PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | שָׂם | 32 | וְשָׂם | 8 | קָטַל |
3fs | שָׂמָתְהוּ | 2 | קָֽטְלָה | ||
2ms | שַׂמְתָּ | 6 | וְשַׂמְתָּ | 20 | קָטַ֫לְתָּ |
2fs | שַׂמְתְּ | 6 | וְשַׂמְתְּ | 1 | קָטַלְתְּ |
1cs | שַׂמְתִּי | 13 | וְשַׂמְתִּי | 26 | קָטַ֫לְתִּי |
3cp | שָׂמוּ | 14 | וְשָׂמוּ | 7 | קָטְלוּ |
2mp | שַׂמְתֶּם | 3 | וְשַׂמְתֶּם | 5 | קְטַלְתֶּם |
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | שַׂמְנוּ | 1 | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging שׂוּם
Strong H7760
Betekenis: plaatsen, stellen
Frequentie Qal: 578
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
ISA | 28 | 15 | כִּי אֲמַרְתֶּם כָּרַתְנֽוּ בְרִית אֶת מָוֶת וְעִם שְׁאוֹל עָשִׂינוּ חֹזֶ֑ה שִׁיט שׁוֹטֵף כִּֽי עָבַר לֹא יְבוֹאֵנוּ כִּי שַׂמְנוּ כָזָב מַחְסֵנוּ וּבַשֶּׁקֶר נִסְתָּֽרְנוּ׃ס | Omdat gijlieden zegt: Wij hebben een verbond met den dood gemaakt, en met de hel hebben wij een voorzichtig verdrag gemaakt; wanneer de overvloeiende gesel doortrekken zal , zal hij tot ons niet komen; want wij hebben de leugen ons tot een toevlucht gesteld, en onder de valsheid hebben wij ons verborgen. |
JOB | 31 | 24 | אִם שַׂמְתִּי זָהָב כִּסְלִ֑י וְלַכֶּתֶם אָמַרְתִּי מִבְטַחִֽי׃ | Zo ik het goud tot mijn hoop gezet heb, of tot het fijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen; |
EZE | 23 | 41 | וְיָשַׁבְתְּ עַל מִטָּה כְבוּדָּה וְשֻׁלְחָן עָרוּךְ לְפָנֶ֑יהָ וּקְטָרְתִּי וְשַׁמְנִי שַׂמְתְּ עָלֶֽיהָ׃ | En gij zat op een heerlijk bed, voor hetwelk een tafel toegericht was, en op hetwelk gij Mijn reukwerk en Mijn olie gezet hadt. |
JER | 11 | 13 | כִּי מִסְפַּר עָרֶיךָ הָיוּ אֱלֹהֶיךָ יְהוּדָ֑ה וּמִסְפַּר חֻצוֹת יְרוּשָׁלִַם שַׂמְתֶּם מִזְבְּחוֹת לַבֹּשֶׁת מִזְבְּחוֹת לְקַטֵּר לַבָּֽעַל׃ס | Want naar het getal uwer steden zijn uw goden geweest, o Juda! en naar het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die schaamte, altaren om den Baäl te roken. |
JER | 32 | 20 | אֲשֶׁר שַׂמְתָּ אֹתוֹת וּמֹפְתִים בְּאֶֽרֶץ מִצְרַיִם עַד הַיּוֹם הַזֶּה וּבְיִשְׂרָאֵל וּבָֽאָדָ֑ם וַתַּעֲשֶׂה לְּךָ שֵׁם כַּיּוֹם הַזֶּֽה׃ | Gij, Die tekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland, tot op dezen dag, zo in Israël, als onder andere mensen, en hebt U een Naam gemaakt, als Hij is te dezen dage! |
EXO | 5 | 14 | וַיֻּכּוּ שֹֽׁטְרֵי בְּנֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר שָׂמוּ עֲלֵהֶם נֹגְשֵׂי פַרְעֹה לֵאמֹ֑ר מַדּוּעַ לֹא כִלִּיתֶם חָקְכֶם לִלְבֹּן כִּתְמוֹל שִׁלְשֹׁם גַּם תְּמוֹל גַּם הַיּֽוֹם׃ | En de ambtlieden der kinderen Israëls, die Farao’s aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uw gezette werk niet voleindigd, in het maken der tichelstenen, gelijk te voren, alzo ook gisteren en heden? |
EZE | 19 | 5 | וַתֵּרֶא כִּי נֽוֹחֲלָה אָבְדָה תִּקְוָתָ֑הּ וַתִּקַּח אֶחָד מִגֻּרֶיהָ כְּפִיר שָׂמָֽתְהוּ׃ | Zij nu ziende, dat zij in hope was geweest, doch haar verwachting verloren was, zo nam zij een ander van haar welpen, hetwelk zij tot een jongen leeuw stelde. |
