PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | חַי | 3 | וָחָי | 9 | קָטַל |
3fs | קָֽטְלָה | ||||
2ms | קָטַ֫לְתָּ | ||||
2fs | קָטַלְתְּ | ||||
1cs | קָטַ֫לְתִּי | ||||
3cp | חָיוּ | 1 | וְחָיוּ | 2 | קָטְלוּ |
2mp | קְטַלְתֶּם | ||||
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging חָיָה
Strong H2421
Betekenis: leven
Frequentie Qal: 182
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
NUM | 14 | 38 | וִיהוֹשֻׁעַ בִּן נוּן וְכָלֵב בֶּן יְפֻנֶּ֑ה חָיוּ מִן הָאֲנָשִׁים הָהֵם הַֽהֹלְכִים לָתוּר אֶת הָאָֽרֶץ׃ | Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levende van de mannen, die heengegaan waren, om het land te verspieden. |
GEN | 5 | 5 | וַיִּֽהְיוּ כָּל יְמֵי אָדָם אֲשֶׁר חַי תְּשַׁע מֵאוֹת שָׁנָה וּשְׁלֹשִׁים שָׁנָ֑ה וַיָּמֹֽת׃ס | Zo waren al de dagen van Adam, die hij leefde, negenhonderd jaren, en dertig jaren; en hij stierf. |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
ZEC | 10 | 9 | וְאֶזְרָעֵם בָּֽעַמִּים וּבַמֶּרְחַקִּים יִזְכְּר֑וּנִי וְחָיוּ אֶת בְּנֵיהֶם וָשָֽׁבוּ׃ | En Ik zal hen onder de volken zaaien, en zij zullen Mijner gedenken in verre plaatsen; en zij zullen leven met hun kinderen, en wederkeren. |
NEH | 6 | 11 | וָאֹמְרָה הַאִישׁ כָּמוֹנִי יִבְרָח וּמִי כָמוֹנִי אֲשֶׁר יָבוֹא אֶל הַהֵיכָל וָחָ֑י לֹא אָבֽוֹא׃ | Maar ik zeide: Zou een man, als ik, vlieden? En wie is er, zijnde als ik, die in den tempel zou gaan, dat hij levend bleve? Ik zal er niet ingaan. |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|---|---|---|---|
3ms | חָי | 1 | ||
3ms | חָיָה | 1 | ||
3ms | וָחַי | 6 | ||
3ms | וְחָיָה | 3 | ||
3ms | יִחְיֶה | 2 | ||
3ms | וְחֵי | 1 | ||
3ms | וְחַי | 1 | ||
3ms | וְחָיָהס | 1 | ||
3ms | וָחָיס | 1 | ||
3fs | וָחָיָה | 1 | ||
2ms | וְחָיִיתָ | 1 | ||
2ms | וְחָיִתָה | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
ECC | 6 | 6 | וְאִלּוּ חָיָה אֶלֶף שָׁנִים פַּעֲמַיִם וְטוֹבָה לֹא רָאָ֑ה הֲלֹא אֶל מָקוֹם אֶחָד הַכֹּל הוֹלֵֽךְ׃ | Ja, al leefde hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag; gaan zij niet allen naar een plaats? |
NEH | 9 | 29 | וַתָּעַד בָּהֶם לַהֲשִׁיבָם אֶל תּוֹרָתֶךָ וְהֵמָּה הֵזִידוּ וְלֹא שָׁמְעוּ לְמִצְוֺתֶיךָ וּבְמִשְׁפָּטֶיךָ חָֽטְאוּ בָם אֲשֶׁר יַעֲשֶׂה אָדָם וְחָיָה בָהֶ֑ם וַיִּתְּנוּ כָתֵף סוֹרֶרֶת וְעָרְפָּם הִקְשׁוּ וְלֹא שָׁמֵֽעוּ׃ | En Gij hebt tegen hen betuigd, om hen te doen wederkeren tot Uw wet; maar zij hebben trotselijk gehandeld, en niet gehoord naar Uw geboden, en tegen Uw rechten, tegen dezelve hebben zij gezondigd, door dewelke een mens, die ze doet, leven zal; en zij hebben hun schouder teruggetogen, en hun nek verhard, en niet gehoord. |
EXO | 1 | 16 | וַיֹּאמֶר בְּיַלֶּדְכֶן אֶת הָֽעִבְרִיּוֹת וּרְאִיתֶן עַל הָאָבְנָ֑יִם אִם בֵּן הוּא וַהֲמִתֶּן אֹתוֹ וְאִם בַּת הִיא וָחָֽיָה׃ | En zeide: Wanneer gij de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet haar op de stoelen; is het een zoon, zo doodt hem; maar is het een dochter, zo laat haar leven! |
DEU | 30 | 16 | אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיּוֹם֒ לְאַהֲבָה אֶת יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לָלֶכֶת בִּדְרָכָיו וְלִשְׁמֹר מִצְוֺתָיו וְחֻקֹּתָיו וּמִשְׁפָּטָ֑יו וְחָיִיתָ וְרָבִיתָ וּבֵֽרַכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בָּאָרֶץ אֲשֶׁר אַתָּה בָא שָׁמָּה לְרִשְׁתָּֽהּ׃ | Want ik gebiede u heden, den Heere, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te wandelen, en te houden Zijn geboden, en Zijn inzettingen, en Zijn rechten, opdat gij levet en vermenigvuldiget, en de Heere, uw God, u zegene in het land, waar gij naar toe gaat, om dat te erven. |
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | IMPF_CONJ | N3 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יִחְיֶה | 27 | וַיְחִי | 38 | יִקְטֹל | ||
3fs | תִּחְיֶה | 1 | וַתְּחִי | 1 | תִּקְטֹל | ||
2ms | תִחְיֶה | 6 | תִּקְטֹל | ||||
2fs | תִחְיִי | 1 | תִּקְטְלִי | ||||
1cs | אֶחְיֶה | 4 | וְאֶחְיֶה | 3 | אֶקְטֹל | ||
3mp | יִחְיוּ | 7 | וַיִּחְיוּ | 1 | וְיִחְיוּ | 1 | יִקְטְלוּ |
3fp | הֲתִחְיֶינָה | 1 | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||
2mp | תִּחְיוּ | 3 | תִּקְטְלוּ | ||||
2fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
1cp | נִחְיֶה | 3 | וְנִחְיֶה | 5 | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 5 | 12 | וַֽיְחִי קֵינָן שִׁבְעִים שָׁנָ֑ה וַיּוֹלֶד אֶת מַֽהֲלַלְאֵֽל׃ | En Kenan leefde zeventig jaren, en hij gewon Mahalal-el. |
GEN | 45 | 27 | וַיְדַבְּרוּ אֵלָיו אֵת כָּל דִּבְרֵי יוֹסֵף אֲשֶׁר דִּבֶּר אֲלֵהֶם וַיַּרְא אֶת הָעֲגָלוֹת אֲשֶׁר שָׁלַח יוֹסֵף לָשֵׂאת אֹת֑וֹ וַתְּחִי רוּחַ יַעֲקֹב אֲבִיהֶֽם׃ | Maar als zij tot hem gesproken hadden al de woorden van Jozef, die hij tot hen gesproken had, en dat hij de wagenen zag, die Jozef gezonden had om hem te voeren, zo werd de geest van Jakob hun vader, levendig. |
DEU | 5 | 33 | בְּכָל הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם אֶתְכֶם תֵּלֵ֑כוּ לְמַעַן תִּֽחְיוּן וְטוֹב לָכֶם וְהַאֲרַכְתֶּם יָמִים בָּאָרֶץ אֲשֶׁר תִּֽירָשֽׁוּן׃ | In al den weg, dien de Heere, uw God, u gebiedt, zult gij gaan; opdat gij leeft, en dat het u welga, en gij de dagen verlengt in het land, dat gij erven zult. |
JOS | 6 | 17 | וְהָיְתָה הָעִיר חֵרֶם הִיא וְכָל אֲשֶׁר בָּהּ לַֽיהוָ֑ה רַק רָחָב הַזּוֹנָה תִּֽחְיֶה הִיא וְכָל אֲשֶׁר אִתָּהּ בַּבַּיִת כִּי הֶחְבְּאַתָה אֶת הַמַּלְאָכִים אֲשֶׁר שָׁלָֽחְנוּ׃ | Doch deze stad zal den Heere verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen, die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden, die wij uitgezonden hadden, verborgen heeft. |
2KI | 4 | 7 | וַתָּבֹא וַתַּגֵּד לְאִישׁ הָאֱלֹהִים וַיֹּאמֶר לְכִי מִכְרִי אֶת הַשֶּׁמֶן וְשַׁלְּמִי אֶת נִשְׁיֵכִי וְאַתְּ בְּנֵיכִי תִֽחְיִי בַּנּוֹתָֽר׃פ | Toen kwam zij, en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga heen, verkoop de olie, en betaal uw schuldheer; gij dan met uw zonen, leef bij het overige. |
2KI | 7 | 4 | אִם אָמַרְנוּ נָבוֹא הָעִיר וְהָרָעָב בָּעִיר וָמַתְנוּ שָׁם וְאִם יָשַׁבְנוּ פֹה וָמָ֑תְנוּ וְעַתָּה לְכוּ וְנִפְּלָה אֶל מַחֲנֵה אֲרָם אִם יְחַיֻּנוּ נִֽחְיֶה וְאִם יְמִיתֻנוּ וָמָֽתְנוּ׃ | Indiën wij zeggen: Laat ons in de stad komen, zo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven, en indien wij hier blijven, wij zullen ook sterven; nu dan, komt, en laat ons in het leger der Syriërs vallen; indien zij ons laten leven, wij zullen leven; en indien zij ons doden, wij zullen maar sterven. |
2KI | 10 | 19 | וְעַתָּה כָל נְבִיאֵי הַבַּעַל כָּל עֹבְדָיו וְכָל כֹּהֲנָיו קִרְאוּ אֵלַי אִישׁ אַל יִפָּקֵד כִּי זֶבַח גָּדוֹל לִי לַבַּעַל כֹּל אֲשֶׁר יִפָּקֵד לֹא יִֽחְיֶ֑ה וְיֵהוּא עָשָׂה בְעָקְבָּה לְמַעַן הַאֲבִיד אֶת עֹבְדֵי הַבָּֽעַל׃ | Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht. |
NEH | 5 | 2 | וְיֵשׁ אֲשֶׁר אֹמְרִים בָּנֵינוּ וּבְנֹתֵינוּ אֲנַחְנוּ רַבִּ֑ים וְנִקְחָה דָגָן וְנֹאכְלָה וְנִחְיֶֽה׃ | Want er waren, die zeiden: Onze zonen, en onze dochteren, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven. |
JOB | 21 | 7 | מַדּוּעַ רְשָׁעִים יִחְי֑וּ עָתְקוּ גַּם גָּבְרוּ חָֽיִל׃ | Waarom leven de goddelozen, worden oud, ja, worden geweldig in vermogen? |
PSA | 118 | 17 | לֹֽא אָמוּת כִּי אֶֽחְיֶ֑ה וַאֲסַפֵּר מַֽעֲשֵׂי יָֽהּ׃ | Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des Heeren vertellen. |
PSA | 119 | 116 | סָמְכֵנִי כְאִמְרָתְךָ וְאֶֽחְיֶ֑ה וְאַל תְּבִישֵׁנִי מִשִּׂבְרִֽי׃ | Ondersteun mij naar Uw toezegging, opdat ik leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijn hope. |
ISA | 38 | 1 | בַּיָּמִים הָהֵם חָלָה חִזְקִיָּהוּ לָמ֑וּת וַיָּבוֹא אֵלָיו יְשַׁעְיָהוּ בֶן אָמוֹץ הַנָּבִיא וַיֹּאמֶר אֵלָיו כֹּֽה אָמַר יְהוָה צַו לְבֵיתֶךָ כִּי מֵת אַתָּה וְלֹא תִֽחְיֶֽה׃ | In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de profeet Jesaja, de zoon van Amoz, kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzo zegt de Heere: Geef bevel aan uw huis; want gij zult sterven, en niet leven. |
EZE | 37 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי בֶּן אָדָם הֲתִחְיֶינָה הָעֲצָמוֹת הָאֵ֑לֶּה וָאֹמַר אֲדֹנָי יְהוִה אַתָּה יָדָֽעְתָּ׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind! zullen deze beenderen levend worden? En ik zeide: Heere Heere, Gij weet het! |
EZE | 37 | 9 | וַיֹּאמֶר אֵלַי הִנָּבֵא אֶל הָר֑וּחַ הִנָּבֵא בֶן אָדָם וְאָמַרְתָּ אֶל הָרוּחַ כֹּֽה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה מֵאַרְבַּע רוּחוֹת בֹּאִי הָרוּחַ וּפְחִי בַּהֲרוּגִים הָאֵלֶּה וְיִֽחְיֽוּ׃ | En Hij zeide tot mij: Profeteer tot den geest; profeteer, mensenkind! en zeg tot den geest: Zo zegt de Heere Heere: Gij geest! kom aan van de vier winden, en blaas in deze gedoden, opdat zij levend worden. |
EZE | 37 | 10 | וְהִנַּבֵּאתִי כַּאֲשֶׁר צִוָּ֑נִי וַתָּבוֹא בָהֶם הָרוּחַ וַיִּֽחְיוּ וַיַּֽעַמְדוּ עַל רַגְלֵיהֶם חַיִל גָּדוֹל מְאֹד מְאֹֽד׃ס | En ik profeteerde, gelijk als Hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hun voeten, een gans zeer groot heir. |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 19 | 20 | הִנֵּה נָא הָעִיר הַזֹּאת קְרֹבָה לָנוּס שָׁמָּה וְהִיא מִצְעָ֑ר אִמָּלְטָה נָּא שָׁמָּה הֲלֹא מִצְעָר הִוא וּתְחִי נַפְשִֽׁי׃ | Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve. |
DEU | 33 | 6 | יְחִי רְאוּבֵן וְאַל יָמֹ֑ת וִיהִי מְתָיו מִסְפָּֽר׃ס | Dat Ruben leve, en niet sterve, en dat zijn lieden van getal zijn! |
1SA | 10 | 24 | וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל אֶל כָּל הָעָם הַרְּאִיתֶם אֲשֶׁר בָּֽחַר בּוֹ יְהוָה כִּי אֵין כָּמֹהוּ בְּכָל הָעָ֑ם וַיָּרִעוּ כָל הָעָם וַיֹּאמְרוּ יְחִי הַמֶּֽלֶךְ׃פ | Toen zeide Samuël tot het ganse volk: Ziet gij, dien de Heere verkoren heeft? Want gelijk hij, is er niemand onder het ganse volk. Toen juichte het ganse volk, en zij zeiden: de koning leve! |
2SA | 16 | 16 | וַיְהִי כַּֽאֲשֶׁר בָּא חוּשַׁי הָאַרְכִּי רֵעֶה דָוִד אֶל אַבְשָׁל֑וֹם וַיֹּאמֶר חוּשַׁי אֶל אַבְשָׁלֹם יְחִי הַמֶּלֶךְ יְחִי הַמֶּֽלֶךְ׃ | En het geschiedde, als Husai, de Archiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tot Absalom zeide: De koning leve, de koning leve! |
1KI | 1 | 25 | כִּי יָרַד הַיּוֹם וַיִּזְבַּח שׁוֹר וּֽמְרִיא וְצֹאן לָרֹב֒ וַיִּקְרָא לְכָל בְּנֵי הַמֶּלֶךְ וּלְשָׂרֵי הַצָּבָא וּלְאֶבְיָתָר הַכֹּהֵן וְהִנָּם אֹכְלִים וְשֹׁתִים לְפָנָ֑יו וַיֹּאמְרוּ יְחִי הַמֶּלֶךְ אֲדֹנִיָּֽהוּ׃ | Want hij is heden afgegaan, en heeft geslacht ossen, en gemest vee, en schapen in menigte, en heeft genood al de zonen des konings, en de oversten des heirs, en Abjathar, den priester; en zie, zij eten, en drinken voor zijn aangezicht, en zeggen: De koning Adonia leve! |
1KI | 1 | 31 | וַתִּקֹּד בַּת שֶׁבַע אַפַּיִם אֶרֶץ וַתִּשְׁתַּחוּ לַמֶּ֑לֶךְ וַתֹּאמֶר יְחִי אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ דָּוִד לְעֹלָֽם׃פ | Toen neigde zich Bathseba met het aangezicht ter aarde, en boog zich neder voor den koning, en zeide: Mijn heer de koning David leve in eeuwigheid! |
1KI | 1 | 34 | וּמָשַׁח אֹתוֹ שָׁם צָדוֹק הַכֹּהֵן וְנָתָן הַנָּבִיא לְמֶלֶךְ עַל יִשְׂרָאֵ֑ל וּתְקַעְתֶּם בַּשּׁוֹפָר וַאֲמַרְתֶּם יְחִי הַמֶּלֶךְ שְׁלֹמֹֽה׃ | En dat Zadok, de priester, met Nathan, den profeet, hem aldaar tot koning over Israël zalven. Daarna zult gij met de bazuin blazen, en zeggen: De koning Salomo leve! |
1KI | 1 | 39 | וַיִּקַּח צָדוֹק הַכֹּהֵן אֶת קֶרֶן הַשֶּׁמֶן מִן הָאֹהֶל וַיִּמְשַׁח אֶת שְׁלֹמֹ֑ה וַֽיִּתְקְעוּ בַּשּׁוֹפָר וַיֹּֽאמְרוּ כָּל הָעָם יְחִי הַמֶּלֶךְ שְׁלֹמֹֽה׃ | En Zadok, de priester, nam den oliehoorn uit de tent, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zeide: De koning Salomo leve! |
1KI | 20 | 32 | וַיַּחְגְּרוּ שַׂקִּים בְּמָתְנֵיהֶם וַחֲבָלִים בְּרָאשֵׁיהֶם וַיָּבֹאוּ אֶל מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל וַיֹּאמְרוּ עַבְדְּךָ בֶן הֲדַד אָמַר תְּחִֽי נָא נַפְשִׁ֑י וַיֹּאמֶר הַעוֹדֶנּוּ חַי אָחִי הֽוּא׃ | Toen gordden zij zakken om hun lenden, en koorden om hun hoofden, en kwamen tot den koning van Israël, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijn ziel leven. En hij zeide: Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder. |
2KI | 11 | 12 | וַיּוֹצִא אֶת בֶּן הַמֶּלֶךְ וַיִּתֵּן עָלָיו אֶת הַנֵּזֶר וְאֶת הָעֵדוּת וַיַּמְלִכוּ אֹתוֹ וַיִּמְשָׁחֻ֑הוּ וַיַּכּוּ כָף וַיֹּאמְרוּ יְחִי הַמֶּֽלֶךְ׃ס | Daarna bracht hij des konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de getuigenis; en zij maakten hem koning, en zalfden hem; daartoe klapten zij met de handen, en zeiden: De koning leve! |
2CH | 23 | 11 | וַיּוֹצִיאוּ אֶת בֶּן הַמֶּלֶךְ וַיִּתְּנוּ עָלָיו אֶת הַנֵּזֶר וְאֶת הָעֵדוּת וַיַּמְלִיכוּ אֹת֑וֹ וַיִּמְשָׁחֻהוּ יְהוֹיָדָע וּבָנָיו וַיֹּאמְרוּ יְחִי הַמֶּֽלֶךְ׃ס | Toen brachten zij des konings zoon voor, en zetten hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem koning; en Jojada en zijn zonen zalfden hem, en zeiden: De koning leve! |
PSA | 22 | 26 | יֹאכְלוּ עֲנָוִים וְיִשְׂבָּעוּ יְהַֽלְלוּ יְהוָה דֹּרְשָׁ֑יו יְחִי לְבַבְכֶם לָעַֽד׃ | [022:27] De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den Heere prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven. |
PSA | 49 | 9 | וִֽיחִי עוֹד לָנֶ֑צַח לֹא יִרְאֶה הַשָּֽׁחַת׃ | [049:10] Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien. |
PSA | 69 | 32 | רָאוּ עֲנָוִים יִשְׂמָ֑חוּ דֹּרְשֵׁי אֱלֹהִים וִיחִי לְבַבְכֶֽם׃ | [069:33] De zachtmoedigen, dit gezien hebbende, zullen zich verblijden; en gij, die God zoekt, ulieder hart zal leven. |
PSA | 72 | 15 | וִיחִי וְיִתֶּן לוֹ מִזְּהַב שְׁבָא וְיִתְפַּלֵּל בַּעֲדוֹ תָמִ֑יד כָּל הַיּוֹם יְבָרֲכֶֽנְהֽוּ׃ | En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen. |
PSA | 119 | 175 | תְּֽחִי נַפְשִׁי וּֽתְהַֽלְלֶ֑ךָּ וּֽמִשְׁפָּטֶךָ יַעֲזְרֻֽנִי׃ | Laat mijn ziel leven, en zij zal U loven, en laat Uw rechten mij helpen. |
ISA | 38 | 21 | וַיֹּאמֶר יְשַׁעְיָהוּ יִשְׂאוּ דְּבֶלֶת תְּאֵנִ֑ים וְיִמְרְחוּ עַֽל הַשְּׁחִין וְיֶֽחִי׃ | Jesaja nu had gezegd: Laat men nemen een klomp vijgen, en tot een pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen. |
ISA | 55 | 3 | הַטּוּ אָזְנְכֶם וּלְכוּ אֵלַי שִׁמְעוּ וּתְחִי נַפְשְׁכֶ֑ם וְאֶכְרְתָה לָכֶם בְּרִית עוֹלָם חַֽסְדֵי דָוִד הַנֶּאֱמָנִֽים׃ | Neigt uw oor, en komt tot Mij, hoort en uw ziel zal leven; want Ik zal met u een eeuwig verbond maken, en u geven de gewisse weldadigheden van David. |
JER | 38 | 20 | וַיֹּאמֶר יִרְמְיָהוּ לֹא יִתֵּ֑נוּ שְֽׁמַֽע נָא בְּקוֹל יְהוָה לַאֲשֶׁר אֲנִי דֹּבֵר אֵלֶיךָ וְיִיטַב לְךָ וּתְחִי נַפְשֶֽׁךָ׃ | En Jeremia zeide: Zij zullen u niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stem des Heeren, naar dewelke ik tot u spreek; zo zal het u welgaan, en uw ziel zal leven. |
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | קְטֹל | ||
fs | חֲיִי | 2 | קִטְלִי |
mp | קִטְלִוּ | ||
fp | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EZE | 16 | 6 | וָאֶעֱבֹר עָלַיִךְ וָֽאֶרְאֵךְ מִתְבּוֹסֶסֶת בְּדָמָ֑יִךְ וָאֹמַר לָךְ בְּדָמַיִךְ חֲיִי וָאֹמַר לָךְ בְּדָמַיִךְ חֲיִֽי׃ | Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef! |
EZE | 16 | 6 | וָאֶעֱבֹר עָלַיִךְ וָֽאֶרְאֵךְ מִתְבּוֹסֶסֶת בְּדָמָ֑יִךְ וָאֹמַר לָךְ בְּדָמַיִךְ חֲיִי וָאֹמַר לָךְ בְּדָמַיִךְ חֲיִֽי׃ | Als Ik bij u voorbijging, zo zag Ik u, vertreden zijnde in uw bloed, en Ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, Ik zeide tot u in uw bloed: Leef! |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קֹטֵל | |||
fs | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת | |||
mp | קֹטְלִים | |||
fp | קֹטְלוֹת | |||
ms | ||||
fs | ||||
mp | ||||
fp |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קָטוּל | |||
fs | קְטוּלָה | |||
mp | קְטוּלִים | |||
fp | קְטוּלוֹת |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Prep-l | V-Qal-Inf | לִחְיוֹת | 1 |
V-Qal-Inf | 3mp | חֲיוֹתָם | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
JOS | 5 | 8 | וַיְהִי כַּאֲשֶׁר תַּמּוּ כָל הַגּוֹי לְהִמּ֑וֹל וַיֵּשְׁבוּ תַחְתָּם בַּֽמַּחֲנֶה עַד חֲיוֹתָֽם׃פ | En het geschiedde, als men een einde gemaakt had van al dat volk te besnijden, zo bleven zij in hun plaats in het leger, totdat zij genezen waren. |
EZE | 33 | 12 | וְאַתָּה בֶן אָדָם אֱמֹר אֶל בְּנֵֽי עַמְּךָ צִדְקַת הַצַּדִּיק לֹא תַצִּילֶנּוּ בְּיוֹם פִּשְׁעוֹ וְרִשְׁעַת הָֽרָשָׁע לֹֽא יִכָּשֶׁל בָּהּ בְּיוֹם שׁוּבוֹ מֵֽרִשְׁע֑וֹ וְצַדִּיק לֹא יוּכַל לִֽחְיוֹת בָּהּ בְּיוֹם חֲטֹאתֽוֹ׃ | Gij dan, o mensenkind! zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding; en aangaande de goddeloosheid des goddelozen, hij zal om dezelve niet vallen, ten dage als hij zich van zijn goddeloosheid bekeert; en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door dezelve zijn gerechtigheid, ten dage als hij zondigt. |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
V-Qal-InfAbs | חָיֹה | 7 |
V-Qal-InfAbs | חָיוֹ | 4 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
2KI | 8 | 10 | וַיֹּאמֶר אֵלָיו אֱלִישָׁע לֵךְ אֱמָר לֹא חָיֹה תִחְיֶ֑ה וְהִרְאַנִי יְהוָה כִּֽי מוֹת יָמֽוּת׃ | En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg, gij zult ganselijk niet genezen; want de Heere heeft mij getoond, dat hij den dood sterven zal. |
2KI | 8 | 14 | וַיֵּלֶךְ מֵאֵת אֱלִישָׁע וַיָּבֹא אֶל אֲדֹנָיו וַיֹּאמֶר לוֹ מָֽה אָמַר לְךָ אֱלִישָׁ֑ע וַיֹּאמֶר אָמַר לִי חָיֹה תִחְיֶֽה׃ | Zo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijn heer, die tot hem zeide: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: Gij zult zekerlijk genezen. |
EZE | 3 | 21 | וְאַתָּה כִּי הִזְהַרְתּוֹ צַדִּיק לְבִלְתִּי חֲטֹא צַדִּיק וְהוּא לֹא חָטָ֑א חָיוֹ יִֽחְיֶה כִּי נִזְהָר וְאַתָּה אֶֽת נַפְשְׁךָ הִצַּֽלְתָּ׃ס | Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt, opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt; hij zal zekerlijk leven, omdat hij gewaarschuwd is; en gij hebt uw ziel bevrijd. |
