Vervoeging עָשָׂה

Strong H6213
Betekenis: maken, doen
Frequentie Qal: 2523

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

עָשָׂה

354

וְעָשָׂה

57

קָטַל

3fs

עָשְׂתָה

18

וְעָשְׂתָה

6

קָֽטְלָה

2ms

עָשִׂיתָ

65

וְעָשִׂיתָ

91

קָטַ֫לְתָּ

2fs

עָשִׂית

10

קָטַלְתְּ

1cs

עָשִׂיתִי

79

וְעָשִׂיתִי

16

קָטַ֫לְתִּי

3cp

עָשׂוּ

132

וְעָשׂוּ

24

קָטְלוּ

2mp

עֲשִׂיתֶם

23

וַעֲשִׂיתֶם

30

קְטַלְתֶּם

2fp

עֲשִׂיתֶן

2

קְטַלְתֶּן

1cp

עָשִׂינוּ

7

וְעָשִׂינוּ

5

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

26

29

אִם תַּעֲשֵׂה עִמָּנוּ רָעָה כַּאֲשֶׁר לֹא נְגַֽעֲנוּךָ וְכַאֲשֶׁר עָשִׂינוּ עִמְּךָ רַק טוֹב וַנְּשַׁלֵּֽחֲךָ בְּשָׁל֑וֹם אַתָּה עַתָּה בְּרוּךְ יְהוָֽה׃

Zo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij u niet aangeroerd hebben, en gelijk als wij bij u alleenlijk goed gedaan hebben, en hebben u in vrede laten trekken! Gij zijt nu de gezegende des Heeren!

ISA

37

26

הֲלֽוֹא שָׁמַעְתָּ לְמֵֽרָחוֹק אוֹתָהּ עָשִׂיתִי מִימֵי קֶדֶם וִיצַרְתִּ֑יהָ עַתָּה הֲבֵאתִיהָ וּתְהִי לְהַשְׁאוֹת גַּלִּים נִצִּים עָרִים בְּצֻרֽוֹת׃

Hebt gij niet gehoord, dat Ik zulks lang te voren gedaan heb, en dat van de oude dagen af geformeerd heb? Nu heb Ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn, om de vaste steden te verstoren tot woeste hopen.

EZE

33

26

עֲמַדְתֶּם עַֽל חַרְבְּכֶם עֲשִׂיתֶן תּוֹעֵבָה וְאִישׁ אֶת אֵשֶׁת רֵעֵהוּ טִמֵּאתֶ֑ם וְהָאָרֶץ תִּירָֽשׁוּ׃ס

Gij staat op ulieder zwaard; gij doet gruwel, en verontreinigt, een ieder de huisvrouw zijns naasten; en zoudt gij het land erfelijk bezitten?

EZE

16

54

לְמַעַן תִּשְׂאִי כְלִמָּתֵךְ וְנִכְלַמְתְּ מִכֹּל אֲשֶׁר עָשִׂ֑ית בְּנַחֲמֵךְ אֹתָֽן׃

Opdat gij uw schande draagt, en te schande gemaakt wordt, om al hetgeen gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.

GEN

44

15

וַיֹּאמֶר לָהֶם יוֹסֵף מָֽה הַמַּעֲשֶׂה הַזֶּה אֲשֶׁר עֲשִׂיתֶ֑ם הֲלוֹא יְדַעְתֶּם כִּֽי נַחֵשׁ יְנַחֵשׁ אִישׁ אֲשֶׁר כָּמֹֽנִי׃

En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit, die gij gedaan hebt? Weet gij niet, dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zoude?

PSA

40

5

רַבּוֹת עָשִׂיתָ אַתָּה יְהוָה אֱלֹהַי נִֽפְלְאֹתֶיךָ וּמַחְשְׁבֹתֶיךָ אֵלֵינוּ אֵין עֲרֹךְ אֵלֶיךָ אַגִּידָה וַאֲדַבֵּ֑רָה עָצְמוּ מִסַּפֵּֽר׃

[040:6] Gij, o Heere, mijn God! hebt Uw wonderen en Uw gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij U verhalen; zal ik ze verkondigen en uitspreken, zo zijn zij menigvuldiger dan dat ik ze zou kunnen vertellen.

JDG

6

2

וַתָּעָז יַד מִדְיָן עַל יִשְׂרָאֵ֑ל מִפְּנֵי מִדְיָן עָשֽׂוּ לָהֶם בְּנֵי יִשְׂרָאֵל אֶת הַמִּנְהָרוֹת אֲשֶׁר בֶּֽהָרִים וְאֶת הַמְּעָרוֹת וְאֶת הַמְּצָדֽוֹת׃

Als nu de hand der Midianieten sterk werd over Israël, maakten zich de kinderen Israëls, vanwege de Midianieten, de holen, die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen.

JER

50

29

הַשְׁמִיעוּ אֶל בָּבֶל רַבִּים כָּל דֹּרְכֵי קֶשֶׁת חֲנוּ עָלֶיהָ סָבִיב אַל יְהִיָ פְּלֵטָה שַׁלְּמוּ לָהּ כְּפָעֳלָהּ כְּכֹל אֲשֶׁר עָשְׂתָה עֲשׂוּ לָ֑הּ כִּי אֶל יְהוָה זָדָה אֶל קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵֽל׃

Laat u horen tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen den Heere, tegen den Heilige Israëls.

2KI

15

21

וְיֶתֶר דִּבְרֵי מְנַחֵם וְכָל אֲשֶׁר עָשָׂ֑ה הֲלוֹא הֵם כְּתוּבִים עַל סֵפֶר דִּבְרֵי הַיָּמִים לְמַלְכֵי יִשְׂרָאֵֽל׃

Het overige nu der geschiedenissen van Menahem, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der kronieken der koningen van Israël?

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JDG

1

24

וַיִּרְאוּ הַשֹּׁמְרִים אִישׁ יוֹצֵא מִן הָעִ֑יר וַיֹּאמְרוּ לוֹ הַרְאֵנוּ נָא אֶת מְבוֹא הָעִיר וְעָשִׂינוּ עִמְּךָ חָֽסֶד׃

En de wachters zagen een man, uitgaande uit de stad; en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.

EZE

37

14

וְנָתַתִּי רוּחִי בָכֶם וִחְיִיתֶם וְהִנַּחְתִּי אֶתְכֶם עַל אַדְמַתְכֶ֑ם וִידַעְתֶּם כִּי אֲנִי יְהוָה דִּבַּרְתִּי וְעָשִׂיתִי נְאֻם יְהוָֽה׃פ

En Ik zal Mijn Geest in u geven, en gij zult leven, en Ik zal u in uw land zetten; en gij zult weten, dat Ik, de Heere, dit gesproken en gedaan heb, spreekt de Heere.

DEU

7

12

וְהָיָה עֵקֶב תִּשְׁמְעוּן אֵת הַמִּשְׁפָּטִים הָאֵלֶּה וּשְׁמַרְתֶּם וַעֲשִׂיתֶם אֹתָ֑ם וְשָׁמַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לְךָ אֶֽת הַבְּרִית וְאֶת הַחֶסֶד אֲשֶׁר נִשְׁבַּע לַאֲבֹתֶֽיךָ׃

Zo zal het geschieden, omdat gij deze rechten zult horen, en houden, en dezelve doen, dat de Heere, uw God, u het verbond en de weldadigheid zal houden, die Hij uw vaderen gezworen heeft;

EXO

25

28

וְעָשִׂיתָ אֶת הַבַּדִּים עֲצֵי שִׁטִּים וְצִפִּיתָ אֹתָם זָהָ֑ב וְנִשָּׂא בָם אֶת הַשֻּׁלְחָֽן׃

Deze handbomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult dezelve met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden.

EXO

25

10

וְעָשׂוּ אֲרוֹן עֲצֵי שִׁטִּ֑ים אַמָּתַיִם וָחֵצִי אָרְכּוֹ וְאַמָּה וָחֵצִי רָחְבּוֹ וְאַמָּה וָחֵצִי קֹמָתֽוֹ׃

Zo zullen zij een ark van sittimhout maken; twee ellen en een halve zal haar lengte zijn, en anderhalve el haar breedte, en anderhalve el haar hoogte.

DAN

8

12

וְצָבָא תִּנָּתֵן עַל הַתָּמִיד בְּפָ֑שַׁע וְתַשְׁלֵךְ אֱמֶת אַרְצָה וְעָשְׂתָה וְהִצְלִֽיחָה׃

En het heir werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde; en deed het, en het gelukte wel.

2SA

12

18

וַיְהִי בַּיּוֹם הַשְּׁבִיעִי וַיָּמָת הַיָּ֑לֶד וַיִּֽרְאוּ עַבְדֵי דָוִד לְהַגִּיד לוֹ כִּי מֵת הַיֶּלֶד כִּי אָֽמְרוּ הִנֵּה בִהְיוֹת הַיֶּלֶד חַי דִּבַּרְנוּ אֵלָיו וְלֹא שָׁמַע בְּקוֹלֵנוּ וְאֵיךְ נֹאמַר אֵלָיו מֵת הַיֶּלֶד וְעָשָׂה רָעָֽה׃

En het geschiedde op den zevenden dag, dat het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen, dat het kind dood was, want zij zeiden: Ziet, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stem niet, hoe zullen wij dan tot hem zeggen: Het kind is dood? Want het mocht kwaad doen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

עָשָׂהוּ

5

3ms

עָשָׂהס

3

3ms

עָשְׂךָ

1

3ms

עָשָׂהּ

1

3ms

עָשָׂם

1

3ms

עָשָׂנִי

1

3ms

עָשָׂנוּ

1

3fs

עָשָׂתָה

5

3fs

עָשָׂתְנִי

1

2ms

עָשִׂיתָה

8

2ms

עֲשִׂיתָהּ

1

2ms

עֲשִׂיתָם

1

2ms

עֲשִׂיתָנִי

1

2fs

עָשִׂיתִי

3

2fs

עָשִׂיתי

1

1cs

עֲשִׂיתִיו

2

1cs

עֲשִׂיתִם

2

1cs

עֲשִׂיתִנִי

1

3cp

עָשׂוּס

4

3cp

עָשׂוּפ

3

3cp

עָשׂוּהוּ

1

3cp

עָשׂוּנִי

1

3cp

שֶׁעָשׂוּ

1

2mp

עֲשִׂיתֶםס

1

3ms

וְעָשָׂהוּ

1

3fs

וְעָשָׂת

1

2ms

וַעֲשִׂיתָם

1

1cs

וְעָשִׂית

1

1cs

וְעָשִׂיתִיס

1

1cs

וְעָשִׂיתִיפ

1

1cs

וְעָשִׂתִי

1

1cs

וַעֲשִׂיתִיהוּ

1

1cs

וַעֲשִׂיתִיו

1

1cs

וַעֲשִׂיתִם

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

PSA

100

3

דְּעוּ כִּֽי יְהוָה הוּא אֱלֹהִים הֽוּא עָשָׂנוּ וְלֹא אֲנַ֑חְנוּ עַמּוֹ וְצֹאן מַרְעִיתֽוֹ׃

Weet, dat de Heere is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.

JOB

33

4

רֽוּחַ אֵל עָשָׂ֑תְנִי וְנִשְׁמַת שַׁדַּי תְּחַיֵּֽנִי׃

De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.

2SA

12

21

וַיֹּאמְרוּ עֲבָדָיו אֵלָיו מָֽה הַדָּבָר הַזֶּה אֲשֶׁר עָשִׂ֑יתָה בַּעֲבוּר הַיֶּלֶד חַי צַמְתָּ וַתֵּבְךְּ וְכַֽאֲשֶׁר מֵת הַיֶּלֶד קַמְתָּ וַתֹּאכַל לָֽחֶם׃

Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat gij gedaan hebt? Om des levenden kinds wil hebt gij gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten.

EZE

16

51

וְשֹׁמְרוֹן כַּחֲצִי חַטֹּאתַיִךְ לֹא חָטָ֑אָה וַתַּרְבִּי אֶת תּוֹעֲבוֹתַיִךְ מֵהֵנָּה וַתְּצַדְּקִי אֶת אֲחוֹתֵךְ בְּכָל תּוֹעֲבוֹתַיִךְ אֲשֶׁר עָשִׂיתי׃

Samaria ook heeft naar de helft uwer zonden niet gezondigd; en gij hebt uw gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uw zusters gerechtvaardigd door al uw gruwelen, die gij gedaan hebt.

EZE

29

3

דַּבֵּר וְאָמַרְתָּ כֹּֽה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי עָלֶיךָ פַּרְעֹה מֶֽלֶךְ מִצְרַיִם הַתַּנִּים הַגָּדוֹל הָרֹבֵץ בְּתוֹךְ יְאֹרָ֑יו אֲשֶׁר אָמַר לִי יְאֹרִי וַאֲנִי עֲשִׂיתִֽנִי׃

Spreek en zeg: Zo zegt de Heere Heere: Zie, Ik wil aan u, o Farao, koning van Egypte! dien groten zeedraak, die in het midden zijner rivieren ligt; die daar zegt: Mijn rivier is de mijne, en ik heb die voor mij gemaakt.

EXO

12

50

וַיַּֽעֲשׂוּ כָּל בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֶת מֹשֶׁה וְאֶֽת אַהֲרֹן כֵּן עָשֽׂוּ׃ס

En alle kinderen Israëls deden het; gelijk als de Heere Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij.

EZE

5

7

לָכֵן כֹּֽה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה יַעַן הֲמָנְכֶם מִן הַגּוֹיִם אֲשֶׁר סְבִיבֽוֹתֵיכֶם בְּחֻקּוֹתַי לֹא הֲלַכְתֶּם וְאֶת מִשְׁפָּטַי לֹא עֲשִׂיתֶ֑ם וּֽכְמִשְׁפְּטֵי הַגּוֹיִם אֲשֶׁר סְבִיבוֹתֵיכֶם לֹא עֲשִׂיתֶֽם׃ס

Daarom zegt de Heere Heere alzo: Dewijl gijlieden dies meer gemaakt hebt dan de heidenen, die rondom u zijn, in Mijn inzettingen niet gewandeld hebt, en Mijn rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de rechten der heidenen, die rondom u zijn, niet gedaan hebt;

LEV

16

9

וְהִקְרִיב אַהֲרֹן אֶת הַשָּׂעִיר אֲשֶׁר עָלָה עָלָיו הַגּוֹרָל לַיהוָ֑ה וְעָשָׂהוּ חַטָּֽאת׃

Dan zal Aäron den bok, op denwelken het lot voor den Heere zal gekomen zijn, toebrengen, en zal hem ten zondoffer maken.

LEV

25

21

וְצִוִּיתִי אֶת בִּרְכָתִי לָכֶם בַּשָּׁנָה הַשִּׁשִּׁ֑ית וְעָשָׂת אֶת הַתְּבוּאָה לִשְׁלֹשׁ הַשָּׁנִֽים׃

Zo zal Ik Mijn zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor drie jaren zal voortbrengen.

EXO

4

21

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה֒ בְּלֶכְתְּךָ לָשׁוּב מִצְרַיְמָה רְאֵה כָּל הַמֹּֽפְתִים אֲשֶׁר שַׂמְתִּי בְיָדֶךָ וַעֲשִׂיתָם לִפְנֵי פַרְעֹ֑ה וַאֲנִי אֲחַזֵּק אֶת לִבּוֹ וְלֹא יְשַׁלַּח אֶת הָעָֽם׃

En de Heere zeide tot Mozes: Terwijl gij heentrekt, om weder in Egypte te keren, zie toe, dat gij al de wonderen doet voor Farao, die Ik in uw hand gesteld heb; doch Ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zal laten gaan.

2SA

7

9

וָאֶהְיֶה עִמְּךָ בְּכֹל אֲשֶׁר הָלַכְתָּ וָאַכְרִתָה אֶת כָּל אֹיְבֶיךָ מִפָּנֶ֑יךָ וְעָשִׂתִֽי לְךָ שֵׁם גָּדוֹל כְּשֵׁם הַגְּדֹלִים אֲשֶׁר בָּאָֽרֶץ׃

En Ik ben met u geweest, overal, waar gij gegaan zijt, en heb al uw vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en Ik heb u een groten naam gemaakt, als den naam der groten, die op de aarde zijn.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יַעֲשֶׂה

116

וַיַּעַשׂ

235

וְיַעֲשֵׂהוּ

1

יִקְטֹל

3fs

תַּעֲשֶׂה

6

וַתַּעַשׂ

7

תִּקְטֹל

2ms

תַּעֲשֶׂה

96

וַתַּעַשׂ

4

תִּקְטֹל

2fs

תַּעֲשִׂי

4

וַתַּעֲשִׂי

4

תִּקְטְלִי

1cs

אֶעֱשֶׂה

75

וָאַעַשׂ

5

וְאֶעֱשֶׂה

12

אֶקְטֹל

3mp

יַעֲשׂוּ

21

וַיַּעֲשׂוּ

78

וְיַעֲשׂוּ

3

יִקְטְלוּ

3fp

תַעֲשֶׂינָה

2

וַתַּעֲשֶׂינָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תַעֲשׂוּ

38

וַתַּעֲשׂוּ

4

תִּקְטְלוּ

2fp

תַעֲשֶׂינָה

1

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נַעֲשֶׂה

23

וַנַּעֲשֵׂה

1

וְנַעֲשֶׂה

3

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

11

4

וַיֹּאמְרוּ הָבָה נִבְנֶה לָּנוּ עִיר וּמִגְדָּל וְרֹאשׁוֹ בַשָּׁמַיִם וְנַֽעֲשֶׂה לָּנוּ שֵׁ֑ם פֶּן נָפוּץ עַל פְּנֵי כָל הָאָֽרֶץ׃

En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons een stad bouwen, en een toren, welks opperste in den hemel zij, en laat ons een naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganse aarde verstrooid worden!

EXO

12

50

וַיַּֽעֲשׂוּ כָּל בְּנֵי יִשְׂרָאֵ֑ל כַּאֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֶת מֹשֶׁה וְאֶֽת אַהֲרֹן כֵּן עָשֽׂוּ׃ס

En alle kinderen Israëls deden het; gelijk als de Heere Mozes en Aäron geboden had, alzo deden zij.

EXO

35

10

וְכָל חֲכַם לֵב בָּכֶ֑ם יָבֹאוּ וְיַעֲשׂוּ אֵת כָּל אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָֽה׃

En allen, die wijs van hart zijn onder ulieden, zullen komen, en maken alles, wat de Heere geboden heeft:

EXO

38

9

וַיַּעַשׂ אֶת הֶחָצֵ֑ר לִפְאַת נֶגֶב תֵּימָנָה קַלְעֵי הֶֽחָצֵר שֵׁשׁ מָשְׁזָר מֵאָה בָּאַמָּֽה׃

Hij maakte ook den voorhof, aan den zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot den voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen.

LEV

23

30

וְכָל הַנֶּפֶשׁ אֲשֶׁר תַּעֲשֶׂה כָּל מְלָאכָה בְּעֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּ֑ה וְהַֽאֲבַדְתִּי אֶת הַנֶּפֶשׁ הַהִוא מִקֶּרֶב עַמָּֽהּ׃

Ook alle ziel, die enig werk op dienzelven dag gedaan zal hebben, die ziel zal Ik uit het midden haars volks verderven.

NUM

14

12

אַכֶּנּוּ בַדֶּבֶר וְאוֹרִשֶׁ֑נּוּ וְאֶֽעֱשֶׂה אֹֽתְךָ לְגוֹי גָּדוֹל וְעָצוּם מִמֶּֽנּוּ׃

Ik zal het met pestilentie slaan, en Ik zal het verstoten; en Ik zal u tot een groter en sterker volk maken, dan dit is.

NUM

32

25

וַיֹּאמֶר בְּנֵי גָד וּבְנֵי רְאוּבֵן אֶל מֹשֶׁה לֵאמֹ֑ר עֲבָדֶיךָ יַעֲשׂוּ כַּאֲשֶׁר אֲדֹנִי מְצַוֶּֽה׃

Toen spraken de kinderen van Gad en de kinderen van Ruben tot Mozes, zeggende: Uw knechten zullen doen, gelijk als mijn heer gebiedt.

RUT

3

4

וִיהִי בְשָׁכְבוֹ וְיָדַעַתְּ אֶת הַמָּקוֹם אֲשֶׁר יִשְׁכַּב שָׁם וּבָאת וְגִלִּית מַרְגְּלֹתָיו וְשָׁכָבְתִּי וְהוּא יַגִּיד לָךְ אֵת אֲשֶׁר תַּעַשִֽׂין׃

En het zal geschieden, als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken, waar hij zal nedergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u; zo zal hij u te kennen geven, wat gij doen zult.

RUT

3

6

וַתֵּרֶד הַגֹּ֑רֶן וַתַּעַשׂ כְּכֹל אֲשֶׁר צִוַּתָּה חֲמוֹתָֽהּ׃

Alzo ging zij af naar den dorsvloer, en deed naar alles, wat haar schoonmoeder haar geboden had.

2SA

17

6

וַיָּבֹא חוּשַׁי אֶל אַבְשָׁלוֹם֒ וַיֹּאמֶר אַבְשָׁלוֹם אֵלָיו לֵאמֹר כַּדָּבָר הַזֶּה דִּבֶּר אֲחִיתֹפֶל הֲנַעֲשֶׂה אֶת דְּבָר֑וֹ אִם אַיִן אַתָּה דַבֵּֽר׃ס

En als Husai tot Absalom inkwam, zo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Achitofel gesproken; zullen wij zijn woord doen? Zo niet, spreek gij.

1KI

2

9

וְעַתָּה אַל תְּנַקֵּהוּ כִּי אִישׁ חָכָם אָ֑תָּה וְיָֽדַעְתָּ אֵת אֲשֶׁר תַּֽעֲשֶׂה לּוֹ וְהוֹרַדְתָּ אֶת שֵׂיבָתוֹ בְּדָם שְׁאֽוֹל׃

Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten, wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.

1CH

20

3

וְאֶת הָעָם אֲשֶׁר בָּהּ הוֹצִיא וַיָּשַׂר בַּמְּגֵרָה וּבַחֲרִיצֵי הַבַּרְזֶל וּבַמְּגֵרוֹת וְכֵן יַעֲשֶׂה דָוִיד לְכֹל עָרֵי בְנֵי עַמּ֑וֹן וַיָּשָׁב דָּוִיד וְכָל הָעָם יְרוּשָׁלִָֽם׃פ

Hij voerde ook al het volk uit, dat daarin was, en hij zaagde ze met de zaag, en met ijzeren dorswagens, en met bijlen; en alzo deed David aan al de steden der kinderen Ammons. Toen keerde David wederom met al het volk naar Jeruzalem.

JOB

5

12

מֵפֵר מַחְשְׁבוֹת עֲרוּמִ֑ים וְֽלֹא תַעֲשֶׂינָה יְדֵיהֶם תּוּשִׁיָּֽה׃

Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen; dat hun handen niet een ding uitrichten.

ISA

46

6

הַזָּלִים זָהָב מִכִּיס וְכֶסֶף בַּקָּנֶה יִשְׁקֹ֑לוּ יִשְׂכְּרוּ צוֹרֵף וְיַעֲשֵׂהוּ אֵל יִסְגְּדוּ אַף יִֽשְׁתַּחֲוּֽוּ׃

Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de waag; zij huren een goudsmid, en die maakt het tot een god, zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor.

ISA

46

11

קֹרֵא מִמִּזְרָח עַיִט מֵאֶרֶץ מֶרְחָק אִישׁ עֲצָתוֹ אַף דִּבַּרְתִּי אַף אֲבִיאֶנָּה יָצַרְתִּי אַף אֶעֱשֶֽׂנָּה׃ס

Die een roofvogel roept van het oosten, een man Mijns raads uit verren lande; ja, Ik heb het gesproken, Ik zal het ook doen komen; Ik heb het geformeerd, Ik zal het ook doen.

ISA

65

12

וּמָנִיתִי אֶתְכֶם לַחֶרֶב וְכֻלְּכֶם לַטֶּבַח תִּכְרָעוּ יַעַן קָרָאתִי וְלֹא עֲנִיתֶם דִּבַּרְתִּי וְלֹא שְׁמַעְתֶּ֑ם וַתַּעֲשׂוּ הָרַע בְּעֵינַי וּבַאֲשֶׁר לֹֽא חָפַצְתִּי בְּחַרְתֶּֽם׃פ

Ik zal ulieden ook ten zwaarde tellen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat Ik geroepen heb, maar gij hebt niet geantwoord, Ik gesproken heb, maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan, dat kwaad was in Mijn ogen, en hebt verkoren hetgeen, waaraan Ik geen lust heb.

JER

32

20

אֲשֶׁר שַׂמְתָּ אֹתוֹת וּמֹפְתִים בְּאֶֽרֶץ מִצְרַיִם עַד הַיּוֹם הַזֶּה וּבְיִשְׂרָאֵל וּבָֽאָדָ֑ם וַתַּעֲשֶׂה לְּךָ שֵׁם כַּיּוֹם הַזֶּֽה׃

Gij, Die tekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland, tot op dezen dag, zo in Israël, als onder andere mensen, en hebt U een Naam gemaakt, als Hij is te dezen dage!

JER

35

10

וַנֵּשֶׁב בָּֽאֳהָלִ֑ים וַנִּשְׁמַע וַנַּעַשׂ כְּכֹל אֲשֶׁר צִוָּנוּ יוֹנָדָב אָבִֽינוּ׃

En wij hebben in tenten gewoond; alzo hebben wij gehoord en gedaan naar alles, wat ons onze vader Jonadab geboden heeft.

JER

44

25

כֹּֽה אָמַר יְהוָֽה צְבָאוֹת אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר אַתֶּם וּנְשֵׁיכֶם וַתְּדַבֵּרְנָה בְּפִיכֶם וּבִידֵיכֶם מִלֵּאתֶם לֵאמֹר֒ עָשֹׂה נַעֲשֶׂה אֶת נְדָרֵינוּ אֲשֶׁר נָדַרְנוּ לְקַטֵּר לִמְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם וּלְהַסֵּךְ לָהּ נְסָכִ֑ים הָקֵים תָּקִימְנָה אֶת נִדְרֵיכֶם וְעָשֹׂה תַעֲשֶׂינָה אֶת נִדְרֵיכֶֽם׃פ

Zo spreekt de Heere der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.

EZE

16

16

וַתִּקְחִי מִבְּגָדַיִךְ וַתַּֽעֲשִׂי לָךְ בָּמוֹת טְלֻאוֹת וַתִּזְנִי עֲלֵיהֶ֑ם לֹא בָאוֹת וְלֹא יִהְיֶֽה׃

En gij hebt van uw klederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd; zulks is niet gekomen, en zal niet geschieden.

EZE

16

50

וַֽתִּגְבְּהֶינָה וַתַּעֲשֶׂינָה תוֹעֵבָה לְפָנָ֑י וָאָסִיר אֶתְהֶן כַּאֲשֶׁר רָאִֽיתִי׃ס

En zij verhieven zich, en deden gruwelijkheid voor Mijn aangezicht; daarom deed Ik ze weg, nadat Ik het gezien had.

EZE

24

18

וָאֲדַבֵּר אֶל הָעָם בַּבֹּקֶר וַתָּמָת אִשְׁתִּי בָּעָ֑רֶב וָאַעַשׂ בַּבֹּקֶר כַּאֲשֶׁר צֻוֵּֽיתִי׃

Dit sprak ik tot het volk in den morgenstond, en mijn huisvrouw stierf in den avond; en ik deed in den morgenstond, gelijk mij geboden was.

MAL

2

13

וְזֹאת שֵׁנִית תַּֽעֲשׂוּ כַּסּוֹת דִּמְעָה אֶת מִזְבַּח יְהוָה בְּכִי וַֽאֲנָקָ֑ה מֵאֵין עוֹד פְּנוֹת אֶל הַמִּנְחָה וְלָקַחַת רָצוֹן מִיֶּדְכֶֽם׃

Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des Heeren bedekt met tranen, met wening en met zuchting; zodat Hij niet meer het spijsoffer aanschouwen, noch met welgevallen van uw hand ontvangen wil.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

22

12

וַיֹּאמֶר אַל תִּשְׁלַח יָֽדְךָ אֶל הַנַּעַר וְאַל תַּעַשׂ לוֹ מְא֑וּמָּה כִּי עַתָּה יָדַעְתִּי כִּֽי יְרֵא אֱלֹהִים אַתָּה וְלֹא חָשַׂכְתָּ אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידְךָ מִמֶּֽנִּי׃

Toen zeide Hij: Strek uw hand niet uit aan den jongen, en doe hem niets! want nu weet Ik, dat gij God vrezende zijt, en uw zoon, uw enige, van Mij niet hebt onthouden.

RUT

1

8

וַתֹּאמֶר נָעֳמִי לִשְׁתֵּי כַלֹּתֶיהָ לֵכְנָה שֹּׁבְנָה אִשָּׁה לְבֵית אִמָּ֑הּ יַעֲשֶׂה יְהוָה עִמָּכֶם חֶסֶד כַּאֲשֶׁר עֲשִׂיתֶם עִם הַמֵּתִים וְעִמָּדִֽי׃

Zo zeide Naomi tot haar twee schoondochters: Gaat heen, keert weder, een iegelijk tot het huis van haar moeder; de Heere doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de doden, en bij mij.

2SA

2

6

וְעַתָּה יַֽעַשׂ יְהוָה עִמָּכֶם חֶסֶד וֶאֱמֶ֑ת וְגַם אָנֹכִי אֶעֱשֶׂה אִתְּכֶם הַטּוֹבָה הַזֹּאת אֲשֶׁר עֲשִׂיתֶם הַדָּבָר הַזֶּֽה׃

Zo doe nu de Heere aan u weldadigheid en trouw! En ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zaak gedaan hebt.

1CH

21

23

וַיֹּאמֶר אָרְנָן אֶל דָּוִיד קַֽח לָךְ וְיַעַשׂ אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ הַטּוֹב בְּעֵינָ֑יו רְאֵה נָתַתִּי הַבָּקָר לָֽעֹלוֹת וְהַמּוֹרִגִּים לָעֵצִים וְהַחִטִּים לַמִּנְחָה הַכֹּל נָתָֽתִּי׃

Toen zeide Ornan tot David: Neem ze maar henen, en mijn heer de koning doe wat goed is in zijn ogen; zie, ik geef deze runderen tot brandofferen, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer; ik geef het al.

JOB

13

20

אַךְ שְׁתַּיִם אַל תַּעַשׂ עִמָּדִ֑י אָז מִפָּנֶיךָ לֹא אֶסָּתֵֽר׃

Alleenlijk doe twee dingen niet met mij; dan zal ik mij van Uw aangezicht niet verbergen.

JER

39

12

קָחֶנּוּ וְעֵינֶיךָ שִׂים עָלָיו וְאַל תַּעַשׂ לוֹ מְאוּמָה רָּ֑ע כִּי אם כַּֽאֲשֶׁר יְדַבֵּר אֵלֶיךָ כֵּן עֲשֵׂה עִמּֽוֹ׃

Neem hem, en stel uw ogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzo met hem.

DAN

11

16

וְיַעַשׂ הַבָּא אֵלָיו כִּרְצוֹנוֹ וְאֵין עוֹמֵד לְפָנָ֑יו וְיַעֲמֹד בְּאֶֽרֶץ הַצְּבִי וְכָלָה בְיָדֽוֹ׃

Maar hij, die tegen hem komt, zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijn hand wezen.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

עֲשֵׂה

33

קְטֹל

fs

עֲשִׂי

6

קִטְלִי

mp

עֲשׂוּ

19

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1KI

20

24

וְאֶת הַדָּבָר הַזֶּה עֲשֵׂ֑ה הָסֵר הַמְּלָכִים אִישׁ מִמְּקֹמוֹ וְשִׂים פַּחוֹת תַּחְתֵּיהֶֽם׃

Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg, elkeen uit zijn plaats, en stel landvoogden in hun plaats.

GEN

31

16

כִּי כָל הָעֹשֶׁר אֲשֶׁר הִצִּיל אֱלֹהִים מֵֽאָבִינוּ לָנוּ הוּא וּלְבָנֵ֑ינוּ וְעַתָּה כֹּל אֲשֶׁר אָמַר אֱלֹהִים אֵלֶיךָ עֲשֵֽׂה׃

Want al de rijkdom, welke God onzen vader heeft ontrukt, die is onze, en van onze zonen; nu dan, doe alles, wat God tot u gezegd heeft.

1SA

1

23

וַיֹּאמֶר לָהּ אֶלְקָנָה אִישָׁהּ עֲשִׂי הַטּוֹב בְּעֵינַיִךְ שְׁבִי עַד גָּמְלֵךְ אֹתוֹ אַךְ יָקֵם יְהוָה אֶת דְּבָר֑וֹ וַתֵּשֶׁב הָֽאִשָּׁה וַתֵּינֶק אֶת בְּנָהּ עַד גָּמְלָהּ אֹתֽוֹ׃

En Elkana, haar man, zeide tot haar: Doe, wat goed is in uw ogen; blijf, totdat gij hem zult gespeend hebben; de Heere bevestige naar Zijn woord! Alzo bleef de vrouw, en zoogde haar zoon, totdat zij hem speende.

JER

46

19

כְּלֵי גוֹלָה עֲשִׂי לָךְ יוֹשֶׁבֶת בַּת מִצְרָ֑יִם כִּֽי נֹף לְשַׁמָּה תִֽהְיֶה וְנִצְּתָה מֵאֵין יוֹשֵֽׁב׃ס

Maak voor u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij inwoneres, gij dochter van Egypte! want Nof zal ter verwoesting worden, en zal verbrand worden, dat er niemand in wone.

JDG

9

48

וַיַּעַל אֲבִימֶלֶךְ הַר צַלְמוֹן הוּא וְכָל הָעָם אֲשֶׁר אִתּוֹ֒ וַיִּקַּח אֲבִימֶלֶךְ אֶת הַקַּרְדֻּמּוֹת בְּיָדוֹ וַיִּכְרֹת שׂוֹכַת עֵצִים וַיִּשָּׂאֶהָ וַיָּשֶׂם עַל שִׁכְמ֑וֹ וַיֹּאמֶר אֶל הָעָם אֲשֶׁר עִמּוֹ מָה רְאִיתֶם עָשִׂיתִי מַהֲרוּ עֲשׂוּ כָמֽוֹנִי׃

Zo ging Abimelech op den berg Zalmon, hij en al het volk, dat met hem was; en Abimelech nam een bijl in zijn hand, en hieuw een tak van de bomen, en nam hem op, en leide hem op zijn schouder; en hij zeide tot het volk, dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u, doet als ik.

JER

50

29

הַשְׁמִיעוּ אֶל בָּבֶל רַבִּים כָּל דֹּרְכֵי קֶשֶׁת חֲנוּ עָלֶיהָ סָבִיב אַל יְהִיָ פְּלֵטָה שַׁלְּמוּ לָהּ כְּפָעֳלָהּ כְּכֹל אֲשֶׁר עָשְׂתָה עֲשׂוּ לָ֑הּ כִּי אֶל יְהוָה זָדָה אֶל קְדוֹשׁ יִשְׂרָאֵֽל׃

Laat u horen tegen Babel, gij schutters! gij allen, die den boog spant! legert u tegen haar rondom, laat niemand van hen ontkomen; vergeldt haar naar haar werk, doet haar naar alles, wat zij gedaan heeft; want zij heeft trotselijk gehandeld tegen den Heere, tegen den Heilige Israëls.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

עֹשֶׂה

76

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

עֹשָׂה

6

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

עֹשִׂים

41

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָעֹשֶׂה

5

fs

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הָעֹשִׂים

4

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הָעֹשֹׂת

1

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

עוֹשֶׂה

1

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הָעֹשִׂים

4

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הָעֹשֹׂת

1

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָעוֹשֶׂה

1

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

עֹשֵׂה

39

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

עֹשֵׂי

16

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְעֹשֶׂה

5

V-Qal-Prtcpl-msc | 3ms

ms

עֹשֵׂהוּ

5

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-msc

sc

לְעֹשֵׂה

4

Prep-b | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

בְּעֹשֵׂי

3

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

לְעֹשֵׂי

3

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

עוֹשֵׂי

3

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3mp

mp

עֹשֵׂיהֶם

3

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

וְעֹשֵׂי

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-msc

sc

וְעֹשֵׂה

2

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cs

cs

עֹשֵׂנִי

2

V-Qal-Prtcpl-msc | 2ms

ms

עֹשֶׂךָ

2

Art | V-Qal-Prtcpl-msc

sc

הָעֹשֵׂה

1

Art | V-Qal-Prtcpl-msc | 3ms

ms

הָעֹשׂוֹ

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

וְעֹשׂוֹת

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְעֹשִׂים

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-msc | 3fs

fs

וְעֹשָׂהּ

1

Prep-b | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

בְּעֹשָׂיו

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-msc | 3ms

ms

לְעֹשֵׂהוּ

1

Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

לָעֹשֶׂה

1

Prep-m | V-Qal-Prtcpl-msc | 3ms

ms

מֵעֹשֵׂהוּ

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 1cs

cs

עֹשָׂי

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 2fs

fs

עֹשַׂיִךְ

1

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

עוֹשֵׂה

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cp

cp

עֹשֵׂנוּ

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 3fs

fs

עֹשֶׂיהָ

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 3fs

fs

עֹשָׂהּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

ms

עָשׂוּי

3

קָטוּל

V-Qal-QalPassPrtcpl-fs

fs

עֲשׂוּיָה

1

קְטוּלָה

V-Qal-QalPassPrtcpl-mp

mp

עֲשׂוּיִם

3

קְטוּלִים

V-Qal-QalPassPrtcpl-fp

fp

עֲשׂוּיֹת‪‬

1

קְטוּלוֹת

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

הֶעָשׂוּי

2

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-fs

הָעֲשֻׂיָה

1

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-fs

הָעֲשׂוּיָה

1

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-mp

הָעֲשׂוּיִם

1

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

הֶעָשׂוּ

1

Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-fs

וַעֲשׂוּיָה

1

Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

וְעָשׂוּי

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

3

16

לֵךְ וְאָֽסַפְתָּ אֶת זִקְנֵי יִשְׂרָאֵל וְאָמַרְתָּ אֲלֵהֶם יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבֹֽתֵיכֶם נִרְאָה אֵלַי אֱלֹהֵי אַבְרָהָם יִצְחָק וְיַעֲקֹב לֵאמֹ֑ר פָּקֹד פָּקַדְתִּי אֶתְכֶם וְאֶת הֶעָשׂוּי לָכֶם בְּמִצְרָֽיִם׃

Ga heen, en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: De Heere, de God uwer vaderen, is mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob, zeggende: Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht, en hetgeen ulieden in Egypte is aangedaan;

EXO

38

24

כָּל הַזָּהָב הֶֽעָשׂוּי לַמְּלָאכָה בְּכֹל מְלֶאכֶת הַקֹּ֑דֶשׁ וַיְהִי זְהַב הַתְּנוּפָה תֵּשַׁע וְעֶשְׂרִים כִּכָּר וּשְׁבַע מֵאוֹת וּשְׁלֹשִׁים שֶׁקֶל בְּשֶׁקֶל הַקֹּֽדֶשׁ׃

Al het goud, dat tot het werk verarbeid is, in het ganse werk des heiligdoms, te weten, het goud des beweegoffers, was negen en twintig talenten, en zevenhonderd en dertig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.

NUM

28

6

עֹלַת תָּמִ֑יד הָעֲשֻׂיָה בְּהַר סִינַי לְרֵיחַ נִיחֹחַ אִשֶּׁה לַֽיהוָֽה׃

Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinaï ingesteld was tot een liefelijken reuk, een vuuroffer den Heere.

1SA

25

18

וַתְּמַהֵר אֲבוֹגַיִל וַתִּקַּח מָאתַיִם לֶחֶם וּשְׁנַיִם נִבְלֵי יַיִן וְחָמֵשׁ צֹאן עֲשָׂווֹת וְחָמֵשׁ סְאִים קָלִי וּמֵאָה צִמֻּקִים וּמָאתַיִם דְּבֵלִ֑ים וַתָּשֶׂם עַל הַחֲמֹרִֽים׃

Toen haastte zich Abigaïl, en nam tweehonderd broden, en twee lederzakken wijns, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren, en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en leide die op ezelen.

2KI

23

4

וַיְצַו הַמֶּלֶךְ אֶת חִלְקִיָּהוּ הַכֹּהֵן הַגָּדוֹל וְאֶת כֹּהֲנֵי הַמִּשְׁנֶה וְאֶת שֹׁמְרֵי הַסַּף֒ לְהוֹצִיא מֵהֵיכַל יְהוָה אֵת כָּל הַכֵּלִים הָֽעֲשׂוּיִם לַבַּעַל וְלָֽאֲשֵׁרָה וּלְכֹל צְבָא הַשָּׁמָ֑יִם וַֽיִּשְׂרְפֵם מִחוּץ לִירוּשָׁלִַם בְּשַׁדְמוֹת קִדְרוֹן וְנָשָׂא אֶת עֲפָרָם בֵּֽית אֵֽל׃

En de koning gebood den hogepriester Hilkia, en den priesteren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den tempel des Heeren alle gereedschap, dat voor Baäl, en voor het beeld van het bos, en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden van Kidron, en liet het stof daarvan naar Beth-el dragen.

NEH

3

16

אַחֲרָיו הֶחֱזִיק נְחֶמְיָה בֶן עַזְבּוּק שַׂר חֲצִי פֶּלֶךְ בֵּֽית צ֑וּר עַד נֶגֶד קִבְרֵי דָוִיד וְעַד הַבְּרֵכָה הָעֲשׂוּיָה וְעַד בֵּית הַגִּבֹּרִֽים׃ס

Na hem verbeterde Nehemia, de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-zur, tot tegenover Davids graven, en tot aan den gemaakten vijver, en tot aan het huis der helden.

JOB

41

33

אֵֽין עַל עָפָר מָשְׁל֑וֹ הֶעָשׂוּ לִבְלִי חָֽת׃

[041:24] Op de aarde is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.

PSA

111

8

סְמוּכִים לָעַד לְעוֹלָ֑ם עֲשׂוּיִם בֶּאֱמֶת וְיָשָֽׁר׃

. Zij zijn ondersteund voor altoos en in eeuwigheid; . zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.

EZE

21

15

לְמַעַן לָמוּג לֵב וְהַרְבֵּה הַמִּכְשֹׁלִים עַל כָּל שַׁעֲרֵיהֶם נָתַתִּי אִבְחַת חָ֑רֶב אָח עֲשׂוּיָה לְבָרָק מְעֻטָּה לְטָֽבַח׃

Ik heb de punt des zwaards gezet tegen al hun poorten, opdat het hart versmelte, en de aanstoten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt, opdat het glinstere, het is ingewonden om te slachten.

EZE

40

17

וַיְבִיאֵנִי אֶל הֶֽחָצֵר הַחִיצוֹנָה וְהִנֵּה לְשָׁכוֹת וְרִֽצְפָה עָשׂוּי לֶחָצֵר סָבִיב סָבִ֑יב שְׁלֹשִׁים לְשָׁכוֹת אֶל הָרִֽצְפָֽה׃

Voorts bracht hij mij in het buitenste voorhof, en ziet, er waren kameren, en een plaveisel, dat gemaakt was in het voorhof rondom henen, dertig kameren waren er op het plaveisel.

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לַעֲשׂוֹת

205

V-Qal-Inf

עֲשׂוֹת

20

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלַעֲשׂוֹת

14

Prep-l | V-Qal-Inf

לַעֲשֹׂת

12

Prep-m | V-Qal-Inf

מֵעֲשׂוֹת

8

Prep-l | V-Qal-Inf | 3ms

לַעֲשֹׂתוֹ

5

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בַּעֲשׂוֹתִי

4

Prep-l | V-Qal-Inf

לַּעֲשׂוֹת

3

V-Qal-Inf

עֲשֹׂה

3

Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

לַעֲשֹׂתָהּ

2

Prep-l | V-Qal-Inf | 3mp

לַעֲשֹׂתָם

2

Prep-l | V-Qal-Inf | 3mp

לַעֲשׂוֹתָם

2

Prep-m | V-Qal-Inf

מֵעֲשֹׂת

2

V-Qal-Inf | 3fs

עֲשׂוֹתָהּ

2

V-Qal-Inf | 3ms

עֲשֹׂתוֹ

2

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלַעֲשֹׂת

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בַּעְשׂוֹת

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 2fs

בַּעֲשׂוֹתֵךְ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 2ms

בַּעֲשׂוֹתְךָ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3fs

בַּעֲשֹׂתָהּ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בַּעֲשֹׂתוֹ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בַּעֲשֹׂתוֹ‪‬

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 2mp

לַעֲשֹׂתְכֶם

1

Prep-m | V-Qal-Inf | 1cs

מֵעֲשֹׂתִי

1

V-Qal-Inf

עֲשׂוֹ

1

V-Qal-Inf | 2mp

עֲשׂוֹתְכֶם

1

V-Qal-Inf | 3ms

עֲשֹׂהוּ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

2

3

וַיְבָרֶךְ אֱלֹהִים אֶת יוֹם הַשְּׁבִיעִי וַיְקַדֵּשׁ אֹת֑וֹ כִּי בוֹ שָׁבַת מִכָּל מְלַאכְתּוֹ אֲשֶׁר בָּרָא אֱלֹהִים לַעֲשֽׂוֹת׃פ

En God heeft den zevenden dag gezegend, en dien geheiligd; omdat Hij op denzelven gerust heeft van al Zijn werk, hetwelk God geschapen had, om te volmaken.

GEN

2

4

אֵלֶּה תוֹלְדוֹת הַשָּׁמַיִם וְהָאָרֶץ בְּהִבָּֽרְאָ֑ם בְּיוֹם עֲשׂוֹת יְהוָה אֱלֹהִים אֶרֶץ וְשָׁמָֽיִם׃

Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de Heere God de aarde en den hemel maakte.

GEN

11

6

וַיֹּאמֶר יְהוָה הֵן עַם אֶחָד וְשָׂפָה אַחַת לְכֻלָּם וְזֶה הַחִלָּם לַעֲשׂ֑וֹת וְעַתָּה לֹֽא יִבָּצֵר מֵהֶם כֹּל אֲשֶׁר יָזְמוּ לַֽעֲשֽׂוֹת׃

En de Heere zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?

GEN

11

6

וַיֹּאמֶר יְהוָה הֵן עַם אֶחָד וְשָׂפָה אַחַת לְכֻלָּם וְזֶה הַחִלָּם לַעֲשׂ֑וֹת וְעַתָּה לֹֽא יִבָּצֵר מֵהֶם כֹּל אֲשֶׁר יָזְמוּ לַֽעֲשֽׂוֹת׃

En de Heere zeide: Ziet, zij zijn enerlei volk, en hebben allen enerlei spraak; en dit is het, dat zij beginnen te maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?

GEN

18

7

וְאֶל הַבָּקָר רָץ אַבְרָהָ֑ם וַיִּקַּח בֶּן בָּקָר רַךְ וָטוֹב וַיִּתֵּן אֶל הַנַּעַר וַיְמַהֵר לַעֲשׂוֹת אֹתֽוֹ׃

En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan den knecht, die haastte, om dat toe te maken.

GEN

18

19

כִּי יְדַעְתִּיו לְמַעַן אֲשֶׁר יְצַוֶּה אֶת בָּנָיו וְאֶת בֵּיתוֹ אַחֲרָיו וְשָֽׁמְרוּ דֶּרֶךְ יְהוָה לַעֲשׂוֹת צְדָקָה וּמִשְׁפָּ֑ט לְמַעַן הָבִיא יְהוָה עַל אַבְרָהָם אֵת אֲשֶׁר דִּבֶּר עָלָֽיו׃

Want Ik heb hem gekend, opdat hij zijn kinderen en zijn huis na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heeren houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen Hij over hem gesproken heeft.

GEN

18

25

חָלִלָה לְּךָ מֵעֲשֹׂת כַּדָּבָר הַזֶּה לְהָמִית צַדִּיק עִם רָשָׁע וְהָיָה כַצַּדִּיק כָּרָשָׁ֑ע חָלִלָה לָּךְ הֲשֹׁפֵט כָּל הָאָרֶץ לֹא יַעֲשֶׂה מִשְׁפָּֽט׃

Het zij verre van U, zulk een ding te doen, te doden den rechtvaardige met den goddeloze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddeloze, verre zij het van U! zou de Rechter der ganse aarde geen recht doen?

GEN

19

22

מַהֵר הִמָּלֵט שָׁמָּה כִּי לֹא אוּכַל לַעֲשׂוֹת דָּבָר עַד בֹּאֲךָ שָׁ֑מָּה עַל כֵּן קָרָא שֵׁם הָעִיר צֽוֹעַר׃

Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.

GEN

31

28

וְלֹא נְטַשְׁתַּנִי לְנַשֵּׁק לְבָנַי וְלִבְנֹתָ֑י עַתָּה הִסְכַּלְתָּֽ עֲשֽׂוֹ׃

Ook hebt gij mij niet toegelaten mijn zonen en mijn dochteren te kussen; nu, gij hebt dwaselijk gedaan zo doende.

GEN

31

29

יֶשׁ לְאֵל יָדִי לַעֲשׂוֹת עִמָּכֶם רָ֑ע וֵֽאלֹהֵי אֲבִיכֶם אֶמֶשׁ אָמַר אֵלַי לֵאמֹר הִשָּׁמֶר לְךָ מִדַּבֵּר עִֽם יַעֲקֹב מִטּוֹב עַד רָֽע׃

Het ware in de macht mijner hand aan ulieden kwaad te doen; maar de God van ulieder vader heeft tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u, van met Jakob te spreken, of goed, of kwaad.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

עָשֹׂה

8

V-Qal-InfAbs

עָשׂוֹ

4

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְעָשֹׂה

3

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1SA

25

28

שָׂא נָא לְפֶשַׁע אֲמָתֶ֑ךָ כִּי עָשֹֽׂה יַעֲשֶׂה יְהוָה לַֽאדֹנִי בַּיִת נֶאֱמָן כִּי מִלְחֲמוֹת יְהוָה אֲדֹנִי נִלְחָם וְרָעָה לֹא תִמָּצֵא בְךָ מִיָּמֶֽיךָ׃

Vergeef toch aan uw dienstmaagd de overtreding, want de Heere zal zekerlijk mijn heer een bestendig huis maken, dewijl mijn heer de oorlogen des Heeren oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uw dagen af.

1SA

26

25

וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶל דָּוִד בָּרוּךְ אַתָּה בְּנִי דָוִד גַּם עָשֹׂה תַעֲשֶׂה וְגַם יָכֹל תּוּכָ֑ל וַיֵּלֶךְ דָּוִד לְדַרְכּוֹ וְשָׁאוּל שָׁב לִמְקוֹמֽוֹ׃פ

Toen zeide Saul tot David: Gezegend zijt gij, mijn zoon David; gij zult het ja gewisselijk doen, en gij zult ook gewisselijk de overhand hebben. Toen ging David op zijn weg, en Saul keerde weder naar zijn plaats.

2SA

9

7

וַיֹּאמֶר לוֹ דָוִד אַל תִּירָא כִּי עָשֹׂה אֶעֱשֶׂה עִמְּךָ חֶסֶד בַּֽעֲבוּר יְהוֹנָתָן אָבִיךָ וַהֲשִׁבֹתִי לְךָ אֶֽת כָּל שְׂדֵה שָׁאוּל אָבִ֑יךָ וְאַתָּה תֹּאכַל לֶחֶם עַל שֻׁלְחָנִי תָּמִֽיד׃

En David zeide tot hem: Vrees niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen, om uws vaders Jonathans wil; en ik zal u alle akkers van uw vader Saul wedergeven; en gij zult geduriglijk brood eten aan mijn tafel.

2KI

3

16

וַיֹּאמֶר כֹּה אָמַר יְהוָ֑ה עָשֹׂה הַנַּחַל הַזֶּה גֵּבִים גֵּבִֽים׃

En hij zeide: Zo zegt de Heere: Maakt in dit dal vele grachten.

EST

9

17

בְּיוֹם שְׁלֹשָׁה עָשָׂר לְחֹדֶשׁ אֲדָ֑ר וְנוֹחַ בְּאַרְבָּעָה עָשָׂר בּוֹ וְעָשֹׂה אֹתוֹ יוֹם מִשְׁתֶּה וְשִׂמְחָֽה׃

Dit geschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertienden derzelve rustten zij, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.

EST

9

18

וְהַיְּהוּדִיִּים אֲשֶׁר בְּשׁוּשָׁן נִקְהֲלוּ בִּשְׁלֹשָׁה עָשָׂר בּוֹ וּבְאַרְבָּעָה עָשָׂר בּ֑וֹ וְנוֹחַ בַּחֲמִשָּׁה עָשָׂר בּוֹ וְעָשֹׂה אֹתוֹ יוֹם מִשְׁתֶּה וְשִׂמְחָֽה׃

En de Joden, die te Susan waren, vergaderden op den dertienden derzelve, en op den veertienden derzelve; en zij rustten op den vijftienden derzelve, en zij maakten denzelven een dag der maaltijden en der vreugde.

PRO

23

5

הֲתָעוּף עֵינֶיךָ בּוֹ וְֽאֵינֶנּוּ כִּי עָשֹׂה יַעֲשֶׂה לּוֹ כְנָפַ֑יִם כְּנֶשֶׁר וְעָיֵף הַשָּׁמָֽיִם׃פ

Zult gij uw ogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken gelijk een arend, die naar den hemel vliegt .

JER

4

18

דַּרְכֵּךְ וּמַעֲלָלַיִךְ עָשׂוֹ אֵלֶּה לָ֑ךְ זֹאת רָעָתֵךְ כִּי מָר כִּי נָגַע עַד לִבֵּֽךְ׃ס

Uw weg en uw handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uw boosheid, dat het zo bitter is, dat het tot aan uw hart raakt.

JER

7

5

כִּי אִם הֵיטֵיב תֵּיטִיבוּ אֶת דַּרְכֵיכֶם וְאֶת מַֽעַלְלֵיכֶ֑ם אִם עָשׂוֹ תַֽעֲשׂוּ מִשְׁפָּט בֵּין אִישׁ וּבֵין רֵעֵֽהוּ׃

Maar indien gij uw wegen en uw handelingen waarlijk zult goed maken; indien gij waarlijk zult recht doen tussen den man en tussen zijn naaste;

JER

22

4

כִּי אִם עָשׂוֹ תַּֽעֲשׂוּ אֶת הַדָּבָר הַזֶּ֑ה וּבָאוּ בְשַׁעֲרֵי הַבַּיִת הַזֶּה מְלָכִים יֹשְׁבִים לְדָוִד עַל כִּסְאוֹ רֹֽכְבִים בָּרֶכֶב וּבַסּוּסִים הוּא וְעַבְדּוֹ וְעַמּֽוֹ׃

Want indien gijlieden deze zaak ernstiglijk zult doen, zo zullen door de poorten van dit huis koningen ingaan, zittende den David op zijn troon, rijdende op wagens en op paarden, hij, en zijn knechten, en zijn volk.

JER

44

17

כִּי עָשֹׂה נַעֲשֶׂה אֶֽת כָּל הַדָּבָר אֲשֶׁר יָצָא מִפִּינוּ לְקַטֵּר לִמְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם וְהַסֵּֽיךְ לָהּ נְסָכִים֒ כַּאֲשֶׁר עָשִׂינוּ אֲנַחְנוּ וַאֲבֹתֵינוּ מְלָכֵינוּ וְשָׂרֵינוּ בְּעָרֵי יְהוּדָה וּבְחֻצוֹת יְרוּשָׁלִָ֑ם וַנִּֽשְׂבַּֽע לֶחֶם וַנִּֽהְיֶה טוֹבִים וְרָעָה לֹא רָאִֽינוּ׃

Maar wij zullen ganselijk doen al hetgeen uit onzen mond is uitgegaan, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen werden wij met brood verzadigd, en waren vrolijk, en zagen geen kwaad.

JER

44

25

כֹּֽה אָמַר יְהוָֽה צְבָאוֹת אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר אַתֶּם וּנְשֵׁיכֶם וַתְּדַבֵּרְנָה בְּפִיכֶם וּבִידֵיכֶם מִלֵּאתֶם לֵאמֹר֒ עָשֹׂה נַעֲשֶׂה אֶת נְדָרֵינוּ אֲשֶׁר נָדַרְנוּ לְקַטֵּר לִמְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם וּלְהַסֵּךְ לָהּ נְסָכִ֑ים הָקֵים תָּקִימְנָה אֶת נִדְרֵיכֶם וְעָשֹׂה תַעֲשֶׂינָה אֶת נִדְרֵיכֶֽם׃פ

Zo spreekt de Heere der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.

JER

44

25

כֹּֽה אָמַר יְהוָֽה צְבָאוֹת אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל לֵאמֹר אַתֶּם וּנְשֵׁיכֶם וַתְּדַבֵּרְנָה בְּפִיכֶם וּבִידֵיכֶם מִלֵּאתֶם לֵאמֹר֒ עָשֹׂה נַעֲשֶׂה אֶת נְדָרֵינוּ אֲשֶׁר נָדַרְנוּ לְקַטֵּר לִמְלֶכֶת הַשָּׁמַיִם וּלְהַסֵּךְ לָהּ נְסָכִ֑ים הָקֵים תָּקִימְנָה אֶת נִדְרֵיכֶם וְעָשֹׂה תַעֲשֶׂינָה אֶת נִדְרֵיכֶֽם׃פ

Zo spreekt de Heere der heirscharen, de God Israëls, zeggende: Aangaande u en uw vrouwen, zij hebben toch met uw mond gesproken, en gij hebt het met uw handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, ganselijk houden, rokende aan Melecheth des hemels, en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uw geloften volkomenlijk bevestigd en uw geloften volkomenlijk gehouden.

EZE

23

30

עָשֹׂה אֵלֶּה לָ֑ךְ בִּזְנוֹתֵךְ אַחֲרֵי גוֹיִם עַל אֲשֶׁר נִטְמֵאת בְּגִלּוּלֵיהֶֽם׃

Deze dingen zal men u doen, dewijl gij de heidenen nagehoereerd hebt, en omdat gij u met hun drekgoden verontreinigd hebt.

EZE

31

11

וְאֶתְּנֵהוּ בְּיַד אֵיל גּוֹיִ֑ם עָשׂוֹ יַֽעֲשֶׂה לוֹ כְּרִשְׁעוֹ גֵּרַשְׁתִּֽהוּ׃

Daarom gaf Ik hem in de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zou behandelen; Ik dreef hem uit om zijn goddeloosheid.