1KI | 20 | 34 | וַיֹּאמֶר אֵלָיו הֶעָרִים אֲשֶׁר לָֽקַח אָבִי מֵאֵת אָבִיךָ אָשִׁיב וְחוּצוֹת תָּשִׂים לְךָ בְדַמֶּשֶׂק כַּאֲשֶׁר שָׂם אָבִי בְּשֹׁמְרוֹן וַאֲנִי בַּבְּרִית אֲשַׁלְּחֶ֑ךָּ וַיִּכְרָת לוֹ בְרִית וַֽיְשַׁלְּחֵֽהוּ׃ס | En hij zeide tot hem: De steden, die mijn vader van uw vader genomen heeft, zal ik wedergeven, en maak u straten in Damaskus, gelijk mijn vader in Samaria gemaakt heeft. En ik, antwoordde Achab, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zo maakte hij een verbond met hem, en liet hem gaan. |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
NUM | 11 | 17 | וְיָרַדְתִּי וְדִבַּרְתִּי עִמְּךָ שָׁם֒ וְאָצַלְתִּי מִן הָרוּחַ אֲשֶׁר עָלֶיךָ וְשַׂמְתִּי עֲלֵיהֶ֑ם וְנָשְׂאוּ אִתְּךָ בְּמַשָּׂא הָעָם וְלֹא תִשָּׂא אַתָּה לְבַדֶּֽךָ׃ | Zo zal Ik afkomen en met u aldaar spreken; en van den Geest, die op u is, zal Ik afzonderen, en op hen leggen; en zij zullen met u den last van dit volk dragen, opdat gij dien alleen niet draagt. |
RUT | 3 | 3 | וְרָחַצְתְּ וָסַכְתְּ וְשַׂמְתְּ שִׂמְלֹתֵךְ עָלַיִךְ וְיָרַדְתִּי הַגֹּ֑רֶן אַל תִּוָּדְעִי לָאִישׁ עַד כַּלֹּתוֹ לֶאֱכֹל וְלִשְׁתּֽוֹת׃ | Zo baad u, en zalf u, en doe uw klederen aan, en ga af naar den dorsvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken. |
DEU | 11 | 18 | וְשַׂמְתֶּם אֶת דְּבָרַי אֵלֶּה עַל לְבַבְכֶם וְעַֽל נַפְשְׁכֶ֑ם וּקְשַׁרְתֶּם אֹתָם לְאוֹת עַל יֶדְכֶם וְהָיוּ לְטוֹטָפֹת בֵּין עֵינֵיכֶֽם׃ | Legt dan deze mijn woorden in uw hart, en in uw ziel, en bindt ze tot een teken op uw hand, dat zij tot voorhoofdspanselen zijn tussen uw ogen; |
EXO | 29 | 24 | וְשַׂמְתָּ הַכֹּל עַל כַּפֵּי אַהֲרֹן וְעַל כַּפֵּי בָנָ֑יו וְהֵנַפְתָּ אֹתָם תְּנוּפָה לִפְנֵי יְהוָֽה׃ | En leg ze alle op de handen van Aäron, en op de handen zijner zonen, en beweeg ze ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren. |
NUM | 4 | 6 | וְנָתְנוּ עָלָיו כְּסוּי עוֹר תַּחַשׁ וּפָרְשׂוּ בֶֽגֶד כְּלִיל תְּכֵלֶת מִלְמָ֑עְלָה וְשָׂמוּ בַּדָּֽיו׃ | En zij zullen een deksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzelver handbomen aanleggen. |
DEU | 22 | 14 | וְשָׂם לָהּ עֲלִילֹת דְּבָרִים וְהוֹצִיא עָלֶיהָ שֵׁם רָ֑ע וְאָמַר אֶת הָאִשָּׁה הַזֹּאת לָקַחְתִּי וָאֶקְרַב אֵלֶיהָ וְלֹא מָצָאתִי לָהּ בְּתוּלִֽים׃ | En haar oorzaak van naspraak zal opleggen, en een kwaden naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen, en ben tot haar genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden; |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|---|---|---|---|
3ms | שָׂמוֹ | 4 | ||
3ms | שָׂמְךָ | 2 | ||
3ms | שָׂמַנִי | 2 | ||
3ms | שָׂמָהּ | 2 | ||
3ms | שָׂמָהוּ | 1 | ||
3fs | הַשָּׂמָה | 1 | ||
3fs | שָׂמַתְנִי | 1 | ||
3fs | שָׂמָה | 1 | ||
2ms | הֲשַׂמְתָּ | 2 | ||
2ms | שַׂמְתַּנִי | 1 | ||
2ms | שַׂמְתּוֹ | 1 | ||
1cs | שַׂמְתִּיהָ | 1 | ||
1cs | שַׂמְתִּיו | 1 | ||
1cs | שַׂמְתִּיךְ | 1 | ||
1cs | שָׂמְתִּי | 1 | ||
3cp | שָׂמֻנִי | 1 | ||
3cp | שָׂמוּךָ | 1 | ||
3ms | וְשָׂמָהּ | 1 | ||
3ms | וְשָׂמוֹ | 1 | ||
2ms | וְשַׂמְתָּם | 2 | ||
2ms | וְשַׂמְתּוֹ | 1 | ||
1cs | וְשַׂמְתִּיהָ | 5 | ||
1cs | וְשַׂמְתִּיךְ | 3 | ||
1cs | וְשַׂמְתִּים | 3 | ||
1cs | וְשַׂמְתִּיךָ | 2 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
ISA | 23 | 13 | הֵן אֶרֶץ כַּשְׂדִּים זֶה הָעָם לֹא הָיָה אַשּׁוּר יְסָדָהּ לְצִיִּ֑ים הֵקִימוּ בְחִינָיו עֹרְרוּ אַרְמְנוֹתֶיהָ שָׂמָהּ לְמַפֵּלָֽה׃ | Ziet, het land der Chaldeen; dit volk was er niet; Assur heeft het gefondeerd voor degenen, die in de wildernissen woonden; zij richtten hun sterkten op, en bouwden hun paleizen, maar Hij heeft het tot een vervallen hoop gesteld. |
SNG | 6 | 12 | לֹא יָדַעְתִּי נַפְשִׁי שָׂמַתְנִי מַרְכְּבוֹת עַמִּי נָדִֽיב׃ | Eer ik het wist, zette mij mijn ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk. |
JOB | 2 | 3 | וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל הַשָּׂטָן הֲשַׂמְתָּ לִבְּךָ אֶל עַבְדִּי אִיּוֹב֒ כִּי אֵין כָּמֹהוּ בָּאָרֶץ אִישׁ תָּם וְיָשָׁר יְרֵא אֱלֹהִים וְסָר מֵרָ֑ע וְעֹדֶנּוּ מַחֲזִיק בְּתֻמָּתוֹ וַתְּסִיתֵנִי בוֹ לְבַלְּעוֹ חִנָּֽם׃ | En de Heere zeide tot den satan: Hebt gij ook acht geslagen op Mijn knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man, oprecht en vroom, godvrezende en wijkende van het kwaad; en hij houdt nog vast aan zijn oprechtigheid, hoewel gij Mij tegen hem opgehitst hebt, om hem te verslinden zonder oorzaak. |
ISA | 41 | 15 | הִנֵּה שַׂמְתִּיךְ לְמוֹרַג חָרוּץ חָדָשׁ בַּעַל פִּֽיפִיּ֑וֹת תָּדוּשׁ הָרִים וְתָדֹק וּגְבָעוֹת כַּמֹּץ תָּשִֽׂים׃ | Ziet, Ik heb u tot een scherpe nieuwe dorsslede gesteld, die scherpe pinnen heeft; gij zult bergen dorsen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen gelijk kaf. |
SNG | 1 | 6 | אַל תִּרְאוּנִי שֶׁאֲנִי שְׁחַרְחֹרֶת שֶׁשֱּׁזָפַתְנִי הַשָּׁ֑מֶשׁ בְּנֵי אִמִּי נִֽחֲרוּ בִי שָׂמֻנִי נֹטֵרָה אֶת הַכְּרָמִים כַּרְמִי שֶׁלִּי לֹא נָטָֽרְתִּי׃ | Ziet mij niet aan, dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken, zij hebben mij gezet tot een hoederin der wijngaarden. Mijn wijngaard, dien ik heb, heb ik niet gehoed. |
JER | 13 | 16 | תְּנוּ לַיהוָה אֱלֹהֵיכֶם כָּבוֹד בְּטֶרֶם יַחְשִׁךְ וּבְטֶרֶם יִֽתְנַגְּפוּ רַגְלֵיכֶם עַל הָרֵי נָ֑שֶׁף וְקִוִּיתֶם לְאוֹר וְשָׂמָהּ לְצַלְמָוֶת יָשִׁית לַעֲרָפֶֽל׃ | Geeft eer den Heere, uw God, eer dat Hij het duister maakt, en eer uw voeten zich stoten aan de schemerende bergen; dat gij naar licht wacht, en Hij datzelve tot een schaduw des doods stelle, en tot een donkerheid zette . |
DEU | 10 | 2 | וְאֶכְתֹּב עַל הַלֻּחֹת אֶת הַדְּבָרִים אֲשֶׁר הָיוּ עַל הַלֻּחֹת הָרִאשֹׁנִים אֲשֶׁר שִׁבַּ֑רְתָּ וְשַׂמְתָּם בָּאָרֽוֹן׃ | En Ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die gij gebroken hebt; en gij zult ze leggen in die kist. |
