Vervoeging יָדַע

Strong H3045
Betekenis: weten, kennen
Frequentie Qal: 814

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

יָדַע

53

קָטַל

3fs

יָדְעָה

5

קָֽטְלָה

2ms

יָדַעְתָּ

46

וְיָדַעְתָּ

14

קָטַ֫לְתָּ

2fs

יָדַעַתְּ

2

וְיָדַעַתְּ

7

קָטַלְתְּ

1cs

יָדַעְתִּי

81

וְיָדַעְתִּי

4

קָטַ֫לְתִּי

3cp

יָדְעוּ

39

וְיָדְעוּ

54

קָטְלוּ

2mp

יְדַעְתֶּם

10

וִידַעְתֶּם

39

קְטַלְתֶּם

2fp

יְדַעְתֶּן

1

וִידַעְתֶּן

2

קְטַלְתֶּן

1cp

יָדַעְנוּ

6

וְיָדַעְנוּ

1

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

43

22

וְכֶסֶף אַחֵר הוֹרַדְנוּ בְיָדֵנוּ לִשְׁבָּר אֹ֑כֶל לֹא יָדַעְנוּ מִי שָׂם כַּסְפֵּנוּ בְּאַמְתְּחֹתֵֽינוּ׃

Wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om spijze te kopen; wij weten niet, wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.

PSA

20

6

עַתָּה יָדַעְתִּי כִּי הוֹשִׁיעַ יְהוָה מְשִׁיחוֹ יַעֲנֵהוּ מִשְּׁמֵי קָדְשׁ֑וֹ בִּגְבֻרוֹת יֵשַׁע יְמִינֽוֹ׃

[020:7] Alsnu weet ik, dat de Heere Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.

GEN

31

6

וְאַתֵּנָה יְדַעְתֶּ֑ן כִּי בְּכָל כֹּחִי עָבַדְתִּי אֶת אֲבִיכֶֽן׃

En gijlieden weet, dat ik met al mijn macht uw vader gediend heb.

1KI

2

15

וַיֹּאמֶר אַתְּ יָדַעַתְּ כִּי לִי הָיְתָה הַמְּלוּכָה וְעָלַי שָׂמוּ כָֽל יִשְׂרָאֵל פְּנֵיהֶם לִמְלֹ֑ךְ וַתִּסֹּב הַמְּלוּכָה וַתְּהִי לְאָחִי כִּי מֵיְהוָה הָיְתָה לּֽוֹ׃

Hij zeide dan: Gij weet, dat het koninkrijk mijn was, en het ganse Israël zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is; want het is van den Heere hem geworden.

GEN

44

27

וַיֹּאמֶר עַבְדְּךָ אָבִי אֵלֵ֑ינוּ אַתֶּם יְדַעְתֶּם כִּי שְׁנַיִם יָֽלְדָה לִּי אִשְׁתִּֽי׃

Toen zeide uw knecht, mijn vader, tot ons: Gijlieden weet, dat mijn huisvrouw er mij twee gebaard heeft.

2SA

3

25

יָדַעְתָּ אֶת אַבְנֵר בֶּן נֵר כִּי לְפַתֹּתְךָ בָּ֑א וְלָדַעַת אֶת מוֹצָֽאֲךָ וְאֶת מְבוֹאֶךָ וְלָדַעַת אֵת כָּל אֲשֶׁר אַתָּה עֹשֶֽׂה׃

Gij kent Abner, den zoon van Ner; dat hij gekomen is om u te overreden, en om te weten uw uitgang en uw ingang, ja, om te weten alles, wat gij doet.

JON

1

10

וַיִּֽירְאוּ הָֽאֲנָשִׁים יִרְאָה גְדוֹלָה וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו מַה זֹּאת עָשִׂ֑יתָ כִּֽי יָדְעוּ הָאֲנָשִׁים כִּֽי מִלִּפְנֵי יְהוָה הוּא בֹרֵחַ כִּי הִגִּיד לָהֶֽם׃

Toen vreesden die mannen met grote vreze, en zeiden tot hem: Wat hebt gij dit gedaan? Want de mannen wisten, dat hij van des Heeren aangezicht vlood; want hij had het hun te kennen gegeven.

JDG

21

12

וַֽיִּמְצְאוּ מִיּוֹשְׁבֵי יָבֵישׁ גִּלְעָד אַרְבַּע מֵאוֹת נַעֲרָה בְתוּלָה אֲשֶׁר לֹֽא יָדְעָה אִישׁ לְמִשְׁכַּב זָכָ֑ר וַיָּבִיאוּ אוֹתָם אֶל הַֽמַּחֲנֶה שִׁלֹה אֲשֶׁר בְּאֶרֶץ כְּנָֽעַן׃ס

En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochters, die maagden waren, die geen man bekend hadden in bijligging des mans; en zij brachten die in het leger te Silo, dewelke is in het land Kanaän.

PSA

73

11

וְֽאָמְרוּ אֵיכָה יָדַֽע אֵ֑ל וְיֵשׁ דֵּעָה בְעֶלְיֽוֹן׃

Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1SA

6

9

וּרְאִיתֶם אִם דֶּרֶךְ גְּבוּלוֹ יַֽעֲלֶה בֵּית שֶׁמֶשׁ הוּא עָשָׂה לָנוּ אֶת הָרָעָה הַגְּדוֹלָה הַזֹּ֑את וְאִם לֹא וְיָדַעְנוּ כִּי לֹא יָדוֹ נָגְעָה בָּנוּ מִקְרֶה הוּא הָיָה לָֽנוּ׃

Ziet dan toe, indien zij den weg van haar landpale opgaat naar Beth-semes, zo heeft Hij ons dit groot kwaad gedaan; maar zo niet, zo zullen wij weten, dat Zijn hand ons niet geraakt heeft; het is ons een toeval geweest.

2SA

24

2

וַיֹּאמֶר הַמֶּלֶךְ אֶל יוֹאָב שַׂר הַחַיִל אֲשֶׁר אִתּוֹ שֽׁוּט נָא בְּכָל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל מִדָּן וְעַד בְּאֵר שֶׁבַע וּפִקְדוּ אֶת הָעָ֑ם וְיָדַעְתִּי אֵת מִסְפַּר הָעָֽם׃ס

De koning dan zeide tot Joab, den krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israël, van Dan tot Ber-seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete.