EZE | 18 | 9 | בְּחֻקּוֹתַי יְהַלֵּךְ וּמִשְׁפָּטַי שָׁמַר לַעֲשׂוֹת אֱמֶ֑ת צַדִּיק הוּא חָיֹה יִֽחְיֶה נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִֽה׃ | In Mijn inzettingen wandelt, en Mijn rechten onderhoudt, om trouwelijk te handelen; die rechtvaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heere Heere. |
EZE | 18 | 17 | מֵעָנִי הֵשִׁיב יָדוֹ נֶשֶׁךְ וְתַרְבִּית לֹא לָקָח מִשְׁפָּטַי עָשָׂה בְּחֻקּוֹתַי הָלָ֑ךְ הוּא לֹא יָמוּת בַּעֲוֺן אָבִיו חָיֹה יִחְיֶֽה׃ | Zijn hand van den ellendige afhoudt, geen woeker noch overwinst neemt, Mijn rechten doet, en in Mijn inzettingen wandelt; die zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders; hij zal gewisselijk leven. |
EZE | 18 | 19 | וַאֲמַרְתֶּם מַדֻּעַ לֹא נָשָׂא הַבֵּן בַּעֲוֺן הָאָ֑ב וְהַבֵּן מִשְׁפָּט וּצְדָקָה עָשָׂה אֵת כָּל חֻקּוֹתַי שָׁמַר וַיַּעֲשֶׂה אֹתָם חָיֹה יִחְיֶֽה׃ | Maar gijlieden zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerechtigheid des vaders? Immers zal de zoon, die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhouden, en die gedaan heeft, gewisselijk leven. |
EZE | 18 | 21 | וְהָרָשָׁע כִּי יָשׁוּב מִכָּל חַטָּאתוֹ אֲשֶׁר עָשָׂה וְשָׁמַר אֶת כָּל חֻקּוֹתַי וְעָשָׂה מִשְׁפָּט וּצְדָקָ֑ה חָיֹה יִחְיֶה לֹא יָמֽוּת׃ | Maar wanneer de goddeloze zich bekeert van al zijn zonden, die hij gedaan heeft, en al Mijn inzettingen onderhoudt, en doet recht en gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven. |
EZE | 18 | 28 | וַיִּרְאֶה וַיָּשׁוֹב מִכָּל פְּשָׁעָיו אֲשֶׁר עָשָׂ֑ה חָיוֹ יִחְיֶה לֹא יָמֽוּת׃ | Dewijl hij toeziet, en zich bekeert van al zijn overtredingen, die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven. |
EZE | 33 | 13 | בְּאָמְרִי לַצַּדִּיק חָיֹה יִֽחְיֶה וְהֽוּא בָטַח עַל צִדְקָתוֹ וְעָשָׂה עָ֑וֶל כָּל צִדְקָתוֹ לֹא תִזָּכַרְנָה וּבְעַוְלוֹ אֲשֶׁר עָשָׂה בּוֹ יָמֽוּת׃ | Als Ik tot den rechtvaardige zeg, dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, zo zullen al zijn gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht, dat hij doet, daarin zal hij sterven. |
EZE | 33 | 15 | חֲבֹל יָשִׁיב רָשָׁע גְּזֵלָה יְשַׁלֵּם בְּחֻקּוֹת הַֽחַיִּים הָלַךְ לְבִלְתִּי עֲשׂוֹת עָ֑וֶל חָיוֹ יִֽחְיֶה לֹא יָמֽוּת׃ | Geeft de goddeloze het pand weder, betaalt hij het geroofde, wandelt hij in de inzettingen des levens, zodat hij geen onrecht doet; hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven. |
EZE | 33 | 16 | כָּל חַטָּאתוֹ אֲשֶׁר חָטָא לֹא תִזָּכַרְנָה ל֑וֹ מִשְׁפָּט וּצְדָקָה עָשָׂה חָיוֹ יִֽחְיֶֽה׃ | Al zijn zonden, die hij gezondigd heeft, zullen hem niet gedacht worden; hij heeft recht en gerechtigheid gedaan, hij zal zekerlijk leven. |