ISA | 14 | 23 | וְשַׂמְתִּיהָ לְמוֹרַשׁ קִפֹּד וְאַגְמֵי מָ֑יִם וְטֵֽאטֵאתִיהָ בְּמַטְאֲטֵא הַשְׁמֵד נְאֻם יְהוָה צְבָאֽוֹת׃פ | En Ik zal hen stellen tot een erve der nachtuilen, en tot waterpoelen; en Ik zal hen met een bezem des verderfs uitvagen, spreekt de Heere der heirscharen. |
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | IMPF_CONJ | N3 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יָשִׂים | 20 | וַיָּשֶׂם | 83 | וְיָשֵׂם | 1 | יִקְטֹל |
3fs | תָּשִׂים | 1 | וַתָּשֶׂם | 8 | תִּקְטֹל | ||
2ms | תָּשִׂים | 11 | תִּקְטֹל | ||||
2fs | וַתָּשִׂימִי | 1 | תִּקְטְלִי | ||||
1cs | אָשִׂים | 21 | וָאָשִׂים | 5 | וְאָשִׂים | 1 | אֶקְטֹל |
3mp | יָשִׂימוּ | 14 | וַיָּשִׂימוּ | 30 | וְיָשִׂימוּ | 3 | יִקְטְלוּ |
3fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
2mp | תָּשִׂימוּ | 3 | וַתְּשִׂימוּן | 1 | תִּקְטְלוּ | ||
2fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
1cp | וְנָשִׂים | 1 | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
NUM | 6 | 26 | יִשָּׂא יְהוָה פָּנָיו אֵלֶיךָ וְיָשֵׂם לְךָ שָׁלֽוֹם׃ס | De Heere verheffe Zijn aangezicht over u, en geve u vrede! |
DEU | 10 | 5 | וָאֵפֶן וָֽאֵרֵד מִן הָהָר וָֽאָשִׂם אֶת הַלֻּחֹת בָּאָרוֹן אֲשֶׁר עָשִׂ֑יתִי וַיִּהְיוּ שָׁם כַּאֲשֶׁר צִוַּנִי יְהוָֽה׃ | En ik keerde mij, en ging af van den berg, en leide de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn zij, gelijk als de Heere mij geboden heeft. |
JDG | 1 | 28 | וַֽיְהִי כִּֽי חָזַק יִשְׂרָאֵל וַיָּשֶׂם אֶת הַֽכְּנַעֲנִי לָמַ֑ס וְהוֹרֵישׁ לֹא הוֹרִישֽׁוֹ׃ס | En het geschiedde, als Israël sterk werd, dat hij de Kanaänieten op cijns stelde; maar hij verdreef hen niet ganselijk. |
1SA | 6 | 8 | וּלְקַחְתֶּם אֶת אֲרוֹן יְהוָה וּנְתַתֶּם אֹתוֹ אֶל הָעֲגָלָה וְאֵת כְּלֵי הַזָּהָב אֲשֶׁר הֲשֵׁבֹתֶם לוֹ אָשָׁם תָּשִׂימוּ בָאַרְגַּז מִצִּדּ֑וֹ וְשִׁלַּחְתֶּם אֹתוֹ וְהָלָֽךְ׃ | Neemt dan de ark des Heeren, en zet ze op den wagen, en legt de gouden kleinoden, die gij Hem ten schuldoffer vergelden zult, in een koffertje aan haar zijde; en zendt ze weg, dat zij heenga. |
1SA | 25 | 18 | וַתְּמַהֵר אֲבוֹגַיִל וַתִּקַּח מָאתַיִם לֶחֶם וּשְׁנַיִם נִבְלֵי יַיִן וְחָמֵשׁ צֹאן עֲשָׂווֹת וְחָמֵשׁ סְאִים קָלִי וּמֵאָה צִמֻּקִים וּמָאתַיִם דְּבֵלִ֑ים וַתָּשֶׂם עַל הַחֲמֹרִֽים׃ | Toen haastte zich Abigaïl, en nam tweehonderd broden, en twee lederzakken wijns, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren, en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en leide die op ezelen. |
2KI | 4 | 10 | נַֽעֲשֶׂה נָּא עֲלִיַּת קִיר קְטַנָּה וְנָשִׂים לוֹ שָׁם מִטָּה וְשֻׁלְחָן וְכִסֵּא וּמְנוֹרָ֑ה וְהָיָה בְּבֹאוֹ אֵלֵינוּ יָסוּר שָֽׁמָּה׃ | Laat ons toch een kleine opperkamer van een wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed, en tafel, en stoel, en kandelaar; zo zal het geschieden, wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijke. |
