PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | קָטַל | ||||
3fs | קָֽטְלָה | ||||
2ms | קָטַ֫לְתָּ | ||||
2fs | קָטַלְתְּ | ||||
1cs | קָטַ֫לְתִּי | ||||
3cp | רָעוּ | 1 | וְרָעוּ | 5 | קָטְלוּ |
2mp | קְטַלְתֶּם | ||||
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging רָעָה
Strong H7462
Betekenis: weiden, hoeden
Frequentie Qal: 160
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
JER | 6 | 3 | אֵלֶיהָ יָבֹאוּ רֹעִים וְעֶדְרֵיהֶ֑ם תָּקְעוּ עָלֶיהָ אֹהָלִים סָבִיב רָעוּ אִישׁ אֶת יָדֽוֹ׃ | Maar er zullen herders tot haar komen met hun kudden; zij zullen tenten rondom tegen haar opslaan; zij zullen een iegelijk zijn ruimte afweiden. |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
MIC | 5 | 6 | וְרָעוּ אֶת אֶרֶץ אַשּׁוּר בַּחֶרֶב וְאֶת אֶרֶץ נִמְרֹד בִּפְתָחֶ֑יהָ וְהִצִּיל מֵֽאַשּׁוּר כִּֽי יָבוֹא בְאַרְצֵנוּ וְכִי יִדְרֹךְ בִּגְבוּלֵֽנוּ׃ס | [05:5] Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|---|---|---|---|
3cp | רָעוּס | 1 | ||
3cp | וְרָעוּם | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EZE | 34 | 8 | חַי אָנִי נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה אִם לֹא יַעַן הֱיֽוֹת צֹאנִי לָבַז וַתִּֽהְיֶינָה צֹאנִי לְאָכְלָה לְכָל חַיַּת הַשָּׂדֶה מֵאֵין רֹעֶה וְלֹֽא דָרְשׁוּ רֹעַי אֶת צֹאנִ֑י וַיִּרְעוּ הָֽרֹעִים אוֹתָם וְאֶת צֹאנִי לֹא רָעֽוּ׃ס | Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet; |
JER | 23 | 4 | וַהֲקִמֹתִי עֲלֵיהֶם רֹעִים וְרָע֑וּם וְלֹא יִֽירְאוּ עוֹד וְלֹא יֵחַתּוּ וְלֹא יִפָּקֵדוּ נְאֻם יְהוָֽה׃ס | En Ik zal herderen over hen verwekken, die ze weiden zullen; en zij zullen niet meer vrezen, noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de Heere. |
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | NR | BOEK | HFD | VS | STR | HEBR | ENG | PARSING | nr | LEMMA | DESCRIPTION | PART_OF_SPEECH | COUNT_OT | HEBR0 | HEBRO | PARSING1 | IMPF_CONJ | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יִרְעֶה | 5 | וַיִּרְעֵם | 1 | יִקְטֹל | |||||||||||||||||
3fs | תִּרְעֶה | 1 | תִּקְטֹל | |||||||||||||||||||
2ms | תִרְעֶה | 3 | תִּקְטֹל | |||||||||||||||||||
2fs | תִּקְטְלִי | |||||||||||||||||||||
1cs | אֶרְעֶה | 4 | וָאֶרְעֶה | 2 | אֶקְטֹל | |||||||||||||||||
3mp | יִרְעוּ | 9 | וַיִּרְעוּ | 2 | יִקְטְלוּ | |||||||||||||||||
3fp | תִּרְעֶינָה | 3 | וַתִּרְעֶינָה | 2 | תִּקְטֹ֫לְנָה | |||||||||||||||||
2mp | תִּרְעוּ | 1 | תִּקְטְלוּ | |||||||||||||||||||
2fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | |||||||||||||||||||||
1cp | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 24 | 60 | וַיְבָרֲכוּ אֶת רִבְקָה וַיֹּאמְרוּ לָהּ אֲחֹתֵנוּ אַתְּ הֲיִי לְאַלְפֵי רְבָבָ֑ה וְיִירַשׁ זַרְעֵךְ אֵת שַׁעַר שֹׂנְאָֽיו׃ | En zij zegenden Rebekka, en zeiden tot haar: O, onze zuster! wordt gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poort zijner haters! |
GEN | 30 | 31 | וַיֹּאמֶר מָה אֶתֶּן לָ֑ךְ וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב לֹא תִתֶּן לִי מְאוּמָה אִם תַּֽעֲשֶׂה לִּי הַדָּבָר הַזֶּה אָשׁוּבָה אֶרְעֶה צֹֽאנְךָ אֶשְׁמֹֽר׃ | En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij niet met al geven, indien gij mij deze zaak doen zult; ik zal wederom uw kudden weiden, en bewaren. |
GEN | 41 | 18 | וְהִנֵּה מִן הַיְאֹר עֹלֹת שֶׁבַע פָּרוֹת בְּרִיאוֹת בָּשָׂר וִיפֹת תֹּ֑אַר וַתִּרְעֶינָה בָּאָֽחוּ׃ | En zie, uit de rivier kwamen op zeven koeien, vet van vlees en schoon van gedaante, en zij weidden in het gras. |
DEU | 10 | 11 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלַי קוּם לֵךְ לְמַסַּע לִפְנֵי הָעָ֑ם וְיָבֹאוּ וְיִֽרְשׁוּ אֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר נִשְׁבַּעְתִּי לַאֲבֹתָם לָתֵת לָהֶֽם׃פ | Maar de Heere zeide tot mij: Sta op, ga op de reize, voor het aangezicht des volks, dat zij inkomen, en erven het land, dat Ik hun vaderen gezworen heb, hun te geven. |
1CH | 11 | 2 | גַּם תְּמוֹל גַּם שִׁלְשׁוֹם גַּם בִּהְיוֹת שָׁאוּל מֶלֶךְ אַתָּה הַמּוֹצִיא וְהַמֵּבִיא אֶת יִשְׂרָאֵ֑ל וַיֹּאמֶר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לְךָ אַתָּה תִרְעֶה אֶת עַמִּי אֶת יִשְׂרָאֵל וְאַתָּה תִּהְיֶה נָגִיד עַל עַמִּי יִשְׂרָאֵֽל׃ | Zelfs ook te voren, toen Saul nog koning was, hebt gij Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft de Heere, uw God, tot u gezegd: Gij zult Mijn volk Israël weiden, en gij zult voorganger zijn van Mijn volk Israël. |
PSA | 78 | 72 | וַיִּרְעֵם כְּתֹם לְבָב֑וֹ וּבִתְבוּנוֹת כַּפָּיו יַנְחֵֽם׃ | Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen. |
PSA | 80 | 13 | יְכַרְסְמֶנָּֽה חֲזִיר מִיָּ֑עַר וְזִיז שָׂדַי יִרְעֶֽנָּה׃ | [080:14] Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des velds heeft hem afgeweid. |
PRO | 10 | 21 | שִׂפְתֵי צַדִּיק יִרְעוּ רַבִּ֑ים וֶֽאֱוִילִים בַּחֲסַר לֵב יָמֽוּתוּ׃ | De lippen des rechtvaardigen voeden er velen; maar de dwazen sterven door gebrek van verstand. |
JER | 22 | 22 | כָּל רֹעַיִךְ תִּרְעֶה רוּחַ וּֽמְאַהֲבַיִךְ בַּשְּׁבִי יֵלֵ֑כוּ כִּי אָז תֵּבֹשִׁי וְנִכְלַמְתְּ מִכֹּל רָעָתֵֽךְ׃ | De wind zal al uw herders weiden, en uw liefhebbers zullen in de gevangenis gaan; dan zult gij zekerlijk beschaamd en te schande worden, vanwege al uw boosheid. |
EZE | 34 | 3 | אֶת הַחֵלֶב תֹּאכֵלוּ וְאֶת הַצֶּמֶר תִּלְבָּשׁוּ הַבְּרִיאָה תִּזְבָּ֑חוּ הַצֹּאן לֹא תִרְעֽוּ׃ | Gij eet het vette, en bekleedt u met de wol, gij slacht het gemeste, maar de schapen weidt gij niet. |
EZE | 34 | 8 | חַי אָנִי נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה אִם לֹא יַעַן הֱיֽוֹת צֹאנִי לָבַז וַתִּֽהְיֶינָה צֹאנִי לְאָכְלָה לְכָל חַיַּת הַשָּׂדֶה מֵאֵין רֹעֶה וְלֹֽא דָרְשׁוּ רֹעַי אֶת צֹאנִ֑י וַיִּרְעוּ הָֽרֹעִים אוֹתָם וְאֶת צֹאנִי לֹא רָעֽוּ׃ס | Zo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere Heere, zo Ik niet! Omdat Mijn schapen geworden zijn tot een roof, en Mijn schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders naar Mijn schapen niet vragen; en de herders weiden zichzelven, maar Mijn schapen weiden zij niet; |
EZE | 34 | 14 | בְּמִרְעֶה טּוֹב אֶרְעֶה אֹתָם וּבְהָרֵי מְרֽוֹם יִשְׂרָאֵל יִהְיֶה נְוֵהֶ֑ם שָׁם תִּרְבַּצְנָה בְּנָוֶה טּוֹב וּמִרְעֶה שָׁמֵן תִּרְעֶינָה אֶל הָרֵי יִשְׂרָאֵֽל׃ | Op een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israëls zal hun kooi zijn; aldaar zullen zij nederliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een vette weide, op de bergen Israëls. |
