Vervoeging יָרֵא

Strong H3372
Betekenis: vrezen
Frequentie Qal: 262

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

יָרֵא

13

וְיָרֵא

1

קָטַל

3fs

יָרְאָה

2

קָֽטְלָה

2ms

יָרֵאתָ

1

וְיָרֵאתָ

5

קָטַ֫לְתָּ

2fs

קָטַלְתְּ

1cs

יָרֵאתִי

4

קָטַ֫לְתִּי

3cp

יָרְאוּ

7

וְיָרְאוּ

2

קָטְלוּ

2mp

יְרֵאתֶם

3

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

יָרֵאנוּ

1

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

HOS

10

3

כִּי עַתָּה יֹֽאמְרוּ אֵין מֶלֶךְ לָ֑נוּ כִּי לֹא יָרֵאנוּ אֶת יְהֹוָה וְהַמֶּלֶךְ מַה יַּֽעֲשֶׂה לָּֽנוּ׃

Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geen koning; want wij hebben den Heere niet gevreesd; wat zou ons dan een koning doen?

GEN

31

31

וַיַּעַן יַעֲקֹב וַיֹּאמֶר לְלָבָ֑ן כִּי יָרֵאתִי כִּי אָמַרְתִּי פֶּן תִּגְזֹל אֶת בְּנוֹתֶיךָ מֵעִמִּֽי׃

Toen antwoordde Jakob, en zeide tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: Opdat gij niet misschien uw dochteren mij ontweldigdet!

DEU

5

5

אָנֹכִי עֹמֵד בֵּין יְהוָה וּבֵֽינֵיכֶם בָּעֵת הַהִוא לְהַגִּיד לָכֶם אֶת דְּבַר יְהוָ֑ה כִּי יְרֵאתֶם מִפְּנֵי הָאֵשׁ וְלֹֽא עֲלִיתֶם בָּהָר לֵאמֹֽר׃ס

(Ik stond te dier tijd tussen den Heere en tussen u, om u des Heeren woord aan te zeggen; want gij vreesdet voor het vuur en klomt niet op den berg) zeggende:

2SA

1

14

וַיֹּאמֶר אֵלָיו דָּוִ֑ד אֵיךְ לֹא יָרֵאתָ לִשְׁלֹחַ יָֽדְךָ לְשַׁחֵת אֶת מְשִׁיחַ יְהוָֽה׃

En David zeide tot hem: Hoe, hebt gij niet gevreesd uw hand uit te strekken, om den gezalfde des Heeren te verderven?

JER

41

18

מִפְּנֵי הַכַּשְׂדִּים כִּי יָרְאוּ מִפְּנֵיהֶ֑ם כִּֽי הִכָּה יִשְׁמָעֵאל בֶּן נְתַנְיָה אֶת גְּדַלְיָהוּ בֶּן אֲחִיקָם אֲשֶׁר הִפְקִיד מֶֽלֶךְ בָּבֶל בָּאָֽרֶץ׃ס

Voor het aangezicht der Chaldeen; want zij vreesden voor hunlieder aangezicht, omdat Ismaël, de zoon van Nethanja, Gedalia, den zoon van Ahikam, geslagen had, dien de koning van Babel over het land gesteld had.

JER

3

8

וָאֵרֶא כִּי עַל כָּל אֹדוֹת אֲשֶׁר נִֽאֲפָה מְשֻׁבָה יִשְׂרָאֵל שִׁלַּחְתִּיהָ וָאֶתֵּן אֶת סֵפֶר כְּרִיתֻתֶיהָ אֵלֶ֑יהָ וְלֹא יָֽרְאָה בֹּֽגֵדָה יְהוּדָה אֲחוֹתָהּ וַתֵּלֶךְ וַתִּזֶן גַּם הִֽיא׃

En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook.

GEN

26

7

וַֽיִּשְׁאֲלוּ אַנְשֵׁי הַמָּקוֹם לְאִשְׁתּוֹ וַיֹּאמֶר אֲחֹתִי הִ֑וא כִּי יָרֵא לֵאמֹר אִשְׁתִּי פֶּן יַֽהַרְגֻנִי אַנְשֵׁי הַמָּקוֹם עַל רִבְקָה כִּֽי טוֹבַת מַרְאֶה הִֽיא׃

En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijn huisvrouw, zeide hij: Zij is mijn zuster; want hij vreesde te zeggen, mijn huisvrouw; opdat mij misschien, zeide hij de mannen dezer plaats niet doden, om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

LEV

19

32

מִפְּנֵי שֵׂיבָה תָּקוּם וְהָדַרְתָּ פְּנֵי זָקֵ֑ן וְיָרֵאתָ מֵּאֱלֹהֶיךָ אֲנִי יְהוָֽה׃פ

Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult het aangezicht des ouden vereren; en gij zult vrezen voor uw God; Ik ben de Heere!

DEU

31

12

הַקְהֵל אֶת הָעָם הָֽאֲנָשִׁים וְהַנָּשִׁים וְהַטַּף וְגֵרְךָ אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶ֑יךָ לְמַעַן יִשְׁמְעוּ וּלְמַעַן יִלְמְדוּ וְיָֽרְאוּ אֶת יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם וְשָֽׁמְרוּ לַעֲשׂוֹת אֶת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּֽאת׃

Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den Heere, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet.

NEH

7

2

וָאֲצַוֶּה אֶת חֲנָנִי אָחִי וְאֶת חֲנַנְיָה שַׂר הַבִּירָה עַל יְרוּשָׁלִָ֑ם כִּי הוּא כְּאִישׁ אֱמֶת וְיָרֵא אֶת הָאֱלֹהִים מֵרַבִּֽים׃

En ik gaf bevel aan mijn broeder Hanani, en aan Hananja, den overste van den burg te Jeruzalem, want hij was als een man van getrouwheid, en godvrezende boven velen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3fs

יָרֵאָה

1

3cp

יְרֵאוּהוּ

1

3cp

יְרֵאוּךָ

1

3cp

יְרֵאוּנִי

1

2mp

יְרָאתֶם

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

18

15

וַתְּכַחֵשׁ שָׂרָה לֵאמֹר לֹא צָחַקְתִּי כִּי יָרֵ֑אָה וַיֹּאמֶר לֹא כִּי צָחָֽקְתְּ׃

En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En Hij zeide: Neen! maar gij hebt gelachen.

JOB

37

24

לָכֵן יְרֵאוּהוּ אֲנָשִׁ֑ים לֹֽא יִרְאֶה כָּל חַכְמֵי לֵֽב׃פ

Daarom vrezen Hem de lieden; Hij ziet geen wijzen van harte aan.

JOS

4

24

לְמַעַן דַּעַת כָּל עַמֵּי הָאָרֶץ אֶת יַד יְהוָה כִּי חֲזָקָה הִ֑יא לְמַעַן יְרָאתֶם אֶת יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם כָּל הַיָּמִֽים׃ס

Opdat alle volken der aarde de hand des Heeren kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den Heere, uw God, vrezet te allen dage.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יִירָא

4

וַיִּרָא

6

יִקְטֹל

3fs

תִירָא

1

וְתִירָא

1

תִּקְטֹל

2ms

תִּירָא

43

תִּקְטֹל

2fs

תִּירְאִי

10

וַתִּירְאִי

2

תִּקְטְלִי

1cs

אִירָא

9

וָאִירָא

2

אֶקְטֹל

3mp

יִירְאוּ

4

וַיִּירְאוּ

14

וְיִירְאוּ

4

יִקְטְלוּ

3fp

וַתִּירֶאןָ

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תִּירְאוּ

16

וַתִּירָאוּ

1

וְתִירְאוּ

1

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִירָא

2

וַנִּירָא

1

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

3

10

וַיֹּאמֶר אֶת קֹלְךָ שָׁמַעְתִּי בַּגָּ֑ן וָאִירָא כִּֽי עֵירֹם אָנֹכִי וָאֵחָבֵֽא׃

En hij zeide: Ik hoorde Uw stem in den hof, en ik vreesde; want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

GEN

50

19

וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יוֹסֵף אַל תִּירָ֑אוּ כִּי הֲתַחַת אֱלֹהִים אָֽנִי׃

En Jozef zeide tot hen: Vreest niet; want ben ik in de plaats van God?

EXO

1

17

וַתִּירֶאןָ הַֽמְיַלְּדֹת אֶת הָאֱלֹהִים וְלֹא עָשׂוּ כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר אֲלֵיהֶן מֶלֶךְ מִצְרָ֑יִם וַתְּחַיֶּיןָ אֶת הַיְלָדִֽים׃

Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet, gelijk als de koning van Egypte tot haar gesproken had, maar zij behielden de knechtjes in het leven.

DEU

17

13

וְכָל הָעָם יִשְׁמְעוּ וְיִרָ֑אוּ וְלֹא יְזִידוּן עֽוֹד׃ס

Dat het al dat volk hore en vreze, en niet meer trotselijk handele.

JOS

9

24

וַיַּעֲנוּ אֶת יְהוֹשֻׁעַ וַיֹּאמְרוּ כִּי הֻגֵּד הֻגַּד לַעֲבָדֶיךָ אֵת אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֶת מֹשֶׁה עַבְדּוֹ לָתֵת לָכֶם אֶת כָּל הָאָרֶץ וּלְהַשְׁמִיד אֶת כָּל יֹשְׁבֵי הָאָרֶץ מִפְּנֵיכֶ֑ם וַנִּירָא מְאֹד לְנַפְשֹׁתֵינוּ מִפְּנֵיכֶם וַֽנַּעֲשֵׂה אֶת הַדָּבָר הַזֶּֽה׃

Zij dan antwoordden Jozua, en zeiden: Dewijl het aan uw knechten zekerlijk was te kennen gegeven, dat de Heere, uw God, Zijn knecht Mozes geboden heeft, dat Hij ulieden al dit land geven, en al de inwoners des lands voor ulieder aangezicht verdelgen zoude, zo vreesden wij onzes levens zeer voor ulieder aangezichten; daarom hebben wij deze zaak gedaan.

1SA

28

5

וַיַּרְא שָׁאוּל אֶת מַחֲנֵה פְלִשְׁתִּ֑ים וַיִּרָא וַיֶּחֱרַד לִבּוֹ מְאֹֽד׃

Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zo vreesde hij, en zijn hart beefde zeer.

JOB

6

21

כִּֽי עַתָּה הֱיִיתֶם לֹא תִּֽרְאוּ חֲתַת וַתִּירָֽאוּ׃

Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.

PSA

27

1

לְדָוִד יְהוָה אוֹרִי וְיִשְׁעִי מִמִּי אִירָ֑א יְהוָה מָֽעוֹז חַיַּי מִמִּי אֶפְחָֽד׃

Een psalm van David. De Heere is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De Heere is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?

PSA

46

2

עַל כֵּן לֹא נִירָא בְּהָמִיר אָ֑רֶץ וּבְמוֹט הָרִים בְּלֵב יַמִּֽים׃

[046:3] Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart der zeeën;

PSA

72

5

יִֽירָאוּךָ עִם שָׁ֑מֶשׁ וְלִפְנֵי יָרֵחַ דּוֹר דּוֹרִֽים׃

Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.

PSA

112

7

מִשְּׁמוּעָה רָעָה לֹא יִירָ֑א נָכוֹן לִבּוֹ בָּטֻחַ בַּיהוָֽה׃

. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; . zijn hart is vast, betrouwende op den Heere.

PRO

31

21

לֹא תִירָא לְבֵיתָהּ מִשָּׁ֑לֶג כִּי כָל בֵּיתָהּ לָבֻשׁ שָׁנִֽים׃

. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.

ISA

57

11

וְאֶת מִי דָּאַגְתְּ וַתִּֽירְאִי כִּי תְכַזֵּבִי וְאוֹתִי לֹא זָכַרְתְּ לֹא שַׂמְתְּ עַל לִבֵּ֑ךְ הֲלֹא אֲנִי מַחְשֶׁה וּמֵעֹלָם וְאוֹתִי לֹא תִירָֽאִי׃

Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen, en zijt Mijner niet gedachtig geweest, gij hebt Mij op uw hart niet gelegd; is het niet, om dat Ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest Mij niet?

JER

51

46

וּפֶן יֵרַךְ לְבַבְכֶם וְתִֽירְאוּ בַּשְּׁמוּעָה הַנִּשְׁמַעַת בָּאָ֑רֶץ וּבָא בַשָּׁנָה הַשְּׁמוּעָה וְאַחֲרָיו בַּשָּׁנָה הַשְּׁמוּעָה וְחָמָס בָּאָרֶץ וּמֹשֵׁל עַל מֹשֵֽׁל׃

En opdat ulieder hart misschien niet week worde, en gij vreest van het gerucht, dat gehoord zal worden in het land; want er zal een gerucht komen in het ene jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar; en er zal geweld zijn in het land, heer over heer.

EZE

2

6

וְאַתָּה בֶן אָדָם אַל תִּירָא מֵהֶם וּמִדִּבְרֵיהֶם אַל תִּירָא כִּי סָרָבִים וְסַלּוֹנִים אוֹתָךְ וְאֶל עַקְרַבִּים אַתָּה יוֹשֵׁ֑ב מִדִּבְרֵיהֶם אַל תִּירָא וּמִפְּנֵיהֶם אַל תֵּחָת כִּי בֵּית מְרִי הֵֽמָּה׃

En gij, mensenkind! vrees niet voor hen, en vrees niet voor hun woorden, hoewel wederwilligen en doornen bij u zijn, en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hun woorden niet, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis.

JON

1

16

וַיִּֽירְאוּ הָאֲנָשִׁים יִרְאָה גְדוֹלָה אֶת יְהוָ֑ה וַיִּֽזְבְּחוּ זֶבַח לַֽיהוָה וַֽיִּדְּרוּ נְדָרִֽים׃

Dies vreesden de mannen den Heere met grote vreze; en zij slachtten den Heere slachtoffer, en beloofden geloften.

ZEP

3

15

הֵסִיר יְהוָה מִשְׁפָּטַיִךְ פִּנָּה אֹֽיְבֵ֑ךְ מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל יְהוָה בְּקִרְבֵּךְ לֹא תִֽירְאִי רָע עֽוֹד׃

De Heere heeft uw oordelen weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd; de Koning Israëls, de Heere, is in het midden van u, gij zult geen kwaad meer zien.

ZEC

9

5

תֵּרֶא אַשְׁקְלוֹן וְתִירָא וְעַזָּה וְתָחִיל מְאֹד וְעֶקְרוֹן כִּֽי הֹבִישׁ מֶבָּטָ֑הּ וְאָבַד מֶלֶךְ מֵֽעַזָּה וְאַשְׁקְלוֹן לֹא תֵשֵֽׁב׃

Askelon zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

יְרָא

4

קְטֹל

fs

קִטְלִי

mp

יְראוּ

3

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

PRO

3

7

אַל תְּהִי חָכָם בְּעֵינֶ֑יךָ יְרָא אֶת יְהוָה וְסוּר מֵרָֽע׃

Zijt niet wijs in uw ogen; vrees den Heere, en wijk van het kwade.

ECC

12

13

סוֹף דָּבָר הַכֹּל נִשְׁמָ֑ע אֶת הָאֱלֹהִים יְרָא וְאֶת מִצְוֺתָיו שְׁמוֹר כִּי זֶה כָּל הָאָדָֽם׃

Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijn geboden, want dit betaamt allen mensen.

1SA

12

24

אַךְ יְראוּ אֶת יְהוָה וַעֲבַדְתֶּם אֹתוֹ בֶּאֱמֶת בְּכָל לְבַבְכֶ֑ם כִּי רְאוּ אֵת אֲשֶׁר הִגְדִּל עִמָּכֶֽם׃

Vreest slechts den Heere, en dient Hem trouwelijk met uw ganse hart; want ziet, hoe grote dingen Hij bij ulieden gedaan heeft!

PSA

34

9

יְראוּ אֶת יְהוָה קְדֹשָׁ֑יו כִּי אֵין מַחְסוֹר לִירֵאָֽיו׃

[034:10] . Vreest den Heere, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

ms

קֹטֵל

fs

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

mp

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

ms

fs

mp

fp

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

לְיִרְאָה

11

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

וּלְיִרְאָה

2

Prep-l | V-Qal-Inf

לֵרֹא

1

Prep-m | V-Qal-Inf | 3ms

מִיִּרְאָתוֹ

1

V-Qal-Inf

יְרֹא

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

4

10

יוֹם אֲשֶׁר עָמַדְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּחֹרֵב֒ בֶּאֱמֹר יְהוָה אֵלַי הַקְהֶל לִי אֶת הָעָם וְאַשְׁמִעֵם אֶת דְּבָרָ֑י אֲשֶׁר יִלְמְדוּן לְיִרְאָה אֹתִי כָּל הַיָּמִים אֲשֶׁר הֵם חַיִּים עַל הָאֲדָמָה וְאֶת בְּנֵיהֶם יְלַמֵּדֽוּן׃

Ten dage, als gij voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, aan Horeb stondt, als de Heere tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren;

DEU

6

24

וַיְצַוֵּנוּ יְהוָה לַעֲשׂוֹת אֶת כָּל הַחֻקִּים הָאֵלֶּה לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֵ֑ינוּ לְטוֹב לָנוּ כָּל הַיָּמִים לְחַיֹּתֵנוּ כְּהַיּוֹם הַזֶּֽה׃

En de Heere gebood ons te doen al deze inzettingen, om te vrezen den Heere, onzen God, ons voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is.

DEU

8

6

וְשָׁמַרְתָּ אֶת מִצְוֺת יְהוָה אֱלֹהֶ֑יךָ לָלֶכֶת בִּדְרָכָיו וּלְיִרְאָה אֹתֽוֹ׃

En houdt de geboden des Heeren, uws Gods, om in Zijn wegen te wandelen, en om Hem te vrezen.

DEU

10

12

וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל מָה יְהוָה אֱלֹהֶיךָ שֹׁאֵל מֵעִמָּ֑ךְ כִּי אִם לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לָלֶכֶת בְּכָל דְּרָכָיו וּלְאַהֲבָה אֹתוֹ וְלַֽעֲבֹד אֶת יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּכָל לְבָבְךָ וּבְכָל נַפְשֶֽׁךָ׃

Nu dan, Israël! wat eist de Heere, uw God van u dan den Heere, uw God, te vrezen, in al Zijn wegen te wandelen, en Hem lief te hebben, en den Heere, uw God, te dienen, met uw ganse hart en met uw ganse ziel;

DEU

14

23

וְאָכַלְתָּ לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר לְשַׁכֵּן שְׁמוֹ שָׁם֒ מַעְשַׂר דְּגָֽנְךָ תִּֽירֹשְׁךָ וְיִצְהָרֶךָ וּבְכֹרֹת בְּקָרְךָ וְצֹאנֶ֑ךָ לְמַעַן תִּלְמַד לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֶיךָ כָּל הַיָּמִֽים׃

En voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, ter plaatse, die Hij verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te doen wonen, zult gij eten de tienden van uw koren, van uw most, en van uw olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen; opdat gij den Heere, uw God, leert vrezen alle dagen.

DEU

17

19

וְהָיְתָה עִמּוֹ וְקָרָא בוֹ כָּל יְמֵי חַיָּ֑יו לְמַעַן יִלְמַד לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהָיו לִשְׁמֹר אֶֽת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת וְאֶת הַחֻקִּים הָאֵלֶּה לַעֲשֹׂתָֽם׃

En het zal bij hem zijn, en hij zal daarin lezen al de dagen zijns levens; opdat hij den Heere, zijn God, lere vrezen, om te bewaren al de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen;

DEU

28

58

אִם לֹא תִשְׁמֹר לַעֲשׂוֹת אֶת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה הַזֹּאת הַכְּתוּבִים בַּסֵּפֶר הַזֶּ֑ה לְיִרְאָה אֶת הַשֵּׁם הַנִּכְבָּד וְהַנּוֹרָא הַזֶּה אֵת יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃

Indiën gij niet zult waarnemen te doen al de woorden dezer wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vrezen dezen heerlijken en vreselijken Naam, den Heere, uw God;

DEU

31

13

וּבְנֵיהֶם אֲשֶׁר לֹֽא יָדְעוּ יִשְׁמְעוּ וְלָמְדוּ לְיִרְאָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֵיכֶ֑ם כָּל הַיָּמִים אֲשֶׁר אַתֶּם חַיִּים עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר אַתֶּם עֹבְרִים אֶת הַיַּרְדֵּן שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃פ

En dat hun kinderen, die het niet geweten hebben, horen en leren, om te vrezen den Heere, uw God, al de dagen, die gij leeft op het land, naar hetwelk gij over de Jordaan zijt heengaande, om dat te erven.

JOS

22

25

וּגְבוּל נָֽתַן יְהוָה בֵּינֵנוּ וּבֵינֵיכֶם בְּנֵי רְאוּבֵן וּבְנֵי גָד אֶת הַיַּרְדֵּן אֵין לָכֶם חֵלֶק בַּֽיהוָ֑ה וְהִשְׁבִּיתוּ בְנֵיכֶם אֶת בָּנֵינוּ לְבִלְתִּי יְרֹא אֶת יְהוָֽה׃

De Heere heeft immers de Jordaan tot landpale gezet tussen ons en tussen ulieden, gij, kinderen van Ruben, en gij, kinderen van Gad! gij hebt geen deel aan den Heere. Zo mochten uw kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij den Heere niet vreesden.

1SA

18

29

וַיֹּאסֶף שָׁאוּל לֵרֹא מִפְּנֵי דָוִד ע֑וֹד וַיְהִי שָׁאוּל אֹיֵב אֶת דָּוִד כָּל הַיָּמִֽים׃ס

Toen vreesde zich Saul nog meer voor David; en Saul was David een vijand al zijn dagen.

PARSING

HEBR

COUNT

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV