Vervoeging שָׁלַח

Strong H7971
Betekenis: zenden, sturen
Frequentie Qal: 563

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

שָׁלַח

67

וְשָׁלַח

2

קָטַל

3fs

שָׁלְחָה

4

וְשָׁלְחָה

1

קָֽטְלָה

2ms

שָׁלַחְתָּ

7

קָטַ֫לְתָּ

2fs

קָטַלְתְּ

1cs

שָׁלַחְתִּי

12

וְשָׁלַחְתִּי

4

קָטַ֫לְתִּי

3cp

שָׁלְחוּ

4

וְשָׁלְחוּ

2

קָטְלוּ

2mp

שְׁלַחְתֶּם

3

וּשְׁלַחְתֶּם

1

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

שָׁלָחְנוּ

1

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JOS

6

17

וְהָיְתָה הָעִיר חֵרֶם הִיא וְכָל אֲשֶׁר בָּהּ לַֽיהוָ֑ה רַק רָחָב הַזּוֹנָה תִּֽחְיֶה הִיא וְכָל אֲשֶׁר אִתָּהּ בַּבַּיִת כִּי הֶחְבְּאַתָה אֶת הַמַּלְאָכִים אֲשֶׁר שָׁלָֽחְנוּ׃

Doch deze stad zal den Heere verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft.

1KI

15

19

בְּרִית בֵּינִי וּבֵינֶךָ בֵּין אָבִי וּבֵין אָבִ֑יךָ הִנֵּה שָׁלַחְתִּֽי לְךָ שֹׁחַד כֶּסֶף וְזָהָב לֵךְ הָפֵרָה אֶת בְּרִֽיתְךָ אֶת בַּעְשָׁא מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל וְיַעֲלֶה מֵעָלָֽי׃

Er is een verbond tussen mij en tussen u, tussen mijn vader en tussen uw vader; zie, ik zend u een geschenk, zilver en goud; ga heen, maak uw verbond te niet met Baësa, den koning van Israël, dat hij aftrekke van tegen mij.

JER

42

9

וַיֹּאמֶר אֲלֵיהֶם כֹּֽה אָמַר יְהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵ֑ל אֲשֶׁר שְׁלַחְתֶּם אֹתִי אֵלָיו לְהַפִּיל תְּחִנַּתְכֶם לְפָנָֽיו׃

En hij zeide tot hen: Zo zegt de Heere, de God Israëls, tot Welken gij mij gezonden hebt, om uw smeking voor Zijn aangezicht neder te werpen:

PSA

50

19

פִּיךָ שָׁלַחְתָּ בְרָעָ֑ה וּלְשׁוֹנְךָ תַּצְמִיד מִרְמָֽה׃

Uw mond slaat gij in het kwade, en uw tong koppelt bedrog.

EST

9

15

וַיִּֽקָּהֲלוּ הַיְּהוּדִיִּים אֲשֶׁר בְּשׁוּשָׁן גַּם בְּיוֹם אַרְבָּעָה עָשָׂר לְחֹדֶשׁ אֲדָר וַיַּֽהַרְגוּ בְשׁוּשָׁן שְׁלֹשׁ מֵאוֹת אִ֑ישׁ וּבַבִּזָּה לֹא שָׁלְחוּ אֶת יָדָֽם׃

En de Joden, die te Susan waren, vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hun hand niet aan den roof.

1KI

21

11

וַיַּעֲשׂוּ אַנְשֵׁי עִירוֹ הַזְּקֵנִים וְהַחֹרִים אֲשֶׁר הַיֹּֽשְׁבִים בְּעִירוֹ כַּאֲשֶׁר שָׁלְחָה אֲלֵיהֶם אִיזָ֑בֶל כַּאֲשֶׁר כָּתוּב בַּסְּפָרִים אֲשֶׁר שָׁלְחָה אֲלֵיהֶֽם׃

En de mannen zijner stad, die oudsten en die edelen, die in zijn stad woonden, deden gelijk als Izebel tot hen gezonden had; gelijk als geschreven was in de brieven, die zij tot hen gezonden had.

JOB

28

9

בַּֽחַלָּמִישׁ שָׁלַח יָד֑וֹ הָפַךְ מִשֹּׁרֶשׁ הָרִֽים׃

Hij legt zijn hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

3

20

וְשָׁלַחְתִּי אֶת יָדִי וְהִכֵּיתִי אֶת מִצְרַיִם בְּכֹל נִפְלְאֹתַי אֲשֶׁר אֶֽעֱשֶׂה בְּקִרְבּ֑וֹ וְאַחֲרֵי כֵן יְשַׁלַּח אֶתְכֶֽם׃

Want Ik zal Mijn hand uitstrekken, en Egypte slaan met al Mijn wonderen, die Ik in het midden van hetzelve doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken.

2SA

15

36

הִנֵּה שָׁם עִמָּם שְׁנֵי בְנֵיהֶם אֲחִימַעַץ לְצָדוֹק וִיהוֹנָתָן לְאֶבְיָתָ֑ר וּשְׁלַחְתֶּם בְּיָדָם אֵלַי כָּל דָּבָר אֲשֶׁר תִּשְׁמָֽעוּ׃

Ziet, hun beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimaäz, Zadoks, en Jonathan, Abjathars zoon; zo zult gijlieden door hun hand tot mij zenden alle ding, dat gij zult horen.

DEU

19

12

וְשָֽׁלְחוּ זִקְנֵי עִירוֹ וְלָקְחוּ אֹתוֹ מִשָּׁ֑ם וְנָתְנוּ אֹתוֹ בְּיַד גֹּאֵל הַדָּם וָמֵֽת׃

Zo zullen de oudsten zijner stad zenden, en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve.

DEU

25

11

כִּֽי יִנָּצוּ אֲנָשִׁים יַחְדָּו אִישׁ וְאָחִיו וְקָֽרְבָה אֵשֶׁת הָֽאֶחָד לְהַצִּיל אֶת אִישָׁהּ מִיַּד מַכֵּ֑הוּ וְשָׁלְחָה יָדָהּ וְהֶחֱזִיקָה בִּמְבֻשָֽׁיו׃

Wanneer mannen, de een met den ander, twisten, en de vrouw des enen toetreedt, om haar man uit de hand desgenen, die hem slaat, te redden, en haar hand uitstrekt, en zijn schamelheid aangrijpt;

JER

25

4

וְשָׁלַח יְהוָה אֲלֵיכֶם אֶֽת כָּל עֲבָדָיו הַנְּבִאִים הַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ וְלֹא שְׁמַעְתֶּ֑ם וְלֹֽא הִטִּיתֶם אֶֽת אָזְנְכֶם לִשְׁמֹֽעַ׃

Ook heeft de Heere tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

שְׁלָחַנִי

24

3ms

שְׁלָחוֹ

11

3ms

שְׁלָחֲךָ

2

3ms

שְׁלָחֵךְ

1

3ms

שְׁלָחָם

1

3ms

שְׁלָחָנִי

1

3ms

שְׁלָחָנִיס

1

3ms

שְׁלָחָנוּ

1

2ms

שְׁלַחְתָּנִי

1

2ms

שְׁלַחְתָּנוּ

1

2ms

שָׁלָחְתָּ

1

1cs

שְׁלַחְתִּים

5

1cs

שְׁלַחְתִּיךָ

3

1cs

שְׁלַחְתִּיו

2

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JER

25

17

וָאֶקַּח אֶת הַכּוֹס מִיַּד יְהוָ֑ה וָֽאַשְׁקֶה אֶת כָּל הַגּוֹיִם אֲשֶׁר שְׁלָחַנִי יְהוָה אֲלֵיהֶֽם׃

En ik nam den beker van des Heeren hand, en ik gaf te drinken al den volken, tot welke de Heere mij gezonden had;

NUM

13

27

וַיְסַפְּרוּ לוֹ וַיֹּאמְרוּ בָּאנוּ אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר שְׁלַחְתָּ֑נוּ וְגַם זָבַת חָלָב וּדְבַשׁ הִוא וְזֶה פִּרְיָֽהּ׃

En zij vertelden hem, en zeiden: Wij zijn gekomen tot dat land, waarheen gij ons gezonden hebt; en voorwaar, het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijn vrucht.

ISA

55

11

כֵּן יִֽהְיֶה דְבָרִי אֲשֶׁר יֵצֵא מִפִּי לֹֽא יָשׁוּב אֵלַי רֵיקָ֑ם כִּי אִם עָשָׂה אֶת אֲשֶׁר חָפַצְתִּי וְהִצְלִיחַ אֲשֶׁר שְׁלַחְתִּֽיו׃

Alzo zal Mijn woord, dat uit Mijn mond uitgaat, ook zijn, het zal niet ledig tot Mij wederkeren; maar het zal doen, hetgeen Mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen, waartoe Ik het zende.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יִשְׁלַח

13

וַיִּשְׁלַח

189

וְיִשְׁלַח

2

יִקְטֹל

3fs

וַתִּשְׁלַח

9

תִּקְטֹל

2ms

תִּשְׁלַח

5

וַתִּשְׁלַח

1

תִּקְטֹל

2fs

תִּקְטְלִי

1cs

אֶשְׁלַח

9

וָאֶשְׁלַח

8

וְאֶשְׁלָחֲךָ

2

אֶקְטֹל

3mp

יִשְׁלְחוּ

1

וַיִּשְׁלְחוּ

25

יִקְטְלוּ

3fp

תִּשְׁלַחְנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תִּשְׁלְחוּ

2

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּשְׁלַחְנָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

24

7

יְהוָה אֱלֹהֵי הַשָּׁמַיִם אֲשֶׁר לְקָחַנִי מִבֵּית אָבִי וּמֵאֶרֶץ מֽוֹלַדְתִּי֒ וַאֲשֶׁר דִּבֶּר לִי וַאֲשֶׁר נִֽשְׁבַּֽע לִי לֵאמֹר לְזַרְעֲךָ אֶתֵּן אֶת הָאָרֶץ הַזֹּ֑את הוּא יִשְׁלַח מַלְאָכוֹ לְפָנֶיךָ וְלָקַחְתָּ אִשָּׁה לִבְנִי מִשָּֽׁם׃

De Heere, de God des hemels, Die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en Die tot mij gesproken heeft, en Die mij gezworen heeft, zeggende: Aan uw zaad zal Ik dit land geven! Die Zelf zal Zijn Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijn zoon van daar een vrouw neemt.

EXO

3

10

וְעַתָּה לְכָה וְאֶֽשְׁלָחֲךָ אֶל פַּרְעֹ֑ה וְהוֹצֵא אֶת עַמִּי בְנֵֽי יִשְׂרָאֵל מִמִּצְרָֽיִם׃

Zo kom nu, en Ik zal u tot Farao zenden, opdat gij Mijn volk (de kinderen Israëls) uit Egypte voert.

NUM

13

2

שְׁלַח לְךָ אֲנָשִׁים וְיָתֻרוּ אֶת אֶרֶץ כְּנַעַן אֲשֶׁר אֲנִי נֹתֵן לִבְנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל אִישׁ אֶחָד אִישׁ אֶחָד לְמַטֵּה אֲבֹתָיו תִּשְׁלָחוּ כֹּל נָשִׂיא בָהֶֽם׃

Zend u mannen uit: die het land Kanaän verspieden, hetwelk Ik den kinderen Israëls geven zal; van elken stam zijner vaderen zult gijlieden een man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.

DEU

2

26

וָאֶשְׁלַח מַלְאָכִים מִמִּדְבַּר קְדֵמוֹת אֶל סִיחוֹן מֶלֶךְ חֶשְׁבּ֑וֹן דִּבְרֵי שָׁלוֹם לֵאמֹֽר׃

Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemot tot Sihon, den koning van Hesbon, met woorden van vrede, zeggende:

1SA

9

16

כָּעֵת מָחָר אֶשְׁלַח אֵלֶיךָ אִישׁ מֵאֶרֶץ בִּנְיָמִן וּמְשַׁחְתּוֹ לְנָגִיד עַל עַמִּי יִשְׂרָאֵל וְהוֹשִׁיעַ אֶת עַמִּי מִיַּד פְּלִשְׁתִּ֑ים כִּי רָאִיתִי אֶת עַמִּי כִּי בָּאָה צַעֲקָתוֹ אֵלָֽי׃

Morgen omtrent dezen tijd zal Ik tot u zenden een man uit het land van Benjamin, dien zult gij ten voorganger zalven over Mijn volk Israël; en hij zal Mijn volk verlossen uit der Filistijnen hand, want Ik heb Mijn volk aangezien, dewijl deszelfs geroep tot Mij gekomen is.

2KI

2

17

וַיִּפְצְרוּ בוֹ עַד בֹּשׁ וַיֹּאמֶר שְׁלָ֑חוּ וַֽיִּשְׁלְחוּ חֲמִשִּׁים אִישׁ וַיְבַקְשׁוּ שְׁלֹשָֽׁה יָמִים וְלֹא מְצָאֻֽהוּ׃

Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe; en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.

2CH

2

3

וַיִּשְׁלַח שְׁלֹמֹה אֶל חוּרָם מֶֽלֶךְ צֹר לֵאמֹ֑ר כַּאֲשֶׁר עָשִׂיתָ עִם דָּוִיד אָבִי וַתִּֽשְׁלַֽח לוֹ אֲרָזִים לִבְנֽוֹת לוֹ בַיִת לָשֶׁבֶת בּֽוֹ׃

En Salomo zond tot Huram, den koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij met waren mijn vader David gedaan hebt, en hebt hem cederen gezonden, om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zo doe ook met mij.

2CH

35

21

וַיִּשְׁלַח אֵלָיו מַלְאָכִים לֵאמֹר מַה לִּי וָלָךְ מֶלֶךְ יְהוּדָה לֹא עָלֶיךָ אַתָּה הַיּוֹם כִּי אֶל בֵּית מִלְחַמְתִּי וֵאלֹהִים אָמַר לְבַֽהֲלֵ֑נִי חֲדַל לְךָ מֵאֱלֹהִים אֲשֶׁר עִמִּי וְאַל יַשְׁחִיתֶֽךָ׃

Toen zond hij boden tot hem, zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij, koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis, dat oorlog voert tegen mij; en God heeft gezegd, dat ik mij haasten zou; houd u af van God, Die met mij is, opdat Hij u niet verderve.

NEH

2

5

וָאֹמַר לַמֶּלֶךְ אִם עַל הַמֶּלֶךְ טוֹב וְאִם יִיטַב עַבְדְּךָ לְפָנֶ֑יךָ אֲשֶׁר תִּשְׁלָחֵנִי אֶל יְהוּדָה אֶל עִיר קִבְרוֹת אֲבֹתַי וְאֶבְנֶֽנָּה׃

En ik zeide tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.

EST

4

4

וַתָּבוֹאינָה נַעֲרוֹת אֶסְתֵּר וְסָרִיסֶיהָ וַיַּגִּידוּ לָהּ וַתִּתְחַלְחַל הַמַּלְכָּה מְאֹ֑ד וַתִּשְׁלַח בְּגָדִים לְהַלְבִּישׁ אֶֽת מָרְדֳּכַי וּלְהָסִיר שַׂקּוֹ מֵעָלָיו וְלֹא קִבֵּֽל׃

Toen kwamen Esthers jonge dochters en haar kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de koningin zeer wee; en zij zond klederen om Mordechai aan te doen, en zijn zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.

PSA

125

3

כִּי לֹא יָנוּחַ שֵׁבֶט הָרֶשַׁע עַל גּוֹרַל הַֽצַּדִּיקִים לְמַעַן לֹא יִשְׁלְחוּ הַצַּדִּיקִים בְּעַוְלָתָה יְדֵיהֶֽם׃

Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen; opdat de rechtvaardigen hun handen niet uitstrekken tot onrecht.

EZE

23

40

וְאַף כִּי תִשְׁלַחְנָה לַֽאֲנָשִׁים בָּאִים מִמֶּרְחָ֑ק אֲשֶׁר מַלְאָךְ שָׁלוּחַ אֲלֵיהֶם וְהִנֵּה בָאוּ לַאֲשֶׁר רָחַצְתְּ כָּחַלְתְּ עֵינַיִךְ וְעָדִית עֶֽדִי׃

Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot dewelken als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor dewelken gij u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierdet;

DAN

11

42

וְיִשְׁלַח יָדוֹ בַּאֲרָצ֑וֹת וְאֶרֶץ מִצְרַיִם לֹא תִהְיֶה לִפְלֵיטָֽה׃

En hij zal zijn hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen.

OBA

1

13

אַל תָּבוֹא בְשַֽׁעַר עַמִּי בְּיוֹם אֵידָם אַל תֵּרֶא גַם אַתָּה בְּרָעָתוֹ בְּיוֹם אֵיד֑וֹ וְאַל תִּשְׁלַחְנָה בְחֵילוֹ בְּיוֹם אֵידֽוֹ׃

Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

1

22

וַתִּקְרְבוּן אֵלַי כֻּלְּכֶם֒ וַתֹּאמְרוּ נִשְׁלְחָה אֲנָשִׁים לְפָנֵינוּ וְיַחְפְּרוּ לָנוּ אֶת הָאָ֑רֶץ וְיָשִׁבוּ אֹתָנוּ דָּבָר אֶת הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר נַעֲלֶה בָּהּ וְאֵת הֶֽעָרִים אֲשֶׁר נָבֹא אֲלֵיהֶֽן׃

Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezicht heenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zullen, en tot wat steden wij komen zullen.

1SA

11

3

וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו זִקְנֵי יָבֵישׁ הֶרֶף לָנוּ שִׁבְעַת יָמִים וְנִשְׁלְחָה מַלְאָכִים בְּכֹל גְּבוּל יִשְׂרָאֵ֑ל וְאִם אֵין מוֹשִׁיעַ אֹתָנוּ וְיָצָאנוּ אֵלֶֽיךָ׃

Toen zeiden tot hem de oudsten Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in al de landpalen van Israël; is er dan niemand, die ons verlost, zo zullen wij tot u uitgaan.

2SA

14

32

וַיֹּאמֶר אַבְשָׁלוֹם אֶל יוֹאָב הִנֵּה שָׁלַחְתִּי אֵלֶיךָ לֵאמֹר בֹּא הֵנָּה וְאֶשְׁלְחָה אֹתְךָ אֶל הַמֶּלֶךְ לֵאמֹר לָמָּה בָּאתִי מִגְּשׁוּר טוֹב לִי עֹד אֲנִי שָׁ֑ם וְעַתָּה אֶרְאֶה פְּנֵי הַמֶּלֶךְ וְאִם יֶשׁ בִּי עָוֺן וֶהֱמִתָֽנִי׃

En Absalom zeide tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot den koning zende, om te zeggen: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het ware mij goed, dat ik nog daar ware; nu dan, laat mij het aangezicht des konings zien; is er dan nog een misdaad in mij, zo dode hij mij.

2KI

5

5

וַיֹּאמֶר מֶֽלֶךְ אֲרָם לֶךְ בֹּא וְאֶשְׁלְחָה סֵפֶר אֶל מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵ֑ל וַיֵּלֶךְ וַיִּקַּח בְּיָדוֹ עֶשֶׂר כִּכְּרֵי כֶסֶף וְשֵׁשֶׁת אֲלָפִים זָהָב וְעֶשֶׂר חֲלִיפוֹת בְּגָדִֽים׃

Toen zeide de koning van Syrië: Ga heen, kom, en ik zal een brief aan den koning van Israël zenden. En hij ging heen, en nam in zijn hand tien talenten zilvers, en zes duizend sikkelen gouds, en tien wisselklederen.

2KI

7

13

וַיַּעַן אֶחָד מֵעֲבָדָיו וַיֹּאמֶר וְיִקְחוּ נָא חֲמִשָּׁה מִן הַסּוּסִים הַֽנִּשְׁאָרִים אֲשֶׁר נִשְׁאֲרוּ בָהּ֒ הִנָּם כְּכָל הֶהָמוֹן יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר נִשְׁאֲרוּ בָהּ הִנָּם כְּכָל הֲמוֹן יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר תָּ֑מּוּ וְנִשְׁלְחָה וְנִרְאֶֽה׃

Toen antwoordde een van zijn knechten, en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden, die hierbinnen overgebleven zijn ( zie, zij zijn als de gehele menigte der Israëlieten, die hierbinnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de gehele menigte der Israëlieten, die vergaan zijn), laat ons die zenden, en zien.

1CH

13

2

וַיֹּאמֶר דָּוִיד לְכֹל קְהַל יִשְׂרָאֵל אִם עֲלֵיכֶם טוֹב וּמִן יְהוָה אֱלֹהֵינוּ נִפְרְצָה נִשְׁלְחָה עַל אַחֵינוּ הַנִּשְׁאָרִים בְּכֹל אַרְצוֹת יִשְׂרָאֵל וְעִמָּהֶם הַכֹּהֲנִים וְהַלְוִיִּם בְּעָרֵי מִגְרְשֵׁיהֶ֑ם וְיִקָּבְצוּ אֵלֵֽינוּ׃

En David zeide tot de ganse gemeente van Israël: Indiën het ulieden goeddunkt, en van den Heere, onzen God, te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders, in alle landen van Israël, en de priesters en Levieten, die met hen zijn in de steden, met haar voorsteden, opdat zij tot ons vergaderd worden.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

שְׁלַח

14

קְטֹל

fs

קִטְלִי

mp

שִׁלְחוּ

7

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

4

4

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה שְׁלַח יָֽדְךָ וֶאֱחֹז בִּזְנָב֑וֹ וַיִּשְׁלַח יָדוֹ וַיַּחֲזֶק בּוֹ וַיְהִי לְמַטֶּה בְּכַפּֽוֹ׃

Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uw hand uit, en grijp haar bij haar staart! Toen strekte hij zijn hand uit, en vatte haar, en zij werd tot een staf in zijn hand.

1SA

20

31

כִּי כָל הַיָּמִים אֲשֶׁר בֶּן יִשַׁי חַי עַל הָאֲדָמָה לֹא תִכּוֹן אַתָּה וּמַלְכוּתֶ֑ךָ וְעַתָּה שְׁלַח וְקַח אֹתוֹ אֵלַי כִּי בֶן מָוֶת הֽוּא׃ס

Want al de dagen, die de zoon van Isaï op den aardbodem leven zal, zo zult gij noch uw koninkrijk bevestigd worden; nu dan, schik heen, en haal hem tot mij, want hij is een kind des doods.

JER

2

10

כִּי עִבְרוּ אִיֵּי כִתִּיִּים וּרְאוּ וְקֵדָר שִׁלְחוּ וְהִֽתְבּוֹנְנוּ מְאֹ֑ד וּרְאוּ הֵן הָיְתָה כָּזֹֽאת׃

Want, gaat over in de eilanden der Chitteers, en ziet toe, en zendt naar Kedar, en merkt er wel op; en ziet, of diesgelijks geschied zij?

JOE

3

13

שִׁלְחוּ מַגָּל כִּי בָשַׁל קָצִ֑יר בֹּאֽוּ רְדוּ כִּֽי מָלְאָה גַּת הֵשִׁיקוּ הַיְקָבִים כִּי רַבָּה רָעָתָֽם׃

Slaat de sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol, en de perskuipen lopen over; want hunlieder boosheid is groot.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

שֹׁלֵחַ

15

קֹטֵל

fs

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

שֹׁלְחִים

2

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הַשֹּׁלֵחַ

5

fs

mp

fp

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

שׁוֹלֵחַ

2

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

לְשֹׁלְחָיו

2

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cs

cs

שֹׁלְחִי

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְשֹׁלֵחַ

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms

ms

לְשֹׁלְחֶיךָ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

ms

שָׁלוּחַ

4

קָטוּל

V-Qal-QalPassPrtcpl-fs

fs

שְׁלֻחָה

1

קְטוּלָה

V-Qal-QalPassPrtcpl-fs

fs

שְׁלוּחָה

2

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

32

18

וְאָֽמַרְתָּ לְעַבְדְּךָ לְיַעֲקֹב מִנְחָה הִוא שְׁלוּחָה לַֽאדֹנִי לְעֵשָׂ֑ו וְהִנֵּה גַם הוּא אַחֲרֵֽינוּ׃

Zo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uw knecht Jakob, gezonden tot mijn heer, tot Ezau, en zie, hij zelf is ook achter ons!

GEN

49

21

נַפְתָּלִי אַיָּלָה שְׁלֻחָ֑ה הַנֹּתֵן אִמְרֵי שָֽׁפֶר׃ס

Nafthali is een losgelaten hinde; hij geeft schone woorden.

1KI

14

6

וַיְהִי כִשְׁמֹעַ אֲחִיָּהוּ אֶת קוֹל רַגְלֶיהָ בָּאָה בַפֶּתַח וַיֹּאמֶר בֹּאִי אֵשֶׁת יָרָבְעָ֑ם לָמָּה זֶּה אַתְּ מִתְנַכֵּרָה וְאָנֹכִי שָׁלוּחַ אֵלַיִךְ קָשָֽׁה׃

En het geschiedde, als Ahia het geruis harer voeten hoorde, toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw van Jerobeam! Waarom stelt gij u dus vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met een harde boodschap.

JER

49

14

שְׁמוּעָה שָׁמַעְתִּי מֵאֵת יְהוָה וְצִיר בַּגּוֹיִם שָׁל֑וּחַ הִֽתְקַבְּצוּ וּבֹאוּ עָלֶיהָ וְקוּמוּ לַמִּלְחָמָֽה׃

Ik heb een gerucht gehoord van den Heere, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde.

EZE

2

9

וָאֶרְאֶה וְהִנֵּה יָד שְׁלוּחָה אֵלָ֑י וְהִנֵּה בוֹ מְגִלַּת סֵֽפֶר׃

Toen zag ik, en ziet, er was een hand tot mij uitgestoken; en ziet, daarin was de rol eens boeks.

EZE

3

5

כִּי לֹא אֶל עַם עִמְקֵי שָׂפָה וְכִבְדֵי לָשׁוֹן אַתָּה שָׁל֑וּחַ אֶל בֵּית יִשְׂרָאֵֽל׃

Want gij zijt niet gezonden tot een volk, diep van spraak en zwaar van tong, maar tot het huis Israëls;

EZE

23

40

וְאַף כִּי תִשְׁלַחְנָה לַֽאֲנָשִׁים בָּאִים מִמֶּרְחָ֑ק אֲשֶׁר מַלְאָךְ שָׁלוּחַ אֲלֵיהֶם וְהִנֵּה בָאוּ לַאֲשֶׁר רָחַצְתְּ כָּחַלְתְּ עֵינַיִךְ וְעָדִית עֶֽדִי׃

Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen, die van verre zouden komen; tot dewelken als een bode gezonden was, ziet, zo kwamen zij, voor dewelken gij u wiest, uw ogen blankettet en u met sieraad versierdet;

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לִשְׁלֹחַ

10

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּשְׁלֹחַ

3

V-Qal-Inf

שְׁלֹחַ

2

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf

וּבִשְׁלֹחַ

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּשְׁלֹח

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בְּשָׁלְחִי

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לִשְׁלֹח‪‬

1

Prep-m | V-Qal-Inf

מִשְּׁלֹחַ

1

V-Qal-Inf

שְׁלַח

1

V-Qal-Inf | 2ms

שָׁלְחֶךָ

1

V-Qal-Inf | 3ms

שִׁלְחוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

38

17

וַיֹּאמֶר אָנֹכִי אֲשַׁלַּח גְּדִֽי עִזִּים מִן הַצֹּ֑אן וַתֹּאמֶר אִם תִּתֵּן עֵרָבוֹן עַד שָׁלְחֶֽךָ׃

En hij zeide: Ik zal u een geitenbok van de kudde zenden. En zij zeide: Zo gij pand zult geven, totdat gij hem zendt.

NUM

22

15

וַיֹּסֶף עוֹד בָּלָ֑ק שְׁלֹחַ שָׂרִים רַבִּים וְנִכְבָּדִים מֵאֵֽלֶּה׃

Doch Balak voer nog voort vorsten te zenden, meer en eerlijker, dan die waren;

NUM

32

8

כֹּה עָשׂוּ אֲבֹתֵיכֶ֑ם בְּשָׁלְחִי אֹתָם מִקָּדֵשׁ בַּרְנֵעַ לִרְאוֹת אֶת הָאָֽרֶץ׃

Zo deden uw vaders, als ik hen van Kades-barnea zond, om dit land te bezien.

DEU

9

23

וּבִשְׁלֹחַ יְהוָה אֶתְכֶם מִקָּדֵשׁ בַּרְנֵעַ לֵאמֹר עֲלוּ וּרְשׁוּ אֶת הָאָרֶץ אֲשֶׁר נָתַתִּי לָכֶ֑ם וַתַּמְרוּ אֶת פִּי יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם וְלֹא הֶֽאֱמַנְתֶּם לוֹ וְלֹא שְׁמַעְתֶּם בְּקֹלֽוֹ׃

Voorts als de Heere ulieden zond uit Kades-barnea, zeggende: Gaat op en erft dat land, dat Ik u gegeven heb; zo waart gij den mond des Heeren, uws Gods, wederspannig, en geloofdet Hem niet, en waart Zijn stem niet gehoorzaam.

JOS

14

7

בֶּן אַרְבָּעִים שָׁנָה אָנֹכִי בִּשְׁלֹחַ מֹשֶׁה עֶֽבֶד יְהוָה אֹתִי מִקָּדֵשׁ בַּרְנֵעַ לְרַגֵּל אֶת הָאָ֑רֶץ וָאָשֵׁב אֹתוֹ דָּבָר כַּאֲשֶׁר עִם לְבָבִֽי׃

Ik was veertig jaren oud, toen Mozes, de knecht des Heeren, mij uitgezonden heeft van Kades-barnea, om het land te verspieden, en ik hem antwoord bracht, gelijk als het in mijn hart was.

JOS

14

11

עוֹדֶנִּי הַיּוֹם חָזָק כַּֽאֲשֶׁר בְּיוֹם שְׁלֹחַ אוֹתִי מֹשֶׁה כְּכֹחִי אָז וּכְכֹחִי עָ֑תָּה לַמִּלְחָמָה וְלָצֵאת וְלָבֽוֹא׃

Ik ben nog heden zo sterk, gelijk als ik was ten dage, toen Mozes mij uitzond; gelijk mijn kracht toen was, alzo is nu mijn kracht, tot den oorlog, en om uit te gaan, en om in te gaan.

1SA

22

17

וַיֹּאמֶר הַמֶּלֶךְ לָרָצִים הַנִּצָּבִים עָלָיו סֹבּוּ וְהָמִיתוּ כֹּהֲנֵי יְהוָה כִּי גַם יָדָם עִם דָּוִד וְכִי יָֽדְעוּ כִּֽי בֹרֵחַ הוּא וְלֹא גָלוּ אֶת אָזְנוֹ וְלֹֽא אָבוּ עַבְדֵי הַמֶּלֶךְ לִשְׁלֹחַ אֶת יָדָם לִפְגֹעַ בְּכֹהֲנֵי יְהוָֽה׃ס

En de koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u, en doodt de priesters des Heeren, omdat hun hand ook met David is, en omdat zij geweten hebben, dat hij vluchtte, en hebben het voor mijn oren niet geopenbaard. Doch de knechten des konings wilden hun hand niet uitsteken, om op de priesters des Heeren aan te vallen.

1SA

24

6

וַיֹּאמֶר לַאֲנָשָׁיו חָלִילָה לִּי מֵֽיהוָה אִם אֶעֱשֶׂה אֶת הַדָּבָר הַזֶּה לַֽאדֹנִי לִמְשִׁיחַ יְהוָה לִשְׁלֹחַ יָדִי בּ֑וֹ כִּֽי מְשִׁיחַ יְהוָה הֽוּא׃

[024:7] En hij zeide tot zijn mannen: Dat late de Heere ver van mij zijn, dat ik die zaak doen zou aan mijn heer, den gezalfde des Heeren, dat ik mijn hand tegen hem uitsteken zou; want hij is de gezalfde des Heeren!

1SA

26

11

חָלִילָה לִּי מֵֽיהוָה מִשְּׁלֹחַ יָדִי בִּמְשִׁיחַ יְהוָ֑ה וְעַתָּה קַח נָא אֶֽת הַחֲנִית אֲשֶׁר מְרַאֲשֹׁתוֹ וְאֶת צַפַּחַת הַמַּיִם וְנֵלֲכָה לָּֽנוּ׃

De Heere late het verre van mij zijn, dat ik mijn hand legge aan den gezalfde des Heeren! zo neem toch nu de spies, die aan zijn hoofdeinde is, en de waterfles, en laat ons gaan.

1SA

26

23

וַֽיהוָה יָשִׁיב לָאִישׁ אֶת צִדְקָתוֹ וְאֶת אֱמֻנָת֑וֹ אֲשֶׁר נְתָנְךָ יְהוָה הַיּוֹם בְּיָד וְלֹא אָבִיתִי לִשְׁלֹחַ יָדִי בִּמְשִׁיחַ יְהוָֽה׃

De Heere dan vergelde aan een iegelijk zijn gerechtigheid en zijn getrouwheid; want de Heere had u heden in mijn hand gegeven; maar ik heb mijn hand niet willen uitsteken, aan den gezalfde des Heeren.

PARSING

HEBR

COUNT

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְשָׁלֹחַ

6

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְשָׁלוֹחַ

1

V-Qal-InfAbs

שָׁלֹחַ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NUM

22

37

וַיֹּאמֶר בָּלָק אֶל בִּלְעָם הֲלֹא שָׁלֹחַ שָׁלַחְתִּי אֵלֶיךָ לִקְרֹא לָךְ לָמָּה לֹא הָלַכְתָּ אֵלָ֑י הַֽאֻמְנָם לֹא אוּכַל כַּבְּדֶֽךָ׃

En Balak zeide tot Bileam: Heb ik niet ernstiglijk tot u gezonden, om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren?

2CH

36

15

וַיִּשְׁלַח יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבוֹתֵיהֶם עֲלֵיהֶם בְּיַד מַלְאָכָיו הַשְׁכֵּם וְשָׁל֑וֹחַ כִּֽי חָמַל עַל עַמּוֹ וְעַל מְעוֹנֽוֹ׃

En de Heere, de God hunner vaderen, zond tot hen, door de hand Zijner boden, vroeg op zijnde, om die te zenden; want Hij verschoonde Zijn volk en Zijn woning.

JER

7

25

לְמִן הַיּוֹם אֲשֶׁר יָצְאוּ אֲבֽוֹתֵיכֶם מֵאֶרֶץ מִצְרַיִם עַד הַיּוֹם הַזֶּ֑ה וָאֶשְׁלַח אֲלֵיכֶם אֶת כָּל עֲבָדַי הַנְּבִיאִים יוֹם הַשְׁכֵּם וְשָׁלֹֽחַ׃

Van dien dag af, dat uw vaders uit Egypteland zijn uitgegaan, tot op dezen dag, zo heb Ik tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende.

JER

25

4

וְשָׁלַח יְהוָה אֲלֵיכֶם אֶֽת כָּל עֲבָדָיו הַנְּבִאִים הַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ וְלֹא שְׁמַעְתֶּ֑ם וְלֹֽא הִטִּיתֶם אֶֽת אָזְנְכֶם לִשְׁמֹֽעַ׃

Ook heeft de Heere tot u gezonden al Zijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende (maar gij hebt niet gehoord, noch uw oor geneigd om te horen);

JER

26

5

לִשְׁמֹעַ עַל דִּבְרֵי עֲבָדַי הַנְּבִאִים אֲשֶׁר אָנֹכִי שֹׁלֵחַ אֲלֵיכֶ֑ם וְהַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ וְלֹא שְׁמַעְתֶּֽם׃

Horende naar de woorden Mijner knechten, de profeten, die Ik tot u zende, zelfs vroeg op zijnde en zendende; doch gij niet gehoord hebt;

JER

29

19

תַּחַת אֲשֶֽׁר לֹא שָׁמְעוּ אֶל דְּבָרַי נְאֻם יְהוָ֑ה אֲשֶׁר שָׁלַחְתִּי אֲלֵיהֶם אֶת עֲבָדַי הַנְּבִאִים הַשְׁכֵּם וְשָׁלֹחַ וְלֹא שְׁמַעְתֶּם נְאֻם יְהוָֽה׃

Omdat zij naar Mijn woorden niet gehoord hebben, spreekt de Heere, als Ik Mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg op zijnde en zendende; maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de Heere.

JER

35

15

וָאֶשְׁלַח אֲלֵיכֶם אֶת כָּל עֲבָדַי הַנְּבִאִים הַשְׁכֵּים וְשָׁלֹחַ לֵאמֹר שֻׁבוּ נָא אִישׁ מִדַּרְכּוֹ הָרָעָה וְהֵיטִיבוּ מַֽעַלְלֵיכֶם וְאַל תֵּלְכוּ אַחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים לְעָבְדָם וּשְׁבוּ אֶל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר נָתַתִּי לָכֶם וְלַאֲבֹֽתֵיכֶ֑ם וְלֹא הִטִּיתֶם אֶֽת אָזְנְכֶם וְלֹא שְׁמַעְתֶּם אֵלָֽי׃

En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert u toch, een iegelijk van zijn bozen weg, en maakt uw handelingen goed, en wandelt andere goden niet na, om hen te dienen, zo zult gij in het land blijven, dat Ik u en uw vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd, en naar Mij niet gehoord.

JER

44

4

וָאֶשְׁלַח אֲלֵיכֶם אֶת כָּל עֲבָדַי הַנְּבִיאִים הַשְׁכֵּים וְשָׁלֹחַ לֵאמֹ֑ר אַל נָא תַעֲשׂוּ אֵת דְּבַֽר הַתֹּעֵבָה הַזֹּאת אֲשֶׁר שָׂנֵֽאתִי׃

En Ik heb tot u gezonden al Mijn knechten, de profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Doet toch deze gruwelijke zaak niet, die Ik haat.