ZEC | 11 | 7 | וָֽאֶרְעֶה אֶת צֹאן הַֽהֲרֵגָה לָכֵן עֲנִיֵּי הַצֹּ֑אן וָאֶקַּֽח לִי שְׁנֵי מַקְלוֹת לְאַחַד קָרָאתִי נֹעַם וּלְאַחַד קָרָאתִי חֹֽבְלִים וָאֶרְעֶה אֶת הַצֹּֽאן׃ | Dies heb ik deze slachtschapen geweid, dewijl zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, den een heb ik genoemd LIEFELIJKHEID, en den anderen heb ik genoemd SAMENBINDERS; en ik heb die schapen geweid. |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | רְעֵה | 2 | קְטֹל |
fs | קִטְלִי | ||
mp | רְעוּ | 1 | קִטְלִוּ |
fp | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
MIC | 7 | 14 | רְעֵה עַמְּךָ בְשִׁבְטֶךָ צֹאן נַֽחֲלָתֶךָ שֹׁכְנִי לְבָדָד יַעַר בְּתוֹךְ כַּרְמֶ֑ל יִרְעוּ בָשָׁן וְגִלְעָד כִּימֵי עוֹלָֽם׃ | Gij dan, weid Uw volk met Uw staf, de kudde Uwer erfenis, die alleen woont, in het woud, in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en Gilead, als in de dagen van ouds. |
ZEC | 11 | 4 | כֹּה אָמַר יְהוָה אֱלֹהָ֑י רְעֵה אֶת צֹאן הַהֲרֵגָֽה׃ | Alzo zegt de Heere, mijn God: Weidt deze slachtschapen. |
GEN | 29 | 7 | וַיֹּאמֶר הֵן עוֹד הַיּוֹם גָּדוֹל לֹא עֵת הֵאָסֵף הַמִּקְנֶ֑ה הַשְׁקוּ הַצֹּאן וּלְכוּ רְעֽוּ׃ | En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve. |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | רֹעֶה | 22 | קֹטֵל |
V-Qal-Prtcpl-fs | fs | רֹעָה | 1 | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת |
V-Qal-Prtcpl-mp | mp | רֹעִים | 16 | קֹטְלִים |
V-Qal-Prtcpl-fp | fp | רֹעוֹת | 1 | קֹטְלוֹת |
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הָרֹעֶה | 6 | |
fs | ||||
Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | הָרֹעִים | 21 | |
fp | ||||
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הָרֹעֶה | 6 | |
Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | הָרוֹעִים | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-msc | sc | רֹעֵה | 4 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | וְרֹעֶה | 3 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | רֹעֵי | 3 | |
Prep-k | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | כְּרֹעֶה | 2 | |
Prep-m | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | מֵרֹעֶה | 2 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | וְרֹעִים | 1 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3mp | mp | וְרֹעֵיהֶם | 1 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | וְרוֹעֶה | 1 | |
Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | וְהָרֹעִים | 1 | |
Prep-l | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | לְרֹעֶה | 1 | |
Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | לָרֹעִים | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | רוֹעֵי | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 1cs | cs | רֹעַי | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 2fs | fs | רֹעַיִךְ | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms | ms | רֹעֶיךָ | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 3mp | mp | רֹעֵיהֶם | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-msc | 1cs | cs | רֹעִי | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קָטוּל | |||
fs | קְטוּלָה | |||
mp | קְטוּלִים | |||
fp | קְטוּלוֹת |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Prep-l | V-Qal-Inf | לִרְעוֹת | 6 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms | בִּרְעֹתוֹ | 1 |
Prep-m | V-Qal-Inf | מֵרְעוֹת | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 36 | 24 | וְאֵלֶּה בְנֵֽי צִבְעוֹן וְאַיָּה וַעֲנָ֑ה הוּא עֲנָה אֲשֶׁר מָצָא אֶת הַיֵּמִם בַּמִּדְבָּר בִּרְעֹתוֹ אֶת הַחֲמֹרִים לְצִבְעוֹן אָבִֽיו׃ | En dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana, hij is die Ana, die de muilen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon weidde. |
GEN | 37 | 12 | וַיֵּלְכוּ אֶחָ֑יו לִרְעוֹת אֶת צֹאן אֲבִיהֶם בִּשְׁכֶֽם׃ | En zijn broeders gingen heen, om de kudde van hun vader te weiden bij Sichem. |
1SA | 17 | 15 | וְדָוִד הֹלֵךְ וָשָׁב מֵעַל שָׁא֑וּל לִרְעוֹת אֶת צֹאן אָבִיו בֵּֽית לָֽחֶם׃ | Doch David ging henen, en kwam weder van Saul, om zijns vaders schapen te weiden te Bethlehem. |
2SA | 7 | 7 | בְּכֹל אֲשֶֽׁר הִתְהַלַּכְתִּי בְּכָל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל֒ הֲדָבָר דִּבַּרְתִּי אֶת אַחַד שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר צִוִּיתִי לִרְעוֹת אֶת עַמִּי אֶת יִשְׂרָאֵל לֵאמֹ֑ר לָמָּה לֹֽא בְנִיתֶם לִי בֵּית אֲרָזִֽים׃ | Overal, waar Ik met al de kinderen Israëls heb gewandeld, heb Ik wel een woord gesproken met een der stammen Israëls, dien Ik bevolen heb Mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij Mij niet een cederen huis? |
1CH | 17 | 6 | בְּכֹל אֲשֶֽׁר הִתְהַלַּכְתִּי בְּכָל יִשְׂרָאֵל֒ הֲדָבָר דִּבַּרְתִּי אֶת אַחַד שֹׁפְטֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר צִוִּיתִי לִרְעוֹת אֶת עַמִּי לֵאמֹ֑ר לָמָּה לֹא בְנִיתֶם לִי בֵּית אֲרָזִֽים׃ | Overal, waar Ik gewandeld heb met geheel Israël, heb Ik wel een woord gesproken tot een van de richters van Israël, denwelken Ik gebood Mijn volk te weiden, zeggende: Waarom bouwt gijlieden Mij geen cederen huis? |
PSA | 78 | 71 | מֵאַחַר עָלוֹת הֱבִיאוֹ לִרְעוֹת בְּיַעֲקֹב עַמּ֑וֹ וּבְיִשְׂרָאֵל נַחֲלָתֽוֹ׃ | Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis. |
SNG | 6 | 2 | דּוֹדִי יָרַד לְגַנּוֹ לַעֲרוּגוֹת הַבֹּ֑שֶׂם לִרְעוֹת בַּגַּנִּים וְלִלְקֹט שֽׁוֹשַׁנִּֽים׃ | Mijn Liefste is afgegaan in Zijn hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om de leliën te verzamelen. |
EZE | 34 | 10 | כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶֽל הָרֹעִים וְֽדָרַשְׁתִּי אֶת צֹאנִי מִיָּדָם וְהִשְׁבַּתִּים מֵרְעוֹת צֹאן וְלֹא יִרְעוּ עוֹד הָרֹעִים אוֹתָ֑ם וְהִצַּלְתִּי צֹאנִי מִפִּיהֶם וְלֹֽא תִהְיֶיןָ לָהֶם לְאָכְלָֽה׃ס | Alzo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan de herders, en zal Mijn schapen van hun hand eisen, en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en Ik zal Mijn schapen uit hun mond rukken, zodat zij hun niet meer tot spijze zullen zijn. |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|