Vervoeging אָכַל

Strong H398
Betekenis: eten
Frequentie Qal: 739

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

אָכַל

18

וְאָכַל

11

קָטַל

3fs

אָכְלָה

16

וְאָכְלָה

18

קָֽטְלָה

2ms

אָכַלְתָּ

1

וְאָכַלְתָּ

15

קָטַ֫לְתָּ

2fs

אָכָלְתִּי

1

וְאָכַלְתְּ

1

קָטַלְתְּ

1cs

אָכַלְתִּי

8

וְאָכַלְתִּי

3

קָטַ֫לְתִּי

3cp

אָכְלוּ

13

וְאָכְלוּ

14

קָטְלוּ

2mp

אֲכַלְתֶּם

3

וַאֲכַלְתֶּם

19

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

אָכַלְנוּ

1

וַאֲכַלְנֻהוּ

1

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

2SA

19

42

וַיַּעַן כָּל אִישׁ יְהוּדָה עַל אִישׁ יִשְׂרָאֵל כִּֽי קָרוֹב הַמֶּלֶךְ אֵלַי וְלָמָּה זֶּה חָרָה לְךָ עַל הַדָּבָר הַזֶּ֑ה הֶאָכוֹל אָכַלְנוּ מִן הַמֶּלֶךְ אִם נִשֵּׂאת נִשָּׂא לָֽנוּ׃ס

Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israël: Omdat de koning ons na verwant is; en waarom zijt gij nu toornig over deze zaak? Hebben wij dan enigszins gegeten van des konings kost, of heeft hij ons een geschenk geschonken?

JOB

31

39

אִם כֹּחָהּ אָכַלְתִּי בְלִי כָ֑סֶף וְנֶפֶשׁ בְּעָלֶיהָ הִפָּֽחְתִּי׃

Zo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziel zijner akkerlieden heb doen hijgen;

EZE

16

13

וַתַּעְדִּי זָהָב וָכֶסֶף וּמַלְבּוּשֵׁךְ שֵׁשִׁי וָמֶשִׁי וְרִקְמָה סֹלֶת וּדְבַשׁ וָשֶׁמֶן אָכָלְתִּי וַתִּיפִי בִּמְאֹד מְאֹד וַֽתִּצְלְחִי לִמְלוּכָֽה׃

Zo waart gij versierd met goud en zilver, en uw kleding was fijn linnen, en zijde, en gestikt werk; gij at meelbloem, en honig, en olie, en gij waart gans zeer schoon, en waart voorspoedig, dat gij een koninkrijk werdt.

DEU

29

6

לֶחֶם לֹא אֲכַלְתֶּם וְיַיִן וְשֵׁכָר לֹא שְׁתִיתֶ֑ם לְמַעַן תֵּֽדְעוּ כִּי אֲנִי יְהוָה אֱלֹהֵיכֶֽם׃

Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken; opdat gij wistet, dat Ik de Heere, uw God, ben.

PRO

23

8

פִּֽתְּךָ אָכַלְתָּ תְקִיאֶ֑נָּה וְשִׁחַתָּ דְּבָרֶיךָ הַנְּעִימִֽים׃

Uw bete, die gij gegeten hebt, zoudt gij uitspuwen; en gij zoudt uw liefelijke woorden verderven.

EXO

16

35

וּבְנֵי יִשְׂרָאֵל אָֽכְלוּ אֶת הַמָּן אַרְבָּעִים שָׁנָה עַד בֹּאָם אֶל אֶרֶץ נוֹשָׁ֑בֶת אֶת הַמָּן אָֽכְלוּ עַד בֹּאָם אֶל קְצֵה אֶרֶץ כְּנָֽעַן׃

En de kinderen Israëls aten Man veertig jaren, totdat zij in een bewoond land kwamen; zij aten Man, totdat zij kwamen aan de pale van het land Kanaän.

JOE

2

3

לְפָנָיו אָכְלָה אֵשׁ וְאַחֲרָיו תְּלַהֵט לֶֽהָבָ֑ה כְּגַן עֵדֶן הָאָרֶץ לְפָנָיו וְאַֽחֲרָיו מִדְבַּר שְׁמָמָה וְגַם פְּלֵיטָה לֹא הָיְתָה לּֽוֹ׃

Voor hetzelve verteert een vuur, en achter hetzelve brandt een vlam; het land is voor hetzelve als een lusthof, maar achter hetzelve een woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.

JOE

2

25

וְשִׁלַּמְתִּי לָכֶם אֶת הַשָּׁנִים אֲשֶׁר אָכַל הָֽאַרְבֶּה הַיֶּלֶק וְהֶחָסִיל וְהַגָּזָ֑ם חֵילִי הַגָּדוֹל אֲשֶׁר שִׁלַּחְתִּי בָּכֶֽם׃

Alzo zal Ik ulieden de jaren vergelden, die de sprinkhaan, de kever, en de kruidworm, en de rups heeft afgegeten; Mijn groot heir, dat Ik onder u gezonden heb.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1KI

17

12

וַתֹּאמֶר חַי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אִם יֶשׁ לִי מָעוֹג כִּי אִם מְלֹא כַף קֶמַח בַּכַּד וּמְעַט שֶׁמֶן בַּצַּפָּ֑חַת וְהִנְנִי מְקֹשֶׁשֶׁת שְׁנַיִם עֵצִים וּבָאתִי וַעֲשִׂיתִיהוּ לִי וְלִבְנִי וַאֲכַלְנֻהוּ וָמָֽתְנוּ׃

Maar zij zeide: Zo waarachtig als de Heere, uw God, leeft, indien ik een koek heb, dan alleen een hand vol meels in de kruik, en een weinig olie in de fles! En zie ik heb een paar houten gelezen, en ik ga heen, en zal het voor mij en voor mijn zoon bereiden, dat wij het eten, en sterven.

