PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | מָלַךְ | 99 | וּמָלַךְ | 2 | קָטַל |
3fs | קָֽטְלָה | ||||
2ms | מָלַכְתָּ | 1 | וּמָלַכְתָּ | 2 | קָטַ֫לְתָּ |
2fs | קָטַלְתְּ | ||||
1cs | קָטַ֫לְתִּי | ||||
3cp | מָלְכוּ | 2 | קָטְלוּ | ||
2mp | קְטַלְתֶּם | ||||
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging מָלַךְ
Strong H4427
Betekenis: regeren, koning zijn
Frequentie Qal: 295
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
2SA | 16 | 8 | הֵשִׁיב עָלֶיךָ יְהוָה כֹּל דְּמֵי בֵית שָׁאוּל אֲשֶׁר מָלַכְתָּ תַּחְתּוֹ וַיִּתֵּן יְהוָה אֶת הַמְּלוּכָה בְּיַד אַבְשָׁלוֹם בְּנֶ֑ךָ וְהִנְּךָ בְּרָעָתֶךָ כִּי אִישׁ דָּמִים אָֽתָּה׃ | De Heere heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft de Heere het koninkrijk gegeven in de hand van Absalom, uw zoon; zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloeds zijt. |
GEN | 36 | 31 | וְאֵלֶּה הַמְּלָכִים אֲשֶׁר מָלְכוּ בְּאֶרֶץ אֱד֑וֹם לִפְנֵי מְלָךְ מֶלֶךְ לִבְנֵי יִשְׂרָאֵֽל׃ | En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israëls. |
2KI | 15 | 33 | בֶּן עֶשְׂרִים וְחָמֵשׁ שָׁנָה הָיָה בְמָלְכוֹ וְשֵׁשׁ עֶשְׂרֵה שָׁנָה מָלַךְ בִּירוּשָׁלִָ֑ם וְשֵׁם אִמּוֹ יְרוּשָׁא בַּת צָדֽוֹק׃ | Vijf en twintig jaren was hij oud, als hij koning werd, en regeerde zestien jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, de dochter van Zadok. |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
1KI | 11 | 37 | וְאֹתְךָ אֶקַּח וּמָלַכְתָּ בְּכֹל אֲשֶׁר תְּאַוֶּה נַפְשֶׁ֑ךָ וְהָיִיתָ מֶּלֶךְ עַל יִשְׂרָאֵֽל׃ | Zo zal Ik u nemen, en gij zult regeren over al wat uw ziel zal begeren; en gij zult koning zijn over Israël. |
MIC | 4 | 7 | וְשַׂמְתִּי אֶת הַצֹּֽלֵעָה לִשְׁאֵרִית וְהַנַּהֲלָאָה לְגוֹי עָצ֑וּם וּמָלַךְ יְהוָה עֲלֵיהֶם בְּהַר צִיּוֹן מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָֽם׃פ | En Ik zal haar, die hinkende was, maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoten was, tot een machtig volk; en de Heere zal Koning over hen zijn op den berg Sions, van nu aan tot in eeuwigheid. |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|---|---|---|---|
3ms | מָלָךְ | 9 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
2SA | 5 | 4 | בֶּן שְׁלֹשִׁים שָׁנָה דָּוִד בְּמָלְכ֑וֹ אַרְבָּעִים שָׁנָה מָלָֽךְ׃ | Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd. |
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | NR | BOEK | HFD | VS | STR | HEBR | ENG | PARSING | nr | LEMMA | DESCRIPTION | PART_OF_SPEECH | COUNT_OT | HEBR0 | HEBRO | PARSING1 | IMPF_CONJ | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יִמְלֹךְ | 13 | וַיִּמְלֹךְ | 80 | יִקְטֹל | |||||||||||||||||
3fs | תִּמְלֹךְ | 1 | תִּקְטֹל | |||||||||||||||||||
2ms | תִּמְלֹךְ | 2 | תִּקְטֹל | |||||||||||||||||||
2fs | תִּקְטְלִי | |||||||||||||||||||||
1cs | אֶמְלֹךְ | 1 | אֶקְטֹל | |||||||||||||||||||
3mp | יִמְלֹכוּ | 1 | וַיִּמְלְכוּ | 1 | יִקְטְלוּ | |||||||||||||||||
3fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | |||||||||||||||||||||
2mp | תִּקְטְלוּ | |||||||||||||||||||||
2fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | |||||||||||||||||||||
1cp | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 37 | 8 | וַיֹּאמְרוּ לוֹ אֶחָיו הֲמָלֹךְ תִּמְלֹךְ עָלֵינוּ אִם מָשׁוֹל תִּמְשֹׁל בָּ֑נוּ וַיּוֹסִפוּ עוֹד שְׂנֹא אֹתוֹ עַל חֲלֹמֹתָיו וְעַל דְּבָרָֽיו׃ | Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. |
1SA | 17 | 8 | וַֽיַּעֲמֹד וַיִּקְרָא אֶל מַעַרְכֹת יִשְׂרָאֵל וַיֹּאמֶר לָהֶם לָמָּה תֵצְאוּ לַעֲרֹךְ מִלְחָמָ֑ה הֲלוֹא אָנֹכִי הַפְּלִשְׁתִּי וְאַתֶּם עֲבָדִים לְשָׁאוּל בְּרוּ לָכֶם אִישׁ וְיֵרֵד אֵלָֽי׃ | Deze nu stond, en riep tot de slagorden van Israël, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken, om de slagorde te stellen? Ben ik niet een Filistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest een man onder u, die tot mij afkome. |
1KI | 1 | 5 | וַאֲדֹנִיָּה בֶן חַגִּית מִתְנַשֵּׂא לֵאמֹר אֲנִי אֶמְלֹ֑ךְ וַיַּעַשׂ לוֹ רֶכֶב וּפָרָשִׁים וַחֲמִשִּׁים אִישׁ רָצִים לְפָנָֽיו׃ | Adonia nu, de zoon van Haggith, verhief zich, zeggende: Ik zal koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen, lopende voor zijn aangezicht. |
1KI | 1 | 13 | לְכִי וּבֹאִי אֶל הַמֶּלֶךְ דָּוִד וְאָמַרְתְּ אֵלָיו הֲלֹֽא אַתָּה אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ נִשְׁבַּעְתָּ לַאֲמָֽתְךָ לֵאמֹר כִּֽי שְׁלֹמֹה בְנֵךְ יִמְלֹךְ אַחֲרַי וְהוּא יֵשֵׁב עַל כִּסְאִ֑י וּמַדּוּעַ מָלַךְ אֲדֹנִיָֽהוּ׃ | Ga heen, en treed in tot den koning David, en zeg tot hem: Hebt gij niet, mijn heer koning, uw dienstmaagd gezworen, zeggende: Voorzeker, uw zoon Salomo zal na mij koning zijn, en hij zal op mijn troon zitten! Waarom dan is Adonia koning? |
1KI | 11 | 24 | וַיִּקְבֹּץ עָלָיו אֲנָשִׁים וַיְהִי שַׂר גְּדוּד בַּהֲרֹג דָּוִד אֹתָ֑ם וַיֵּלְכוּ דַמֶּשֶׂק וַיֵּשְׁבוּ בָהּ וַֽיִּמְלְכוּ בְּדַמָּֽשֶׂק׃ | Tegen welken hij ook mannen vergaderd had, en werd overste ener bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damaskus, woonden zij aldaar, en regeerden in Damaskus. |
2CH | 12 | 13 | וַיִּתְחַזֵּק הַמֶּלֶךְ רְחַבְעָם בִּירוּשָׁלִַם וַיִּמְלֹ֑ךְ כִּי בֶן אַרְבָּעִים וְאַחַת שָׁנָה רְחַבְעָם בְּמָלְכוֹ וּֽשֲׁבַע עֶשְׂרֵה שָׁנָה מָלַךְ בִּֽירוּשָׁלִַם הָעִיר אֲשֶׁר בָּחַר יְהוָה לָשׂוּם אֶת שְׁמוֹ שָׁם מִכֹּל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל וְשֵׁם אִמּוֹ נַעֲמָה הָֽעַמֹּנִֽית׃ | Zo versterkte zich de koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was een en veertig jaren oud, als hij koning werd, en hij regeerde zeventien jaren in Jeruzalem, de stad, die de Heere uit alle stammen van Israël verkoren had, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naäma, een Ammonietische. |
EST | 2 | 4 | וְהַֽנַּעֲרָה אֲשֶׁר תִּיטַב בְּעֵינֵי הַמֶּלֶךְ תִּמְלֹךְ תַּחַת וַשְׁתִּ֑י וַיִּיטַב הַדָּבָר בְּעֵינֵי הַמֶּלֶךְ וַיַּעַשׂ כֵּֽן׃ס | En de jonge dochter, die in des konings oog schoon wezen zal, worde koningin in stede van Vasthi. Deze zaak nu was goed in de ogen des konings, en hij deed alzo. |
PSA | 144 | 5 | יְהוָה הַט שָׁמֶיךָ וְתֵרֵ֑ד גַּע בֶּהָרִים וְֽיֶעֱשָֽׁנוּ׃ | Neig Uw hemelen, Heere! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken. |
PRO | 8 | 15 | בִּי מְלָכִים יִמְלֹ֑כוּ וְרוֹזְנִים יְחֹקְקוּ צֶֽדֶק׃ | Door Mij regeren de koningen, en de vorsten stellen gerechtigheid. |
JER | 9 | 18 | וּתְמַהֵרְנָה וְתִשֶּׂנָה עָלֵינוּ נֶ֑הִי וְתֵרַדְנָה עֵינֵינוּ דִּמְעָה וְעַפְעַפֵּינוּ יִזְּלוּ מָֽיִם׃ | En haasten, en een weeklage over ons opheffen, dat onze ogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten. |
JER | 13 | 17 | וְאִם לֹא תִשְׁמָעוּהָ בְּמִסְתָּרִים תִּבְכֶּֽה נַפְשִׁי מִפְּנֵי גֵוָ֑ה וְדָמֹעַ תִּדְמַע וְתֵרַד עֵינִי דִּמְעָה כִּי נִשְׁבָּה עֵדֶר יְהוָֽה׃ס | Zult gijlieden dat dan nog niet horen, zo zal mijn ziel in verborgene plaatsen wenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des Heeren kudde gevankelijk is weggevoerd. |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | מְלָךְ | 1 | קְטֹל |
fs | מָלְכִי | 2 | קִטְלִי |
mp | קִטְלִוּ | ||
fp | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
JDG | 9 | 14 | וַיֹּאמְרוּ כָל הָעֵצִים אֶל הָאָטָ֑ד לֵךְ אַתָּה מְלָךְ עָלֵֽינוּ׃ | Toen zeiden al de bomen tot den doornenbos: Kom gij, wees koning over ons. |
JDG | 9 | 10 | וַיֹּאמְרוּ הָעֵצִים לַתְּאֵנָ֑ה לְכִי אַתְּ מָלְכִי עָלֵֽינוּ׃ | Toen zeiden de bomen tot den vijgeboom: Kom gij, wees koning over ons. |
JDG | 9 | 12 | וַיֹּאמְרוּ הָעֵצִים לַגָּ֑פֶן לְכִי אַתְּ מָלוֹכִי עָלֵֽינוּ׃ | Toen zeiden de bomen tot den wijnstok: Kom gij, wees koning over ons. |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | מֹלֵךְ | 1 | קֹטֵל |
V-Qal-Prtcpl-fs | fs | מֹלֶכֶת | 2 | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת |
mp | קֹטְלִים | |||
fp | קֹטְלוֹת | |||
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הַמֹּלֵךְ | 2 | |
fs | ||||
mp | ||||
fp |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קָטוּל | |||
fs | קְטוּלָה | |||
mp | קְטוּלִים | |||
fp | קְטוּלוֹת |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms | בְּמָלְכוֹ | 21 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms | בְמָלְכוֹ | 18 |
Prep-l | V-Qal-Inf | 3ms | לְמָלְכוֹ | 12 |
Prep-l | V-Qal-Inf | לִמְלֹךְ | 3 |
Prep-m | V-Qal-Inf | מִמְּלֹךְ | 3 |
V-Qal-Inf | מְלָךְ | 2 |
V-Qal-Inf | מְלֹךְ | 2 |
Prep-k | V-Qal-Inf | 3ms | כְמָלְכוֹ | 1 |
Prep-m | V-Qal-Inf | מִמְּלֹךְ | 1 |
V-Qal-Inf | 3ms | מָלְכוֹ | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 36 | 31 | וְאֵלֶּה הַמְּלָכִים אֲשֶׁר מָלְכוּ בְּאֶרֶץ אֱד֑וֹם לִפְנֵי מְלָךְ מֶלֶךְ לִבְנֵי יִשְׂרָאֵֽל׃ | En dit zijn koningen, die geregeerd hebben in het land Edom, eer een koning regeerde over de kinderen Israëls. |
1SA | 8 | 7 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל שְׁמוּאֵל שְׁמַע בְּקוֹל הָעָם לְכֹל אֲשֶׁר יֹאמְרוּ אֵלֶ֑יךָ כִּי לֹא אֹֽתְךָ מָאָסוּ כִּֽי אֹתִי מָאֲסוּ מִמְּלֹךְ עֲלֵיהֶֽם׃ | Doch de Heere zeide tot Samuël: Hoor naar de stem des volks in alles, wat zij tot u zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn. |
1SA | 13 | 1 | בֶּן שָׁנָה שָׁאוּל בְּמָלְכ֑וֹ וּשְׁתֵּי שָׁנִים מָלַךְ עַל יִשְׂרָאֵֽל׃ | Saul was een jaar in zijn regering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël. |
1SA | 16 | 1 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל שְׁמוּאֵל עַד מָתַי אַתָּה מִתְאַבֵּל אֶל שָׁאוּל וַאֲנִי מְאַסְתִּיו מִמְּלֹךְ עַל יִשְׂרָאֵ֑ל מַלֵּא קַרְנְךָ שֶׁמֶן וְלֵךְ אֶֽשְׁלָחֲךָ אֶל יִשַׁי בֵּֽית הַלַּחְמִי כִּֽי רָאִיתִי בְּבָנָיו לִי מֶֽלֶךְ׃ | Toen zeide de Heere tot Samuël: Hoe lang draagt gij leed om Saul, dien Ik toch verworpen heb, dat hij geen koning zij over Israël? Vul uw hoorn met olie, en ga heen; Ik zal u zenden tot Isaï, den Bethlehemiet; want Ik heb Mij een koning onder zijn zonen uitgezien. |
2SA | 2 | 10 | בֶּן אַרְבָּעִים שָׁנָה אִֽישׁ בֹּשֶׁת בֶּן שָׁאוּל בְּמָלְכוֹ עַל יִשְׂרָאֵל וּשְׁתַּיִם שָׁנִים מָלָ֑ךְ אַךְ בֵּית יְהוּדָה הָיוּ אַחֲרֵי דָוִֽד׃ | Veertig jaren was Isboseth, Sauls zoon, oud, als hij koning werd over Israël; en hij regeerde het tweede jaar; alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na. |
2SA | 5 | 4 | בֶּן שְׁלֹשִׁים שָׁנָה דָּוִד בְּמָלְכ֑וֹ אַרְבָּעִים שָׁנָה מָלָֽךְ׃ | Dertig jaar was David oud, als hij koning werd; veertig jaren heeft hij geregeerd. |
1KI | 2 | 15 | וַיֹּאמֶר אַתְּ יָדַעַתְּ כִּי לִי הָיְתָה הַמְּלוּכָה וְעָלַי שָׂמוּ כָֽל יִשְׂרָאֵל פְּנֵיהֶם לִמְלֹ֑ךְ וַתִּסֹּב הַמְּלוּכָה וַתְּהִי לְאָחִי כִּי מֵיְהוָה הָיְתָה לּֽוֹ׃ | Hij zeide dan: Gij weet, dat het koninkrijk mijn was, en het ganse Israël zijn aangezicht op mij gezet had, dat ik koning zijn zou; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is; want het is van den Heere hem geworden. |
1KI | 6 | 1 | וַיְהִי בִשְׁמוֹנִים שָׁנָה וְאַרְבַּע מֵאוֹת שָׁנָה לְצֵאת בְּנֵֽי יִשְׂרָאֵל מֵאֶֽרֶץ מִצְרַיִם בַּשָּׁנָה הָרְבִיעִית בְּחֹדֶשׁ זִו הוּא הַחֹדֶשׁ הַשֵּׁנִי לִמְלֹךְ שְׁלֹמֹה עַל יִשְׂרָאֵ֑ל וַיִּבֶן הַבַּיִת לַיהוָֽה׃ | Het geschiedde nu in het vierhonderd en tachtigste jaar, na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk van Salomo over Israël, in de maand Ziv ( deze is de tweede maand), dat hij het huis des Heeren bouwde. |
1KI | 14 | 21 | וּרְחַבְעָם בֶּן שְׁלֹמֹה מָלַךְ בִּֽיהוּדָ֑ה בֶּן אַרְבָּעִים וְאַחַת שָׁנָה רְחַבְעָם בְּמָלְכוֹ וּֽשֲׁבַע עֶשְׂרֵה שָׁנָה מָלַךְ בִּירוּשָׁלִַם הָעִיר אֲשֶׁר בָּחַר יְהוָה לָשׂוּם אֶת שְׁמוֹ שָׁם מִכֹּל שִׁבְטֵי יִשְׂרָאֵל וְשֵׁם אִמּוֹ נַעֲמָה הָעַמֹּנִֽית׃ | Rehabeam nu, de zoon van Salomo, regeerde in Juda; een en veertig jaren was Rehabeam oud, als hij koning werd, en regeerde zeventien jaren te Jeruzalem, in de stad, die de Heere verkoren had uit al de stammen van Israël, om Zijn Naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naäma, de Ammonietische. |
1KI | 15 | 29 | וַיְהִי כְמָלְכוֹ הִכָּה אֶת כָּל בֵּית יָרָבְעָם לֹֽא הִשְׁאִיר כָּל נְשָׁמָה לְיָרָבְעָם עַד הִשְׁמִד֑וֹ כִּדְבַר יְהוָה אֲשֶׁר דִּבֶּר בְּיַד עַבְדּוֹ אֲחִיָּה הַשִּׁילֹנִֽי׃ | Het geschiedde nu, als hij regeerde, dat hij het ganse huis van Jerobeam sloeg; hij liet niets over van Jerobeam, wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des Heeren, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Ahia, den Siloniet; |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
V-Qal-InfAbs | הֲמָלֹךְ | 1 |
V-Qal-InfAbs | מָלֹךְ | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 37 | 8 | וַיֹּאמְרוּ לוֹ אֶחָיו הֲמָלֹךְ תִּמְלֹךְ עָלֵינוּ אִם מָשׁוֹל תִּמְשֹׁל בָּ֑נוּ וַיּוֹסִפוּ עוֹד שְׂנֹא אֹתוֹ עַל חֲלֹמֹתָיו וְעַל דְּבָרָֽיו׃ | Toen zeiden zijn broeders tot hem: Zult gij dan ganselijk over ons regeren: zult gij dan ganselijk over ons heersen? Zo haatten zij hem nog te meer, om zijn dromen en om zijn woorden. |
1SA | 24 | 20 | וְעַתָּה הִנֵּה יָדַעְתִּי כִּי מָלֹךְ תִּמְל֑וֹךְ וְקָמָה בְּיָדְךָ מַמְלֶכֶת יִשְׂרָאֵֽל׃ | [024:21] En nu, zie, ik weet, dat gij voorzeker koning worden zult, en dat het koninkrijk van Israël in uw hand bestaan zal. |