2KI | 11 | 16 | וַיָּשִׂמוּ לָהּ יָדַיִם וַתָּבוֹא דֶּֽרֶךְ מְבוֹא הַסּוּסִים בֵּית הַמֶּ֑לֶךְ וַתּוּמַת שָֽׁם׃ס | En zij leiden de handen aan haar; en zij ging den weg van den ingang der paarden naar het huis des konings, en zij werd daar gedood. |
JOB | 17 | 12 | לַיְלָה לְיוֹם יָשִׂ֑ימוּ אוֹר קָרוֹב מִפְּנֵי חֹֽשֶׁךְ׃ | Den nacht verstellen zij in den dag; het licht is nabij den ondergang vanwege de duisternis. |
PSA | 44 | 13 | תְּשִׂימֵנוּ חֶרְפָּה לִשְׁכֵנֵ֑ינוּ לַעַג וָקֶלֶס לִסְבִיבוֹתֵֽינוּ׃ | [044:14] Gij stelt ons onze naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen, die rondom ons zijn. |
PSA | 78 | 7 | וְיָשִׂימוּ בֵֽאלֹהִים כִּסְלָם וְלֹא יִשְׁכְּחוּ מַֽעַלְלֵי אֵ֑ל וּמִצְוֺתָיו יִנְצֹֽרוּ׃ | En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren; |
ISA | 43 | 19 | הִנְנִי עֹשֶׂה חֲדָשָׁה עַתָּה תִצְמָח הֲלוֹא תֵֽדָע֑וּהָ אַף אָשִׂים בַּמִּדְבָּר דֶּרֶךְ בִּֽישִׁמוֹן נְהָרֽוֹת׃ | Ziet, Ik zal wat nieuws maken, nu zal het uitspruiten, zult gijlieden dat niet weten? Ja, Ik zal in de woestijn een weg leggen, en rivieren in de wildernis. |
ISA | 51 | 23 | וְשַׂמְתִּיהָ בְּיַד מוֹגַיִךְ אֲשֶׁר אָמְרוּ לְנַפְשֵׁךְ שְׁחִי וְנַעֲבֹ֑רָה וַתָּשִׂימִי כָאָרֶץ גֵּוֵךְ וְכַחוּץ לַעֹבְרִֽים׃ס | Maar Ik zal hem dien, die u bedroefd hebben, in de hand zetten, die tot uw ziel zeiden: Buig u neder, dat wij over u gaan; en gij legdet uw rug neder als aarde, en als een straat dergenen, die daarover gaan. |
ISA | 53 | 10 | וַיהוָה חָפֵץ דַּכְּאוֹ הֶֽחֱלִי אִם תָּשִׂים אָשָׁם נַפְשׁוֹ יִרְאֶה זֶרַע יַאֲרִיךְ יָמִ֑ים וְחֵפֶץ יְהוָה בְּיָדוֹ יִצְלָֽח׃ | Doch het behaagde den Heere Hem te verbrijzelen; Hij heeft Hem krank gemaakt; als Zijn ziel Zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zo zal Hij zaad zien, Hij zal de dagen verlengen; en het welbehagen des Heeren zal door Zijn hand gelukkiglijk voortgaan. |
ISA | 62 | 7 | וְאַֽל תִּתְּנוּ דֳמִי ל֑וֹ עַד יְכוֹנֵן וְעַד יָשִׂים אֶת יְרֽוּשָׁלִַם תְּהִלָּה בָּאָֽרֶץ׃ | En zwijgt niet stil voor Hem, totdat Hij bevestige, en totdat Hij Jeruzalem stelle tot een lof op aarde. |
JER | 40 | 4 | וְעַתָּה הִנֵּה פִתַּחְתִּיךָ הַיּוֹם מִֽן הָאזִקִּים אֲשֶׁר עַל יָדֶךָ֒ אִם טוֹב בְּעֵינֶיךָ לָבוֹא אִתִּי בָבֶל בֹּא וְאָשִׂים אֶת עֵינִי עָלֶיךָ וְאִם רַע בְּעֵינֶיךָ לָבֽוֹא אִתִּי בָבֶל חֲדָ֑ל רְאֵה כָּל הָאָרֶץ לְפָנֶיךָ אֶל טוֹב וְאֶל הַיָּשָׁר בְּעֵינֶיךָ לָלֶכֶת שָׁמָּה לֵֽךְ׃ | Nu dan, zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen, die aan uw hand waren; indien het goed is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo kom, en ik zal mijn oog op u stellen; maar indien het kwaad is in uw ogen met mij naar Babel te komen, zo laat het; zie, het ganse land is voor uw aangezicht, waarhenen het goed en recht in uw ogen is te gaan, ga daar. |