DEU

2

28

אֹכֶל בַּכֶּסֶף תַּשְׁבִּרֵנִי וְאָכַלְתִּי וּמַיִם בַּכֶּסֶף תִּתֶּן לִי וְשָׁתִ֑יתִי רַק אֶעְבְּרָה בְרַגְלָֽי׃

Verkoop mij spijze voor geld, dat ik ete, en geef mij water voor geld, dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijn voeten doortrekken;

RUT

2

14

וַיֹּאמֶר לָה בֹעַז לְעֵת הָאֹכֶל גֹּשִֽׁי הֲלֹם וְאָכַלְתְּ מִן הַלֶּחֶם וְטָבַלְתְּ פִּתֵּךְ בַּחֹ֑מֶץ וַתֵּשֶׁב מִצַּד הַקּֽוֹצְרִים וַיִּצְבָּט לָהּ קָלִי וַתֹּאכַל וַתִּשְׂבַּע וַתֹּתַֽר׃

Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uw bete in den azijn. Zo zat zij neder aan de zijde van de maaiers, en hij langde haar geroost koren, en zij at, en werd verzadigd, en hield over.

EZE

39

17

וְאַתָּה בֶן אָדָם כֹּֽה אָמַר אֲדֹנָי יְהֹוִה אֱמֹר לְצִפּוֹר כָּל כָּנָף וּלְכֹל חַיַּת הַשָּׂדֶה הִקָּבְצוּ וָבֹאוּ הֵאָסְפוּ מִסָּבִיב עַל זִבְחִי אֲשֶׁר אֲנִי זֹבֵחַ לָכֶם זֶבַח גָּדוֹל עַל הָרֵי יִשְׂרָאֵ֑ל וַאֲכַלְתֶּם בָּשָׂר וּשְׁתִיתֶם דָּֽם׃

Gij dan, mensenkind! zo zegt de Heere Heere: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel, en tot al het gedierte des velds: Vergadert u, en komt aan, verzamelt u van rondom, tot Mijn slachtoffer, dat Ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer, op de bergen Israëls, en eet vlees, en drinkt bloed.

DEU

14

26

וְנָתַתָּה הַכֶּסֶף בְּכֹל אֲשֶׁר תְּאַוֶּה נַפְשְׁךָ בַּבָּקָר וּבַצֹּאן וּבַיַּיִן וּבַשֵּׁכָר וּבְכֹל אֲשֶׁר תִּֽשְׁאָלְךָ נַפְשֶׁ֑ךָ וְאָכַלְתָּ שָּׁם לִפְנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ וְשָׂמַחְתָּ אַתָּה וּבֵיתֶֽךָ׃

En geeft dat geld voor alles, wat uw ziel gelust, voor runderen en voor schapen, en voor wijn, en voor sterken drank, en voor alles, wat uw ziel van u begeren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, en weest vrolijk, gij en uw huis.

DEU

14

29

וּבָא הַלֵּוִי כִּי אֵֽין לוֹ חֵלֶק וְנַחֲלָה עִמָּךְ וְהַגֵּר וְהַיָּתוֹם וְהָֽאַלְמָנָה אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶיךָ וְאָכְלוּ וְשָׂבֵ֑עוּ לְמַעַן יְבָרֶכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בְּכָל מַעֲשֵׂה יָדְךָ אֲשֶׁר תַּעֲשֶֽׂה׃ס

Zo zal komen de Leviet, dewijl hij geen deel noch erve met u heeft, en de vreemdeling, en de wees en de weduwe, die in uw poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de Heere, uw God, zegene in al het werk uwer hand, dat gij doen zult.

AMO

1

14

וְהִצַּתִּי אֵשׁ בְּחוֹמַת רַבָּה וְאָכְלָה אַרְמְנוֹתֶ֑יהָ בִּתְרוּעָה בְּיוֹם מִלְחָמָה בְּסַעַר בְּיוֹם סוּפָֽה

Daarom zal Ik een vuur aansteken in den muur van Rabba, dat zal haar paleizen verteren; met een gejuich ten dage des strijds, met een onweder ten dage des wervelwinds.

LEV

7

21

וְנֶפֶשׁ כִּֽי תִגַּע בְּכָל טָמֵא בְּטֻמְאַת אָדָם אוֹ בִּבְהֵמָה טְמֵאָה אוֹ בְּכָל שֶׁקֶץ טָמֵא וְאָכַל מִבְּשַׂר זֶבַח הַשְּׁלָמִים אֲשֶׁר לַיהוָ֑ה וְנִכְרְתָה הַנֶּפֶשׁ הַהִוא מֵעַמֶּֽיהָ׃פ

En wanneer een ziel iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinigheid des mensen, of het onreine vee, of enig onrein verfoeisel, en zal van het vlees des dankoffers, hetwelk des Heeren is, gegeten hebben, zo zal die ziel uit haar volken uitgeroeid worden.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

אָכָל

4

3ms

אֲכָלוֹ

2

3ms

אֲכָלַנִי

1

3ms

אֲכָלָנוּ

1

3fs

אֲכָלָתְהוּ

3

3fs

אֲכָלַתְהוּ

1

3fs

אֲכָלַתְךָ

1

3fs

אֲכָלָתְנִי

1

3fs

אָכָלָה

1

2ms

אָכָלְתָּ

1

1cs

אָכָלְתִּי

2

3cp

אֲכָלוּם

1

3cp

אָכָלוּ

1

3ms

וְאָכָל

1

3ms

וַאֲכָלָהּ

1

3ms

וַאֲכָלוֹ

1

3fs

וַאֲכָלָתַם

2

3fs

וְאָכָלָה

1

3cp

וַאֲכָלֻהוּ

3

3cp

וַאֲכָלוּם

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EZE

18

15

עַל הֶֽהָרִים לֹא אָכָל וְעֵינָיו לֹא נָשָׂא אֶל גִּלּוּלֵי בֵּית יִשְׂרָאֵ֑ל אֶת אֵשֶׁת רֵעֵהוּ לֹא טִמֵּֽא׃

Niet eet op de bergen, noch zijn ogen opheft tot de drekgoden van het huis Israëls, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt;

EZE

19

14

וַתֵּצֵא אֵשׁ מִמַּטֵּה בַדֶּיהָ פִּרְיָהּ אָכָלָה וְלֹא הָיָה בָהּ מַטֵּה עֹז שֵׁבֶט לִמְשׁ֑וֹל קִינָה הִיא וַתְּהִי לְקִינָֽה׃פ

Daartoe is een vuur uitgegaan uit een roede zijner ranken, dat zijn vrucht verteerd heeft; zodat aan hem geen sterke roede is tot een scepter, om te heersen. Dit is een weeklage, en is tot een weeklage geworden.

GEN

3

11

וַיֹּאמֶר מִי הִגִּיד לְךָ כִּי עֵירֹם אָ֑תָּה הֲמִן הָעֵץ אֲשֶׁר צִוִּיתִיךָ לְבִלְתִּי אֲכָל מִמֶּנּוּ אָכָֽלְתָּ׃

En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

PSA

102

9

כִּי אֵפֶר כַּלֶּחֶם אָכָ֑לְתִּי וְשִׁקֻּוַי בִּבְכִי מָסָֽכְתִּי׃

[0102:10] Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

JER

50

7

כָּל מוֹצְאֵיהֶם אֲכָלוּם וְצָרֵיהֶם אָמְרוּ לֹא נֶאְשָׁ֑ם תַּחַת אֲשֶׁר חָטְאוּ לַֽיהוָה נְוֵה צֶדֶק וּמִקְוֵה אֲבֽוֹתֵיהֶם יְהוָֽה׃ס

Allen, die hen vonden, aten hen op, en hun wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben; daarom dat zij gezondigd hebben tegen den Heere, in de woning der gerechtigheid, ja, tegen den Heere, de Verwachting hunner vaderen.

DEU

14

21

לֹא תֹאכְלוּ כָל נְבֵלָה לַגֵּר אֲשֶׁר בִּשְׁעָרֶיךָ תִּתְּנֶנָּה וַאֲכָלָהּ אוֹ מָכֹר לְנָכְרִי כִּי עַם קָדוֹשׁ אַתָּה לַיהוָה אֱלֹהֶ֑יךָ לֹֽא תְבַשֵּׁל גְּדִי בַּחֲלֵב אִמּֽוֹ׃פ

Gij zult geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uw poorten is, zult gij het geven, dat hij het ete, of verkoopt het den vreemde; want gij zijt een heilig volk den Heere, uw God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.

JER

5

14

לָכֵן כֹּֽה אָמַר יְהוָה אֱלֹהֵי צְבָאוֹת יַעַן דַּבֶּרְכֶם אֶת הַדָּבָר הַזֶּ֑ה הִנְנִי נֹתֵן דְּבָרַי בְּפִיךָ לְאֵשׁ וְהָעָם הַזֶּה עֵצִים וַאֲכָלָֽתַם׃

Daarom zegt de Heere, de God der heirscharen, alzo, omdat gijlieden dit woord spreekt: Ziet, Ik zal Mijn woorden in uw mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal hen verteren.

LEV

26

16

אַף אֲנִי אֶֽעֱשֶׂה זֹּאת לָכֶם וְהִפְקַדְתִּי עֲלֵיכֶם בֶּֽהָלָה אֶת הַשַּׁחֶפֶת וְאֶת הַקַּדַּחַת מְכַלּוֹת עֵינַיִם וּמְדִיבֹת נָ֑פֶשׁ וּזְרַעְתֶּם לָרִיק זַרְעֲכֶם וַאֲכָלֻהוּ אֹיְבֵיכֶֽם׃

Dit zal Ik u ook doen, dat Ik over u stellen zal verschrikking, tering en koorts, die de ogen verteren en de ziel pijnigen; gij zult ook uw zaad te vergeefs zaaien, en uw vijanden zullen dat opeten.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יֹאכַל

41

וַיֹּאכַל

21

וְיֹאכַל

5

יִקְטֹל

3fs

תֹּאכַל

10

וַתֹּאכַל

18

וְתֹאכַל

6

תִּקְטֹל

2ms

תֹּאכַל

12

וַתֹּאכַל

3

תִּקְטֹל

2fs

תֹּאכְלִי

2

תִּקְטְלִי

1cs

אֹכַל

6

וָאֹכֵל

2

וְאֹכְלֵם

1

אֶקְטֹל

3mp

יֹאכְלוּ

25

וַיֹּאכְלוּ

25

וְיֹאכֵלוּ

3

יִקְטְלוּ

3fp

תֹּאכַלְנָה

2

וַתֹּאכַלְנָה

2

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תֹּאכְלוּ

16

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נֹאכֵל

2

וַנֹּאכְלֵהוּ

1

וְנֹאכְלֶנּוּ

2

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

2

17

וּמֵעֵץ הַדַּעַת טוֹב וָרָע לֹא תֹאכַל מִמֶּ֑נּוּ כִּי בְּיוֹם אֲכָלְךָ מִמֶּנּוּ מוֹת תָּמֽוּת׃

Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

GEN

3

2

וַתֹּאמֶר הָֽאִשָּׁה אֶל הַנָּחָ֑שׁ מִפְּרִי עֵֽץ הַגָּן נֹאכֵֽל׃

En de vrouw zeide tot de slang: Van de vrucht der bomen dezes hofs zullen wij eten;

GEN

3

12

וַיֹּאמֶר הָֽאָדָ֑ם הָֽאִשָּׁה אֲשֶׁר נָתַתָּה עִמָּדִי הִוא נָֽתְנָה לִּי מִן הָעֵץ וָאֹכֵֽל׃

Toen zeide Adam: De vrouw, die Gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.

GEN

27

31

וַיַּעַשׂ גַּם הוּא מַטְעַמִּים וַיָּבֵא לְאָבִ֑יו וַיֹּאמֶר לְאָבִיו יָקֻם אָבִי וְיֹאכַל מִצֵּיד בְּנוֹ בַּעֲבוּר תְּבָרֲכַנִּי נַפְשֶֽׁךָ׃

Hij nu maakte smakelijke spijzen toe, en bracht die tot zijn vader; en hij zeide tot zijn vader: Mijn vader sta op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uw ziel mij zegene.

GEN

41

20

וַתֹּאכַלְנָה הַפָּרוֹת הָרַקּוֹת וְהָרָע֑וֹת אֵת שֶׁבַע הַפָּרוֹת הָרִאשֹׁנוֹת הַבְּרִיאֹֽת׃

En die ranke en lelijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op;

JDG

9

20

וְאִם אַיִן תֵּצֵא אֵשׁ מֵאֲבִימֶלֶךְ וְתֹאכַל אֶת בַּעֲלֵי שְׁכֶם וְאֶת בֵּית מִלּ֑וֹא וְתֵצֵא אֵשׁ מִבַּעֲלֵי שְׁכֶם וּמִבֵּית מִלּוֹא וְתֹאכַל אֶת אֲבִימֶֽלֶךְ׃

Maar indien niet, zo ga vuur uit van Abimelech, en vertere de burgers van Sichem, en het huis van Millo; en vuur ga uit van de burgers van Sichem, en van het huis van Millo, en vertere Abimelech!