EZE

13

23

לָכֵן שָׁוְא לֹא תֶחֱזֶינָה וְקֶסֶם לֹא תִקְסַמְנָה ע֑וֹד וְהִצַּלְתִּי אֶת עַמִּי מִיֶּדְכֶן וִֽידַעְתֶּן כִּֽי אֲנִי יְהוָֽה׃

Daarom zult gij niet meer ijdelheid zien, noch waarzegging gebruiken; maar Ik zal Mijn volk uit uw hand redden, en gij zult weten, dat Ik de Heere ben.

HOS

2

20

וְאֵרַשְׂתִּיךְ לִי בֶּאֱמוּנָ֑ה וְיָדַעַתְּ אֶת יְהוָֽה׃ס

[02:19] En Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen.

EZE

24

24

וְהָיָה יְחֶזְקֵאל לָכֶם לְמוֹפֵת כְּכֹל אֲשֶׁר עָשָׂה תַּעֲשׂ֑וּ בְּבֹאָהּ וִֽידַעְתֶּם כִּי אֲנִי אֲדֹנָי יְהוִֽה׃ס

Alzo zal ulieden Ezechiël tot een wonderteken zijn; naar alles, wat hij gedaan heeft, zult gij doen; als dit komt, dan zult gij weten, dat Ik de Heere Heere ben.

ZEC

4

9

יְדֵי זְרֻבָּבֶל יִסְּדוּ הַבַּיִת הַזֶּה וְיָדָיו תְּבַצַּ֑עְנָה וְיָדַעְתָּ כִּֽי יְהוָה צְבָאוֹת שְׁלָחַנִי אֲלֵיכֶֽם׃

De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voleinden; opdat gij weet, dat de Heere der heirscharen mij tot ulieden gezonden heeft.

EZE

39

7

וְאֶת שֵׁם קָדְשִׁי אוֹדִיעַ בְּתוֹךְ עַמִּי יִשְׂרָאֵל וְלֹֽא אַחֵל אֶת שֵׁם קָדְשִׁי ע֑וֹד וְיָדְעוּ הַגּוֹיִם כִּי אֲנִי יְהוָה קָדוֹשׁ בְּיִשְׂרָאֵֽל׃

En Ik zal Mijn heiligen Naam in het midden van Mijn volk Israël bekend maken, en zal Mijn heiligen Naam niet meer laten ontheiligen; en de heidenen zullen weten, dat Ik de Heere ben, de Heilige in Israël.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

יָדָע

10

3ms

יְדָעָהּ

2

3ms

יְדָעוֹ

2

3ms

יְדָעָנוּ

1

3ms

יָּדַע

1

2ms

יָדָעְתָּ

8

2ms

הֲיָדַעְתָּ

5

2ms

יְדַעְתָּם

3

2ms

יְדַעְתָּנִי

3

2ms

יְדַעְתָּםס

1

2ms

יְדַעְתּוֹ

1

2ms

יָדַעְתָּה

1

2ms

יָּדַעְתָּ

1

2fs

יָדָעַתְּ

1

1cs

יָדָעְתִּי

7

1cs

יְדַעְתִּיךָ

3

1cs

יְדַעְתִּיהָ

1

1cs

יְדַעְתִּיו

1

1cs

יְדַעְתִּים

1

1cs

יְדַעְתִּין

1

1cs

יָדַעְתִּ

1

1cs

יָדַעְתָּ

1

3cp

יָדָעוּ

12

3cp

יְדָעוּם

7

3cp

יְדָעוּךָ

3

3cp

יָדְעוּן

2

3cp

יְדָעֻהוּ

1

3cp

יְדָעוּנִי

1

3cp

יָדָעוּס

1

2mp

הַיְדַעְתֶּם

3

2mp

יְדַעְתֶּםס

1

1cp

יְדַעֲנוּךָ

1

1cp

יְדַעֲנוּם

1

1cp

יָדָעְנוּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JER

4

DEU

2

JER

24

JOB

2

PSA

20

GEN

5

ISA

12

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יֵדַע

12

וַיֵּדַע

18

וְיֵדַע

2

יִקְטֹל

3fs

תֵדָע

1

תִּקְטֹל

2ms

תֵּדַע

16

וַתֵּדָע

1

וְתֵדַע

2

תִּקְטֹל

2fs

תֵדְעִי

2

תִּקְטְלִי

1cs

אֵדַע

8

וָאֵדַע

3

וְאֵדָעֲךָ

1

אֶקְטֹל

3mp

יֵדְעוּ

12

וַיֵּדְעוּ

6

וְיֵדְעוּ

11

יִקְטְלוּ

3fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תֵּדְעוּ

8

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נֵדַע

5

וַנֵּדָעֵם

1

וְנֵדָעֶנּוּ

1

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

43

7

וַיֹּאמְרוּ שָׁאוֹל שָֽׁאַל הָאִישׁ לָנוּ וּלְמֽוֹלַדְתֵּנוּ לֵאמֹר הַעוֹד אֲבִיכֶם חַי הֲיֵשׁ לָכֶם אָח וַנַגֶּד לוֹ עַל פִּי הַדְּבָרִים הָאֵ֑לֶּה הֲיָדוֹעַ נֵדַע כִּי יֹאמַר הוֹרִידוּ אֶת אֲחִיכֶֽם׃

En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een broeder? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broeder af?

EXO

33

13

וְעַתָּה אִם נָא מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֶיךָ הוֹדִעֵנִי נָא אֶת דְּרָכֶךָ וְאֵדָעֲךָ לְמַעַן אֶמְצָא חֵן בְּעֵינֶ֑יךָ וּרְאֵה כִּי עַמְּךָ הַגּוֹי הַזֶּֽה׃

Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in Uw ogen, zo laat mij nu Uw weg weten, en ik zal U kennen, opdat ik genade vinde in Uw ogen; en zie aan, dat deze natie Uw volk is!

