PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | עָבַר | 25 | וְעָבַר | 21 | קָטַל |
3fs | עָבְרָה | 5 | וְעָבְרָה | 1 | קָֽטְלָה |
2ms | עָבַרְתָּ | 2 | וְעָבַרְתָּ | 1 | קָטַ֫לְתָּ |
2fs | קָטַלְתְּ | ||||
1cs | עָבַרְתִּי | 5 | וְעָבַרְתִּי | 1 | קָטַ֫לְתִּי |
3cp | עָבְרוּ | 26 | וְעָבְרוּ | 2 | קָטְלוּ |
2mp | עֲבַרְתֶּם | 3 | וַעֲבַרְתֶּם | 1 | קְטַלְתֶּם |
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | עָבַרְנוּ | 4 | וְעָבַרְנוּ | 1 | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging עָבַר
Strong H5674
Betekenis: oversteken, passeren
Frequentie Qal: 461
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
NUM | 13 | 32 | וַיּוֹצִיאוּ דִּבַּת הָאָרֶץ אֲשֶׁר תָּרוּ אֹתָהּ אֶל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל לֵאמֹ֑ר הָאָרֶץ אֲשֶׁר עָבַרְנוּ בָהּ לָתוּר אֹתָהּ אֶרֶץ אֹכֶלֶת יוֹשְׁבֶיהָ הִוא וְכָל הָעָם אֲשֶׁר רָאִינוּ בְתוֹכָהּ אַנְשֵׁי מִדּֽוֹת׃ | Alzo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land, dat zij verspied hadden, aan de kinderen Israëls, zeggende: Dat land, door hetwelk wij doorgegaan zijn, om het te verspieden, is een land, dat zijn inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het midden van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van grote lengte. |
HOS | 10 | 11 | וְאֶפְרַיִם עֶגְלָה מְלֻמָּדָה אֹהַבְתִּי לָדוּשׁ וַאֲנִי עָבַרְתִּי עַל טוּב צַוָּארָ֑הּ אַרְכִּיב אֶפְרַיִם יַחֲרוֹשׁ יְהוּדָה יְשַׂדֶּד לוֹ יַעֲקֹֽב׃ | Dewijl Efraïm een vaars is, gewend gaarne te dorsen, zo ben Ik over de schoonheid van haar hals overgegaan; Ik zal Efraïm berijden, Juda zal ploegen, Jakob zal voor zich eggen. |
DEU | 29 | 16 | כִּֽי אַתֶּם יְדַעְתֶּם אֵת אֲשֶׁר יָשַׁבְנוּ בְּאֶרֶץ מִצְרָ֑יִם וְאֵת אֲשֶׁר עָבַרְנוּ בְּקֶרֶב הַגּוֹיִם אֲשֶׁר עֲבַרְתֶּֽם׃ | Want gij weet, hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoe wij doorgetogen zijn door het midden der volken, die gij doorgetogen zijt. |
2SA | 15 | 33 | וַיֹּאמֶר לוֹ דָּוִ֑ד אִם עָבַרְתָּ אִתִּי וְהָיִתָ עָלַי לְמַשָּֽׂא׃ | En David zeide tot hem: Zo gij met mij voortgaat, zo zult gij mij tot een last zijn; |
JER | 5 | 28 | שָׁמְנוּ עָשְׁתוּ גַּם עָֽבְרוּ דִבְרֵי רָע דִּין לֹא דָנוּ דִּין יָתוֹם וְיַצְלִ֑יחוּ וּמִשְׁפַּט אֶבְיוֹנִים לֹא שָׁפָֽטוּ׃ | Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet. |
JOB | 30 | 15 | הָהְפַּךְ עָלַי בַּלָּהוֹת תִּרְדֹּף כָּרוּחַ נְדִבָתִ֑י וּכְעָב עָבְרָה יְשֻׁעָתִֽי׃ | Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd; elk een vervolgt als een wind mijn edele ziel, en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan. |
1KI | 22 | 24 | וַיִּגַּשׁ צִדְקִיָּהוּ בֶֽן כְּנַעֲנָה וַיַּכֶּה אֶת מִיכָיְהוּ עַל הַלֶּ֑חִי וַיֹּאמֶר אֵי זֶה עָבַר רֽוּחַ יְהוָה מֵאִתִּי לְדַבֵּר אוֹתָֽךְ׃ | Toen trad Zedekia, de zoon van Kenaana, toe, en sloeg Micha op het kinnebakken; en hij zeide: Door wat weg is de geest des Heeren van mij doorgegaan, om u aan te spreken? |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
JDG | 19 | 12 | וַיֹּאמֶר אֵלָיו אֲדֹנָיו לֹא נָסוּר אֶל עִיר נָכְרִי אֲשֶׁר לֹֽא מִבְּנֵי יִשְׂרָאֵל הֵ֑נָּה וְעָבַרְנוּ עַד גִּבְעָֽה׃ | Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen Israëls; maar wij zullen voorttrekken tot Gibea toe. |
EXO | 12 | 12 | וְעָבַרְתִּי בְאֶֽרֶץ מִצְרַיִם בַּלַּיְלָה הַזֶּה֒ וְהִכֵּיתִי כָל בְּכוֹר בְּאֶרֶץ מִצְרַיִם מֵאָדָם וְעַד בְּהֵמָ֑ה וּבְכָל אֱלֹהֵי מִצְרַיִם אֶֽעֱשֶׂה שְׁפָטִים אֲנִי יְהוָֽה׃ | Want Ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan, en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de mensen af tot de beesten toe; en Ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egyptenaren, Ik, de Heere! |
DEU | 12 | 10 | וַעֲבַרְתֶּם אֶת הַיַּרְדֵּן֒ וִֽישַׁבְתֶּם בָּאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם מַנְחִיל אֶתְכֶ֑ם וְהֵנִיחַ לָכֶם מִכָּל אֹיְבֵיכֶם מִסָּבִיב וִֽישַׁבְתֶּם בֶּֽטַח׃ | Maar gij zult over de Jordaan gaan, en wonen in het land, dat u de Heere, uw God, zal doen erven; en Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom, en gij zult zeker wonen. |
1KI | 2 | 37 | וְהָיָה בְּיוֹם צֵאתְךָ וְעָֽבַרְתָּ אֶת נַחַל קִדְרוֹן יָדֹעַ תֵּדַע כִּי מוֹת תָּמ֑וּת דָּמְךָ יִהְיֶה בְרֹאשֶֽׁךָ׃ | Want het zal geschieden ten dage van uw uitgaan, als gij over de beek Kidron zult gaan, weet voorzeker, dat gij den dood sterven zult; uw bloed zal op uw hoofd zijn. |
EZE | 39 | 15 | וְעָבְרוּ הָעֹֽבְרִים בָּאָרֶץ וְרָאָה עֶצֶם אָדָם וּבָנָה אֶצְלוֹ צִיּ֑וּן עַד קָבְרוּ אֹתוֹ הַֽמְקַבְּרִים אֶל גֵּיא הֲמוֹן גּֽוֹג׃ | En deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een mensenbeen ziet, zo zal hij een merkteken daarbij oprichten; totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte. |
2SA | 19 | 18 | וְעָבְרָה הָעֲבָרָה לַֽעֲבִיר אֶת בֵּית הַמֶּלֶךְ וְלַעֲשׂוֹת הַטּוֹב בְּעֵינוֹ וְשִׁמְעִי בֶן גֵּרָא נָפַל לִפְנֵי הַמֶּלֶךְ בְּעָבְרוֹ בַּיַּרְדֵּֽן׃ | Als nu de pont overvoer, om het huis des konings over te halen, en te doen, wat goed was in zijn ogen, zo viel Simeï, de zoon van Gera, neder voor het aangezicht des konings, als hij over de Jordaan voer; |
JOS | 15 | 7 | וְעָלָה הַגְּבוּל דְּבִרָה מֵעֵמֶק עָכוֹר֒ וְצָפוֹנָה פֹּנֶה אֶל הַגִּלְגָּל אֲשֶׁר נֹכַח לְמַעֲלֵה אֲדֻמִּים אֲשֶׁר מִנֶּגֶב לַנָּ֑חַל וְעָבַר הַגְּבוּל אֶל מֵי עֵין שֶׁמֶשׁ וְהָיוּ תֹצְאֹתָיו אֶל עֵין רֹגֵֽל׃ | Verder zal deze landpale opgaan naar Debir, van het dal van Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Adummim is, die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-semes, en haar uitgangen zullen wezen te En-rogel. |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|---|---|---|---|
3ms | עָבָר | 5 | ||
3ms | עֲבָרוֹ | 1 | ||
1cs | שֶׁעָבַרְתִּי | 1 | ||
3cp | עָבָרוּ | 2 | ||
3ms | וְעָבָר | 3 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
HAB | 3 | 10 | רָאוּךָ יָחִילוּ הָרִים זֶרֶם מַיִם עָבָ֑ר נָתַן תְּהוֹם קוֹלוֹ רוֹם יָדֵיהוּ נָשָֽׂא׃ | De bergen zagen U, en leden smart; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijn stem, hij hief zijn zijden op in de hoogte. |
SNG | 3 | 4 | כִּמְעַט שֶׁעָבַרְתִּי מֵהֶם עַד שֶֽׁמָּצָאתִי אֵת שֶׁאָהֲבָה נַפְשִׁ֑י אֲחַזְתִּיו וְלֹא אַרְפֶּנּוּ עַד שֶׁהֲבֵיאתִיו אֶל בֵּית אִמִּי וְאֶל חֶדֶר הוֹרָתִֽי׃ | Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik Hem, Dien mijn ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en liet Hem niet gaan, totdat ik Hem in mijner moeders huis gebracht had, en in de binnenste kamer van degene, die mij gebaard heeft. |
JON | 2 | 3 | וַתַּשְׁלִיכֵנִי מְצוּלָה בִּלְבַב יַמִּים וְנָהָר יְסֹבְבֵ֑נִי כָּל מִשְׁבָּרֶיךָ וְגַלֶּיךָ עָלַי עָבָֽרוּ׃ | Want Gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart der zeeën, en de stroom omving mij; al Uw baren en Uw golven gingen over mij henen. |
DAN | 11 | 40 | וּבְעֵת קֵץ יִתְנַגַּח עִמּוֹ מֶלֶךְ הַנֶּגֶב וְיִשְׂתָּעֵר עָלָיו מֶלֶךְ הַצָּפוֹן בְּרֶכֶב וּבְפָרָשִׁים וּבָאֳנִיּוֹת רַבּ֑וֹת וּבָא בַאֲרָצוֹת וְשָׁטַף וְעָבָֽר׃ | En op den tijd van het einde, zal de koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stoten; en de koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen, met wagenen, en met ruiteren, en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze overstromen en doortrekken. |
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | IMPF_CONJ | N3 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יַעֲבֹר | 20 | וַיַּעֲבֹר | 38 | וְיַעֲבֹר | 3 | יִקְטֹל |
3fs | תַּעֲבֹר | 2 | וַתַּעֲבֹר | 3 | תִּקְטֹל | ||
2ms | תַעֲבֹר | 8 | תִּקְטֹל | ||||
2fs | תַעֲבוּרִי | 1 | תִּקְטְלִי | ||||
1cs | אֶעֱבֹר | 5 | וָאֶעֱבֹר | 3 | אֶקְטֹל | ||
3mp | יַעַבְרוּ | 8 | וַיַּעַבְרוּ | 21 | וְיַעֲבֹרוּ | 1 | יִקְטְלוּ |
3fp | תַּעֲבֹרְנָה | 2 | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||
2mp | תַּעַבְרוּ | 3 | וַתַּעַבְרוּ | 1 | תִּקְטְלוּ | ||
2fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
1cp | נַעֲבֹר | 4 | וַנַּעֲבֹר | 3 | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 31 | 52 | עֵד הַגַּל הַזֶּה וְעֵדָה הַמַּצֵּבָ֑ה אִם אָנִי לֹֽא אֶֽעֱבֹר אֵלֶיךָ אֶת הַגַּל הַזֶּה וְאִם אַתָּה לֹא תַעֲבֹר אֵלַי אֶת הַגַּל הַזֶּה וְאֶת הַמַּצֵּבָה הַזֹּאת לְרָעָֽה׃ | Deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbij dezen hoop niet komen zal, en dat gij tot mij, voorbij dezen hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade! |
NUM | 5 | 30 | אוֹ אִישׁ אֲשֶׁר תַּעֲבֹר עָלָיו רוּחַ קִנְאָה וְקִנֵּא אֶת אִשְׁתּ֑וֹ וְהֶעֱמִיד אֶת הָֽאִשָּׁה לִפְנֵי יְהוָה וְעָשָׂה לָהּ הַכֹּהֵן אֵת כָּל הַתּוֹרָה הַזֹּֽאת׃ | Of als over een man die ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijn huisvrouw zal geijverd hebben, dat hij de vrouw voor het aangezicht des Heeren stelle, en de priester aan haar deze ganse wet volbrenge. |
NUM | 20 | 17 | נַעְבְּרָה נָּא בְאַרְצֶךָ לֹא נַעֲבֹר בְּשָׂדֶה וּבְכֶרֶם וְלֹא נִשְׁתֶּה מֵי בְאֵ֑ר דֶּרֶךְ הַמֶּלֶךְ נֵלֵךְ לֹא נִטֶּה יָמִין וּשְׂמֹאול עַד אֲשֶֽׁר נַעֲבֹר גְּבוּלֶֽךָ׃ | Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter hand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn. |
DEU | 2 | 8 | וַֽנַּעֲבֹר מֵאֵת אַחֵינוּ בְנֵי עֵשָׂו הַיֹּֽשְׁבִים בְּשֵׂעִיר מִדֶּרֶךְ הָֽעֲרָבָה מֵאֵילַת וּמֵעֶצְיֹן גָּ֑בֶרס וַנֵּפֶן וַֽנַּעֲבֹר דֶּרֶךְ מִדְבַּר מוֹאָֽב׃ | Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kinderen van Ezau, die in Seir woonden, van den weg des vlakken velds, van Elath, en van Ezeon-geber, zo keerden wij ons, en doortogen den weg der woestijn van Moab. |
DEU | 3 | 18 | וָאֲצַו אֶתְכֶם בָּעֵת הַהִוא לֵאמֹ֑ר יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם נָתַן לָכֶם אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת לְרִשְׁתָּהּ חֲלוּצִים תַּֽעַבְרוּ לִפְנֵי אֲחֵיכֶם בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל כָּל בְּנֵי חָֽיִל׃ | Voorts gebood ik ulieden ter zelfder tijd, zeggende: De Heere, uw God, heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dan, die strijdbare mannen zijt, trekt gewapend door voor het aangezicht van uw broederen, de kinderen Israëls. |
JOS | 24 | 11 | וַתַּעַבְרוּ אֶת הַיַּרְדֵּן וַתָּבֹאוּ אֶל יְרִיחוֹ֒ וַיִּלָּחֲמוּ בָכֶם בַּעֲלֵֽי יְרִיחוֹ הָֽאֱמֹרִי וְהַפְּרִזִּי וְהַֽכְּנַעֲנִי וְהַֽחִתִּי וְהַגִּרְגָּשִׁי הַֽחִוִּי וְהַיְבוּסִ֑י וָאֶתֵּן אוֹתָם בְּיֶדְכֶֽם׃ | Toen gij over de Jordaan getrokken waart, en te Jericho kwaamt, zo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amorieten, en de Ferezieten, en de Kanaänieten, en de Hethieten, en de Girgazieten, de Hevieten en de Jebusieten; doch Ik gaf hen in ulieder hand. |
RUT | 2 | 8 | וַיֹּאמֶר בֹּעַז אֶל רוּת הֲלוֹא שָׁמַעַתְּ בִּתִּי אַל תֵּלְכִי לִלְקֹט בְּשָׂדֶה אַחֵר וְגַם לֹא תַעֲבוּרִי מִזֶּ֑ה וְכֹה תִדְבָּקִין עִם נַעֲרֹתָֽי׃ | Toen zeide Boaz tot Ruth: Hoort gij niet, mijn dochter? Ga niet, om in een ander veld op te lezen; ook zult gij van hier niet weggaan, maar hier zult gij u houden bij mijn maagden. |
2SA | 20 | 14 | וַֽיַּעֲבֹר בְּכָל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל אָבֵלָה וּבֵית מַעֲכָה וְכָל הַבֵּרִ֑יםס וַיִּקָּלְהוּ וַיָּבֹאוּ אַף אַחֲרָֽיו׃ | En hij toog heen door alle stammen van Israël, naar Abel, te weten, Beth-maacha, en het ganse Berim; en zij verzamelden zich , en kwamen hem ook na. |
2KI | 14 | 9 | וַיִּשְׁלַח יְהוֹאָשׁ מֶֽלֶךְ יִשְׂרָאֵל אֶל אֲמַצְיָהוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָה לֵאמֹר֒ הַחוֹחַ אֲשֶׁר בַּלְּבָנוֹן שָׁלַח אֶל הָאֶרֶז אֲשֶׁר בַּלְּבָנוֹן לֵאמֹר תְּנָֽה אֶת בִּתְּךָ לִבְנִי לְאִשָּׁ֑ה וַֽתַּעֲבֹר חַיַּת הַשָּׂדֶה אֲשֶׁר בַּלְּבָנוֹן וַתִּרְמֹס אֶת הַחֽוֹחַ׃ | Maar Joas, de koning van Israël, zond tot Amazia, den koning van Juda, zeggende: De distel, die op den Libanon is, zond tot den ceder, die op den Libanon is, zeggende: Geef uw dochter mijn zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds, dat op den Libanon is, ging voorbij, en vertrad den distel. |
NEH | 2 | 14 | וָאֶֽעֱבֹר אֶל שַׁעַר הָעַיִן וְאֶל בְּרֵכַת הַמֶּ֑לֶךְ וְאֵין מָקוֹם לַבְּהֵמָה לַעֲבֹר תַּחְתָּֽי׃ | En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des konings vijver; doch daar was geen plaats voor het dier, om onder mij voort te gaan. |
JOB | 13 | 13 | הַחֲרִישׁוּ מִמֶּנִּי וַאֲדַבְּרָה אָ֑נִי וְיַעֲבֹר עָלַי מָֽה׃ | Houdt stil van mij, opdat ik spreke, en er ga over mij, wat het zij. |
JOB | 14 | 5 | אִם חֲרוּצִים יָמָיו מִֽסְפַּר חֳדָשָׁיו אִתָּ֑ךְ חֻקּוֹ עָשִׂיתָ וְלֹא יַעֲבֽוֹר׃ | Dewijl zijn dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij U is, en Gij zijn bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overgaan zal; |
JOB | 34 | 20 | רֶגַע יָמֻתוּ וַחֲצוֹת לָיְלָה יְגֹעֲשׁוּ עָם וְיַעֲבֹ֑רוּ וְיָסִירוּ אַבִּיר לֹא בְיָֽד׃ | In een ogenblik sterven zij; zelfs ter middernacht wordt een volk geschud, dat het doorga; en de machtige wordt weggenomen zonder hand. |
PSA | 42 | 4 | אֵלֶּה אֶזְכְּרָה וְאֶשְׁפְּכָה עָלַי נַפְשִׁי כִּי אֶֽעֱבֹר בַּסָּךְ אֶדַּדֵּם עַד בֵּית אֱלֹהִים בְּקוֹל רִנָּה וְתוֹדָה הָמוֹן חוֹגֵֽג׃ | [042:5] Ik gedenk daaraan, en stort mijn ziel uit in mij, omdat ik placht heen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Gods huis, met een stem van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte. |
PSA | 66 | 6 | הָפַךְ יָם לְֽיַבָּשָׁה בַּנָּהָר יַֽעַבְרוּ בְרָ֑גֶל שָׁם נִשְׂמְחָה בּֽוֹ׃ | Hij heeft de zee veranderd in het droge; zij zijn te voet doorgegaan door de rivier; daar hebben wij ons in Hem verblijd. |
JER | 33 | 13 | בְּעָרֵי הָהָר בְּעָרֵי הַשְּׁפֵלָה וּבְעָרֵי הַנֶּגֶב וּבְאֶרֶץ בִּנְיָמִן וּבִסְבִיבֵי יְרוּשָׁלִַם וּבְעָרֵי יְהוּדָ֑ה עֹד תַּעֲבֹרְנָה הַצֹּאן עַל יְדֵי מוֹנֶה אָמַר יְהוָֽה׃ס | In de steden van het gebergte, in de steden der laagte, en in de steden van het zuiden, en in het land van Benjamin, en in de plaatsen rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de Heere. |
JER | 34 | 18 | וְנָתַתִּי אֶת הָאֲנָשִׁים הָעֹֽבְרִים אֶת בְּרִתִי אֲשֶׁר לֹֽא הֵקִימוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית אֲשֶׁר כָּרְתוּ לְפָנָ֑י הָעֵגֶל אֲשֶׁר כָּרְתוּ לִשְׁנַיִם וַיַּעַבְרוּ בֵּין בְּתָרָֽיו׃ | En Ik zal de mannen overgeven, die Mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebben de woorden des verbonds, dat zij voor Mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf, dat zij in tweeën hadden gehouwen, en waren tussen zijn stukken doorgegaan: |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
NUM | 20 | 17 | נַעְבְּרָה נָּא בְאַרְצֶךָ לֹא נַעֲבֹר בְּשָׂדֶה וּבְכֶרֶם וְלֹא נִשְׁתֶּה מֵי בְאֵ֑ר דֶּרֶךְ הַמֶּלֶךְ נֵלֵךְ לֹא נִטֶּה יָמִין וּשְׂמֹאול עַד אֲשֶֽׁר נַעֲבֹר גְּבוּלֶֽךָ׃ | Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter hand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn. |
NUM | 20 | 19 | וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל בַּֽמְסִלָּה נַעֲלֶה֒ וְאִם מֵימֶיךָ נִשְׁתֶּה אֲנִי וּמִקְנַי וְנָתַתִּי מִכְרָ֑ם רַק אֵין דָּבָר בְּרַגְלַי אֶֽעֱבֹֽרָה׃ | Toen zeiden de kinderen Israëls tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken. |
NUM | 21 | 22 | אֶעְבְּרָה בְאַרְצֶךָ לֹא נִטֶּה בְּשָׂדֶה וּבְכֶרֶם לֹא נִשְׁתֶּה מֵי בְאֵ֑ר בְּדֶרֶךְ הַמֶּלֶךְ נֵלֵךְ עַד אֲשֶֽׁר נַעֲבֹר גְּבֻלֶֽךָ׃ | Laat mij door uw land trekken. Wij zullen niet afwijken in de akkers, noch in de wijngaarden; wij zullen het water der putten niet drinken; wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uw landpale doorgetogen zijn. |
DEU | 2 | 27 | אֶעְבְּרָה בְאַרְצֶךָ בַּדֶּרֶךְ בַּדֶּרֶךְ אֵלֵ֑ךְ לֹא אָסוּר יָמִין וּשְׂמֹֽאול׃ | Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken; ik zal noch ter rechter hand noch ter linkerhand uitwijken. |
DEU | 2 | 28 | אֹכֶל בַּכֶּסֶף תַּשְׁבִּרֵנִי וְאָכַלְתִּי וּמַיִם בַּכֶּסֶף תִּתֶּן לִי וְשָׁתִ֑יתִי רַק אֶעְבְּרָה בְרַגְלָֽי׃ | Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijn voeten doortrekken; |
DEU | 3 | 25 | אֶעְבְּרָה נָּא וְאֶרְאֶה אֶת הָאָרֶץ הַטּוֹבָה אֲשֶׁר בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּ֑ן הָהָר הַטּוֹב הַזֶּה וְהַלְּבָנֽוֹן׃ | Laat mij toch overtrekken, en dat goede land bezien, dat aan gene zijde van de Jordaan is, dat goede gebergte, en den Libanon! |
JDG | 11 | 17 | וַיִּשְׁלַח יִשְׂרָאֵל מַלְאָכִים אֶל מֶלֶךְ אֱדוֹם לֵאמֹר אֶעְבְּרָה נָּא בְאַרְצֶךָ וְלֹא שָׁמַע מֶלֶךְ אֱדוֹם וְגַם אֶל מֶלֶךְ מוֹאָב שָׁלַח וְלֹא אָבָ֑ה וַיֵּשֶׁב יִשְׂרָאֵל בְּקָדֵֽשׁ׃ | En Israël zond boden tot den koning der Edomieten, zeggende: Laat mij toch door uw land doortrekken; maar de koning der Edomieten gaf geen gehoor. En hij zond ook tot den koning der Moabieten, die ook niet wilde. Alzo bleef Israël in Kades. |
JDG | 11 | 19 | וַיִּשְׁלַח יִשְׂרָאֵל מַלְאָכִים אֶל סִיחוֹן מֶֽלֶךְ הָאֱמֹרִי מֶלֶךְ חֶשְׁבּ֑וֹן וַיֹּאמֶר לוֹ יִשְׂרָאֵל נַעְבְּרָה נָּא בְאַרְצְךָ עַד מְקוֹמִֽי׃ | Maar Israël zond boden tot Sihon, den koning der Amorieten, koning van Hesbon, en Israël zeide tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijn plaats. |
JDG | 12 | 5 | וַיִּלְכֹּד גִּלְעָד אֶֽת מַעְבְּרוֹת הַיַּרְדֵּן לְאֶפְרָ֑יִם וְֽהָיָה כִּי יֹאמְרוּ פְּלִיטֵי אֶפְרַיִם אֶעֱבֹרָה וַיֹּאמְרוּ לוֹ אַנְשֵֽׁי גִלְעָד הַֽאֶפְרָתִי אַתָּה וַיֹּאמֶֽר לֹֽא׃ | want de Gileadieten namen den Efraïmieten de veren van de Jordaan af; en het geschiedde, als de vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan; zo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraïmiet? wanneer hij zeide: Neen; |
1SA | 14 | 1 | וַיְהִי הַיּוֹם וַיֹּאמֶר יוֹנָתָן בֶּן שָׁאוּל אֶל הַנַּעַר נֹשֵׂא כֵלָיו לְכָה וְנַעְבְּרָה אֶל מַצַּב פְּלִשְׁתִּים אֲשֶׁר מֵעֵבֶר הַלָּ֑ז וּלְאָבִיו לֹא הִגִּֽיד׃ | Het geschiedde nu op een dag, dat Jonathan, de zoon van Saul, tot den jongen, die zijn wapenen droeg, zeide: Kom, en laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan, welke aan gene zijde is; doch hij gaf het zijn vader niet te kennen. |
1SA | 14 | 6 | וַיֹּאמֶר יְהוֹנָתָן אֶל הַנַּעַר נֹשֵׂא כֵלָיו לְכָה וְנַעְבְּרָה אֶל מַצַּב הָעֲרֵלִים הָאֵלֶּה אוּלַי יַעֲשֶׂה יְהוָה לָ֑נוּ כִּי אֵין לַֽיהוָה מַעְצוֹר לְהוֹשִׁיעַ בְּרַב אוֹ בִמְעָֽט׃ | Jonathan nu zeide tot den jongen, die zijn wapenen droeg: Kom, en laat ons tot de bezetting dezer onbesnedenen overgaan; misschien zal de Heere voor ons werken; want bij den Heere is geen verhindering, om te verlossen door velen of door weinigen. |
2SA | 16 | 9 | וַיֹּאמֶר אֲבִישַׁי בֶּן צְרוּיָה אֶל הַמֶּלֶךְ לָמָּה יְקַלֵּל הַכֶּלֶב הַמֵּת הַזֶּה אֶת אֲדֹנִי הַמֶּ֑לֶךְ אֶעְבְּרָה נָּא וְאָסִירָה אֶת רֹאשֽׁוֹ׃ס | Toen zeide Abisai, de zoon van Zeruja, tot den koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer den koning vloeken? Laat mij toch overgaan en zijn kop wegnemen. |
ISA | 51 | 23 | וְשַׂמְתִּיהָ בְּיַד מוֹגַיִךְ אֲשֶׁר אָמְרוּ לְנַפְשֵׁךְ שְׁחִי וְנַעֲבֹ֑רָה וַתָּשִׂימִי כָאָרֶץ גֵּוֵךְ וְכַחוּץ לַעֹבְרִֽים׃ס | Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en gij legdet uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan. |
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | עֲבֹר | 4 | קְטֹל |
fs | עִבְרִי | 3 | קִטְלִי |
mp | עִבְרוּ | 13 | קִטְלִוּ |
fp | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 17 | 5 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה עֲבֹר לִפְנֵי הָעָם וְקַח אִתְּךָ מִזִּקְנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל וּמַטְּךָ אֲשֶׁר הִכִּיתָ בּוֹ אֶת הַיְאֹר קַח בְּיָדְךָ וְהָלָֽכְתָּ׃ | Toen zeide de Heere tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmede gij de rivier sloegt, en ga heen. |
EZE | 9 | 4 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלוֹ עֲבֹר בְּתוֹךְ הָעִיר בְּתוֹךְ יְרֽוּשָׁלִָ֑ם וְהִתְוִיתָ תָּו עַל מִצְחוֹת הָאֲנָשִׁים הַנֶּֽאֱנָחִים וְהַנֶּאֱנָקִים עַל כָּל הַתּוֹעֵבוֹת הַֽנַּעֲשׂוֹת בְּתוֹכָֽהּ׃ | En de Heere zeide tot hem: Ga door, door het midden der stad, door het midden van Jeruzalem, en teken een teken op de voorhoofden der lieden, die zuchten en uitroepen over al die gruwelen, die in het midden derzelve gedaan worden. |
ISA | 23 | 12 | וַיֹּאמֶר לֹֽא תוֹסִיפִי עוֹד לַעְל֑וֹז הַֽמְעֻשָּׁקָה בְּתוּלַת בַּת צִידוֹן כִּתִּיִּים קוּמִי עֲבֹרִי גַּם שָׁם לֹא יָנוּחַֽ לָֽךְ׃ | En Hij heeft gezegd: Gij zult niet meer vrolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter van Sidon! Naar Chittim toe, maak u op, vaar over; ook zult gij aldaar geen rust hebben. |
MIC | 1 | 11 | עִבְרִי לָכֶם יוֹשֶׁבֶת שָׁפִיר עֶרְיָה בֹ֑שֶׁת לֹא יָֽצְאָה יוֹשֶׁבֶת צַֽאֲנָן מִסְפַּד בֵּית הָאֵצֶל יִקַּח מִכֶּם עֶמְדָּתֽוֹ׃ | Ga door, gij inwoneres van Safir! met blote schaamte; de inwoneres van Zaanan gaat niet uit; rouwklage is te Beth-haezel; hij zal zijn stand van ulieden nemen. |
JOS | 22 | 19 | וְאַךְ אִם טְמֵאָה אֶרֶץ אֲחֻזַּתְכֶם עִבְרוּ לָכֶם אֶל אֶרֶץ אֲחֻזַּת יְהוָה אֲשֶׁר שָֽׁכַן שָׁם מִשְׁכַּן יְהוָה וְהֵאָחֲזוּ בְּתוֹכֵ֑נוּ וּבַֽיהוָה אַל תִּמְרֹדוּ וְאֹתָנוּ אֶל תִּמְרֹדוּ בִּבְנֹֽתְכֶם לָכֶם מִזְבֵּחַ מִֽבַּלְעֲדֵי מִזְבַּח יְהוָה אֱלֹהֵֽינוּ׃ | Maar toch, indien het land uwer bezitting onrein is, komt over in het land van de bezitting des Heeren, waar de tabernakel des Heeren woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar zijt niet wederspannig tegen den Heere, en zijt ook niet wederspannig tegen ons, een altaar voor u bouwende, behalve het altaar van den Heere, onzen God. |
EXO | 32 | 27 | וַיֹּאמֶר לָהֶם כֹּֽה אָמַר יְהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל שִׂימוּ אִישׁ חַרְבּוֹ עַל יְרֵכ֑וֹ עִבְרוּ וָשׁוּבוּ מִשַּׁעַר לָשַׁעַר בַּֽמַּחֲנֶה וְהִרְגוּ אִֽישׁ אֶת אָחִיו וְאִישׁ אֶת רֵעֵהוּ וְאִישׁ אֶת קְרֹבֽוֹ׃ | En hij zeide tot hen: Alzo zegt de Heere, de God van Israël: Een ieder doe zijn zwaard aan zijn heup; gaat door en keert weder, van poort tot poort in het leger, en een iegelijk dode zijn broeder, en elk zijn vriend, en elk zijn naaste! |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | עֹבֵר | 33 | קֹטֵל |
fs | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת | |||
V-Qal-Prtcpl-mp | mp | עֹבְרִים | 28 | קֹטְלִים |
fp | קֹטְלוֹת | |||
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הָעֹבֵר | 4 | |
fs | ||||
Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | הָעֹבְרִים | 7 | |
fp | ||||
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | עוֹבֵר | 14 | |
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הָעֹבֵר | 4 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | עֹבְרֵי | 5 | |
Prep-m | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | מֵעֹבֵר | 2 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | וְעֹבֵר | 1 | |
Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | לְעֹבְרֵי | 1 | |
Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | לַעֹבְרִים | 1 | |
Prep-m | V-Qal-Prtcpl-mp | mp | מֵעֹבְרִים | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | עוֹבְרֵי | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-msc | sc | עֹבֵר | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קָטוּל | |||
fs | קְטוּלָה | |||
mp | קְטוּלִים | |||
fp | קְטוּלוֹת |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Prep-l | V-Qal-Inf | לַעֲבֹר | 11 |
Prep-m | V-Qal-Inf | מֵעֲבֹר | 6 |
V-Qal-Inf | עֲבֹר | 4 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 2mp | בְּעָבְרְכֶם | 3 |
Prep-l | V-Qal-Inf | לַעֲבוֹר | 3 |
V-Qal-Inf | עֲבוֹר | 3 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms | בְּעָבְרוֹ | 2 |
Prep-l | V-Qal-Inf | לַעֲבָר | 2 |
V-Qal-Inf | 1cs | עָבְרִי | 2 |
V-Qal-Inf | 3ms | עָבְרוֹ | 2 |
Prep-b | V-Qal-Inf | בַּעֲבֹר | 1 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 2ms | בְּעָבְרֶךָ | 1 |
Prep-k | V-Qal-Inf | כַּעֲבֹר | 1 |
Prep-k | V-Qal-Inf | כַּעֲבוֹר | 1 |
Prep-k | V-Qal-Inf | 3mp | כְעָבְרָם | 1 |
Prep-l | V-Qal-Inf | 2ms | לְעָבְרְךָ | 1 |
Prep-m | V-Qal-Inf | מֵעֲבוֹר | 1 |
V-Qal-Inf | 1cp | עָבְרֵנוּ | 1 |
V-Qal-Inf | 2mp | עָבְרְכֶם | 1 |
V-Qal-Inf | 3mp | עָבְרָם | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 33 | 22 | וְהָיָה בַּעֲבֹר כְּבֹדִי וְשַׂמְתִּיךָ בְּנִקְרַת הַצּ֑וּר וְשַׂכֹּתִי כַפִּי עָלֶיךָ עַד עָבְרִֽי׃ | En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. |
EXO | 33 | 22 | וְהָיָה בַּעֲבֹר כְּבֹדִי וְשַׂמְתִּיךָ בְּנִקְרַת הַצּ֑וּר וְשַׂכֹּתִי כַפִּי עָלֶיךָ עַד עָבְרִֽי׃ | En het zal geschieden, wanneer Mijn heerlijkheid voorbij zal gaan, zo zal Ik u in een kloof der steenrots zetten; en Ik zal u met Mijn hand overdekken, totdat Ik zal voorbijgegaan zijn. |
NUM | 20 | 21 | וַיְמָאֵן אֱדוֹם נְתֹן אֶת יִשְׂרָאֵל עֲבֹר בִּגְבֻל֑וֹ וַיֵּט יִשְׂרָאֵל מֵעָלָֽיו׃פ | Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af. |
NUM | 21 | 23 | וְלֹא נָתַן סִיחֹן אֶת יִשְׂרָאֵל עֲבֹר בִּגְבֻלוֹ֒ וַיֶּאֱסֹף סִיחֹן אֶת כָּל עַמּוֹ וַיֵּצֵא לִקְרַאת יִשְׂרָאֵל הַמִּדְבָּרָה וַיָּבֹא יָ֑הְצָה וַיִּלָּחֶם בְּיִשְׂרָאֵֽל׃ | Doch Sihon liet Israël niet toe, door zijn landpale door te trekken; maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet, naar de woestijn, en hij kwam te Jahza, en streed tegen Israël; |
NUM | 22 | 18 | וַיַּעַן בִּלְעָם וַיֹּאמֶר אֶל עַבְדֵי בָלָק אִם יִתֶּן לִי בָלָק מְלֹא בֵיתוֹ כֶּסֶף וְזָהָ֑ב לֹא אוּכַל לַעֲבֹר אֶת פִּי יְהוָה אֱלֹהָי לַעֲשׂוֹת קְטַנָּה אוֹ גְדוֹלָֽה׃ | Toen antwoordde Bileam, en zeide tot de dienaren van Balak: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zo vermocht ik niet het bevel des Heeren mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot. |
NUM | 22 | 26 | וַיּוֹסֶף מַלְאַךְ יְהוָה עֲב֑וֹר וַֽיַּעֲמֹד בְּמָקוֹם צָר אֲשֶׁר אֵֽין דֶּרֶךְ לִנְטוֹת יָמִין וּשְׂמֹֽאול׃ | Toen ging de Engel des Heeren noch verder, en Hij stond in een enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter hand noch ter linkerhand. |
NUM | 24 | 13 | אִם יִתֶּן לִי בָלָק מְלֹא בֵיתוֹ כֶּסֶף וְזָהָב֒ לֹא אוּכַל לַעֲבֹר אֶת פִּי יְהוָה לַעֲשׂוֹת טוֹבָה אוֹ רָעָה מִלִּבִּ֑י אֲשֶׁר יְדַבֵּר יְהוָה אֹתוֹ אֲדַבֵּֽר׃ | Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zo kan ik het bevel des Heeren niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen hart; wat de Heere spreken zal, dat zal ik spreken. |
NUM | 32 | 7 | וְלָמָּה תְנוּאוּן אֶת לֵב בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל מֵֽעֲבֹר אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר נָתַן לָהֶם יְהוָֽה׃ | Waarom toch zult gij het hart der kinderen Israëls breken , dat zij niet overtrekken naar het land, dat de Heere hun gegeven heeft? |
DEU | 4 | 21 | וַֽיהוָה הִתְאַנֶּף בִּי עַל דִּבְרֵיכֶ֑ם וַיִּשָּׁבַע לְבִלְתִּי עָבְרִי אֶת הַיַּרְדֵּן וּלְבִלְתִּי בֹא אֶל הָאָרֶץ הַטּוֹבָה אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ נַחֲלָֽה׃ | Ook vertoornde Zich de Heere over mij, om ulieder woorden; en Hij zwoer, dat ik over de Jordaan niet zou gaan, en dat ik niet zou komen in dat goede land, dat de Heere, uw God, u ter erfenis geven zal. |
DEU | 17 | 2 | כִּֽי יִמָּצֵא בְקִרְבְּךָ בְּאַחַד שְׁעָרֶיךָ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָ֑ךְ אִישׁ אוֹ אִשָּׁה אֲשֶׁר יַעֲשֶׂה אֶת הָרַע בְּעֵינֵי יְהוָֽה אֱלֹהֶיךָ לַעֲבֹר בְּרִיתֽוֹ׃ | Wanneer in het midden van u, in een uwer poorten, die de Heere, uw God, u geeft, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal, dat kwaad is in de ogen des Heeren, uws Gods, overtredende Zijn verbond; |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
V-Qal-InfAbs | עָבוֹר | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
2SA | 17 | 16 | וְעַתָּה שִׁלְחוּ מְהֵרָה וְהַגִּידוּ לְדָוִד לֵאמֹר אַל תָּלֶן הַלַּיְלָה בְּעַֽרְבוֹת הַמִּדְבָּר וְגַם עָבוֹר תַּעֲב֑וֹר פֶּן יְבֻלַּע לַמֶּלֶךְ וּלְכָל הָעָם אֲשֶׁר אִתּֽוֹ׃ | Nu dan, zendt haastelijk henen, en boodschapt David, zeggende: Vernacht dezen nacht niet in de vlakke velden der woestijn, en ook ga spoedig over; opdat de koning niet verslonden worde, en al het volk, dat met hem is. |