Vervoeging נָשָׂא

Strong H5375
Betekenis: I vergeven; II dragen, opheffen
Frequentie Qal: 595

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

נָשָׂא

26

וְנָשָׂא

17

קָטַל

3fs

נְשָׂאַתְנִי

2

קָֽטְלָה

2ms

נָשָׂאתָ

4

וְנָשָׂאתָ

5

קָטַ֫לְתָּ

2fs

נְשָׂאתִים

1

קָטַלְתְּ

1cs

נָשָׂאתִי

19

וְנָשָׂאתִי

1

קָטַ֫לְתִּי

3cp

נָשְׂאוּ

9

וְנָשְׂאוּ

10

קָטְלוּ

2mp

נְשָׂאתֶם

1

וּנְשָׂאתֶם

2

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EZE

36

7

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה אֲנִי נָשָׂאתִי אֶת יָדִ֑י אִם לֹא הַגּוֹיִם אֲשֶׁר לָכֶם מִסָּבִיב הֵמָּה כְּלִמָּתָם יִשָּֽׂאוּ׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ik heb Mijn hand opgeheven; zo niet de heidenen, die rondom u zijn, zelf hun schande zullen dragen!

EZE

16

58

אֶת זִמָּתֵךְ וְאֶת תּוֹעֲבוֹתַיִךְ אַתְּ נְשָׂאתִ֑ים נְאֻם יְהוָֽה׃ס

Hebt gij uw schandelijke daden en uw gruwelen gedragen, spreekt de Heere.

EZE

36

6

לָכֵן הִנָּבֵא עַל אַדְמַת יִשְׂרָאֵ֑ל וְאָמַרְתָּ לֶהָרִים וְלַגְּבָעוֹת לָאֲפִיקִים וְלַגֵּאָיוֹת כֹּֽה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי בְקִנְאָתִי וּבַחֲמָתִי דִּבַּרְתִּי יַעַן כְּלִמַּת גּוֹיִם נְשָׂאתֶֽם׃

Daarom profeteer van het land Israëls, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stromen en tot de dalen: Zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik heb in Mijn ijver en in Mijn grimmigheid gesproken, omdat gij den smaad der heidenen gedragen hebt;

PSA

85

2

נָשָׂאתָ עֲוֺן עַמֶּ֑ךָ כִּסִּיתָ כָל חַטָּאתָם סֶֽלָה׃

[085:3] De misdaad Uws volks hebt Gij weggenomen; Gij hebt al hun zonden bedekt. Sela.

PSA

93

3

נָשְׂאוּ נְהָרוֹת יְֽהוָה נָשְׂאוּ נְהָרוֹת קוֹלָ֑ם יִשְׂאוּ נְהָרוֹת דָּכְיָֽם׃

De rivieren verheffen, o Heere! de rivieren verheffen haar bruisen; de rivieren verheffen haar aanstoting.

EZE

11

24

וְרוּחַ נְשָׂאַתְנִי וַתְּבִיאֵנִי כַשְׂדִּימָה אֶל הַגּוֹלָה בַּמַּרְאֶה בְּרוּחַ אֱלֹהִ֑ים וַיַּעַל מֵֽעָלַי הַמַּרְאֶה אֲשֶׁר רָאִֽיתִי׃

Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht door den Geest Gods in Chaldea tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht, dat ik gezien had, voer van mij op.

EXO

10

13

וַיֵּט מֹשֶׁה אֶת מַטֵּהוּ עַל אֶרֶץ מִצְרַיִם֒ וַֽיהוָה נִהַג רוּחַ קָדִים בָּאָרֶץ כָּל הַיּוֹם הַהוּא וְכָל הַלָּ֑יְלָה הַבֹּקֶר הָיָה וְרוּחַ הַקָּדִים נָשָׂא אֶת הָאַרְבֶּֽה׃

Toen strekte Mozes zijn staf over Egypteland, en de Heere bracht een oostenwind in dat land, dien gehele dag en dien gansen nacht; het geschiedde des morgens, dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

18

26

וַיֹּאמֶר יְהוָה אִם אֶמְצָא בִסְדֹם חֲמִשִּׁים צַדִּיקִם בְּתוֹךְ הָעִ֑יר וְנָשָׂאתִי לְכָל הַמָּקוֹם בַּעֲבוּרָֽם׃

Toen zeide de Heere: Zo Ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zo zal Ik de ganse plaats sparen om hunnentwil.

AMO

5

26

וּנְשָׂאתֶם אֵת סִכּוּת מַלְכְּכֶם וְאֵת כִּיּוּן צַלְמֵיכֶ֑ם כּוֹכַב אֱלֹהֵיכֶם אֲשֶׁר עֲשִׂיתֶם לָכֶֽם׃

Ja, gij droegt de tent van uw Melech, en den Kijun, uw beelden, de ster uws gods, dien gij uzelf hadt gemaakt.

ISA

14

4

וְנָשָׂאתָ הַמָּשָׁל הַזֶּה עַל מֶלֶךְ בָּבֶל וְאָמָ֑רְתָּ אֵיךְ שָׁבַת נֹגֵשׂ שָׁבְתָה מַדְהֵבָֽה׃

Dan zult gij deze spreuk opnemen tegen den koning van Babel, en zeggen: Hoe houdt de drijver op? Hoe houdt de goudene op?

EZE

44

10

כִּי אִם הַלְוִיִּם אֲשֶׁר רָֽחֲקוּ מֵֽעָלַי בִּתְעוֹת יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר תָּעוּ מֵֽעָלַי אַחֲרֵי גִּלּֽוּלֵיהֶ֑ם וְנָשְׂאוּ עֲוֺנָֽם׃

Maar de Levieten, die verre van Mij geweken zijn, als Israël ging dolen, die van Mij zijn afgedwaald, hun drekgoden achterna, zullen wel hun ongerechtigheid dragen;

MAL

2

3

הִנְנִי גֹעֵר לָכֶם אֶת הַזֶּרַע וְזֵרִיתִי פֶרֶשׁ עַל פְּנֵיכֶם פֶּרֶשׁ חַגֵּיכֶ֑ם וְנָשָׂא אֶתְכֶם אֵלָֽיו׃

Ziet, Ik zal u het zaad verderven; en Ik zal drek op uw aangezichten strooien, den drek uwer feesten, zodat men u met denzelven wegnemen zal.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

נְשָׂאוֹ

3

3ms

נְשָׂאֲךָ

1

3fs

נָשְׂאָה

1

2ms

נְשָׂאתַנִי

1

2ms

נָשָׂאתָה

1

3cp

נָשָׂאוּ

2

3cp

נָשְׂאי

1

3cp

נָשֻׂא

1

3ms

וּנְשָׂאֲךָ

2

3ms

וּנְשָׂאוֹ

2

3ms

וְנָשָׁא

1

2ms

וּנְשָׂאתַנִי

1

3cp

וְנָשָׂאוּ

1

3cp

וְנָשׂוּ

1

3cp

וּנְשָׂאוּם

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

36

2

וַיִּקְרָא מֹשֶׁה אֶל בְּצַלְאֵל וְאֶל אָֽהֳלִיאָב֒ וְאֶל כָּל אִישׁ חֲכַם לֵב אֲשֶׁר נָתַן יְהוָה חָכְמָה בְּלִבּ֑וֹ כֹּל אֲשֶׁר נְשָׂאוֹ לִבּוֹ לְקָרְבָה אֶל הַמְּלָאכָה לַעֲשֹׂת אֹתָֽהּ׃

Want Mozes had geroepen Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in wiens hart God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had, dat hij toetrad tot het werk, om dat te maken.

EST

5

2

וַיְהִי כִרְאוֹת הַמֶּלֶךְ אֶת אֶסְתֵּר הַמַּלְכָּה עֹמֶדֶת בֶּֽחָצֵר נָשְׂאָה חֵן בְּעֵינָ֑יו וַיּוֹשֶׁט הַמֶּלֶךְ לְאֶסְתֵּר אֶת שַׁרְבִיט הַזָּהָב אֲשֶׁר בְּיָדוֹ וַתִּקְרַב אֶסְתֵּר וַתִּגַּע בְּרֹאשׁ הַשַּׁרְבִֽיט׃ס

En het geschiedde, toen de koning de koningin Esther zag, staande in het voorhof, verkreeg zij genade in zijn ogen, zodat de koning den gouden scepter, die in zijn hand was, Esther toereikte; en Esther naderde, en roerde de spits des scepters aan.

PSA

102

10

מִפְּנֵֽי זַֽעַמְךָ וְקִצְפֶּ֑ךָ כִּי נְשָׂאתַנִי וַתַּשְׁלִיכֵֽנִי׃

[0102:11] Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

PSA

139

20

אֲשֶׁר יֹאמְרֻךָ לִמְזִמָּ֑ה נָשֻׂא לַשָּׁוְא עָרֶֽיךָ׃

Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.

ISA

10

26

וְעוֹרֵר עָלָיו יְהוָה צְבָאוֹת שׁוֹט כְּמַכַּת מִדְיָן בְּצוּר עוֹרֵ֑ב וּמַטֵּהוּ עַל הַיָּם וּנְשָׂאוֹ בְּדֶרֶךְ מִצְרָֽיִם׃

Want de Heere der heirscharen zal tegen hem een gesel verwekken, gelijk de slachting van Midian was aan de rots van Oreb; en gelijk Zijn staf over de zee was, denwelken Hij verheffen zal, naar de wijze der Egyptenaren.

GEN

47

30

וְשָֽׁכַבְתִּי עִם אֲבֹתַי וּנְשָׂאתַנִי מִמִּצְרַיִם וּקְבַרְתַּנִי בִּקְבֻרָתָ֑ם וַיֹּאמַר אָנֹכִי אֶֽעֱשֶׂה כִדְבָרֶֽךָ׃

Maar dat ik bij mijn vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hun graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord!

MIC

2

2

וְחָמְדוּ שָׂדוֹת וְגָזָלוּ וּבָתִּים וְנָשָׂ֑אוּ וְעָֽשְׁקוּ גֶּבֶר וּבֵיתוֹ וְאִישׁ וְנַחֲלָתֽוֹ׃פ

En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijn erfenis.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יִשָּׂא

37

וַיִּשָּׂא

41

יִקְטֹל

3fs

תִּשָּׂא

2

וַתִּשָּׂא

11

תִּקְטֹל

2ms

תִשָּׂא

12

וַתִּשָּׂא

3

וְתִשָּׂא

1

תִּקְטֹל

2fs

תִשְׂאִי

2

תִּקְטְלִי

1cs

אֶשָּׂא

23

וָאֶשָּׂא

14

וְאֶשָּׂא

2

אֶקְטֹל

3mp

יִשְׂאוּ

20

וַיִּשְׂאוּ

43

וְיִשָּׂאֻהוּ

1

יִקְטְלוּ

3fp

וַתִּשֶּׂאנָה

2

וְתִשֶּׂנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תִּשְׂאוּ

8

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּשֶּׂאינָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִשָּׂא

1

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

20

7

לֹא תִשָּׂא אֶת שֵֽׁם יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לַשָּׁ֑וְא כִּי לֹא יְנַקֶּה יְהוָה אֵת אֲשֶׁר יִשָּׂא אֶת שְׁמוֹ לַשָּֽׁוְא׃פ

Gij zult den naam des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijn naam ijdellijk gebruikt.

JDG

9

48

וַיַּעַל אֲבִימֶלֶךְ הַר צַלְמוֹן הוּא וְכָל הָעָם אֲשֶׁר אִתּוֹ֒ וַיִּקַּח אֲבִימֶלֶךְ אֶת הַקַּרְדֻּמּוֹת בְּיָדוֹ וַיִּכְרֹת שׂוֹכַת עֵצִים וַיִּשָּׂאֶהָ וַיָּשֶׂם עַל שִׁכְמ֑וֹ וַיֹּאמֶר אֶל הָעָם אֲשֶׁר עִמּוֹ מָה רְאִיתֶם עָשִׂיתִי מַהֲרוּ עֲשׂוּ כָמֽוֹנִי׃

Zo ging Abimelech op den berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en leide hem op zijn schouder; en hij zeide tot het volk, dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik.

RUT

1

14

וַתִּשֶּׂנָה קוֹלָן וַתִּבְכֶּינָה ע֑וֹד וַתִּשַּׁק עָרְפָּה לַחֲמוֹתָהּ וְרוּת דָּבְקָה בָּֽהּ׃

Toen hieven zij haar stem op, en weenden wederom; en Orpa kuste haar schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.

2SA

4

4

וְלִיהֽוֹנָתָן בֶּן שָׁאוּל בֵּן נְכֵה רַגְלָ֑יִם בֶּן חָמֵשׁ שָׁנִים הָיָה בְּבֹא שְׁמֻעַת שָׁאוּל וִיהֽוֹנָתָן מִֽיִּזְרְעֶאל וַתִּשָּׂאֵהוּ אֹֽמַנְתּוֹ וַתָּנֹס וַיְהִי בְּחָפְזָהּ לָנוּס וַיִּפֹּל וַיִּפָּסֵחַ וּשְׁמוֹ מְפִיבֹֽשֶׁת׃

En Jonathan, Sauls zoon, had een zoon, die geslagen was aan beide voeten; vijf jaren was hij oud als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam; en zijn voedster hem opnam, en vluchtte; en het geschiedde, als zij haastte, om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefiboseth.

2KI

19

22

אֶת מִי חֵרַפְתָּ וְגִדַּפְתָּ וְעַל מִי הֲרִימוֹתָ קּ֑וֹל וַתִּשָּׂא מָרוֹם עֵינֶיךָ עַל קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵֽל׃

Wien hebt gij gehoond en gelasterd? en tegen Wien hebt gij de stem verheven, en uw ogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israëls!

1CH

21

24

וַיֹּאמֶר הַמֶּלֶךְ דָּוִיד לְאָרְנָן לֹא כִּֽי קָנֹה אֶקְנֶה בְּכֶסֶף מָלֵ֑א כִּי לֹא אֶשָּׂא אֲשֶׁר לְךָ לַיהוָה וְהַעֲלוֹת עוֹלָה חִנָּֽם׃

En de koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk kopen voor het volle geld; want ik zal voor den Heere niet nemen wat uw is, dat ik een brandoffer om niet offere.

2CH

24

11

וַיְהִי בְּעֵת יָבִיא אֶת הָֽאָרוֹן אֶל פְּקֻדַּת הַמֶּלֶךְ בְּיַד הַלְוִיִּם֒ וְכִרְאוֹתָם כִּי רַב הַכֶּסֶף וּבָא סוֹפֵר הַמֶּלֶךְ וּפְקִיד כֹּהֵן הָרֹאשׁ וִיעָרוּ אֶת הָאָרוֹן וְיִשָּׂאֻהוּ וִֽישִׁיבֻהוּ אֶל מְקֹמ֑וֹ כֹּה עָשׂוּ לְיוֹם בְּיוֹם וַיַּֽאַסְפוּ כֶסֶף לָרֹֽב׃

Het geschiedde nu ter tijd, als hij de kist, naar des konings bevel, door de hand der Levieten, inbracht, en als zij zagen, dat er veel gelds was, dat de schrijver des konings kwam, en de bestelde van den hoofdpriester, en de kist ledig maakten, en die opnamen, en die wederbrachten aan haar plaats; alzo deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte;

JOB

13

8

הֲפָנָיו תִּשָּׂא֑וּן אִם לָאֵל תְּרִיבֽוּן׃

Zult gij Zijn aangezicht aannemen? Zult gij voor God twisten?

JOB

22

26

כִּי אָז עַל שַׁדַּי תִּתְעַנָּ֑ג וְתִשָּׂא אֶל אֱלוֹהַּ פָּנֶֽיךָ׃

Want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht opheffen.

PSA

119

48

וְאֶשָּֽׂא כַפַּי אֶֽל מִצְוֺתֶיךָ אֲשֶׁר אָהָבְתִּי וְאָשִׂיחָה בְחֻקֶּֽיךָ׃

En ik zal mijn handen opheffen naar Uw geboden, die ik liefheb, en ik zal Uw inzettingen betrachten.

ISA

24

14

הֵמָּה יִשְׂאוּ קוֹלָם יָרֹ֑נּוּ בִּגְאוֹן יְהוָה צָהֲלוּ מִיָּֽם׃

Die zullen hun stem opheffen, zij zullen vrolijk zingen; vanwege de heerlijkheid des Heeren zullen zij juichen van de zee af.

ISA

40

24

אַף בַּל נִטָּעוּ אַף בַּל זֹרָעוּ אַף בַּל שֹׁרֵשׁ בָּאָרֶץ גִּזְעָ֑ם וְגַם נָשַׁף בָּהֶם וַיִּבָשׁוּ וּסְעָרָה כַּקַּשׁ תִּשָּׂאֵֽם׃ס

Ja, zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja, hun afgehouwen stam wortelt niet in de aarde; ook als Hij op hen blazen zal, zo zullen zij verdorren, en een stormwind zal hen als een stoppel wegnemen.

JER

9

18

וּתְמַהֵרְנָה וְתִשֶּׂנָה עָלֵינוּ נֶ֑הִי וְתֵרַדְנָה עֵינֵינוּ דִּמְעָה וְעַפְעַפֵּינוּ יִזְּלוּ מָֽיִם׃

En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten.

LAM

3

41

נִשָּׂא לְבָבֵנוּ אֶל כַּפָּיִם אֶל אֵל בַּשָּׁמָֽיִם׃

. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zeggende:

EZE

18

20

הַנֶּפֶשׁ הַחֹטֵאת הִיא תָמ֑וּת בֵּן לֹא יִשָּׂא בַּעֲוֺן הָאָב וְאָב לֹא יִשָּׂא בַּעֲוֺן הַבֵּן צִדְקַת הַצַּדִּיק עָלָיו תִּֽהְיֶה וְרִשְׁעַת רָשָׁע עָלָיו תִּֽהְיֶֽה׃ס

De ziel, die zondigt, die zal sterven; de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons; de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddelozen zal op hem zijn.

EZE

23

27

וְהִשְׁבַּתִּי זִמָּתֵךְ מִמֵּךְ וְאֶת זְנוּתֵךְ מֵאֶרֶץ מִצְרָ֑יִם וְלֹֽא תִשְׂאִי עֵינַיִךְ אֲלֵיהֶם וּמִצְרַיִם לֹא תִזְכְּרִי עֽוֹד׃ס

Zo zal Ik uw schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uw hoererij, gebracht uit Egypteland; en gij zult uw ogen naar hen niet opheffen, en aan Egypte niet meer gedenken.

EZE

23

49

וְנָתְנוּ זִמַּתְכֶנָה עֲלֵיכֶן וַחֲטָאֵי גִלּוּלֵיכֶן תִּשֶּׂ֑אינָה וִידַעְתֶּם כִּי אֲנִי אֲדֹנָי יְהוִֽה׃פ

Alzo zullen zij uw schandelijkheid op u leggen, en gij zult de zonden uwer drekgoden dragen; en gijlieden zult weten, dat Ik de Heere Heere ben.

EZE

32

24

שָׁם עֵילָם וְכָל הֲמוֹנָהּ סְבִיבוֹת קְבֻרָתָ֑הּ כֻּלָּם חֲלָלִים הַנֹּפְלִים בַּחֶרֶב אֲ‍ֽשֶׁר יָרְדוּ עֲרֵלִים אֶל אֶרֶץ תַּחְתִּיּוֹת אֲשֶׁר נָתְנוּ חִתִּיתָם בְּאֶרֶץ חַיִּים וַיִּשְׂאוּ כְלִמָּתָם אֶת יוֹרְדֵי בֽוֹר׃

Daar is Elam met haar ganse menigte rondom haar graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot de onderste plaatsen der aarde, die hun schrik hadden gegeven in het land der levenden; nu dragen zij hun schande met degenen, die in den kuil zijn nedergedaald.

ZEC

1

18

וָאֶשָּׂא אֶת עֵינַי וָאֵ֑רֶא וְהִנֵּה אַרְבַּע קְרָנֽוֹת׃

En ik hief mijn ogen op, en zag; en ziet, er waren vier hoornen.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

שָׂא

16

קְטֹל

fs

שְׂאִי

8

קִטְלִי

mp

שְׂאוּ

20

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

ZEC

5

5

וַיֵּצֵא הַמַּלְאָךְ הַדֹּבֵר בִּ֑י וַיֹּאמֶר אֵלַי שָׂא נָא עֵינֶיךָ וּרְאֵה מָה הַיּוֹצֵאת הַזֹּֽאת׃

En de Engel, Die met mij sprak, ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uw ogen op, en zie, wat dit zij, dat er voortkomt.

EXO

10

17

וְעַתָּה שָׂא נָא חַטָּאתִי אַךְ הַפַּעַם וְהַעְתִּירוּ לַיהוָה אֱלֹהֵיכֶ֑ם וְיָסֵר מֵֽעָלַי רַק אֶת הַמָּוֶת הַזֶּֽה׃

En nu vergeeft mij toch mijn zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot den Heere, uw God, dat Hij slechts dezen dood van mij wegneme.

LAM

2

19

קוּמִי רֹנִּי בַלַּיִל לְרֹאשׁ אַשְׁמֻרוֹת שִׁפְכִי כַמַּיִם לִבֵּךְ נֹכַח פְּנֵי אֲדֹנָ֑י שְׂאִי אֵלָיו כַּפַּיִךְ עַל נֶפֶשׁ עֽוֹלָלַיִךְ הָעֲטוּפִים בְּרָעָב בְּרֹאשׁ כָּל חוּצֽוֹת׃ס

. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw hart uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uw handen tot Hem op voor de ziel uwer kinderkens, die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.

EZE

23

35

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה יַעַן שָׁכַחַתְּ אוֹתִי וַתַּשְׁלִיכִי אוֹתִי אַחֲרֵי גַוֵּ֑ךְ וְגַם אַתְּ שְׂאִי זִמָּתֵךְ וְאֶת תַּזְנוּתָֽיִךְ׃ס

Daarom, alzo zegt de Heere Heere: Omdat gij Mijner vergeten, en Mij achter uw rug geworpen hebt, zo draagt gij ook uw schandelijkheid en uw hoererijen.

NUM

1

2

שְׂאוּ אֶת רֹאשׁ כָּל עֲדַת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל לְמִשְׁפְּחֹתָם לְבֵית אֲבֹתָ֑ם בְּמִסְפַּר שֵׁמוֹת כָּל זָכָר לְגֻלְגְּלֹתָֽם׃

Neem op de som van de gehele vergadering der kinderen Israëls, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van al wat mannelijk is, hoofd voor hoofd.

ISA

51

6

שְׂאוּ לַשָּׁמַיִם עֵֽינֵיכֶם וְֽהַבִּיטוּ אֶל הָאָרֶץ מִתַּחַת כִּֽי שָׁמַיִם כֶּעָשָׁן נִמְלָחוּ וְהָאָרֶץ כַּבֶּגֶד תִּבְלֶה וְיֹשְׁבֶיהָ כְּמוֹ כֵן יְמוּת֑וּן וִישֽׁוּעָתִי לְעוֹלָם תִּֽהְיֶה וְצִדְקָתִי לֹא תֵחָֽת׃ס

Heft ulieder ogen op naar den hemel, en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouden, en haar inwoners zullen van gelijken sterven; maar Mijn heil zal in eeuwigheid zijn, Mijn gerechtigheid zal niet verbroken worden.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

נֹשֵׂא

20

קֹטֵל

fs

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

נֹשְׂאִים

8

קֹטְלִים

V-Qal-Prtcpl-fp

fp

נֹשְׂאֹת

1

קֹטְלוֹת

V-Qal-Prtcpl-fp

fp

נֹשְׂאוֹת

1

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַנֹּשֵׂא

1

fs

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַנֹּשְׂאִים

4

fp

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַנֹּשֵׂא

1

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

נֹשְׂאֵי

25

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

נֹשֵׂא

13

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-msc

sc

וְנֹשֵׂא

6

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְהַנֹּשֵׂא

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְנֹשְׂאִים

1

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְהַנֹּשְׂאִים

1

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְהַנּוֹשֵׂא

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-msc

sc

לְנֹשֵׂא

1

V-Qal-Prtcpl-fsc

sc

נֹשְׂאֵת

1

V-Qal-Prtcpl-fsc

sc

נֹשֵׂאת

1

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

נוֹשְׂאֵי

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-msc

וּנְשׂוּא

3

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-mp

הַנְּשֻׂאִים

1

Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-msc

וּנְשֻׂא

1

V-Qal-QalPassPrtcpl-msc

נְשֻׂא

1

V-Qal-QalPassPrtcpl-msc

נְשׂוּי

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

2KI

5

1

וְנַעֲמָן שַׂר צְבָא מֶֽלֶךְ אֲרָם הָיָה אִישׁ גָּדוֹל לִפְנֵי אֲדֹנָיו וּנְשֻׂא פָנִים כִּֽי בוֹ נָֽתַן יְהוָה תְּשׁוּעָה לַאֲרָ֑ם וְהָאִישׁ הָיָה גִּבּוֹר חַיִל מְצֹרָֽע׃

Naäman nu, de krijgsoverste van den koning van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heren, en van hoog aanzien; want door hem had de Heere den Syriërs verlossing gegeven; zo was deze man een strijdbaar held, doch melaats.

JOB

22

8

וְאִישׁ זְרוֹעַ לוֹ הָאָ֑רֶץ וּנְשׂוּא פָנִים יֵשֶׁב בָּֽהּ׃

Maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin.

PSA

32

1

לְדָוִד מַשְׂכִּיל אַשְׁרֵי נְֽשׂוּי פֶּשַׁע כְּסוּי חֲטָאָֽה׃

Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

ISA

3

3

שַׂר חֲמִשִּׁים וּנְשׂוּא פָנִ֑ים וְיוֹעֵץ וַחֲכַם חֲרָשִׁים וּנְבוֹן לָֽחַשׁ׃

Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.

ISA

9

15

זָקֵן וּנְשׂוּא פָנִים הוּא הָרֹ֑אשׁ וְנָבִיא מֽוֹרֶה שֶּׁקֶר הוּא הַזָּנָֽב׃

[09:14] (De oude en aanzienlijke, die is de kop; maar de profeet, die valsheid leert, die is de staart.)

ISA

33

24

וּבַל יֹאמַר שָׁכֵן חָלִ֑יתִי הָעָם הַיֹּשֵׁב בָּהּ נְשֻׂא עָוֺֽן׃

En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

ISA

46

3

שִׁמְעוּ אֵלַי בֵּית יַעֲקֹב וְכָל שְׁאֵרִית בֵּית יִשְׂרָאֵ֑ל הַֽעֲמֻסִים מִנִּי בֶטֶן הַנְּשֻׂאִים מִנִּי רָֽחַם׃

Hoor naar Mij, o huis van Jakob, en het ganse overblijfsel van het huis Israëls! die van Mij gedragen zijt van den buik aan, en opgenomen van de baarmoeder af.

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לָשֵׂאת

24

V-Qal-Inf

שְׂאֵת

7

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf

וּבִשְׂאֵת

2

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלָשֵׂאת

2

V-Qal-Inf | 1cs

שְׂאֵתִי

2

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּשְׂאֵת

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בְּנָשְׂאִי

1

Prep-k | V-Qal-Inf

כִּנְשֹׂא

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לְמַשְׂאוֹת

1

Prep-m | V-Qal-Inf

מִנְּשֹׂא

1

V-Qal-Inf

נְשֹׂא

1

V-Qal-Inf | 3ms

שְׂאֵתוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

4

13

וַיֹּאמֶר קַיִן אֶל יְהוָ֑ה גָּדוֹל עֲוֺנִי מִנְּשֹֽׂא׃

En Kaïn zeide tot den Heere: Mijn misdaad is groter, dan dat zij vergeven worde.

GEN

36

7

כִּֽי הָיָה רְכוּשָׁם רָב מִשֶּׁבֶת יַחְדָּ֑ו וְלֹא יָֽכְלָה אֶרֶץ מְגֽוּרֵיהֶם לָשֵׂאת אֹתָם מִפְּנֵי מִקְנֵיהֶֽם׃

Want hun have was te veel, om samen te wonen; en het land hunner vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.

GEN

44

1

וַיְצַו אֶת אֲשֶׁר עַל בֵּיתוֹ לֵאמֹר֒ מַלֵּא אֶת אַמְתְּחֹת הָֽאֲנָשִׁים אֹכֶל כַּאֲשֶׁר יוּכְלוּן שְׂאֵ֑ת וְשִׂים כֶּֽסֶף אִישׁ בְּפִי אַמְתַּחְתּֽוֹ׃

En hij gebood dengene, die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naar dat zij zullen kunnen dragen, en leg ieders mans geld in den mond van zijn zak;

GEN

45

27

וַיְדַבְּרוּ אֵלָיו אֵת כָּל דִּבְרֵי יוֹסֵף אֲשֶׁר דִּבֶּר אֲלֵהֶם וַיַּרְא אֶת הָעֲגָלוֹת אֲשֶׁר שָׁלַח יוֹסֵף לָשֵׂאת אֹת֑וֹ וַתְּחִי רוּחַ יַעֲקֹב אֲבִיהֶֽם׃

Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig.

GEN

46

5

וַיָּקָם יַעֲקֹב מִבְּאֵר שָׁ֑בַע וַיִּשְׂאוּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל אֶת יַעֲקֹב אֲבִיהֶם וְאֶת טַפָּם וְאֶת נְשֵׁיהֶם בָּעֲגָלוֹת אֲשֶׁר שָׁלַח פַּרְעֹה לָשֵׂאת אֹתֽוֹ׃

Toen maakte zich Jakob op van Ber-seba; en de zonen van Israël voerden Jakob, hun vader, en hun kinderen, en hun vrouwen, op de wagenen, die Farao gezonden had, om hem te voeren.

EXO

25

14

וְהֵֽבֵאתָ אֶת הַבַּדִּים בַּטַּבָּעֹת עַל צַלְעֹת הָאָרֹ֑ן לָשֵׂאת אֶת הָאָרֹן בָּהֶֽם׃

En steek de handbomen in de ringen, die aan de zijde der ark zijn, dat men de ark daarmede drage.

EXO

25

27

לְעֻמַּת הַמִּסְגֶּרֶת תִּהְיֶיןָ הַטַּבָּעֹ֑ת לְבָתִּים לְבַדִּים לָשֵׂאת אֶת הַשֻּׁלְחָֽן׃

Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handbomen, om de tafel te dragen.

EXO

27

7

וְהוּבָא אֶת בַּדָּיו בַּטַּבָּעֹ֑ת וְהָיוּ הַבַּדִּים עַל שְׁתֵּי צַלְעֹת הַמִּזְבֵּחַ בִּשְׂאֵת אֹתֽוֹ׃

En de handbomen zullen in de ringen gedaan worden, alzo dat de handbomen zijn aan beide zijden des altaars, als men het draagt.

EXO

30

4

וּשְׁתֵּי טַבְּעֹת זָהָב תַּֽעֲשֶׂה לּוֹ מִתַּחַת לְזֵרוֹ עַל שְׁתֵּי צַלְעֹתָיו תַּעֲשֶׂה עַל שְׁנֵי צִדָּ֑יו וְהָיָה לְבָתִּים לְבַדִּים לָשֵׂאת אֹתוֹ בָּהֵֽמָּה׃

Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken, onder zijn krans; aan zijn twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijn beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handbomen, dat men het daarmede drage.

EXO

37

5

וַיָּבֵא אֶת הַבַּדִּים בַּטַּבָּעֹת עַל צַלְעֹת הָאָרֹ֑ן לָשֵׂאת אֶת הָאָרֹֽן׃

En hij stak de handbomen in de ringen, aan de zijden der ark, om de ark te dragen.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

נָשֹׂא

3

V-Qal-InfAbs

נָשׂוֹא

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NUM

4

2

נָשֹׂא אֶת רֹאשׁ בְּנֵי קְהָת מִתּוֹךְ בְּנֵי לֵוִ֑י לְמִשְׁפְּחֹתָם לְבֵית אֲבֹתָֽם׃

Neemt op de som der zonen van Kohath, uit het midden der zonen van Levi, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen.

NUM

4

22

נָשֹׂא אֶת רֹאשׁ בְּנֵי גֵרְשׁוֹן גַּם הֵ֑ם לְבֵית אֲבֹתָם לְמִשְׁפְּחֹתָֽם׃

Neem ook op de som der zonen van Gerson, naar het huis hunner vaderen, naar hun geslachten.

JER

10

5

כְּתֹמֶר מִקְשָׁה הֵמָּה וְלֹא יְדַבֵּרוּ נָשׂוֹא יִנָּשׂוּא כִּי לֹא יִצְעָ֑דוּ אַל תִּֽירְאוּ מֵהֶם כִּי לֹא יָרֵעוּ וְגַם הֵיטֵיב אֵין אוֹתָֽם׃ס

Zij zijn gelijk een palmboom van dicht werk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen worden, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaad doen, ook is er geen goeddoen bij hen.

HOS

1

6

וַתַּהַר עוֹד וַתֵּלֶד בַּת וַיֹּאמֶר לוֹ קְרָא שְׁמָהּ לֹא רֻחָ֑מָה כִּי לֹא אוֹסִיף עוֹד אֲרַחֵם אֶת בֵּית יִשְׂרָאֵל כִּֽי נָשֹׂא אֶשָּׂא לָהֶֽם׃

En zij ontving wederom, en baarde een dochter; en Hij zeide tot hem: Noem haar naam Lo-ruchama; want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, maar Ik zal ze zekerlijk wegvoeren.