EXO

33

17

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה גַּם אֶת הַדָּבָר הַזֶּה אֲשֶׁר דִּבַּרְתָּ אֶֽעֱשֶׂ֑ה כִּֽי מָצָאתָ חֵן בְּעֵינַי וָאֵדָעֲךָ בְּשֵֽׁם׃

Toen zeide de Heere tot Mozes: Ook deze zelfde zaak, die gij gesproken hebt, zal Ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in Mijn ogen, en Ik u bij name ken.

NUM

16

28

וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה֒ בְּזֹאת תֵּֽדְעוּן כִּֽי יְהוָה שְׁלָחַנִי לַעֲשׂוֹת אֵת כָּל הַֽמַּעֲשִׂים הָאֵ֑לֶּה כִּי לֹא מִלִּבִּֽי׃

Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de Heere mij gezonden heeft, om al deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen hart zijn.

JDG

19

22

הֵמָּה מֵיטִיבִים אֶת לִבָּם֒ וְהִנֵּה אַנְשֵׁי הָעִיר אַנְשֵׁי בְנֵֽי בְלִיַּעַל נָסַבּוּ אֶת הַבַּיִת מִֽתְדַּפְּקִים עַל הַדָּ֑לֶת וַיֹּאמְרוּ אֶל הָאִישׁ בַּעַל הַבַּיִת הַזָּקֵן לֵאמֹר הוֹצֵא אֶת הָאִישׁ אֲשֶׁר בָּא אֶל בֵּיתְךָ וְנֵדָעֶֽנּוּ׃

Toen zij nu hun hart vrolijk maakten, ziet, zo omringden de mannen van die stad ( mannen, die Belials kinderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot den ouden man, den heer des huizes, zeggende: Breng den man, die in uw huis gekomen is, uit, opdat wij hem bekennen.

1SA

22

3

וַיֵּלֶךְ דָּוִד מִשָּׁם מִצְפֵּה מוֹאָ֑ב וַיֹּאמֶר אֶל מֶלֶךְ מוֹאָב יֵֽצֵא נָא אָבִי וְאִמִּי אִתְּכֶם עַד אֲשֶׁר אֵדַע מַה יַּֽעֲשֶׂה לִּי אֱלֹהִֽים׃

En David ging van daar naar Mizpa der Moabieten; en hij zeide tot den koning der Moabieten: Laat toch mijn vader en mijn moeder bij ulieden uitgaan, totdat ik weet, wat God mij doen zal.

2SA

5

12

וַיֵּדַע דָּוִד כִּֽי הֱכִינוֹ יְהוָה לְמֶלֶךְ עַל יִשְׂרָאֵ֑ל וְכִי נִשֵּׂא מַמְלַכְתּוֹ בַּעֲבוּר עַמּוֹ יִשְׂרָאֵֽל׃ס

En David merkte, dat de Heere hem tot een koning over Israël bevestigd had, en dat Hij zijn koninkrijk verheven had, om Zijns volks Israëls wil.

1KI

18

37

עֲנֵנִי יְהוָה עֲנֵנִי וְיֵֽדְעוּ הָעָם הַזֶּה כִּֽי אַתָּה יְהוָה הָאֱלֹהִ֑ים וְאַתָּה הֲסִבֹּתָ אֶת לִבָּם אֲחֹרַנִּֽית׃

Antwoord mij, Heere, antwoord mij; opdat dit volk erkenne, dat Gij, o Heere, die God zijt, en dat Gij hun hart achterwaarts omgewend hebt.

2CH

6

29

כָּל תְּפִלָּה כָל תְּחִנָּה אֲשֶׁר יִהְיֶה לְכָל הָאָדָם וּלְכֹל עַמְּךָ יִשְׂרָאֵ֑ל אֲשֶׁר יֵדְעוּ אִישׁ נִגְעוֹ וּמַכְאֹבוֹ וּפָרַשׂ כַּפָּיו אֶל הַבַּיִת הַזֶּֽה׃

Alle gebed, alle smeking, die van enig mens, of van al Uw volk Israël geschieden zal, als zij erkennen, een ieder zijn plage en zijn smarte, en een ieder zijn handen in dit huis uitbreiden zal;

JOB

11

8

גָּבְהֵי שָׁמַיִם מַה תִּפְעָ֑ל עֲמֻקָּה מִשְּׁאוֹל מַה תֵּדָֽע׃

Zij is als de hoogten der hemelen, wat kunt gij doen? Dieper dan de hel, wat kunt gij weten?

JOB

21

19

אֱלוֹהַּ יִצְפֹּן לְבָנָיו אוֹנ֑וֹ יְשַׁלֵּם אֵלָיו וְיֵדָֽע׃

Dat God Zijn geweld weglegt voor Zijn kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;

PSA

78

3

אֲשֶׁר שָׁמַעְנוּ וַנֵּדָעֵ֑ם וַאֲבוֹתֵינוּ סִפְּרוּ לָֽנוּ׃

Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

PSA

144

3

יְֽהוָה מָה אָדָם וַתֵּדָעֵ֑הוּ בֶּן אֱנוֹשׁ וַֽתְּחַשְּׁבֵֽהוּ׃

O Heere! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?

PRO

5

6

אֹרַח חַיִּים פֶּן תְּפַלֵּ֑ס נָעוּ מַעְגְּלֹתֶיהָ לֹא תֵדָֽע׃פ

Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

SNG

1

8

אִם לֹא תֵדְעִי לָךְ הַיָּפָה בַּנָּשִׁ֑ים צְֽאִי לָךְ בְּעִקְבֵי הַצֹּאן וּרְעִי אֶת גְּדִיֹּתַיִךְ עַל מִשְׁכְּנוֹת הָרֹעִֽים׃ס

Indiën gij het niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen! zo ga uit op de voetstappen der schapen, en weid uw geiten bij de woningen der herderen.

ISA

52

6

לָכֵן יֵדַע עַמִּי שְׁמִ֑י לָכֵן בַּיּוֹם הַהוּא כִּֽי אֲנִי הוּא הַֽמְדַבֵּר הִנֵּֽנִי׃

Daarom zal Mijn volk, daarom zal het Mijn Naam in dien dag kennen, dat Ik het Zelf ben, Die spreekt: Zie, hier ben Ik.

DAN

9

25

וְתֵדַע וְתַשְׂכֵּל מִן מֹצָא דָבָר לְהָשִׁיב וְלִבְנוֹת יְרֽוּשָׁלִַם עַד מָשִׁיחַ נָגִיד שָׁבֻעִים שִׁבְעָ֑ה וְשָׁבֻעִים שִׁשִּׁים וּשְׁנַיִם תָּשׁוּב וְנִבְנְתָה רְחוֹב וְחָרוּץ וּבְצוֹק הָעִתִּֽים׃

Weet dan, en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeren, en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden.

ZEC

11

11

וַתֻּפַר בַּיּוֹם הַה֑וּא וַיֵּדְעוּ כֵן עֲנִיֵּי הַצֹּאן הַשֹּׁמְרִים אֹתִי כִּי דְבַר יְהוָה הֽוּא׃

Dus werd het te dien dage vernietigd, en alzo hebben de ellendigen onder de schapen, die op mij wachtten, bekend, dat het des Heeren woord was.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

18

21

אֵֽרֲדָה נָּא וְאֶרְאֶה הַכְּצַעֲקָתָהּ הַבָּאָה אֵלַי עָשׂוּ כָּלָ֑ה וְאִם לֹא אֵדָֽעָה׃

Zal Ik nu afgaan en bezien, of zij naar hun geroep, dat tot Mij gekomen is, het uiterste gedaan hebben, en zo niet, Ik zal het weten.

GEN

19

5

וַיִּקְרְאוּ אֶל לוֹט וַיֹּאמְרוּ לוֹ אַיֵּה הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר בָּאוּ אֵלֶיךָ הַלָּ֑יְלָה הוֹצִיאֵם אֵלֵינוּ וְנֵדְעָה אֹתָֽם׃

En zij riepen Lot toe, en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen, die deze nacht tot u gekomen zijn? breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen.

GEN

42

34

וְהָבִיאוּ אֶת אֲחִיכֶם הַקָּטֹן אֵלַי֒ וְאֵֽדְעָה כִּי לֹא מְרַגְּלִים אַתֶּם כִּי כֵנִים אַתֶּ֑ם אֶת אֲחִיכֶם אֶתֵּן לָכֶם וְאֶת הָאָרֶץ תִּסְחָֽרוּ׃

En brengt uw kleinsten broeder tot mij; zo zal ik weten, dat gij geen verspieders zijt, maar dat gij vroom zijt; uw broeder zal ik u wedergeven, en gij zult in dit land handelen.

EXO

33

5

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה אֱמֹר אֶל בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל אַתֶּם עַם קְשֵׁה עֹרֶף רֶגַע אֶחָד אֶֽעֱלֶה בְקִרְבְּךָ וְכִלִּיתִ֑יךָ וְעַתָּה הוֹרֵד עֶדְיְךָ מֵֽעָלֶיךָ וְאֵדְעָה מָה אֶֽעֱשֶׂה לָּֽךְ׃

En de Heere had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israëls: Gij zijt een hardnekkig volk; in een ogenblik zou Ik in het midden van ulieden optrekken, en zou u vernielen; doch nu, legt uw sieraad van u af, en Ik zal weten, wat Ik u doen zal.

NUM

22

19

וְעַתָּה שְׁבוּ נָא בָזֶה גַּם אַתֶּם הַלָּ֑יְלָה וְאֵדְעָה מַה יֹּסֵף יְהוָה דַּבֵּר עִמִּֽי׃

En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, opdat ik wete, wat de Heere tot mij verder spreken zal.

JDG

18

5

וַיֹּאמְרוּ לוֹ שְׁאַל נָא בֵאלֹהִ֑ים וְנֵדְעָה הֲתַצְלִיחַ דַּרְכֵּנוּ אֲשֶׁר אֲנַחְנוּ הֹלְכִים עָלֶֽיהָ׃

Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen weten, of onze weg, op welken wij wandelen, voorspoedig zal zijn.

RUT

4

4

וַאֲנִי אָמַרְתִּי אֶגְלֶה אָזְנְךָ לֵאמֹר קְנֵה נֶגֶד הַֽיֹּשְׁבִים וְנֶגֶד זִקְנֵי עַמִּי֒ אִם תִּגְאַל גְּאָל וְאִם לֹא יִגְאַל הַגִּידָה לִּי וְאֵדַע כִּי אֵין זוּלָֽתְךָ לִגְאוֹל וְאָנֹכִי אַחֲרֶ֑יךָ וַיֹּאמֶר אָנֹכִי אֶגְאָֽל׃

En ik heb gezegd: Ik zal het voor uw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in tegenwoordigheid der inwoners, en in tegenwoordigheid der oudsten mijns volks; zo gij het zult lossen, los het; en zo men het ook niet zou lossen, verklaar het mij, dat ik het wete; want er is niemand, behalve gij, die het losse, en ik na u. Toen zeide hij: Ik zal het lossen.

1CH

21

2

וַיֹּאמֶר דָּוִיד אֶל יוֹאָב וְאֶל שָׂרֵי הָעָם לְכוּ סִפְרוּ אֶת יִשְׂרָאֵל מִבְּאֵר שֶׁבַע וְעַד דָּ֑ן וְהָבִיאוּ אֵלַי וְאֵדְעָה אֶת מִסְפָּרָֽם׃

En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat heen, telt Israël van Ber-seba tot Dan toe, en brengt hen tot mij, dat ik hun getal wete.

JOB

23

5

אֵדְעָה מִלִּים יַעֲנֵ֑נִי וְאָבִינָה מַה יֹּאמַר לִֽי׃

Ik zou de redenen weten, die Hij mij antwoorden zou; en verstaan, wat Hij mij zeggen zou.

JOB

34

4

מִשְׁפָּט נִבְחֲרָה לָּ֑נוּ נֵדְעָה בֵינֵינוּ מַה טּֽוֹב׃

Laat ons kiezen voor ons, wat recht is; laat ons kennen onder ons wat goed is.

PSA

39

4

הוֹדִיעֵנִי יְהוָה קִצִּי וּמִדַּת יָמַי מַה הִ֑יא אֵדְעָה מֶה חָדֵל אָֽנִי׃

[039:5] Heere! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.

PSA

119

125

עַבְדְּךָ אָנִי הֲבִינֵ֑נִי וְאֵדְעָה עֵדֹתֶֽיךָ׃

Ik ben Uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal Uw getuigenissen kennen.

ISA

5

19

הָאֹמְרִים יְמַהֵר יָחִישָׁה מַעֲשֵׂהוּ לְמַעַן נִרְאֶ֑ה וְתִקְרַב וְתָבוֹאָה עֲצַת קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל וְנֵדָֽעָה׃ס

Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen!

ISA

41

22

יַגִּישׁוּ וְיַגִּידוּ לָנוּ אֵת אֲשֶׁר תִּקְרֶ֑ינָה הָרִאשֹׁנוֹת מָה הֵנָּה הַגִּידוּ וְנָשִׂימָה לִבֵּנוּ וְנֵדְעָה אַחֲרִיתָן אוֹ הַבָּאוֹת הַשְׁמִיעֻֽנוּ׃

Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen.

ISA

41

23

הַגִּידוּ הָאֹתִיּוֹת לְאָחוֹר וְנֵדְעָה כִּי אֱלֹהִים אַתֶּ֑ם אַף תֵּיטִיבוּ וְתָרֵעוּ וְנִשְׁתָּעָה וְנִרָא יַחְדָּֽו׃

Verkondigt dingen, die hierna komen zullen, opdat wij weten, dat gij goden zijt; ja, doet goed, en doet kwaad, dat wij verbaasd staan, en te zamen toezien.

ISA

41

26

מִֽי הִגִּיד מֵרֹאשׁ וְנֵדָעָה וּמִלְּפָנִים וְנֹאמַר צַדִּ֑יק אַף אֵין מַגִּיד אַף אֵין מַשְׁמִיעַ אַף אֵין שֹׁמֵעַ אִמְרֵיכֶֽם׃

Wie heeft wat verkondigd van den beginne aan, dat wij het weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig; maar er is niemand, die het verkondigt, ook niemand, die wat horen doet, ook niemand, die ulieder woorden hoort.

HOS

6

3

וְנֵדְעָה נִרְדְּפָה לָדַעַת אֶת יְהוָה כְּשַׁחַר נָכוֹן מֽוֹצָא֑וֹ וְיָבוֹא כַגֶּשֶׁם לָנוּ כְּמַלְקוֹשׁ יוֹרֶה אָֽרֶץ׃

Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den Heere te kennen; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.

JON

1

7

וַיֹּאמְרוּ אִישׁ אֶל רֵעֵהוּ לְכוּ וְנַפִּילָה גֽוֹרָלוֹת וְנֵדְעָה בְּשֶׁלְּמִי הָרָעָה הַזֹּאת לָ֑נוּ וַיַּפִּלוּ גּֽוֹרָלוֹת וַיִּפֹּל הַגּוֹרָל עַל יוֹנָֽה׃

Voorts zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad overkomt. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

דַּע

6

קְטֹל

fs

דְּעִי

3

קִטְלִי

mp

דְּעוּ

7

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

20

7

וְעַתָּה הָשֵׁב אֵֽשֶׁת הָאִישׁ כִּֽי נָבִיא הוּא וְיִתְפַּלֵּל בַּֽעַדְךָ וֶֽחְיֵ֑ה וְאִם אֵֽינְךָ מֵשִׁיב דַּע כִּי מוֹת תָּמוּת אַתָּה וְכָל אֲשֶׁר לָֽךְ׃

Zo geef dan nu dezes mans huisvrouw weder; want hij is een profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft; maar zo gij haar niet wedergeeft, weet, dat gij voorzeker sterven zult, gij, en al wat uwes is!

1CH

28

9

וְאַתָּה שְׁלֹמֹֽה בְנִי דַּע אֶת אֱלֹהֵי אָבִיךָ וְעָבְדֵהוּ בְּלֵב שָׁלֵם וּבְנֶפֶשׁ חֲפֵצָה כִּי כָל לְבָבוֹת דּוֹרֵשׁ יְהוָה וְכָל יֵצֶר מַחֲשָׁבוֹת מֵבִ֑ין אִֽם תִּדְרְשֶׁנּוּ יִמָּצֵא לָךְ וְאִם תַּֽעַזְבֶנּוּ יַזְנִיחֲךָ לָעַֽד׃

En gij, mijn zoon Salomo, ken den God uws vaders, en dien Hem met een volkomen hart en met een willige ziel; want de Heere doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het gedichtsel der gedachten; indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstoten.

JER

2

23

אֵיךְ תֹּאמְרִי לֹא נִטְמֵאתִי אַחֲרֵי הַבְּעָלִים לֹא הָלַכְתִּי רְאִי דַרְכֵּךְ בַּגַּיְא דְּעִי מֶה עָשִׂ֑ית בִּכְרָה קַלָּה מְשָׂרֶכֶת דְּרָכֶֽיהָ׃

Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat gij gedaan hebt, gij lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!

JER

3

13

אַךְ דְּעִי עֲוֺנֵךְ כִּי בַּיהוָה אֱלֹהַיִךְ פָּשָׁ֑עַתְּ וַתְּפַזְּרִי אֶת דְּרָכַיִךְ לַזָּרִים תַּחַת כָּל עֵץ רַעֲנָן וּבְקוֹלִי לֹא שְׁמַעְתֶּם נְאֻם יְהֹוָֽה׃

Alleen ken uw ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere, uw God, hebt overtreden, en uw wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar gij zijt Mijner stem niet gehoorzaam geweest, spreekt de Heere.

PSA

100

3

דְּעוּ כִּֽי יְהוָה הוּא אֱלֹהִים הֽוּא עָשָׂנוּ וְלֹא אֲנַ֑חְנוּ עַמּוֹ וְצֹאן מַרְעִיתֽוֹ׃

Weet, dat de Heere is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.

JER

31

34

וְלֹא יְלַמְּדוּ עוֹד אִישׁ אֶת רֵעֵהוּ וְאִישׁ אֶת אָחִיו לֵאמֹר דְּעוּ אֶת יְהוָ֑ה כִּֽי כוּלָּם יֵדְעוּ אוֹתִי לְמִקְטַנָּם וְעַד גְּדוֹלָם נְאֻם יְהוָה כִּי אֶסְלַח לַֽעֲוֺנָם וּלְחַטָּאתָם לֹא אֶזְכָּר עֽוֹד׃ס

En zij zullen niet meer, een iegelijk zijn naaste, en een iegelijk zijn broeder, leren, zeggende: Kent den Heere! want zij zullen Mij allen kennen, van hun kleinste af tot hun grootste toe, spreekt de Heere; want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven, en hunner zonden niet meer gedenken.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

יוֹדֵעַ

27

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

יֹדַעַת

3

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

יוֹדְעִים

5

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

ms

fs

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַיֹּדְעִים

1

fp

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

יֹדֵעַ

15

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

יוֹדֵע‪‬

1

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

יֹדְעִים

1

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

יֹדְעֵי

7

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

יוֹדְעֵי

5

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

וְיֹדְעֵי

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְיֹדֵעַ

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְיֹדְעִים

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc | 1cs

cs

וְיֹדְעַי

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

וְיֹדְעָיו

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-msc

sc

וְיֹדֵעַ

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc | 1cs

cs

לְיֹדְעָי

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms

ms

לְיֹדְעֶיךָ

1

Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

לַיֹּדְעִים

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms

ms

יוֹדְעֶיךָ

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

יֹדְעָיו

1

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

יוֹדֵעַ

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cp

cp

יוֹדְעֵנוּ

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 3ms

ms

יוֹדְעוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-mp

וִידֻעִים

2

Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-msc

וִידוּעַ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

1

13

הָבוּ לָכֶם אֲנָשִׁים חֲכָמִים וּנְבֹנִים וִידֻעִים לְשִׁבְטֵיכֶ֑ם וַאֲשִׂימֵם בְּרָאשֵׁיכֶֽם׃

Neemt u wijze, en verstandige, en ervarene mannen, van uw stammen, dat ik hen tot uw hoofden stelle.

DEU

1

15

וָאֶקַּח אֶת רָאשֵׁי שִׁבְטֵיכֶם אֲנָשִׁים חֲכָמִים וִֽידֻעִים וָאֶתֵּן אֹתָם רָאשִׁים עֲלֵיכֶ֑ם שָׂרֵי אֲלָפִים וְשָׂרֵי מֵאוֹת וְשָׂרֵי חֲמִשִּׁים וְשָׂרֵי עֲשָׂרֹת וְשֹׁטְרִים לְשִׁבְטֵיכֶֽם׃

Zo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervarene mannen, en stelde hen tot hoofden over u, oversten van duizenden, en oversten van honderden, en oversten van vijftigen, en oversten van tienen, en ambtlieden voor uw stammen.

ISA

53

3

נִבְזֶה וַחֲדַל אִישִׁים אִישׁ מַכְאֹבוֹת וִידוּעַ חֹ֑לִי וּכְמַסְתֵּר פָּנִים מִמֶּנּוּ נִבְזֶה וְלֹא חֲשַׁבְנֻֽהוּ׃

Hij was veracht, en de onwaardigste onder de mensen, een Man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor Hem; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet geacht.

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לָדַעַת

31

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלָדַעַת

4

V-Qal-Inf

דַּעַת

3

Conj-w | V-Qal-Inf

וְדַעַת

1

Prep | V-Qal-Inf

לָדַעַת

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לָדָעַת

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

לְדֵעָה

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

לְדַעְתָּה‪‬

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3ms

לְדַעְתּוֹ

1

V-Qal-Inf

דַעַת

1

V-Qal-Inf | 1cs

דַּעְתִּי

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

3

22

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֱלֹהִים הֵן הָֽאָדָם הָיָה כְּאַחַד מִמֶּנּוּ לָדַעַת טוֹב וָרָ֑ע וְעַתָּה פֶּן יִשְׁלַח יָדוֹ וְלָקַח גַּם מֵעֵץ הַֽחַיִּים וְאָכַל וָחַי לְעֹלָֽם׃

Toen zeide de Heere God: Ziet, de mens is geworden als Onzer een, kennende het goed en het kwaad! Nu dan, dat hij zijn hand niet uitsteke, en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

GEN

24

21

וְהָאִישׁ מִשְׁתָּאֵה לָ֑הּ מַחֲרִישׁ לָדַעַת הַֽהִצְלִיחַ יְהוָה דַּרְכּוֹ אִם לֹֽא׃

En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken, of de Heere zijn weg voorspoedig gemaakt had, of niet.

GEN

38

26

וַיַּכֵּר יְהוּדָה וַיֹּאמֶר צָֽדְקָה מִמֶּנִּי כִּֽי עַל כֵּן לֹא נְתַתִּיהָ לְשֵׁלָה בְנִ֑י וְלֹֽא יָסַף עוֹד לְדַעְתָּֽה׃

En Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom, omdat ik haar aan mijn zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.

EXO

2

4

וַתֵּתַצַּב אֲחֹתוֹ מֵרָחֹ֑ק לְדֵעָה מַה יֵּעָשֶׂה לֽוֹ׃

En zijn zuster stelde zich van verre, om te weten, wat hem gedaan zou worden.

EXO

31

13

וְאַתָּה דַּבֵּר אֶל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר אַךְ אֶת שַׁבְּתֹתַי תִּשְׁמֹ֑רוּ כִּי אוֹת הִוא בֵּינִי וּבֵֽינֵיכֶם לְדֹרֹתֵיכֶם לָדַעַת כִּי אֲנִי יְהוָה מְקַדִּשְׁכֶֽם׃

Gij nu, spreek tot de kinderen Israëls, zeggende: Gij zult evenwel mijn sabbatten onderhouden; want dit is een teken tussen Mij en tussen ulieden, bij uw geslachten; opdat men wete, dat Ik de Heere ben, Die u heilige.

EXO

36

1

וְעָשָׂה בְצַלְאֵל וְאָהֳלִיאָב וְכֹל אִישׁ חֲכַם לֵב אֲשֶׁר נָתַן יְהוָה חָכְמָה וּתְבוּנָה בָּהֵמָּה לָדַעַת לַעֲשֹׂת אֶֽת כָּל מְלֶאכֶת עֲבֹדַת הַקֹּ֑דֶשׁ לְכֹל אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָֽה׃

Toen wrocht Bezaleël en Aholiab, en alle man, die wijs van hart was, in denwelken de Heere wijsheid en verstand gegeven had, om te weten, hoe zij maken zouden alle werk ten dienste des heiligdoms naar alles, dat de Heere geboden had.

DEU

4

35

אַתָּה הָרְאֵתָ לָדַעַת כִּי יְהוָה הוּא הָאֱלֹהִ֑ים אֵין עוֹד מִלְבַדּֽוֹ׃

U is het getoond, opdat gij wetet, dat de Heere die God is; er is niemand meer dan Hij alleen!

DEU

8

2

וְזָכַרְתָּ אֶת כָּל הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר הֹלִֽיכֲךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ זֶה אַרְבָּעִים שָׁנָה בַּמִּדְבָּ֑ר לְמַעַן עַנֹּֽתְךָ לְנַסֹּֽתְךָ לָדַעַת אֶת אֲשֶׁר בִּֽלְבָבְךָ הֲתִשְׁמֹר מִצְוֹתוֹ אִם לֹֽא׃

En gij zult gedenken aan al den weg, dien u den Heere, uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedige, om u te verzoeken, om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijn geboden zoudt houden, of niet.

DEU

9

24

מַמְרִים הֱיִיתֶם עִם יְהוָ֑ה מִיּוֹם דַּעְתִּי אֶתְכֶֽם׃

Wederspannig zijt gij geweest tegen den Heere, van den dag af, dat ik u gekend heb.

DEU

13

3

לֹא תִשְׁמַע אֶל דִּבְרֵי הַנָּבִיא הַהוּא אוֹ אֶל חוֹלֵם הַחֲלוֹם הַה֑וּא כִּי מְנַסֶּה יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם אֶתְכֶם לָדַעַת הֲיִשְׁכֶם אֹֽהֲבִים אֶת יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם בְּכָל לְבַבְכֶם וּבְכָל נַפְשְׁכֶֽם׃

Gij zult naar de woorden van dien profeet, of naar dien dromen-dromer niet horen; want de Heere, uw God, verzoekt ulieden, om te weten, of gij den Heere, uw God, liefhebt met uw ganse hart en met uw ganse ziel.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

יָדֹעַ

10

V-Qal-InfAbs

הֲיָדֹעַ

2

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְיָדֹעַ

1

V-Qal-InfAbs

הֲיָדוֹעַ

1

V-Qal-InfAbs

יָדוֹעַ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

15

13

וַיֹּאמֶר לְאַבְרָם יָדֹעַ תֵּדַע כִּי גֵר יִהְיֶה זַרְעֲךָ בְּאֶרֶץ לֹא לָהֶם וַעֲבָדוּם וְעִנּוּ אֹתָ֑ם אַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָֽה׃

Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren.

GEN

43

7

וַיֹּאמְרוּ שָׁאוֹל שָֽׁאַל הָאִישׁ לָנוּ וּלְמֽוֹלַדְתֵּנוּ לֵאמֹר הַעוֹד אֲבִיכֶם חַי הֲיֵשׁ לָכֶם אָח וַנַגֶּד לוֹ עַל פִּי הַדְּבָרִים הָאֵ֑לֶּה הֲיָדוֹעַ נֵדַע כִּי יֹאמַר הוֹרִידוּ אֶת אֲחִיכֶֽם׃

En zij zeiden: Die man vraagde zeer nauw naar ons, en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog; hebt gij nog een broeder? Zo gaven wij het hem te kennen, volgens diezelfde woorden; hebben wij juist geweten, dat hij zeggen zou: Brengt uw broeder af?

JOS

23

13

יָדוֹעַ תֵּֽדְעוּ כִּי לֹא יוֹסִיף יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם לְהוֹרִישׁ אֶת הַגּוֹיִם הָאֵלֶּה מִלִּפְנֵיכֶ֑ם וְהָיוּ לָכֶם לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ וּלְשֹׁטֵט בְּצִדֵּיכֶם וְלִצְנִנִים בְּעֵינֵיכֶם עַד אֲבָדְכֶם מֵעַל הָאֲדָמָה הַטּוֹבָה הַזֹּאת אֲשֶׁר נָתַן לָכֶם יְהוָה אֱלֹהֵיכֶֽם׃

Weet voorzeker, dat de Heere, uw God, niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven; maar zij zullen ulieden zijn tot een strik, en tot een net, en tot een gesel aan uw zijden, en tot doornen in uw ogen, totdat gij omkomt van dit goede land, hetwelk u de Heere, uw God, gegeven heeft.

1SA

20

3

וַיִּשָּׁבַע עוֹד דָּוִד וַיֹּאמֶר יָדֹעַ יָדַע אָבִיךָ כִּֽי מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֶיךָ וַיֹּאמֶר אַל יֵֽדַע זֹאת יְהוֹנָתָן פֶּן יֵֽעָצֵ֑ב וְאוּלָם חַי יְהוָה וְחֵי נַפְשֶׁךָ כִּי כְפֶשַׂע בֵּינִי וּבֵין הַמָּֽוֶת׃

Toen zwoer David verder, en zeide: Uw vader weet zeer wel, dat ik genade in uw ogen gevonden heb; daarom heeft hij gezegd: Dat Jonathan dit niet wete, opdat hij zich niet bekommere; en zekerlijk, zo waarachtig als de Heere leeft, en uw ziel leeft, er is maar als een schrede tussen mij en tussen den dood!

1SA

20

9

וַיֹּאמֶר יְהוֹנָתָן חָלִילָה לָּ֑ךְ כִּי אִם יָדֹעַ אֵדַע כִּֽי כָלְתָה הָרָעָה מֵעִם אָבִי לָבוֹא עָלֶיךָ וְלֹא אֹתָהּ אַגִּיד לָֽךְ׃ס

Toen zeide Jonathan: Dat zij verre van u! Maar indien ik zekerlijk merkte, dat dit kwaad bij mijn vader ten volle besloten ware, dat het u zou overkomen, zou ik dat u dan niet te kennen geven?

1SA

28

1

וַֽיְהִי בַּיָּמִים הָהֵם וַיִּקְבְּצוּ פְלִשְׁתִּים אֶת מַֽחֲנֵיהֶם לַצָּבָא לְהִלָּחֵם בְּיִשְׂרָאֵ֑ל וַיֹּאמֶר אָכִישׁ אֶל דָּוִד יָדֹעַ תֵּדַע כִּי אִתִּי תֵּצֵא בַֽמַּחֲנֶה אַתָּה וַאֲנָשֶֽׁיךָ׃

En het geschiedde in die dagen, als de Filistijnen hun legers vergaderden tot den strijd, om tegen Israël te strijden, zo zeide Achis tot David: Gij zult zekerlijk weten, dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en uw mannen.

1KI

2

37

וְהָיָה בְּיוֹם צֵאתְךָ וְעָֽבַרְתָּ אֶת נַחַל קִדְרוֹן יָדֹעַ תֵּדַע כִּי מוֹת תָּמ֑וּת דָּמְךָ יִהְיֶה בְרֹאשֶֽׁךָ׃

Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn.

1KI

2

42

וַיִּשְׁלַח הַמֶּלֶךְ וַיִּקְרָא לְשִׁמְעִי וַיֹּאמֶר אֵלָיו הֲלוֹא הִשְׁבַּעְתִּיךָ בַֽיהוָה וָאָעִד בְּךָ לֵאמֹר בְּיוֹם צֵאתְךָ וְהָֽלַכְתָּ אָנֶה וָאָנָה יָדֹעַ תֵּדַע כִּי מוֹת תָּמ֑וּת וַתֹּאמֶר אֵלַי טוֹב הַדָּבָר שָׁמָֽעְתִּי׃

Toen zond de koning, en riep Simeï, en zeide tot hem: Heb ik u niet beedigd bij den Heere, en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage van uw uitgaan, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker, dat gij den dood zult sterven? En gij zeidet tot mij: Dat woord is goed, dat ik gehoord heb.

PRO

27

23

יָדֹעַ תֵּדַע פְּנֵי צֹאנֶ֑ךָ שִׁית לִבְּךָ לַעֲדָרִֽים׃

Zijt naarstig, om het aangezicht uwer schapen te kennen; zet uw hart op de kudden.

JER

9

24

כִּי אִם בְּזֹאת יִתְהַלֵּל הַמִּתְהַלֵּל הַשְׂכֵּל וְיָדֹעַ אוֹתִי֒ כִּי אֲנִי יְהוָה עֹשֶׂה חֶסֶד מִשְׁפָּט וּצְדָקָה בָּאָ֑רֶץ כִּֽי בְאֵלֶּה חָפַצְתִּי נְאֻם יְהוָֽה׃ס

Maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en Mij kent, dat Ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde, want in die dingen heb Ik lust, spreekt de Heere.

JER

13

12

וְאָמַרְתָּ אֲלֵיהֶם אֶת הַדָּבָר הַזֶּהס כֹּֽה אָמַר יְהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל כָּל נֵבֶל יִמָּלֵא יָ֑יִן וְאָמְרוּ אֵלֶיךָ הֲיָדֹעַ לֹא נֵדַע כִּי כָל נֵבֶל יִמָּלֵא יָֽיִן׃

Daarom zeg dit woord tot hen: Zo zegt de Heere, de God Israëls: Alle flessen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle flessen met wijn gevuld zullen worden?

JER

26

15

אַךְ יָדֹעַ תֵּדְעוּ כִּי אִם מְמִתִים אַתֶּם אֹתִי֒ כִּי דָם נָקִי אַתֶּם נֹתְנִים עֲלֵיכֶם וְאֶל הָעִיר הַזֹּאת וְאֶל יֹשְׁבֶ֑יהָ כִּי בֶאֱמֶת שְׁלָחַנִי יְהוָה עֲלֵיכֶם לְדַבֵּר בְּאָזְנֵיכֶם אֵת כָּל הַדְּבָרִים הָאֵֽלֶּה׃ס

Maar weet voorzeker, dat gij, zo gij mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u, en op deze stad, en op haar inwoners; want in der waarheid, de Heere heeft mij tot u gezonden, om al deze woorden voor uw oren te spreken.

JER

40

14

וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו הֲיָדֹעַ תֵּדַע כִּי בַּעֲלִיס מֶלֶךְ בְּנֵֽי עַמּוֹן שָׁלַח אֶת יִשְׁמָעֵאל בֶּן נְתַנְיָה לְהַכֹּתְךָ נָ֑פֶשׁ וְלֹא הֶאֱמִין לָהֶם גְּדַלְיָהוּ בֶּן אֲחִיקָֽם׃

En zeiden tot hem: Weet gij wel, dat Baälis, de koning der kinderen Ammons, Ismaël, den zoon van Nethanja, uitgezonden heeft, om u aan het leven te slaan? Maar Gedalia, de zoon van Ahikam, geloofde hen niet.

JER

42

19

דִּבֶּר יְהוָה עֲלֵיכֶם שְׁאֵרִית יְהוּדָה אַל תָּבֹאוּ מִצְרָ֑יִם יָדֹעַ תֵּֽדְעוּ כִּי הַעִידֹתִי בָכֶם הַיּֽוֹם׃

De Heere heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda! Gaat niet in Egypte; weet zekerlijk, dat ik heden tegen u betuigd heb.

JER

42

22

וְעַתָּה יָדֹעַ תֵּֽדְעוּ כִּי בַּחֶרֶב בָּרָעָב וּבַדֶּבֶר תָּמ֑וּתוּ בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר חֲפַצְתֶּם לָבוֹא לָגוּר שָֽׁם׃ס

Zo weet nu zekerlijk, dat gij door het zwaard, door den honger en door de pestilentie sterven zult, ter plaatse, waar het u gelust heeft henen te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren.