Vervoeging בּוֹא

Strong H935
Betekenis: komen, (binnen)gaan
Frequentie Qal: 1994

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

בָּא

128

וּבָא

50

קָטַל

3fs

בָּאָה

16

וּבָאָה

5

קָֽטְלָה

2ms

בָּאתָ

5

וּבָאתָ

19

קָטַ֫לְתָּ

2fs

בָאת

1

וּבָאת

5

קָטַלְתְּ

1cs

בָּאתִי

16

וּבָאתִי

3

קָטַ֫לְתִּי

3cp

בָּאוּ

88

וּבָאוּ

30

קָטְלוּ

2mp

בָּאתֶם

9

וּבָאתֶם

9

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

בָּאנוּ

6

וּבָאנוּ

1

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

32

6

וַיָּשֻׁבוּ הַמַּלְאָכִים אֶֽל יַעֲקֹב לֵאמֹ֑ר בָּאנוּ אֶל אָחִיךָ אֶל עֵשָׂו וְגַם הֹלֵךְ לִקְרָֽאתְךָ וְאַרְבַּע מֵאוֹת אִישׁ עִמּֽוֹ׃

En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uw broeder, tot Ezau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.

1SA

16

5

וַיֹּאמֶר שָׁלוֹם לִזְבֹּחַ לַֽיהוָה בָּאתִי הִֽתְקַדְּשׁוּ וּבָאתֶם אִתִּי בַּזָּ֑בַח וַיְקַדֵּשׁ אֶת יִשַׁי וְאֶת בָּנָיו וַיִּקְרָא לָהֶם לַזָּֽבַח׃

Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den Heere offerande te doen; heiligt u, en komt met mij ten offer; en hij heiligde Isaï en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer.

GEN

16

8

וַיֹּאמַר הָגָר שִׁפְחַת שָׂרַי אֵֽי מִזֶּה בָאת וְאָנָה תֵלֵ֑כִי וַתֹּאמֶר מִפְּנֵי שָׂרַי גְּבִרְתִּי אָנֹכִי בֹּרַֽחַת׃

En hij zeide: Hagar, gij, dienstmaagd van Sarai! van waar komt gij, en waar zult gij heengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouw Sarai!

1CH

12

17

וַיֵּצֵא דָוִיד לִפְנֵיהֶם֒ וַיַּעַן וַיֹּאמֶר לָהֶם אִם לְשָׁלוֹם בָּאתֶם אֵלַי לְעָזְרֵנִי יִֽהְיֶה לִּי עֲלֵיכֶם לֵבָב לְיָ֑חַד וְאִֽם לְרַמּוֹתַנִי לְצָרַי בְּלֹא חָמָס בְּכַפַּי יֵרֶא אֱלֹהֵי אֲבוֹתֵינוּ וְיוֹכַֽח׃ס

En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde, en zeide tot hen: Indiën gijlieden ten vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zo zal mijn hart tegelijk over ulieden zijn; maar indien het is, om mij aan mijn vijanden bedriegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijn handen is, de God onzer vaderen zie het, en straffe het!

1KI

13

14

וַיֵּלֶךְ אַֽחֲרֵי אִישׁ הָאֱלֹהִים וַיִּמְצָאֵהוּ יֹשֵׁב תַּחַת הָאֵלָ֑ה וַיֹּאמֶר אֵלָיו הַאַתָּה אִישׁ הָאֱלֹהִים אֲשֶׁר בָּאתָ מִֽיהוּדָה וַיֹּאמֶר אָֽנִי׃

En hij toog den man Gods na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods, die uit Juda gekomen zijt? En hij zeide: Ik ben het.

HOS

9

7

בָּאוּ יְמֵי הַפְּקֻדָּה בָּאוּ יְמֵי הַשִׁלֻּם יֵדְעוּ יִשְׂרָאֵ֑ל אֱוִיל הַנָּבִיא מְשֻׁגָּע אִישׁ הָרוּחַ עַל רֹב עֲוֺנְךָ וְרַבָּה מַשְׂטֵמָֽה׃

De dagen der bezoeking zijn gekomen, de dagen der vergelding zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden; de profeet is een dwaas, de man des geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot.

1SA

9

16

כָּעֵת מָחָר אֶשְׁלַח אֵלֶיךָ אִישׁ מֵאֶרֶץ בִּנְיָמִן וּמְשַׁחְתּוֹ לְנָגִיד עַל עַמִּי יִשְׂרָאֵל וְהוֹשִׁיעַ אֶת עַמִּי מִיַּד פְּלִשְׁתִּ֑ים כִּי רָאִיתִי אֶת עַמִּי כִּי בָּאָה צַעֲקָתוֹ אֵלָֽי׃

Morgen omtrent dezen tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, dien zult gij ten voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand, want Ik heb Mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot Mij gekomen is.

2SA

19

30

וַיֹּאמֶר מְפִיבֹשֶׁת אֶל הַמֶּלֶךְ גַּם אֶת הַכֹּל יִקָּ֑ח אַחֲרֵי אֲשֶׁר בָּא אֲדֹנִי הַמֶּלֶך בְּשָׁלוֹם אֶל בֵּיתֽוֹ׃ס

En Mefiboseth zeide tot den koning: Hij neme het ook gans weg, naardien mijn heer de koning met vrede in zijn huis is gekomen.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

2SA

17

12

וּבָאנוּ אֵלָיו בְּאַחַת הַמְּקוֹמֹת אֲשֶׁר נִמְצָא שָׁם וְנַחְנוּ עָלָיו כַּאֲשֶׁר יִפֹּל הַטַּל עַל הָאֲדָמָ֑ה וְלֹֽא נוֹתַר בּוֹ וּבְכָל הָאֲנָשִׁים אֲשֶׁר אִתּוֹ גַּם אֶחָֽד׃

Dan zullen wij tot hem komen, in een der plaatsen, waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt; en er zal van hem, en van al de mannen, die met hem zijn, ook niet een worden overgelaten.

1KI

17

12

וַתֹּאמֶר חַי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אִם יֶשׁ לִי מָעוֹג כִּי אִם מְלֹא כַף קֶמַח בַּכַּד וּמְעַט שֶׁמֶן בַּצַּפָּ֑חַת וְהִנְנִי מְקֹשֶׁשֶׁת שְׁנַיִם עֵצִים וּבָאתִי וַעֲשִׂיתִיהוּ לִי וְלִבְנִי וַאֲכַלְנֻהוּ וָמָֽתְנוּ׃

Maar zij zeide: Zo waarachtig als de Heere, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een hand vol meels in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.

2SA

14

3

וּבָאת אֶל הַמֶּלֶךְ וְדִבַּרְתְּ אֵלָיו כַּדָּבָר הַזֶּ֑ה וַיָּשֶׂם יוֹאָב אֶת הַדְּבָרִים בְּפִֽיהָ׃

En ga in tot den koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab leide de woorden in haar mond.

1SA

16

5

וַיֹּאמֶר שָׁלוֹם לִזְבֹּחַ לַֽיהוָה בָּאתִי הִֽתְקַדְּשׁוּ וּבָאתֶם אִתִּי בַּזָּ֑בַח וַיְקַדֵּשׁ אֶת יִשַׁי וְאֶת בָּנָיו וַיִּקְרָא לָהֶם לַזָּֽבַח׃

Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den Heere offerande te doen; heiligt u, en komt met mij ten offer; en hij heiligde Isaï en zijn zonen, en hij nodigde hen ten offer.

2KI

9

2

וּבָאתָ שָׁ֑מָּה וּרְאֵֽה שָׁם יֵהוּא בֶן יְהוֹשָׁפָט בֶּן נִמְשִׁי וּבָאתָ וַהֲקֵֽמֹתוֹ מִתּוֹך אֶחָיו וְהֵבֵיאתָ אֹתוֹ חֶדֶר בְּחָֽדֶר׃

Als gij daar zult gekomen zijn, zo zie, waar Jehu, de zoon van Josafat, den zoon van Nimsi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit het midden zijner broederen, en breng hem in een binnenste kamer.

EZE

7

22

וַהֲסִבּוֹתִי פָנַי מֵהֶם וְחִלְּלוּ אֶת צְפוּנִ֑י וּבָאוּ בָהּ פָּרִיצִים וְחִלְּלֽוּהָ׃פ

Ook zal Ik Mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen Mijn verborgen plaats ontheiligen; want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen.

MIC

4

8

וְאַתָּה מִגְדַּל עֵדֶר עֹפֶל בַּת צִיּוֹן עָדֶיךָ תֵּאתֶ֑ה וּבָאָה הַמֶּמְשָׁלָה הָרִאשֹׁנָה מַמְלֶכֶת לְבַת יְרוּשָׁלִָֽם׃

En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions! tot u zal komen, ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochteren van Jeruzalem.

ECC

1

5

וְזָרַח הַשֶּׁמֶשׁ וּבָא הַשָּׁ֑מֶשׁ וְאֶל מְקוֹמוֹ שׁוֹאֵף זוֹרֵחַֽ הוּא שָֽׁם׃

Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

בָא

32

3ms

בָאס

2

3ms

שֶׁבָּא

2

3ms

בְּגָד

1

3ms

בָּאָה

1

3ms

בָּאפ

1

3ms

הֲבָא

1

3ms

כְּשֶׁבָּא

1

3fs

בָאָה

6

3fs

הַבָּאָה

3

3fs

בָּאַתְנוּ

1

2ms

בָאתָ

3

2ms

הֲבָאתָ

2

2ms

בָּאתָה

1

2fs

בָּאת

1

1cs

בָאתִי

7

3cp

בָאוּ

13

1cp

בָאנוּ

2

1cp

בָּנוּ

1

3ms

וּבָאָה

1

3ms

יָבֹא

1

3cp

וָבָאוּ

1

3cp

יָבֹאוּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1SA

15

MIC

9

1SA

11

RUT

12

PSA

7

ISA

9

GEN

21

JER

43

11

וּבָאָה וְהִכָּה אֶת אֶרֶץ מִצְרָ֑יִם אֲשֶׁר לַמָּוֶת לַמָּוֶת וַאֲשֶׁר לַשְּׁבִי לַשֶּׁבִי וַאֲשֶׁר לַחֶרֶב לֶחָֽרֶב׃

En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ten dood, ten dode; en wie ter gevangenis, ter gevangenis; en wie ten zwaard, ten zwaarde.

ECC

8

10

וּבְכֵן רָאִיתִי רְשָׁעִים קְבֻרִים וָבָאוּ וּמִמְּקוֹם קָדוֹשׁ יְהַלֵּכוּ וְיִֽשְׁתַּכְּחוּ בָעִיר אֲשֶׁר כֵּן עָשׂ֑וּ גַּם זֶה הָֽבֶל׃

Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יָבוֹא

97

וַיָּבֹא

241

וְיָבֹא

7

יִקְטֹל

3fs

תָּבוֹא

20

וַתָּבֹא

29

וְתָבֹא

1

תִּקְטֹל

2ms

תָּבוֹא

20

תִּקְטֹל

2fs

תָּבוֹאִי

2

וַתָּבֹאִי

1

תִּקְטְלִי

1cs

אָבוֹא

19

וָאָבוֹא

7

וְאָבוֹא

2

אֶקְטֹל

3mp

יָבֹאוּ

49

וַיָּבֹאוּ

185

וְיָבֹאוּ

6

יִקְטְלוּ

3fp

תָּבֹאנָה

2

וַתָּבֹאנָה

4

וְתָבֹאנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תָבֹאוּ

11

וַתָּבֹאוּ

4

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נָבוֹא

6

וַנָּבוֹא

2

וְנָבוֹא

2

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

20

13

וַיְהִי כַּאֲשֶׁר הִתְעוּ אֹתִי אֱלֹהִים מִבֵּית אָבִי֒ וָאֹמַר לָהּ זֶה חַסְדֵּךְ אֲשֶׁר תַּעֲשִׂי עִמָּדִ֑י אֶל כָּל הַמָּקוֹם אֲשֶׁר נָבוֹא שָׁמָּה אִמְרִי לִי אָחִי הֽוּא׃

En het is geschied, als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zo sprak ik tot haar: Dit zij uw weldadigheid, die gij bij mij doen zult; aan alle plaatsen waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder!

LEV

14

34

כִּי תָבֹאוּ אֶל אֶרֶץ כְּנַעַן אֲשֶׁר אֲנִי נֹתֵן לָכֶם לַאֲחֻזָּ֑ה וְנָתַתִּי נֶגַע צָרַעַת בְּבֵית אֶרֶץ אֲחֻזַּתְכֶֽם׃

Als gij zult gekomen zijn in het land van Kanaän, hetwelk Ik u tot bezitting geven zal, en Ik de plaag der melaatsheid aan een huis van dat land uwer bezitting zal gegeven hebben;

DEU

1

19

וַנִּסַּע מֵחֹרֵב וַנֵּלֶךְ אֵת כָּל הַמִּדְבָּר הַגָּדוֹל וְהַנּוֹרָא הַהוּא אֲשֶׁר רְאִיתֶם דֶּרֶךְ הַר הָֽאֱמֹרִי כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֱלֹהֵינוּ אֹתָ֑נוּ וַנָּבֹא עַד קָדֵשׁ בַּרְנֵֽעַ׃

Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de Heere, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-barnea.

DEU

29

22

וְאָמַר הַדּוֹר הָֽאַחֲרוֹן בְּנֵיכֶם אֲשֶׁר יָקוּמוּ מֵאַחֲרֵיכֶם וְהַנָּכְרִי אֲשֶׁר יָבֹא מֵאֶרֶץ רְחוֹקָ֑ה וְרָאוּ אֶת מַכּוֹת הָאָרֶץ הַהִוא וְאֶת תַּחֲלֻאֶיהָ אֲשֶׁר חִלָּה יְהוָה בָּֽהּ׃

Dan zal zeggen het navolgend geslacht, uw kinderen, die na ulieden opstaan zullen, en de vreemde, die uit verren lande komen zal, als zij zullen zien de plagen dezes lands en deszelfs krankheden, waarmede de Heere het gekrenkt heeft;

JOS

9

17

וַיִּסְעוּ בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל וַיָּבֹאוּ אֶל עָרֵיהֶם בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁ֑י וְעָרֵיהֶם גִּבְעוֹן וְהַכְּפִירָה וּבְאֵרוֹת וְקִרְיַת יְעָרִֽים׃

Want toen de kinderen Israëls voorttogen, zo kwamen zij ten derden dage aan hun steden; hun steden nu waren Gibeon, en Chefira, en Beeroth, en Kirjath-jearim.

JOS

24

6

וָֽאוֹצִיא אֶת אֲבֽוֹתֵיכֶם מִמִּצְרַיִם וַתָּבֹאוּ הַיָּ֑מָּה וַיִּרְדְּפוּ מִצְרַיִם אַחֲרֵי אֲבוֹתֵיכֶם בְּרֶכֶב וּבְפָרָשִׁים יַם סֽוּף׃

Als Ik uw vaders uit Egypte gevoerd had, zo kwaamt gij aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uw vaderen na met wagens en met ruiters, tot de Schelfzee.

JDG

17

9

וַיֹּאמֶר לוֹ מִיכָה מֵאַיִן תָּב֑וֹא וַיֹּאמֶר אֵלָיו לֵוִי אָנֹכִי מִבֵּית לֶחֶם יְהוּדָה וְאָנֹכִי הֹלֵךְ לָגוּר בַּאֲשֶׁר אֶמְצָֽא׃

Zo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet, van Bethlehem-juda, en ik wandel, om te verkeren, waar ik gelegenheid zal vinden.

2SA

11

11

וַיֹּאמֶר אוּרִיָּה אֶל דָּוִד הָאָרוֹן וְיִשְׂרָאֵל וִֽיהוּדָה יֹשְׁבִים בַּסֻּכּוֹת וַאדֹנִי יוֹאָב וְעַבְדֵי אֲדֹנִי עַל פְּנֵי הַשָּׂדֶה חֹנִים וַאֲנִי אָבוֹא אֶל בֵּיתִי לֶאֱכֹל וְלִשְׁתּוֹת וְלִשְׁכַּב עִם אִשְׁתִּ֑י חַיֶּךָ וְחֵי נַפְשֶׁךָ אִֽם אֶעֱשֶׂה אֶת הַדָּבָר הַזֶּֽה׃

En Uria zeide tot David: De ark, en Israël, en Juda blijven in de tenten; en mijn heer Joab, en de knechten mijns heren zijn gelegerd op het open veld, en zou ik in mijn huis gaan, om te eten en te drinken, en bij mijn huisvrouw te liggen? Zo waarachtig als gij leeft en uw ziel leeft, indien ik deze zaak doen zal!

2KI

4

36

וַיִּקְרָא אֶל גֵּיחֲזִי וַיֹּאמֶר קְרָא אֶל הַשֻּׁנַמִּית הַזֹּאת וַיִּקְרָאֶהָ וַתָּבוֹא אֵלָ֑יו וַיֹּאמֶר שְׂאִי בְנֵֽךְ׃

En hij riep Gehazi, en zeide: Roep deze Sunamietische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem; en hij zeide: Neem uw zoon op.

NEH

2

9

וָֽאָבוֹא אֶֽל פַּֽחֲווֹת עֵבֶר הַנָּהָר וָאֶתְּנָה לָהֶם אֵת אִגְּרוֹת הַמֶּ֑לֶךְ וַיִּשְׁלַח עִמִּי הַמֶּלֶךְ שָׂרֵי חַיִל וּפָרָשִֽׁים׃פ

Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de brieven des konings. En de koning had oversten des heirs en ruiteren met mij gezonden.

EST

4

4

וַתָּבוֹאינָה נַעֲרוֹת אֶסְתֵּר וְסָרִיסֶיהָ וַיַּגִּידוּ לָהּ וַתִּתְחַלְחַל הַמַּלְכָּה מְאֹ֑ד וַתִּשְׁלַח בְּגָדִים לְהַלְבִּישׁ אֶֽת מָרְדֳּכַי וּלְהָסִיר שַׂקּוֹ מֵעָלָיו וְלֹא קִבֵּֽל׃

Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond klederen om Mordechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.

PSA

69

27

תְּֽנָה עָוֺן עַל עֲוֺנָ֑ם וְאַל יָבֹאוּ בְּצִדְקָתֶֽךָ׃

[069:28] Doe misdaad tot hun misdaad, en laat hen niet komen tot Uw gerechtigheid.

PSA

119

41

וִֽיבֹאֻנִי חֲסָדֶךָ יְהוָ֑ה תְּשֽׁוּעָתְךָ כְּאִמְרָתֶֽךָ׃

Vau. En dat mij Uw goedertierenheden overkomen, o Heere! Uw heil, naar Uw toezegging;

SNG

4

8

אִתִּי מִלְּבָנוֹן כַּלָּה אִתִּי מִלְּבָנוֹן תָּב֑וֹאִי תָּשׁוּרִי מֵרֹאשׁ אֲמָנָה מֵרֹאשׁ שְׂנִיר וְחֶרְמוֹן מִמְּעֹנוֹת אֲרָיוֹת מֵֽהַרְרֵי נְמֵרִֽים׃

Bij Mij van den Libanon af, o bruid! kom bij Mij van den Libanon af; zie van den top van Amana, van den top van Senir en van Hermon, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.

ISA

37

24

בְּיַד עֲבָדֶיךָ חֵרַפְתָּ אֲדֹנָי֒ וַתֹּאמֶר בְּרֹב רִכְבִּי אֲנִי עָלִיתִי מְרוֹם הָרִים יַרְכְּתֵי לְבָנ֑וֹן וְאֶכְרֹת קוֹמַת אֲרָזָיו מִבְחַר בְּרֹשָׁיו וְאָבוֹא מְרוֹם קִצּוֹ יַעַר כַּרְמִלּֽוֹ׃

Door middel uwer dienstknechten hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogte der bergen, de zijden van Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen tot zijn uiterste hoogte, in het woud zijns schonen velds.

ISA

44

7

וּמִֽי כָמוֹנִי יִקְרָא וְיַגִּידֶהָ וְיַעְרְכֶהָ לִי מִשּׂוּמִי עַם עוֹלָ֑ם וְאֹתִיּוֹת וַאֲשֶׁר תָּבֹאנָה יַגִּידוּ לָֽמוֹ׃

En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordentelijk voor Mij stellen, sedert dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen.

ISA

47

11

וּבָא עָלַיִךְ רָעָה לֹא תֵדְעִי שַׁחְרָהּ וְתִפֹּל עָלַיִךְ הֹוָה לֹא תוּכְלִי כַּפְּרָ֑הּ וְתָבֹא עָלַיִךְ פִּתְאֹם שׁוֹאָה לֹא תֵדָֽעִי׃

Daarom zal er over u een kwaad komen, gij zult den dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, hetwelk gij niet zult kunnen verzoenen; want er zal snellijk een onstuimige verwoesting over u komen, dat gij het niet weten zult.

JER

9

17

כֹּה אָמַר יְהוָה צְבָאוֹת הִתְבּֽוֹנְנוּ וְקִרְאוּ לַמְקוֹנְנוֹת וּתְבוֹאֶ֑ינָה וְאֶל הַחֲכָמוֹת שִׁלְחוּ וְתָבֽוֹאנָה׃

Zo zegt de Heere der heirscharen: Merkt daarop, en roept klaagvrouwen, dat zij komen; en zendt henen naar de wijze vrouwen, dat zij komen.

JER

26

21

וַיִּשְׁמַע הַמֶּֽלֶךְ יְהוֹיָקִים וְכָל גִּבּוֹרָיו וְכָל הַשָּׂרִים אֶת דְּבָרָיו וַיְבַקֵּשׁ הַמֶּלֶךְ הֲמִית֑וֹ וַיִּשְׁמַע אוּרִיָּהוּ וַיִּרָא וַיִּבְרַח וַיָּבֹא מִצְרָֽיִם׃

En als de koning Jojakim, mitsgaders al zijn geweldigen, en al de vorsten zijn woorden hoorden, zocht de koning hem te doden; als Uria dat hoorde, zo vreesde hij, en vluchtte, en kwam in Egypte;

JER

35

11

וַיְהִי בַּעֲלוֹת נְבוּכַדְרֶאצַּר מֶֽלֶךְ בָּבֶל אֶל הָאָרֶץ֒ וַנֹּאמֶר בֹּאוּ וְנָבוֹא יְרוּשָׁלִַם מִפְּנֵי חֵיל הַכַּשְׂדִּים וּמִפְּנֵי חֵיל אֲרָ֑ם וַנֵּשֶׁב בִּירוּשָׁלִָֽם׃פ

Maar het is geschied, als Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optoog, dat wij zeiden: Komt, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het heir der Chaldeen, en vanwege het heir der Syriërs; alzo zijn wij te Jeruzalem gebleven.

EZE

16

7

רְבָבָה כְּצֶמַח הַשָּׂדֶה נְתַתִּיךְ וַתִּרְבִּי וַֽתִּגְדְּלִי וַתָּבֹאִי בַּעֲדִי עֲדָיִ֑ים שָׁדַיִם נָכֹנוּ וּשְׂעָרֵךְ צִמֵּחַ וְאַתְּ עֵרֹם וְעֶרְיָֽה׃

Ik heb u tot tien duizend, als het gewas des velds, gemaakt; en gij zijt gegroeid, en groot geworden, en zijt gekomen tot grote sierlijkheid; uw borsten zijn vast geworden, en uw haar is gewassen, doch gij waart naakt en bloot.

EZE

24

16

בֶּן אָדָם הִנְנִי לֹקֵחַ מִמְּךָ אֶת מַחְמַד עֵינֶיךָ בְּמַגֵּפָ֑ה וְלֹא תִסְפֹּד וְלֹא תִבְכֶּה וְלוֹא תָבוֹא דִּמְעָתֶֽךָ׃

Mensenkind! zie, Ik zal den lust uwer ogen van u wegnemen door een plage; nochtans zult gij niet rouwklagen, noch wenen, en uw tranen zullen niet voortkomen.

DAN

11

7

וְעָמַד מִנֵּצֶר שָׁרָשֶׁיהָ כַּנּ֑וֹ וְיָבֹא אֶל הַחַיִל וְיָבֹא בְּמָעוֹז מֶלֶךְ הַצָּפוֹן וְעָשָׂה בָהֶם וְהֶחֱזִֽיק׃

Doch uit de spruit van haar wortelen zal er een opstaan in zijn staat, die zal met heirkracht komen, en hij zal komen tegen die sterke plaatsen des konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen, en hij zal ze bemachtigen.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

29

21

וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב אֶל לָבָן הָבָה אֶת אִשְׁתִּי כִּי מָלְאוּ יָמָ֑י וְאָבוֹאָה אֵלֶֽיהָ׃

Toen zeide Jakob tot Laban: Geef mijn huisvrouw, want mijn dagen zijn vervuld, dat ik tot haar inga.

DEU

33

16

וּמִמֶּגֶד אֶרֶץ וּמְלֹאָהּ וּרְצוֹן שֹׁכְנִי סְנֶ֑ה תָּבוֹאתָה לְרֹאשׁ יוֹסֵף וּלְקָדְקֹד נְזִיר אֶחָֽיו׃

En van het uitnemendste der aarde en haar volheid, en van de goedgunstigheid Desgenen, Die in het braambos woonde, kome de zegening op het hoofd van Jozef, en op den schedel des afgezonderden van zijn broederen!

JDG

15

1

וַיְהִי מִיָּמִים בִּימֵי קְצִיר חִטִּים וַיִּפְקֹד שִׁמְשׁוֹן אֶת אִשְׁתּוֹ בִּגְדִי עִזִּים וַיֹּאמֶר אָבֹאָה אֶל אִשְׁתִּי הֶחָ֑דְרָה וְלֹֽא נְתָנוֹ אָבִיהָ לָבֽוֹא׃

En het geschiedde na sommige dagen, in de dagen van den tarweoogst, dat Simson zijn huisvrouw bezocht met een geitenbokje, en hij zeide: Laat mij tot mijn huisvrouw ingaan in de kamer; maar haar vader liet hem niet toe in te gaan.

2KI

7

9

וַיֹּאמְרוּ אִישׁ אֶל רֵעֵהוּ לֹֽא כֵן אֲנַחְנוּ עֹשִׂים הַיּוֹם הַזֶּה יוֹם בְּשֹׂרָה הוּא וַאֲנַחְנוּ מַחְשִׁים וְחִכִּינוּ עַד אוֹר הַבֹּקֶר וּמְצָאָנוּ עָו֑וֹן וְעַתָּה לְכוּ וְנָבֹאָה וְנַגִּידָה בֵּית הַמֶּֽלֶךְ׃

Toen zeiden zij, de een tot den ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil. Indiën wij vertoeven tot den lichten morgen, zo zal ons de ongerechtigheid vinden; daarom nu, komt, laat ons gaan, en dit aan het huis des konings boodschappen.

2KI

19

23

בְּיַד מַלְאָכֶיךָ חֵרַפְתָּ אֲדֹנָי֒ וַתֹּאמֶר בְּרֶכֶב רִכְבִּי אֲנִי עָלִיתִי מְרוֹם הָרִים יַרְכְּתֵי לְבָנ֑וֹן וְאֶכְרֹת קוֹמַת אֲרָזָיו מִבְחוֹר בְּרֹשָׁיו וְאָבוֹאָה מְלוֹן קִצֹּה יַעַר כַּרְמִלּֽוֹ׃

Door middel uwer boden hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, de zijden van den Libanon; en ik zal zijn hoge cederbomen, en zijn uitgelezen dennebomen afhouwen; en zal komen in zijn uiterste herberg, in het woud zijns schonen velds.

2CH

1

10

עַתָּה חָכְמָה וּמַדָּע תֶּן לִי וְאֵֽצְאָה לִפְנֵי הָֽעָם הַזֶּה וְאָב֑וֹאָה כִּֽי מִי יִשְׁפֹּט אֶת עַמְּךָ הַזֶּה הַגָּדֽוֹל׃ס

Geef mij nu wijsheid en wetenschap, dat ik voor het aangezicht van dit volk uitga en inga; want wie zou dit Uw groot volk kunnen richten?

PSA

43

4

וְאָבוֹאָה אֶל מִזְבַּח אֱלֹהִים אֶל אֵל שִׂמְחַת גִּילִי וְאוֹדְךָ בְכִנּוֹר אֱלֹהִים אֱלֹהָֽי׃

En dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en U met de harp love, o God, mijn God!

PSA

132

7

נָבוֹאָה לְמִשְׁכְּנוֹתָ֑יו נִשְׁתַּחֲוֶה לַהֲדֹם רַגְלָֽיו׃

Wij zullen in Zijn woningen ingaan, wij zullen ons nederbuigen voor de voetbank Zijner voeten.

ISA

5

19

הָאֹמְרִים יְמַהֵר יָחִישָׁה מַעֲשֵׂהוּ לְמַעַן נִרְאֶ֑ה וְתִקְרַב וְתָבוֹאָה עֲצַת קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵל וְנֵדָֽעָה׃ס

Die daar zeggen: Dat Hij haaste, dat Hij Zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen!

JER

4

5

הַגִּידוּ בִֽיהוּדָה וּבִירוּשָׁלִַם הַשְׁמִיעוּ וְאִמְרוּ וְתִקְעוּ שׁוֹפָר בָּאָ֑רֶץ קִרְאוּ מַלְאוּ וְאִמְרוּ הֵאָסְפוּ וְנָבוֹאָה אֶל עָרֵי הַמִּבְצָֽר׃

Verkondigt in Juda, en laat het horen te Jeruzalem, en zegt het; ja, blaast de bazuin in het land; roept met volle stem en zegt: Verzamelt ulieden, en laat ons ingaan in de vaste steden!

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1SA

4

3

וַיָּבֹא הָעָם אֶל הַֽמַּחֲנֶה֒ וַיֹּֽאמְרוּ זִקְנֵי יִשְׂרָאֵל לָמָּה נְגָפָנוּ יְהוָה הַיּוֹם לִפְנֵי פְלִשְׁתִּ֑ים נִקְחָה אֵלֵינוּ מִשִּׁלֹה אֶת אֲרוֹן בְּרִית יְהוָה וְיָבֹא בְקִרְבֵּנוּ וְיֹשִׁעֵנוּ מִכַּף אֹיְבֵֽינוּ׃

Als het volk wederom in het leger gekomen was, zo zeiden de oudsten van Israël: Waarom heeft ons de Heere heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de ark des verbonds des Heeren, en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden.

2KI

5

8

וַיְהִי כִּשְׁמֹעַ אֱלִישָׁע אִישׁ הָאֱלֹהִים כִּֽי קָרַע מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל אֶת בְּגָדָיו וַיִּשְׁלַח אֶל הַמֶּלֶךְ לֵאמֹר לָמָּה קָרַעְתָּ בְּגָדֶ֑יךָ יָבֹֽא נָא אֵלַי וְיֵדַע כִּי יֵשׁ נָבִיא בְּיִשְׂרָאֵֽל׃

Maar het geschiedde, als Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had, dat hij tot den koning zond, om te zeggen: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zo zal hij weten, dat er een profeet in Israël is.

2CH

25

7

וְאִישׁ הָאֱלֹהִים בָּא אֵלָיו לֵאמֹר הַמֶּלֶךְ אַל יָבֹא עִמְּךָ צְבָא יִשְׂרָאֵ֑ל כִּי אֵין יְהוָה עִם יִשְׂרָאֵל כֹּל בְּנֵי אֶפְרָֽיִם׃

Maar er kwam een man Gods tot hem, zeggende: O, koning! laat het heir van Israël met u niet gaan; want de Heere is niet met Israël, met alle kinderen van Efraïm.

ISA

26

2

פִּתְחוּ שְׁעָרִ֑ים וְיָבֹא גוֹי צַדִּיק שֹׁמֵר אֱמֻנִֽים׃

Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

בֹּא

20

קְטֹל

fs

בֹּאִי

4

קִטְלִי

mp

בֹּאוּ

18

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

ISA

26

20

לֵךְ עַמִּי בֹּא בַחֲדָרֶיךָ וּֽסְגֹר דְּלָתֶיךָ בַּעֲדֶ֑ךָ חֲבִי כִמְעַט רֶגַע עַד יַעֲבוֹר זָֽעַם׃

Ga henen, mijn volk! ga in uw binnenste kamers, en sluit uw deuren na u toe; verberg u als een klein ogenblik, totdat de gramschap overga.

GEN

38

8

וַיֹּאמֶר יְהוּדָה לְאוֹנָן בֹּא אֶל אֵשֶׁת אָחִיךָ וְיַבֵּם אֹתָ֑הּ וְהָקֵם זֶרַע לְאָחִֽיךָ׃

Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uw broeder zaad.

1KI

14

6

וַיְהִי כִשְׁמֹעַ אֲחִיָּהוּ אֶת קוֹל רַגְלֶיהָ בָּאָה בַפֶּתַח וַיֹּאמֶר בֹּאִי אֵשֶׁת יָרָבְעָ֑ם לָמָּה זֶּה אַתְּ מִתְנַכֵּרָה וְאָנֹכִי שָׁלוּחַ אֵלַיִךְ קָשָֽׁה׃

En het geschiedde, als Ahia het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.

1KI

17

13

וַיֹּאמֶר אֵלֶיהָ אֵלִיָּהוּ אַל תִּירְאִי בֹּאִי עֲשִׂי כִדְבָרֵ֑ךְ אַךְ עֲשִׂי לִי מִשָּׁם עֻגָה קְטַנָּה בָרִאשֹׁנָה וְהוֹצֵאתְ לִי וְלָךְ וְלִבְנֵךְ תַּעֲשִׂי בָּאַחֲרֹנָֽה׃ס

En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga heen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hier uit; doch voor u en uw zoon zult gij daarna wat maken.

JOE

1

13

חִגְרוּ וְסִפְדוּ הַכֹּהֲנִים הֵילִילוּ מְשָׁרְתֵי מִזְבֵּחַ בֹּאוּ לִינוּ בַשַּׂקִּים מְשָׁרְתֵי אֱלֹהָ֑י כִּי נִמְנַע מִבֵּית אֱלֹהֵיכֶם מִנְחָה וָנָֽסֶךְ׃

Omgordt u, en rouwklaagt, gij priesters! huilt, gij dienaars des altaars! gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods! want spijsoffer en drankoffer is geweerd van het huis uws Gods.

1KI

20

33

וְהָאֲנָשִׁים יְנַחֲשׁוּ וַֽיְמַהֲרוּ וַיַּחְלְטוּ הֲמִמֶּנּוּ וַיֹּֽאמְרוּ אָחִיךָ בֶן הֲדַד וַיֹּאמֶר בֹּאוּ קָחֻ֑הוּ וַיֵּצֵא אֵלָיו בֶּן הֲדַד וַֽיַּעֲלֵהוּ עַל הַמֶּרְכָּבָֽה׃

De mannen nu namen naarstiglijk waar, en vatten het haastelijk, of het van hem ware, en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zeide: Komt, brengt hem. Toen kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op den wagen klimmen.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

בָּא

44

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

בָּאָה

15

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

בָּאִים

38

קֹטְלִים

V-Qal-Prtcpl-fp

fp

בָּאוֹת

3

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַבָּא

30

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַבָּאָה

3

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַבָּאִים

36

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הַבָּאֹת

1

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הַבָּאוֹת

1

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

בָא

28

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

בָאָה

10

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

בָּאִים‪‬

1

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

בָאִים

2

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

עֹבְרִים

1

V-Qal-Prtcpl-fp

fp

בָאוֹת

1

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַבָּא

30

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַבָּאָה

3

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הַבָּאֹת

1

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הַבָּאוֹת

1

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

בָּאֵי

7

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְהַבָּא

6

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וָבָא

3

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וּבָאִים

2

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְהַבָּאִים

2

Conj-w, Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְלַבָּא

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

וּבָאוֹת

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וּבָא

1

Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

לַבָּאִים

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3fs

fs

בָּאֶיהָ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לָבוֹא

73

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בְּבֹאוֹ

15

V-Qal-Inf

בּוֹא

13

Prep | V-Qal-Inf

לְבוֹא

8

Prep-b | V-Qal-Inf

בְּבֹא

8

Prep-b | V-Qal-Inf

בְּבוֹא

8

V-Qal-Inf

בֹּא

8

Prep-k | V-Qal-Inf

כְּבוֹא

7

Prep-l | V-Qal-Inf

לָבֹא

7

V-Qal-Inf | 3ms

בֹּאוֹ

7

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בְּבוֹאָם

6

Prep-k | V-Qal-Inf

כְּבֹא

6

V-Qal-Inf | 2ms

בֹּאֲכָה

6

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בְּבֹאָם

5

Prep-m | V-Qal-Inf

מִבּוֹא

5

V-Qal-Inf

בוֹא

5

V-Qal-Inf | 1cs

בֹּאִי

5

V-Qal-Inf | 2ms

בּוֹאֲךָ

5

V-Qal-Inf | 3mp

בֹּאָם

4

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

וּבְבֹאוֹ

3

Prep-b | V-Qal-Inf | 2mp

בְּבֹאֲכֶם

3

Prep-k | V-Qal-Inf | 2mp

כְּבֹאֲכֶם

3

Prep-m | V-Qal-Inf

מִלְּבוֹא

3

V-Qal-Inf

בֹא

3

V-Qal-Inf | 2mp

בֹּאֲכֶם

3

V-Qal-Inf | 2ms

בֹּאֲךָ

3

V-Qal-Inf | 2ms

בּוֹאֶךָ

3

Conj-w | V-Qal-Inf | 2ms

וּבֹאֲךָ

2

Conj-w, Prep | V-Qal-Inf

וְלָבוֹא

2

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf

וּבְבֹא

2

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf

וּבְבוֹא

2

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf | 3fs

וּבְבֹאָהּ

2

Conj-w, Prep-k | V-Qal-Inf

וּכְבוֹא

2

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלָבוֹא

2

Prep | V-Qal-Inf

לְבֹא

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בְּבֹאִי

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 2ms

בְּבֹאֶךָ

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fs

בְּבוֹאָהּ

2

Prep-l | V-Qal-Inf | 3mp

לְבוֹאָם

2

V-Qal-Inf | 3fp

בֹּאָנָה

2

Conj-w | V-Qal-Inf

וָבֹא

1

Conj-w | V-Qal-Inf

וּבֹא

1

Conj-w | V-Qal-Inf | 2ms

וּבוֹאֲךָ

1

Conj-w | V-Qal-Inf | 2ms

וּבוֹאֶךָ

1

Conj-w, Prep-k | V-Qal-Inf

וּכְבֹא

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 2ms

בְּבֹאֲךָ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fp

בְּבֹאָן

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fp

בְּבוֹאָן

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fs

בְּבֹאָה

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fs

בְּבֹאָהּ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בְּבוֹאוֹ

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 1cs

כְּבֹאִי

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 2ms

כְּבֹאֲךָ

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 2ms

כְבֹאֲךָ

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3fp

כְּבֹאָנָה

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3fs

כְבֹאָהּ

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3mp

כְּבֹאָם

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3mp

כְּבוֹאָם

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לָבֹא‪‬

1

Prep-m | V-Qal-Inf

מִבֹּא

1

Prep-m, Prep-l | V-Qal-Inf

מִלְּבוֹא

1

V-Qal-Inf | 1cp

בֹּאֵנוּ

1

V-Qal-Inf | 1cs

בּוֹאִי

1

V-Qal-Inf | 2ms

בֹּאֶךָ

1

V-Qal-Inf | 3ms

בּוֹאוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

10

19

וַֽיְהִי גְּבוּל הַֽכְּנַעֲנִי מִצִּידֹן בֹּאֲכָה גְרָרָה עַד עַזָּ֑ה בֹּאֲכָה סְדֹמָה וַעֲמֹרָה וְאַדְמָה וּצְבֹיִם עַד לָֽשַׁע׃

En de landpale der Kanaänieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.

GEN

10

19

וַֽיְהִי גְּבוּל הַֽכְּנַעֲנִי מִצִּידֹן בֹּאֲכָה גְרָרָה עַד עַזָּ֑ה בֹּאֲכָה סְדֹמָה וַעֲמֹרָה וְאַדְמָה וּצְבֹיִם עַד לָֽשַׁע׃

En de landpale der Kanaänieten was van Sidon, daar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; daar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zoboim, tot Lasa toe.

GEN

10

30

וַֽיְהִי מוֹשָׁבָם מִמֵּשָׁ֑א בֹּאֲכָה סְפָרָה הַר הַקֶּֽדֶם׃

En hun woning was van Mescha af, daar gij gaat naar Sefar, het gebergte van het oosten.

GEN

12

11

וַיְהִי כַּאֲשֶׁר הִקְרִיב לָבוֹא מִצְרָ֑יְמָה וַיֹּאמֶר אֶל שָׂרַי אִשְׁתּוֹ הִנֵּה נָא יָדַעְתִּי כִּי אִשָּׁה יְפַת מַרְאֶה אָֽתְּ׃

En het geschiedde, als hij naderde, om in Egypte te komen, dat hij zeide tot Sarai, zijn huisvrouw: Zie toch, ik weet, dat gij een vrouw zijt, schoon van aangezicht.

GEN

12

14

וַיְהִי כְּבוֹא אַבְרָם מִצְרָ֑יְמָה וַיִּרְאוּ הַמִּצְרִים אֶת הָאִשָּׁה כִּֽי יָפָה הִוא מְאֹֽד׃

En het geschiedde, als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen, dat zij zeer schoon was.

GEN

13

10

וַיִּשָּׂא לוֹט אֶת עֵינָיו וַיַּרְא אֶת כָּל כִּכַּר הַיַּרְדֵּן כִּי כֻלָּהּ מַשְׁקֶ֑ה לִפְנֵי שַׁחֵת יְהוָה אֶת סְדֹם וְאֶת עֲמֹרָה כְּגַן יְהוָה כְּאֶרֶץ מִצְרַיִם בֹּאֲכָה צֹֽעַר׃

En Lot hief zijn ogen op, en hij zag de ganse vlakte der Jordaan, dat zij die geheel bevochtigde; eer de Heere Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des Heeren, als Egypteland, als gij komt te Zoar.

GEN

15

12

וַיְהִי הַשֶּׁמֶשׁ לָבוֹא וְתַרְדֵּמָה נָפְלָה עַל אַבְרָ֑ם וְהִנֵּה אֵימָה חֲשֵׁכָה גְדֹלָה נֹפֶלֶת עָלָֽיו׃

En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem.

GEN

19

22

מַהֵר הִמָּלֵט שָׁמָּה כִּי לֹא אוּכַל לַעֲשׂוֹת דָּבָר עַד בֹּאֲךָ שָׁ֑מָּה עַל כֵּן קָרָא שֵׁם הָעִיר צֽוֹעַר׃

Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.

GEN

19

31

וַתֹּאמֶר הַבְּכִירָה אֶל הַצְּעִירָה אָבִינוּ זָקֵ֑ן וְאִישׁ אֵין בָּאָרֶץ לָבוֹא עָלֵינוּ כְּדֶרֶךְ כָּל הָאָֽרֶץ׃

Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land, om tot ons in te gaan, naar de wijze der ganse aarde.

GEN

24

62

וְיִצְחָק בָּא מִבּוֹא בְּאֵר לַחַי רֹאִ֑י וְהוּא יוֹשֵׁב בְּאֶרֶץ הַנֶּֽגֶב׃

Izak nu kwam, van daar men komt tot den put Lachai-roi; en hij woonde in het zuiderland.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

בֹּא

2

V-Qal-InfAbs

בוֹא

2

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וָבֹא

1

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וָבוֹא

1

V-Qal-InfAbs

בֹּ֬א

1

V-Qal-InfAbs

בֹא

1

V-Qal-InfAbs

בּוֹא

1

V-Qal-InfAbs

הֲבוֹא

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

37

10

וַיְסַפֵּר אֶל אָבִיו וְאֶל אֶחָיו֒ וַיִּגְעַר בּוֹ אָבִיו וַיֹּאמֶר לוֹ מָה הַחֲלוֹם הַזֶּה אֲשֶׁר חָלָ֑מְתָּ הֲבוֹא נָבוֹא אֲנִי וְאִמְּךָ וְאַחֶיךָ לְהִשְׁתַּחֲוֺת לְךָ אָֽרְצָה׃

En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?

LEV

14

48

וְאִם בֹּא יָבֹא הַכֹּהֵן וְרָאָה וְהִנֵּה לֹא פָשָׂה הַנֶּגַע בַּבַּיִת אַחֲרֵי הִטֹּחַ אֶת הַבָּ֑יִת וְטִהַר הַכֹּהֵן אֶת הַבַּיִת כִּי נִרְפָּא הַנָּֽגַע׃

Maar als de priester zal weder ingegaan zijn, en zal merken, dat, ziet, die plaag aan dat huis niet uitgespreid is, nadat het huis zal bestreken zijn; zo zal de priester dat huis rein verklaren, dewijl die plaag genezen is.

1SA

9

6

וַיֹּאמֶר לוֹ הִנֵּה נָא אִישׁ אֱלֹהִים בָּעִיר הַזֹּאת וְהָאִישׁ נִכְבָּד כֹּל אֲשֶׁר יְדַבֵּר בּוֹא יָב֑וֹא עַתָּה נֵלֲכָה שָּׁם אוּלַי יַגִּיד לָנוּ אֶת דַּרְכֵּנוּ אֲשֶׁר הָלַכְנוּ עָלֶֽיהָ׃

Hij daarentegen zeide tot hem: Zie toch, er is een man Gods in deze stad, en hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk; laat ons nu derwaarts gaan, misschien zal hij ons onzen weg aanwijzen, op denwelken wij gaan zullen.

1KI

22

30

וַיֹּאמֶר מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל אֶל יְהוֹשָׁפָט הִתְחַפֵּשׂ וָבֹא בַמִּלְחָמָה וְאַתָּה לְבַשׁ בְּגָדֶ֑יךָ וַיִּתְחַפֵּשׂ מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל וַיָּבוֹא בַּמִּלְחָמָֽה׃

En de koning van Israël zeide tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israël, en kwam in den strijd.

2CH

18

29

וַיֹּאמֶר מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל אֶל יְהוֹשָׁפָט הִתְחַפֵּשׂ וָבוֹא בַמִּלְחָמָה וְאַתָּה לְבַשׁ בְּגָדֶ֑יךָ וַיִּתְחַפֵּשׂ מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל וַיָּבֹאוּ בַּמִּלְחָמָֽה׃

En de koning van Israël zeide tot Josafat: Als ik mij versteld heb, zal ik in den strijd komen; maar gij, trek uw klederen aan. Alzo verstelde zich de koning van Israël, en zij kwamen in den strijd.

PSA

126

6

הָלוֹךְ יֵלֵךְ וּבָכֹה נֹשֵׂא מֶֽשֶׁךְ הַזָּרַע בֹּֽא יָבוֹא בְרִנָּ֑ה נֹשֵׂא אֲלֻמֹּתָֽיו׃

Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.

JER

36

29

וְעַל יְהוֹיָקִים מֶֽלֶךְ יְהוּדָה תֹּאמַר כֹּה אָמַר יְהוָ֑ה אַתָּה שָׂרַפְתָּ אֶת הַמְּגִלָּה הַזֹּאת לֵאמֹר מַדּוּעַ כָּתַבְתָּ עָלֶיהָ לֵאמֹר בֹּֽא יָבוֹא מֶֽלֶךְ בָּבֶל וְהִשְׁחִית אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת וְהִשְׁבִּית מִמֶּנָּה אָדָם וּבְהֵמָֽה׃ס

En tot Jojakim, den koning van Juda, zult gij zeggen: Zo zegt de Heere: Gij hebt deze rol verbrand, zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, zeggende: De koning van Babel zal zekerlijk komen, en dit land verderven, en maken, dat mens en beest daarin ophouden?

DAN

11

10

וּבְנוֹ יִתְגָּרוּ וְאָסְפוּ הֲמוֹן חֲיָלִים רַבִּים וּבָא בוֹא וְשָׁטַף וְעָבָ֑ר וְיָשֹׁב וְיִתְגָּרוּ עַד מָעֻזָּה׃

Doch zijn zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen een menigte van grote heiren verzamelen; en een van hen zal snellijk komen, en als een vloed overstromen en doortrekken; en hij zal wederom komen, en zich in den strijd mengen, tot aan zijn sterke plaats toe.

DAN

11

13

וְשָׁב מֶלֶךְ הַצָּפוֹן וְהֶעֱמִיד הָמוֹן רַב מִן הָרִאשׁ֑וֹן וּלְקֵץ הָֽעִתִּים שָׁנִים יָבוֹא בוֹא בְּחַיִל גָּדוֹל וּבִרְכוּשׁ רָֽב׃

Want de koning van het Noorden zal wederkeren, en hij zal een groter menigte dan de eerste was, oprichten; en aan het einde van de tijden der jaren, zal hij snellijk komen met een grote heirkracht, en met groot goed.

HAB

2

3

כִּי עוֹד חָזוֹן לַמּוֹעֵד וְיָפֵחַ לַקֵּץ וְלֹא יְכַזֵּ֑ב אִם יִתְמַהְמָהּ חַכֵּה לוֹ כִּֽי בֹא יָבֹא לֹא יְאַחֵֽר׃

Want het gezicht zal nog tot een bestemden tijd zijn, dan zal Hij het op het einde voortbrengen, en niet liegen; zo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisselijk komen, Hij zal niet achterblijven.