JDG

13

7

וַיֹּאמֶר לִי הִנָּךְ הָרָה וְיֹלַדְתְּ בֵּ֑ן וְעַתָּה אַל תִּשְׁתִּי יַיִן וְשֵׁכָר וְאַל תֹּֽאכְלִי כָּל טֻמְאָה כִּֽי נְזִיר אֱלֹהִים יִהְיֶה הַנַּעַר מִן הַבֶּטֶן עַד יוֹם מוֹתֽוֹ׃פ

Maar Hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden, en een zoon baren; zo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat knechtje zal een Nazireër Gods zijn, van moeders buik af tot op den dag zijns doods.

2SA

12

3

וְלָרָשׁ אֵֽין כֹּל כִּי אִם כִּבְשָׂה אַחַת קְטַנָּה אֲשֶׁר קָנָה וַיְחַיֶּהָ וַתִּגְדַּל עִמּוֹ וְעִם בָּנָיו יַחְדָּ֑ו מִפִּתּוֹ תֹאכַל וּמִכֹּסוֹ תִשְׁתֶּה וּבְחֵיקוֹ תִשְׁכָּב וַתְּהִי לוֹ כְּבַֽת׃

Maar de arme had gans niet dan een enig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had het gevoed, dat het groot geworden was bij hem, en bij zijn kinderen tegelijk; het at van zijn bete, en dronk van zijn beker, en sliep in zijn schoot, en het was hem als een dochter.

2SA

12

21

וַיֹּאמְרוּ עֲבָדָיו אֵלָיו מָֽה הַדָּבָר הַזֶּה אֲשֶׁר עָשִׂ֑יתָה בַּעֲבוּר הַיֶּלֶד חַי צַמְתָּ וַתֵּבְךְּ וְכַֽאֲשֶׁר מֵת הַיֶּלֶד קַמְתָּ וַתֹּאכַל לָֽחֶם׃

Zo zeiden zijn knechten tot hem: Wat is dit voor een ding, dat gij gedaan hebt? Om des levenden kinds wil hebt gij gevast en geweend; maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten.

1KI

13

8

וַיֹּאמֶר אִישׁ הָֽאֱלֹהִים אֶל הַמֶּלֶךְ אִם תִּתֶּן לִי אֶת חֲצִי בֵיתֶךָ לֹא אָבֹא עִמָּ֑ךְ וְלֹֽא אֹכַל לֶחֶם וְלֹא אֶשְׁתֶּה מַּיִם בַּמָּקוֹם הַזֶּֽה׃

Maar de man Gods zeide tot den koning: Al gaaft gij mij de helft van uw huis, zo zou ik niet met u gaan, en ik zou in deze plaats geen brood eten, noch water drinken.

2KI

1

14

הִנֵּה יָרְדָה אֵשׁ מִן הַשָּׁמַיִם וַתֹּאכַל אֶת שְׁנֵי שָׂרֵי הַחֲמִשִּׁים הָרִאשֹׁנִים וְאֶת חֲמִשֵּׁיהֶ֑ם וְעַתָּה תִּיקַר נַפְשִׁי בְּעֵינֶֽיךָ׃ס

Zie, het vuur is van den hemel gedaald, en heeft die twee eerste hoofdmannen van vijftigen met hun vijftigen verteerd; maar nu, laat mijn ziel dierbaar zijn in uw ogen!

2KI

6

29

וַנְּבַשֵּׁל אֶת בְּנִי וַנֹּֽאכְלֵ֑הוּ וָאֹמַר אֵלֶיהָ בַּיּוֹם הָאַחֵר תְּנִי אֶת בְּנֵךְ וְנֹאכְלֶנּוּ וַתַּחְבִּא אֶת בְּנָֽהּ׃

Zo hebben wij mijn zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstoken.

2KI

6

29

וַנְּבַשֵּׁל אֶת בְּנִי וַנֹּֽאכְלֵ֑הוּ וָאֹמַר אֵלֶיהָ בַּיּוֹם הָאַחֵר תְּנִי אֶת בְּנֵךְ וְנֹאכְלֶנּוּ וַתַּחְבִּא אֶת בְּנָֽהּ׃

Zo hebben wij mijn zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uw zoon, dat wij hem eten, zo heeft zij haar zoon verstoken.

2CH

30

22

וַיְדַבֵּר יְחִזְקִיָּהוּ עַל לֵב כָּל הַלְוִיִּם הַמַּשְׂכִּילִים שֵֽׂכֶל טוֹב לַיהוָ֑ה וַיֹּאכְלוּ אֶת הַמּוֹעֵד שִׁבְעַת הַיָּמִים מְזַבְּחִים זִבְחֵי שְׁלָמִים וּמִתְוַדִּים לַיהוָה אֱלֹהֵי אֲבוֹתֵיהֶֽם׃ס

En Jehizkia sprak naar het hart van alle Levieten, die verstand hadden in de goede kennis des Heeren; en zij aten de offeranden des gezetten hoogtijds zeven dagen, offerende dankofferen, en lovende den Heere, den God hunner vaderen.

PRO

30

17

עַיִן תִּֽלְעַג לְאָב וְתָבוּז לִֽיקֲּהַת אֵם יִקְּרוּהָ עֹרְבֵי נַ֑חַל וְֽיֹאכְלוּהָ בְנֵי נָֽשֶׁר׃פ

Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.

ECC

2

24

אֵֽין טוֹב בָּאָדָם שֶׁיֹּאכַל וְשָׁתָה וְהֶרְאָה אֶת נַפְשׁוֹ טוֹב בַּעֲמָל֑וֹ גַּם זֹה רָאִיתִי אָנִי כִּי מִיַּד הָאֱלֹהִים הִֽיא׃

Is het dan niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijn ziel het goede doe genieten in zijn arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is.

ISA

9

20

וַיִּגְזֹר עַל יָמִין וְרָעֵב וַיֹּאכַל עַל שְׂמֹאול וְלֹא שָׂבֵ֑עוּ אִישׁ בְּשַׂר זְרֹעוֹ יֹאכֵֽלוּ׃

[09:19] Zo hij ter rechterhand snijdt, zal hij toch hongeren, en zo hij ter linkerhand eet, zal hij toch niet verzadigd worden; een iegelijk zal het vlees zijns arms eten;

ISA

44

19

וְלֹא יָשִׁיב אֶל לִבּוֹ וְלֹא דַעַת וְלֹֽא תְבוּנָה לֵאמֹר֒ חֶצְיוֹ שָׂרַפְתִּי בְמוֹ אֵשׁ וְאַף אָפִיתִי עַל גֶּחָלָיו לֶחֶם אֶצְלֶה בָשָׂר וְאֹכֵ֑ל וְיִתְרוֹ לְתוֹעֵבָה אֶעֱשֶׂה לְבוּל עֵץ אֶסְגּֽוֹד׃

En niemand van hen brengt het in zijn hart, en er is noch kennis noch verstand, dat hij zeggen zou: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vlees daarbij gebraden, en heb het gegeten; en zou ik het overblijfsel daarvan tot een gruwel maken, zou ik nederknielen voor hetgeen van een boom gekomen is?

LAM

2

20

רְאֵה יְהוָה וְֽהַבִּיטָה לְמִי עוֹלַלְתָּ כֹּ֑ה אִם תֹּאכַלְנָה נָשִׁים פִּרְיָם עֹלֲלֵי טִפֻּחִים אִם יֵהָרֵג בְּמִקְדַּשׁ אֲדֹנָי כֹּהֵן וְנָבִֽיא׃ס

. Zie, Heere, aanschouw toch, aan wien Gij alzo gedaan hebt; zullen dan de vrouwen haar vrucht eten, de kinderkens, die men op de handen draagt? Zullen dan de profeet en de priester in het heiligdom des Heeren gedood worden?

EZE

5

10

לָכֵן אָבוֹת יֹאכְלוּ בָנִים בְּתוֹכֵךְ וּבָנִים יֹאכְלוּ אֲבוֹתָ֑ם וְעָשִׂיתִי בָךְ שְׁפָטִים וְזֵרִיתִי אֶת כָּל שְׁאֵרִיתֵךְ לְכָל רֽוּחַ׃פ

Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hun vaderen eten; en Ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.

EZE

39

18

בְּשַׂר גִּבּוֹרִים תֹּאכֵלוּ וְדַם נְשִׂיאֵי הָאָרֶץ תִּשְׁתּ֑וּ אֵילִים כָּרִים וְעַתּוּדִים פָּרִים מְרִיאֵי בָשָׁן כֻּלָּֽם׃

Het vlees der helden zult gij eten, en het bloed van de vorsten der aarde drinken; der rammen, der lammeren, en bokken, en varren, die altemaal gemesten van Basan zijn.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

27

4

וַעֲשֵׂה לִי מַטְעַמִּים כַּאֲשֶׁר אָהַבְתִּי וְהָבִיאָה לִּי וְאֹכֵ֑לָה בַּעֲבוּר תְּבָרֶכְךָ נַפְשִׁי בְּטֶרֶם אָמֽוּת׃

En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel u zegene, eer ik sterve.

GEN

27

7

הָבִיאָה לִּי צַיִד וַעֲשֵׂה לִי מַטְעַמִּים וְאֹכֵ֑לָה וַאֲבָרֶכְכָה לִפְנֵי יְהוָה לִפְנֵי מוֹתִֽי׃

Breng mij een wildbraad, en maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik ete; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des Heeren, voor mijn dood.

GEN

27

25

וַיֹּאמֶר הַגִּשָׁה לִּי וְאֹֽכְלָה מִצֵּיד בְּנִי לְמַעַן תְּבָֽרֶכְךָ נַפְשִׁ֑י וַיַּגֶּשׁ לוֹ וַיֹּאכַל וַיָּבֵא לוֹ יַיִן וַיֵּֽשְׁתְּ׃

Toen zeide hij: Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijn ziel u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; hij bracht hem ook wijn, en hij dronk.

NUM

11

13

מֵאַיִן לִי בָּשָׂר לָתֵת לְכָל הָעָם הַזֶּ֑ה כִּֽי יִבְכּוּ עָלַי לֵאמֹר תְּנָה לָּנוּ בָשָׂר וְנֹאכֵֽלָה׃

Van waar zou ik het vlees hebben, om al dit volk te geven? Want zij wenen tegen mij, zeggende: Geef ons vlees, dat wij eten!

DEU

12

20

כִּֽי יַרְחִיב יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֶֽת גְּבֽוּלְךָ כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר לָךְ֒ וְאָמַרְתָּ אֹכְלָה בָשָׂר כִּֽי תְאַוֶּה נַפְשְׁךָ לֶאֱכֹל בָּשָׂ֑ר בְּכָל אַוַּת נַפְשְׁךָ תֹּאכַל בָּשָֽׂר׃

Wanneer de Heere, uw God, uw landpale zal verwijd hebben, gelijk als Hij tot u gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik zal vlees eten; dewijl uw ziel lust heeft vlees te eten, zo zult gij vlees eten, naar allen lust uwer ziel.

NEH

5

2

וְיֵשׁ אֲשֶׁר אֹמְרִים בָּנֵינוּ וּבְנֹתֵינוּ אֲנַחְנוּ רַבִּ֑ים וְנִקְחָה דָגָן וְנֹאכְלָה וְנִחְיֶֽה׃

Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochteren, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven.

DAN

1

12

נַס נָא אֶת עֲבָדֶיךָ יָמִים עֲשָׂרָ֑ה וְיִתְּנוּ לָנוּ מִן הַזֵּרֹעִים וְנֹאכְלָה וּמַיִם וְנִשְׁתֶּֽה׃

Beproef toch uw knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten, en water te drinken.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

אֱכֹל

6

קְטֹל

fs

קִטְלִי

mp

אִכְלוּ

2

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

1SA

9

24

וַיָּרֶם הַטַּבָּח אֶת הַשּׁוֹק וְהֶעָלֶיהָ וַיָּשֶׂם לִפְנֵי שָׁאוּל וַיֹּאמֶר הִנֵּה הַנִּשְׁאָר שִׂים לְפָנֶיךָ אֱכֹל כִּי לַמּוֹעֵד שָֽׁמוּר לְךָ לֵאמֹר הָעָם קָרָ֑אתִי וַיֹּאכַל שָׁאוּל עִם שְׁמוּאֵל בַּיּוֹם הַהֽוּא׃

De kok nu bracht een schouder op, met wat daaraan was, en zette het voor Saul; en hij zeide: Zie, dit is het overgeblevene; zet het voor u, eet, want het is ter bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik heb het volk genodigd. Alzo at Saul met Samuël op dien dag.

1KI

21

7

וַתֹּאמֶר אֵלָיו אִיזֶבֶל אִשְׁתּוֹ אַתָּה עַתָּה תַּעֲשֶׂה מְלוּכָה עַל יִשְׂרָאֵ֑ל קוּם אֱכָל לֶחֶם וְיִטַב לִבֶּךָ אֲנִי אֶתֵּן לְךָ אֶת כֶּרֶם נָבוֹת הַיִּזְרְעֵאלִֽי׃

Toen zeide Izebel, zijn huisvrouw, tot hem: Zoudt gij nu het koninkrijk over Israël regeren? Sta op, eet brood, en uw hart zij vrolijk; ik zal u den wijngaard van Naboth, den Jizreëliet, geven.

SNG

5

1

בָּאתִי לְגַנִּי אֲחֹתִי כַלָּה֒ אָרִיתִי מוֹרִי עִם בְּשָׂמִי אָכַלְתִּי יַעְרִי עִם דִּבְשִׁי שָׁתִיתִי יֵינִי עִם חֲלָבִ֑י אִכְלוּ רֵעִים שְׁתוּ וְשִׁכְרוּ דּוֹדִֽים׃ס

Ik ben in Mijn hof gekomen, o Mijn zuster, o bruid! Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerij; Ik heb Mijn honigraten met Mijn honig gegeten; Ik heb Mijn wijn, mitsgaders Mijn melk gedronken. Eet, vrienden! drinkt, en wordt dronken, o liefsten!

NEH

8

10

וַיֹּאמֶר לָהֶם לְכוּ אִכְלוּ מַשְׁמַנִּים וּשְׁתוּ מַֽמְתַקִּים וְשִׁלְחוּ מָנוֹת לְאֵין נָכוֹן לוֹ כִּֽי קָדוֹשׁ הַיּוֹם לַאֲדֹנֵ֑ינוּ וְאַל תֵּעָצֵבוּ כִּֽי חֶדְוַת יְהוָה הִיא מָֽעֻזְּכֶֽם׃

[08:11] Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette, en drinkt het zoete, en zendt delen dengenen, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig; zo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren, die is uw sterkte.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

אֹכֵל

9

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

אֹכְלָה

4

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

אֹכְלִים

7

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָאֹכֵל

2

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הָאֹכֶלֶת

3

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הָאֹכְלִים

6

fp

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

אוֹכֵל

4

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

אֹכֶלֶת

2

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

אֹכָלֶת

1

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

אוֹכֵלָה

3

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הָאֹכֶלֶת

3

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָאֹכֵל

2

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

אֹכְלֵי

5

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

אֹכְלָיו

3

Conj-w, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְהָאֹכֵל

2

Prep-b | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

בְּאֹכְלֵי

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

וְאֹכְלִים

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

וְאֹכְלֵי

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

וְאֹכְלָיו

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְאֹכֵל

1

Prep-b, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

בָּאֹכֵל

1

Prep-l, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

לָאֹכֵל

1

Prep-m, Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

מֵהָאֹכֵל

1

V-Qal-Prtcpl-fsc

sc

אֹכֶלֶת

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 2fs

fs

אֹכְלַיִךְ

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3fs

fs

אוֹכְלֶיהָ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לֶאֱכֹל

39

Prep-l | V-Qal-Inf

לֶאֱכוֹל

12

Prep-l | V-Qal-Inf

לֶאֱכָל

4

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בְּאָכְלָם

2

Conj-w, Prep | V-Qal-Inf

וְלֶאֱכֹל

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בַּאֲכֹל

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cp

בְּאָכְלֵנוּ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 2mp

בַּאֲכָלְכֶם

1

Prep-k | V-Qal-Inf

כֶּאֱכֹל

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3mp

כְּאָכְלָם

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לֶאֶכוֹל

1

Prep-l | V-Qal-Inf

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3ms

לְאָכְלוֹ

1

Prep-m | V-Qal-Inf

מֵאֲכֹל

1

V-Qal-Inf

אֲכָל

1

V-Qal-Inf

אֲכֹל

1

V-Qal-Inf | 2mp

אֲכָלְכֶם

1

V-Qal-Inf | 2ms

אֲכָלְךָ

1

V-Qal-Inf | 3fs

אָכְלָה

1

V-Qal-Inf | 3ms

אָכְלוֹ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

2

17

וּמֵעֵץ הַדַּעַת טוֹב וָרָע לֹא תֹאכַל מִמֶּ֑נּוּ כִּי בְּיוֹם אֲכָלְךָ מִמֶּנּוּ מוֹת תָּמֽוּת׃

Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.

GEN

3

5

כִּי יֹדֵעַ אֱלֹהִים כִּי בְּיוֹם אֲכָלְכֶם מִמֶּנּוּ וְנִפְקְחוּ עֵֽינֵיכֶ֑ם וִהְיִיתֶם כֵּֽאלֹהִים יֹדְעֵי טוֹב וָרָֽע׃

Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.

GEN

3

11

וַיֹּאמֶר מִי הִגִּיד לְךָ כִּי עֵירֹם אָ֑תָּה הֲמִן הָעֵץ אֲשֶׁר צִוִּיתִיךָ לְבִלְתִּי אֲכָל מִמֶּנּוּ אָכָֽלְתָּ׃

En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken Ik u gebood, dat gij daarvan niet eten zoudt?

GEN

24

33

וַיִּישֶׂם לְפָנָיו לֶאֱכֹל וַיֹּאמֶר לֹא אֹכַל עַד אִם דִּבַּרְתִּי דְּבָרָ֑י וַיֹּאמֶר דַּבֵּֽר׃

Daarna werd hem te eten voorgezet ; maar hij zeide: Ik zal niet eten, totdat ik mijn woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek!

