהֶם מוֹת יָמֻתוּ בַּמִּדְבָּ֑ר וְלֹא נוֹתַר מֵהֶם אִישׁ כִּי אִם כָּלֵב בֶּן יְפֻנֶּה וִיהוֹשֻׁעַ בִּן נֽוּן׃ס

Want de Heere had van die gezegd, dat zij in de woestijn gewisselijk zouden sterven; en er was niemand van hen overgebleven, dan Kaleb, de zoon van Jefunne, en Jozua, de zoon van Nun.

NUM

35

16

וְאִם בִּכְלִי בַרְזֶל הִכָּהוּ וַיָּמֹת רֹצֵחַֽ ה֑וּא מוֹת יוּמַת הָרֹצֵֽחַ׃

Maar indien hij hem met een ijzeren instrument geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.

NUM

35

17

וְאִם בְּאֶבֶן יָד אֲשֶׁר יָמוּת בָּהּ הִכָּהוּ וַיָּמֹת רֹצֵחַֽ ה֑וּא מוֹת יוּמַת הָרֹצֵֽחַ׃

Of indien hij hem met een handsteen, waarvan met zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.

NUM

35

18

אוֹ בִּכְלִי עֵֽץ יָד אֲשֶׁר יָמוּת בּוֹ הִכָּהוּ וַיָּמֹת רֹצֵחַֽ ה֑וּא מוֹת יוּמַת הָרֹצֵֽחַ׃

Of indien hij hem met een houten handinstrument, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft, dat hij gestorven zij, een doodslager is hij; deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.

NUM

35

21

אוֹ בְאֵיבָה הִכָּהוּ בְיָדוֹ וַיָּמֹת מֽוֹת יוּמַת הַמַּכֶּה רֹצֵחַֽ ה֑וּא גֹּאֵל הַדָּם יָמִית אֶת הָרֹצֵחַ בְּפִגְעוֹ בֽוֹ׃

Of hem door vijandschap met zijn hand geslagen heeft, dat hij gestorven zij; de slager zal zekerlijk gedood worden, een doodslager is hij; de bloedwreker zal dezen doodslager doden, als hij hem ontmoet.

NUM

35

31

וְלֹֽא תִקְחוּ כֹפֶר לְנֶפֶשׁ רֹצֵחַ אֲשֶׁר הוּא רָשָׁע לָמ֑וּת כִּי מוֹת יוּמָֽת׃

En gij zult geen verzoening nemen voor de ziel des doodslagers, die schuldig is te sterven; want hij zal zekerlijk gedood worden.

JDG

13

22

וַיֹּאמֶר מָנוֹחַ אֶל אִשְׁתּוֹ מוֹת נָמ֑וּת כִּי אֱלֹהִים רָאִֽינוּ׃

En Manoach zeide tot zijn huisvrouw: Wij zullen zekerlijk sterven, omdat wij God gezien hebben.

JDG

21

5

וַיֹּֽאמְרוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל מִי אֲשֶׁר לֹא עָלָה בַקָּהָל מִכָּל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל אֶל יְהוָ֑ה כִּי הַשְּׁבוּעָה הַגְּדוֹלָה הָיְתָה לַאֲשֶׁר לֹא עָלָה אֶל יְהוָה הַמִּצְפָּה לֵאמֹר מוֹת יוּמָֽת׃

En de kinderen Israëls zeiden: Wie is er, die niet is opgekomen in de vergadering uit al de stammen van Israël tot den Heere? want er was een grote eed geschied aangaande dengene, die niet opkwam tot den Heere te Mizpa, zeggende: Hij zal zekerlijk gedood worden.

1SA

14

39

כִּי חַי יְהוָה הַמּוֹשִׁיעַ אֶת יִשְׂרָאֵל כִּי אִם יֶשְׁנוֹ בְּיוֹנָתָן בְּנִי כִּי מוֹת יָמ֑וּת וְאֵין עֹנֵהוּ מִכָּל הָעָֽם׃

Want zo waarachtig als de Heere leeft, Die Israël verlost, al ware het in mijn zoon Jonathan, zo zal hij den dood sterven; en niemand uit het ganse volk antwoordde hem.

1SA

14

44

וַיֹּאמֶר שָׁאוּל כֹּֽה יַעֲשֶׂה אֱלֹהִים וְכֹה יוֹסִ֑ף כִּֽי מוֹת תָּמוּת יוֹנָתָֽן׃

Toen zeide Saul: Zo doe mij God, en zo doe Hij daartoe, Jonathan! gij moet den dood sterven.

1SA

22

16

וַיֹּאמֶר הַמֶּלֶךְ מוֹת תָּמוּת אֲחִימֶ֑לֶךְ אַתָּה וְכָל בֵּית אָבִֽיךָ׃

Doch de koning zeide: Achimelech, gij moet den dood sterven, gij en het ganse huis uws vaders.

2SA

12

14

אֶפֶס כִּֽי נִאֵץ נִאַצְתָּ אֶת אֹיְבֵי יְהוָה בַּדָּבָר הַזֶּ֑ה גַּם הַבֵּן הַיִּלּוֹד לְךָ מוֹת יָמֽוּת׃

Nochtans, dewijl gij door deze zaak de vijanden des Heeren grotelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.

2SA

14

14

כִּי מוֹת נָמוּת וְכַמַּיִם הַנִּגָּרִים אַרְצָה אֲשֶׁר לֹא יֵאָסֵ֑פוּ וְלֹֽא יִשָּׂא אֱלֹהִים נֶפֶשׁ וְחָשַׁב מַֽחֲשָׁבוֹת לְבִלְתִּי יִדַּח מִמֶּנּוּ נִדָּֽח׃

Want wij zullen den dood sterven, en wezen als water, dat, ter aarde uitgestort zijnde, niet verzameld wordt. God dan zal de ziel niet wegnemen, maar Hij zal gedachten denken, dat Hij den verstotene niet van Zich verstote.

1KI

2

37

וְהָיָה בְּיוֹם צֵאתְךָ וְעָֽבַרְתָּ אֶת נַחַל קִדְרוֹן יָדֹעַ תֵּדַע כִּי מוֹת תָּמ֑וּת דָּמְךָ יִהְיֶה בְרֹאשֶֽׁךָ׃

Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.

1KI

2

42

וַיִּשְׁלַח הַמֶּלֶךְ וַיִּקְרָא לְשִׁמְעִי וַיֹּאמֶר אֵלָיו הֲלוֹא הִשְׁבַּעְתִּיךָ בַֽיהוָה וָאָעִד בְּךָ לֵאמֹר בְּיוֹם צֵאתְךָ וְהָֽלַכְתָּ אָנֶה וָאָנָה יָדֹעַ תֵּדַע כִּי מוֹת תָּמ֑וּת וַתֹּאמֶר אֵלַי טוֹב הַדָּבָר שָׁמָֽעְתִּי׃

Toen zond de koning, en riep Simeï, en zeide tot hem: Heb ik u niet beedigd bij den Heere, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker, dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.

2KI

1

4

וְלָכֵן כֹּֽה אָמַר יְהוָה הַמִּטָּה אֲשֶׁר עָלִיתָ שָּׁם לֹֽא תֵרֵד מִמֶּנָּה כִּי מוֹת תָּמ֑וּת וַיֵּלֶךְ אֵלִיָּֽה׃

Daarom nu zegt de Heere alzo: Gij zult niet afkomen van dat bed, waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood sterven. En Elia ging weg.

2KI

1

6

וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו אִישׁ עָלָה לִקְרָאתֵנוּ וַיֹּאמֶר אֵלֵינוּ לְכוּ שׁוּבוּ אֶל הַמֶּלֶךְ אֲשֶׁר שָׁלַח אֶתְכֶם֒ וְדִבַּרְתֶּם אֵלָיו כֹּה אָמַר יְהוָה הַֽמִבְּלִי אֵין אֱלֹהִים בְּיִשְׂרָאֵל אַתָּה שֹׁלֵחַ לִדְרֹשׁ בְּבַעַל זְבוּב אֱלֹהֵי עֶקְר֑וֹן לָכֵן הַמִּטָּה אֲשֶׁר עָלִיתָ שָּׁם לֹֽא תֵרֵד מִמֶּנָּה כִּֽי מוֹת תָּמֽוּת׃

En zij zeiden tot hem: Een man kwam op, ons tegemoet, en zeide tot ons: Gaat heen, keert weder tot den koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zo zegt de Heere: Is het, omdat er geen God in Israël is, dat gij zendt, om Baäl-zebub, den god van Ekron, te vragen? Daarom zult gij van dat bed, waarop gij geklommen zijt, niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.

2KI

1

16

וַיְדַבֵּר אֵלָיו כֹּֽה אָמַר יְהוָה יַעַן אֲשֶׁר שָׁלַחְתָּ מַלְאָכִים לִדְרֹשׁ בְּבַעַל זְבוּב אֱלֹהֵי עֶקְרוֹן֒ הַֽמִבְּלִי אֵין אֱלֹהִים בְּיִשְׂרָאֵל לִדְרֹשׁ בִּדְבָר֑וֹ לָכֵן הַמִּטָּה אֲשֶׁר עָלִיתָ שָּׁם לֹֽא תֵרֵד מִמֶּנָּה כִּֽי מוֹת תָּמֽוּת׃

En hij sprak tot hem: Zo zegt de Heere: Daarom, dat gij boden gezonden hebt, om Baäl-zebub, den god van Ekron, te vragen (is het, omdat er geen God in Israël is, om Zijn woord te vragen?); daarom, van dat bed, waarop gij geklommen zijt, zult gij niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.

2KI

8

10

וַיֹּאמֶר אֵלָיו אֱלִישָׁע לֵךְ אֱמָר לֹא חָיֹה תִחְיֶ֑ה וְהִרְאַנִי יְהוָה כִּֽי מוֹת יָמֽוּת׃

En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg, gij zult ganselijk niet genezen; want de Heere heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal.

JER

26

8

וַיְהִי כְּכַלּוֹת יִרְמְיָהוּ לְדַבֵּר אֵת כָּל אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה לְדַבֵּר אֶל כָּל הָעָ֑ם וַיִּתְפְּשׂוּ אֹתוֹ הַכֹּהֲנִים וְהַנְּבִאִים וְכָל הָעָם לֵאמֹר מוֹת תָּמֽוּת׃

Zo geschiedde het, als Jeremia geëindigd had te spreken alles, wat de Heere geboden had tot al het volk te spreken, dat de priesters en de profeten en al het volk hem grepen, zeggende: Gij zult den dood sterven!

EZE

3

18

בְּאָמְרִי לָֽרָשָׁע מוֹת תָּמוּת וְלֹא הִזְהַרְתּוֹ וְלֹא דִבַּרְתָּ לְהַזְהִיר רָשָׁע מִדַּרְכּוֹ הָרְשָׁעָה לְחַיֹּת֑וֹ הוּא רָשָׁע בַּעֲוֺנוֹ יָמוּת וְדָמוֹ מִיָּדְךָ אֲבַקֵּֽשׁ׃

Als Ik tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven, en gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet, om den goddeloze van zijn goddelozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

EZE

18

13

בַּנֶּשֶׁךְ נָתַן וְתַרְבִּית לָקַח וָחָ֑י לֹא יִֽחְיֶה אֵת כָּל הַתּוֹעֵבוֹת הָאֵלֶּה עָשָׂה מוֹת יוּמָת דָּמָיו בּוֹ יִהְיֶֽה׃

Geeft op woeker, en neemt overwinst; zou die leven? Hij zal niet leven, al die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn!

EZE

33

8

בְּאָמְרִי לָרָשָׁע רָשָׁע מוֹת תָּמוּת וְלֹא דִבַּרְתָּ לְהַזְהִיר רָשָׁע מִדַּרְכּ֑וֹ הוּא רָשָׁע בַּעֲוֺנוֹ יָמוּת וְדָמוֹ מִיָּדְךָ אֲבַקֵּֽשׁ׃

Als Ik tot den goddeloze zeg: O goddeloze, gij zult den dood sterven! en gij spreekt niet, om den goddeloze van zijn weg af te manen; die goddeloze zal in zijn ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal Ik van uw hand eisen.

EZE

33

14

וּבְאָמְרִי לָֽרָשָׁע מוֹת תָּמ֑וּת וְשָׁב מֵֽחַטָּאתוֹ וְעָשָׂה מִשְׁפָּט וּצְדָקָֽה׃

Als Ik ook tot den goddeloze zeg: Gij zult den dood sterven! en hij zich van zijn zonde bekeert, en recht en gerechtigheid doet;