EZE | 44 | 8 | וְלֹא שְׁמַרְתֶּם מִשְׁמֶרֶת קָדָשָׁ֑י וַתְּשִׂימוּן לְשֹׁמְרֵי מִשְׁמַרְתִּי בְּמִקְדָּשִׁי לָכֶֽם׃ | En gijlieden hebt de wacht van Mijn heilige dingen niet waargenomen; maar gij hebt uzelven enigen tot wachters Mijner wacht gesteld in Mijn heiligdom. |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 44 | 21 | וַתֹּאמֶר אֶל עֲבָדֶיךָ הוֹרִדֻהוּ אֵלָ֑י וְאָשִׂימָה עֵינִי עָלָֽיו׃ | Toen zeidet gij tot uw knechten: Brengt hem af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla. |
DEU | 17 | 14 | כִּֽי תָבֹא אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ וִֽירִשְׁתָּהּ וְיָשַׁבְתָּה בָּ֑הּ וְאָמַרְתָּ אָשִׂימָה עָלַי מֶלֶךְ כְּכָל הַגּוֹיִם אֲשֶׁר סְבִיבֹתָֽי׃ | Wanneer gij zult gekomen zijn in het land, dat u de Heere, uw God, geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal een koning over mij stellen, als al de volken, die rondom mij zijn; |
1SA | 28 | 22 | וְעַתָּה שְׁמַֽע נָא גַם אַתָּה בְּקוֹל שִׁפְחָתֶךָ וְאָשִׂמָה לְפָנֶיךָ פַּת לֶחֶם וֶאֱכ֑וֹל וִיהִי בְךָ כֹּחַ כִּי תֵלֵךְ בַּדָּֽרֶךְ׃ | Zo hoor toch gij nu ook naar de stem uwer dienstmaagd, en laat mij een bete broods voor u zetten, en eet; zo zal er kracht in u zijn, dat gij over weg gaat. |
1KI | 20 | 31 | וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו עֲבָדָיו֒ הִנֵּֽה נָא שָׁמַעְנוּ כִּי מַלְכֵי בֵּית יִשְׂרָאֵל כִּֽי מַלְכֵי חֶסֶד הֵ֑ם נָשִׂימָה נָּא שַׂקִּים בְּמָתְנֵינוּ וַחֲבָלִים בְּרֹאשֵׁנוּ וְנֵצֵא אֶל מֶלֶךְ יִשְׂרָאֵל אוּלַי יְחַיֶּה אֶת נַפְשֶֽׁךָ׃ | Toen zeiden de knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord, dat de koningen van het huis Israëls goedertierene koningen zijn; laat ons toch zakken om onze lenden leggen, en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot den koning van Israël; mogelijk zal hij uw ziel in het leven behouden. |
ISA | 41 | 22 | יַגִּישׁוּ וְיַגִּידוּ לָנוּ אֵת אֲשֶׁר תִּקְרֶ֑ינָה הָרִאשֹׁנוֹת מָה הֵנָּה הַגִּידוּ וְנָשִׂימָה לִבֵּנוּ וְנֵדְעָה אַחֲרִיתָן אוֹ הַבָּאוֹת הַשְׁמִיעֻֽנוּ׃ | Laat hen voortbrengen en ons verkondigen de dingen, die gebeuren zullen; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn, opdat wij het ter harte nemen, en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen horen. |
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
1SA | 2 | 20 | וּבֵרַךְ עֵלִי אֶת אֶלְקָנָה וְאֶת אִשְׁתּוֹ וְאָמַר יָשֵׂם יְהוָה לְךָ זֶרַע מִן הָאִשָּׁה הַזֹּאת תַּחַת הַשְּׁאֵלָה אֲשֶׁר שָׁאַל לַֽיהוָ֑ה וְהָלְכוּ לִמְקֹמֽוֹ׃ | En Eli zegende Elkana, en zijn huisvrouw, en zeide: De Heere geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den Heere afgebeden heeft. En zij gingen naar zijn plaats. |
1SA | 9 | 20 | וְלָאֲתֹנוֹת הָאֹבְדוֹת לְךָ הַיּוֹם שְׁלֹשֶׁת הַיָּמִים אַל תָּשֶׂם אֶֽת לִבְּךָ לָהֶם כִּי נִמְצָ֑אוּ וּלְמִי כָּל חֶמְדַּת יִשְׂרָאֵל הֲלוֹא לְךָ וּלְכֹל בֵּית אָבִֽיךָ׃ס | Want de ezelinnen aangaande, die gij heden den derden dag verloren hebt, zet uw hart daarop niet, want zij zijn gevonden; en wiens zal zijn al het gewenste, dat in Israël is? Is het niet van u, en van het ganse huis uws vaders? |
1SA | 22 | 15 | הַיּוֹם הַחִלֹּתִי לְשָׁאוֹל לוֹ בֵאלֹהִים חָלִילָה לִּ֑י אַל יָשֵׂם הַמֶּלֶךְ בְּעַבְדּוֹ דָבָר בְּכָל בֵּית אָבִי כִּי לֹֽא יָדַע עַבְדְּךָ בְּכָל זֹאת דָּבָר קָטֹן אוֹ גָדֽוֹל׃ | Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij, de koning legge op zijn knecht geen ding, noch op het ganse huis mijns vader; want uw knecht heeft van al deze dingen niet geweten, klein noch groot. |
2SA | 13 | 33 | וְעַתָּה אַל יָשֵׂם אֲדֹנִי הַמֶּלֶךְ אֶל לִבּוֹ דָּבָר לֵאמֹר כָּל בְּנֵי הַמֶּלֶךְ מֵ֑תוּ כִּֽי אִם אַמְנוֹן לְבַדּוֹ מֵֽת׃פ | Zo neme nu mijn heer de koning de zaak niet in zijn hart, denkende: al des konings zonen zijn dood; want Amnon alleen is dood. |
JOB | 13 | 27 | וְתָשֵׂם בַּסַּד רַגְלַי וְתִשְׁמוֹר כָּל אָרְחוֹתָ֑י עַל שָׁרְשֵׁי רַגְלַי תִּתְחַקֶּֽה׃ | Gij legt ook mijn voeten in den stok, en neemt waar al mijn paden; Gij drukt U in de wortelen mijner voeten, |
JOB | 24 | 25 | וְאִם לֹא אֵפוֹ מִי יַכְזִיבֵ֑נִי וְיָשֵׂם לְאַל מִלָּתִֽי׃ס | Indiën het nu zo niet is, wie zal mij leugenachtig maken, en mijn rede tot niet brengen? |
JOB | 33 | 11 | יָשֵׂם בַּסַּד רַגְלָ֑י יִשְׁמֹר כָּל אָרְחֹתָֽי׃ | Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar. |
PSA | 85 | 13 | צֶדֶק לְפָנָיו יְהַלֵּ֑ךְ וְיָשֵׂם לְדֶרֶךְ פְּעָמָֽיו׃ | [085:14] De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. |
PSA | 107 | 33 | יָשֵׂם נְהָרוֹת לְמִדְבָּ֑ר וּמֹצָאֵי מַיִם לְצִמָּאֽוֹן׃ | Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land. |
PSA | 107 | 35 | יָשֵׂם מִדְבָּר לַֽאֲגַם מַ֑יִם וְאֶרֶץ צִיָּה לְמֹצָאֵי מָֽיִם׃ | Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land tot watertochten. |
DAN | 11 | 17 | וְיָשֵׂם פָּנָיו לָבוֹא בְּתֹקֶף כָּל מַלְכוּתוֹ וִישָׁרִים עִמּוֹ וְעָשָׂ֑ה וּבַת הַנָּשִׁים יִתֶּן לוֹ לְהַשְׁחִיתָהּ וְלֹא תַעֲמֹד וְלֹא לוֹ תִהְיֶֽה׃ | En hij zal zijn aangezicht stellen, om met de kracht zijns gansen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen; want hij zal hem een dochter der vrouwen geven, om haar te verderven, maar zij zal niet vast staan, en zij zal voor hem niet zijn. |
ZEP | 2 | 13 | וְיֵט יָדוֹ עַל צָפוֹן וִֽיאַבֵּד אֶת אַשּׁ֑וּר וְיָשֵׂם אֶת נִֽינְוֵה לִשְׁמָמָה צִיָּה כַּמִּדְבָּֽר׃ | Hij zal ook Zijn hand uitstrekken tegen het Noorden, en Hij zal Assur verdoen; en Hij zal Nineve stellen tot een verwoesting, droog als een woestijn. |
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | שִׂים | 24 | קְטֹל |
fs | שִׂמִי | 1 | קִטְלִי |
mp | שִׂימוּ | 15 | קִטְלִוּ |
fp | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EZE | 21 | 2 | בֶּן אָדָם שִׂים פָּנֶיךָ אֶל יְרוּשָׁלִַם וְהַטֵּף אֶל מִקְדָּשִׁ֑ים וְהִנָּבֵא אֶל אַדְמַת יִשְׂרָאֵֽל׃ | Mensenkind! zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël; |