GEN

28

20

וַיִּדַּר יַעֲקֹב נֶדֶר לֵאמֹ֑ר אִם יִהְיֶה אֱלֹהִים עִמָּדִי וּשְׁמָרַנִי בַּדֶּרֶךְ הַזֶּה אֲשֶׁר אָנֹכִי הוֹלֵךְ וְנָֽתַן לִי לֶחֶם לֶאֱכֹל וּבֶגֶד לִלְבֹּֽשׁ׃

En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;

GEN

31

54

וַיִּזְבַּח יַעֲקֹב זֶבַח בָּהָר וַיִּקְרָא לְאֶחָיו לֶאֱכָל לָ֑חֶם וַיֹּאכְלוּ לֶחֶם וַיָּלִינוּ בָּהָֽר׃

Toen slachtte Jakob een slachting op dat gebergte, en hij nodigde zijn broederen, om brood te eten; en zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte.

GEN

37

25

וַיֵּשְׁבוּ לֶֽאֱכָל לֶחֶם֒ וַיִּשְׂאוּ עֵֽינֵיהֶם וַיִּרְאוּ וְהִנֵּה אֹרְחַת יִשְׁמְעֵאלִים בָּאָה מִגִּלְעָ֑ד וּגְמַלֵּיהֶם נֹֽשְׂאִים נְכֹאת וּצְרִי וָלֹט הוֹלְכִים לְהוֹרִיד מִצְרָֽיְמָה׃

Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hun ogen op, en zagen, en ziet, een reisgezelschap van Ismaëlieten kwam uit Gilead; en hun kemelen droegen specerijen en balsem, en mirre, reizende, om dat af te brengen naar Egypte.

GEN

43

2

וַיְהִי כַּאֲשֶׁר כִּלּוּ לֶאֱכֹל אֶת הַשֶּׁבֶר אֲשֶׁר הֵבִיאוּ מִמִּצְרָ֑יִם וַיֹּאמֶר אֲלֵיהֶם אֲבִיהֶם שֻׁבוּ שִׁבְרוּ לָנוּ מְעַט אֹֽכֶל׃

Zo geschiedde het, als zij den leeftocht, dien zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert wederom, koopt ons een weinig spijze.

GEN

43

32

וַיָּשִׂימוּ לוֹ לְבַדּוֹ וְלָהֶם לְבַדָּ֑ם וְלַמִּצְרִים הָאֹכְלִים אִתּוֹ לְבַדָּם כִּי לֹא יוּכְלוּן הַמִּצְרִים לֶאֱכֹל אֶת הָֽעִבְרִים לֶחֶם כִּי תוֹעֵבָה הִוא לְמִצְרָֽיִם׃

En zij richtten voor hem aan in het bijzonder, en voor hen in het bijzonder; en voor de Egyptenaren, die met hem aten, in het bijzonder; want de Egyptenaars mogen geen brood eten met de Hebreën, dewijl zulks den Egyptenaren een gruwel is.

GEN

47

24

וְהָיָה בַּתְּבוּאֹת וּנְתַתֶּם חֲמִישִׁית לְפַרְעֹ֑ה וְאַרְבַּע הַיָּדֹת יִהְיֶה לָכֶם לְזֶרַע הַשָּׂדֶה וּֽלְאָכְלְכֶם וְלַאֲשֶׁר בְּבָתֵּיכֶם וְלֶאֱכֹל לְטַפְּכֶֽם׃

Doch met de inkomsten zal het geschieden, dat gij aan Farao het vijfde deel zult geven, en de vier delen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uw spijze en van degenen, die in uw huizen zijn, en om te eten voor uw kinderkens.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

אָכוֹל

9

V-Qal-InfAbs

אָכֹל

5

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְאָכֹל

2

V-Qal-InfAbs

הֶאָכוֹל

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

2

16

וַיְצַו יְהוָה אֱלֹהִים עַל הָֽאָדָם לֵאמֹ֑ר מִכֹּל עֵֽץ הַגָּן אָכֹל תֹּאכֵֽל׃

En de Heere God gebood den mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;

GEN

31

15

הֲלוֹא נָכְרִיּוֹת נֶחְשַׁבְנוּ לוֹ כִּי מְכָרָ֑נוּ וַיֹּאכַל גַּם אָכוֹל אֶת כַּסְפֵּֽנוּ׃

Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd.

LEV

7

24

וְחֵלֶב נְבֵלָה וְחֵלֶב טְרֵפָה יֵעָשֶׂה לְכָל מְלָאכָ֑ה וְאָכֹל לֹא תֹאכְלֻֽהוּ׃

Maar het vet van een dood aas, en het vet van het verscheurde, mag tot alle werk gebezigd worden; doch gij zult het ganselijk niet eten.

LEV

10

18

הֵן לֹא הוּבָא אֶת דָּמָהּ אֶל הַקֹּדֶשׁ פְּנִ֑ימָה אָכוֹל תֹּאכְלוּ אֹתָהּ בַּקֹּדֶשׁ כַּאֲשֶׁר צִוֵּֽיתִי׃

Ziet, deszelfs bloed is niet binnen in het heiligdom gedragen; gij moest dat ganselijk gegeten hebben in het heiligdom, gelijk als ik geboden heb.

JDG

14

9

וַיִּרְדֵּהוּ אֶל כַּפָּיו וַיֵּלֶךְ הָלוֹךְ וְאָכֹל וַיֵּלֶךְ אֶל אָבִיו וְאֶל אִמּוֹ וַיִּתֵּן לָהֶם וַיֹּאכֵ֑לוּ וְלֹֽא הִגִּיד לָהֶם כִּי מִגְּוִיַּת הָאַרְיֵה רָדָה הַדְּבָֽשׁ׃

En hij nam dien in zijn handen, en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijn vader en tot zijn moeder, en gaf hun daarvan, en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen, dat hij den honig uit het lichaam van den leeuw genomen had.

1SA

14

30

אַף כִּי לוּא אָכֹל אָכַל הַיּוֹם הָעָם מִשְּׁלַל אֹיְבָיו אֲשֶׁר מָצָ֑א כִּי עַתָּה לֹֽא רָבְתָה מַכָּה בַּפְּלִשְׁתִּֽים׃

Hoe veel meer, indien het volk heden had mogen vrijelijk eten van den buit zijner vijanden, dien het gevonden heeft! Maar nu is die slag niet groot geweest over de Filistijnen.

2SA

19

42

וַיַּעַן כָּל אִישׁ יְהוּדָה עַל אִישׁ יִשְׂרָאֵל כִּֽי קָרוֹב הַמֶּלֶךְ אֵלַי וְלָמָּה זֶּה חָרָה לְךָ עַל הַדָּבָר הַזֶּ֑ה הֶאָכוֹל אָכַלְנוּ מִן הַמֶּלֶךְ אִם נִשֵּׂאת נִשָּׂא לָֽנוּ׃ס

Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen van Israël: Omdat de koning ons na verwant is; en waarom zijt gij nu toornig over deze zaak? Hebben wij dan enigszins gegeten van des konings kost, of heeft hij ons een geschenk geschonken?

2KI

4

43

וַיֹּאמֶר מְשָׁרְתוֹ מָה אֶתֵּן זֶה לִפְנֵי מֵאָה אִ֑ישׁ וַיֹּאמֶר תֵּן לָעָם וְיֹאכֵלוּ כִּי כֹה אָמַר יְהוָה אָכֹל וְהוֹתֵֽר׃

Doch zijn dienaar zeide: Wat zou ik dat aan honderd mannen voorzetten? En hij zeide: Geef aan het volk, dat zij eten; want alzo zegt de Heere: Men zal eten en overhouden.

2KI

19

29

וְזֶה לְּךָ הָאוֹת אָכוֹל הַשָּׁנָה סָפִיחַ וּבַשָּׁנָה הַשֵּׁנִית סָחִ֑ישׁ וּבַשָּׁנָה הַשְּׁלִישִׁית זִרְעוּ וְקִצְרוּ וְנִטְעוּ כְרָמִים וְאִכְלוּ פִרְיָֽם׃

En dat zij u een teken, dat men in dit jaar eten zal, wat van zelf gewassen is; en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.

2CH

31

10

וַיֹּאמֶר אֵלָיו עֲזַרְיָהוּ הַכֹּהֵן הָרֹאשׁ לְבֵית צָד֑וֹק וַיֹּאמֶר מֵהָחֵל הַתְּרוּמָה לָבִיא בֵית יְהוָה אָכוֹל וְשָׂבוֹעַ וְהוֹתֵר עַד לָרוֹב כִּי יְהוָה בֵּרַךְ אֶת עַמּוֹ וְהַנּוֹתָר אֶת הֶהָמוֹן הַזֶּֽה׃ס

En Azaria, de hoofdpriester, van het huis van Zadok, sprak tot hem en zeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het huis des Heeren te brengen, is er te eten geweest en verzadigd te worden, ja, over te houden tot overvloed toe; want de Heere heeft Zijn volk gezegend, zodat deze veelheid overgebleven is.

PRO

25

27

אָכֹל דְּבַשׁ הַרְבּוֹת לֹא ט֑וֹב וְחֵקֶר כְּבֹדָם כָּבֽוֹד׃

Veel honigs te eten is niet goed; maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eer.

ISA

21

5

עָרֹךְ הַשֻּׁלְחָן צָפֹה הַצָּפִית אָכוֹל שָׁתֹ֑ה קוּמוּ הַשָּׂרִים מִשְׁחוּ מָגֵֽן׃פ

Bereid de tafel, zie toe, gij wachter! eet, drink; maakt u op, gij vorsten, bestrijkt het schild!

ISA

22

13

וְהִנֵּה שָׂשׂוֹן וְשִׂמְחָה הָרֹג בָּקָר וְשָׁחֹט צֹאן אָכֹל בָּשָׂר וְשָׁתוֹת יָ֑יִן אָכוֹל וְשָׁתוֹ כִּי מָחָר נָמֽוּת׃

Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven.

ISA

22

13

וְהִנֵּה שָׂשׂוֹן וְשִׂמְחָה הָרֹג בָּקָר וְשָׁחֹט צֹאן אָכֹל בָּשָׂר וְשָׁתוֹת יָ֑יִן אָכוֹל וְשָׁתוֹ כִּי מָחָר נָמֽוּת׃

Maar ziet, er is vreugde en blijdschap met runderen te doden, en schapen te kelen, vlees te eten, en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken, want morgen zullen wij sterven.

ISA

37

30

וְזֶה לְּךָ הָאוֹת אָכוֹל הַשָּׁנָה סָפִיחַ וּבַשָּׁנָה הַשֵּׁנִית שָׁחִ֑יס וּבַשָּׁנָה הַשְּׁלִישִׁית זִרְעוּ וְקִצְרוּ וְנִטְעוּ כְרָמִים וְאָכוֹל פִרְיָֽם׃

En dat zij u een teken, dat men in dit jaar, wat van zelf gewassen is, eten zal, en in het tweede jaar, wat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar, en maait, en plant wijngaarden, en eet hun vruchten.

JOE

2

26

וַאֲכַלְתֶּם אָכוֹל וְשָׂבוֹעַ וְהִלַּלְתֶּם אֶת שֵׁם יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם אֲשֶׁר עָשָׂה עִמָּכֶם לְהַפְלִ֑יא וְלֹא יֵבֹשׁוּ עַמִּי לְעוֹלָֽם׃

En gij zult overvloediglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den Naam des Heeren, uw Gods, Die wonderlijk bij u gehandeld heeft; en Mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.

HAG

1

6

זְרַעְתֶּם הַרְבֵּה וְהָבֵא מְעָט אָכוֹל וְאֵין לְשָׂבְעָה שָׁתוֹ וְאֵין לְשָׁכְרָה לָבוֹשׁ וְאֵין לְחֹם ל֑וֹ וְהַמִּשְׂתַּכֵּר מִשְׂתַּכֵּר אֶל צְרוֹר נָקֽוּב׃פ

Gij zaait veel, en gij brengt weinig in; gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken worden toe; gij kleedt u, maar niet tot uw verwarming, en wie loon ontvangt, die ontvangt dat loon in een doorgeboorden buidel.