JOS | 7 | 19 | וַיֹּאמֶר יְהוֹשֻׁעַ אֶל עָכָן בְּנִי שִֽׂים נָא כָבוֹד לַֽיהוָה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל וְתֶן לוֹ תוֹדָ֑ה וְהַגֶּד נָא לִי מֶה עָשִׂיתָ אַל תְּכַחֵד מִמֶּֽנִּי׃ | Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn zoon! Geef toch den Heere, den God van Israël, de eer, en doe voor Hem belijdenis; en geef mij toch te kennen, wat gij gedaan hebt, verberg het voor mij niet. |
JER | 31 | 21 | הַצִּיבִי לָךְ צִיֻּנִים שִׂמִי לָךְ תַּמְרוּרִים שִׁתִי לִבֵּךְ לַֽמְסִלָּה דֶּרֶךְ הָלָכְתִּי שׁוּבִי בְּתוּלַת יִשְׂרָאֵל שֻׁבִי אֶל עָרַיִךְ אֵֽלֶּה׃ | Richt u merktekenen op, stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg, dien gij gewandeld hebt; keer weder, o jonkvrouw Israëls, keer weder tot deze uw steden! |
2KI | 10 | 8 | וַיָּבֹא הַמַּלְאָךְ וַיַּגֶּד לוֹ לֵאמֹר הֵבִיאוּ רָאשֵׁי בְנֵֽי הַמֶּ֑לֶךְ וַיֹּאמֶר שִׂימוּ אֹתָם שְׁנֵי צִבֻּרִים פֶּתַח הַשַּׁעַר עַד הַבֹּֽקֶר׃ | En er kwam een bode, en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden van de zonen des konings gebracht. En hij zeide: Legt ze in twee hopen, aan de deur der poort, tot morgen. |
1KI | 20 | 12 | וַיְהִי כִּשְׁמֹעַ אֶת הַדָּבָר הַזֶּה וְהוּא שֹׁתֶה הוּא וְהַמְּלָכִים בַּסֻּכּ֑וֹת וַיֹּאמֶר אֶל עֲבָדָיו שִׂימוּ וַיָּשִׂימוּ עַל הָעִֽיר׃ | En het geschiedde, als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende, hij en de koningen in de tenten, dat hij zeide tot zijn knechten: Legt aan! En zij leiden aan tegen de stad. |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | שָׂם | 7 | קֹטֵל |
fs | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת | |||
V-Qal-Prtcpl-mp | mp | שָׂמִים | 3 | קֹטְלִים |
fp | קֹטְלוֹת | |||
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הַשָּׂם | 4 | |
fs | ||||
mp | ||||
fp |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-QalPassPrtcpl-ms | ms | שִׂים | 1 | קָטוּל |
V-Qal-QalPassPrtcpl-fs | fs | שׂוּמָה | 1 | קְטוּלָה |
mp | קְטוּלִים | |||
fp | קְטוּלוֹת | |||
Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-ms | וְשִׂים | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
NUM | 24 | 21 | וַיַּרְא אֶת הַקֵּינִי וַיִּשָּׂא מְשָׁלוֹ וַיֹּאמַ֑ר אֵיתָן מֽוֹשָׁבֶךָ וְשִׂים בַּסֶּלַע קִנֶּֽךָ׃ | Toen hij de Kenieten zag, zo hief hij zijn spreuk op, en zeide: Uw woning is vast, en gij hebt uw nest in een steenrots gelegd. |
2SA | 13 | 32 | וַיַּעַן יוֹנָדָב בֶּן שִׁמְעָה אֲחִֽי דָוִד וַיֹּאמֶר אַל יֹאמַר אֲדֹנִי אֵת כָּל הַנְּעָרִים בְּנֵֽי הַמֶּלֶךְ הֵמִיתוּ כִּֽי אַמְנוֹן לְבַדּוֹ מֵ֑ת כִּֽי עַל פִּי אַבְשָׁלוֹם הָיְתָה שׂוּמָה מִיּוֹם עַנֹּתוֹ אֵת תָּמָר אֲחֹתֽוֹ׃ | Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broeder, antwoordde en zeide: Mijn heer zegge niet, dat zij al de jongelingen, des konings zonen, gedood hebben; maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegeleid, van den dag af, dat hij zijn zuster Thamar verkracht heeft. |
OBA | 1 | 4 | אִם תַּגְבִּיהַּ כַּנֶּשֶׁר וְאִם בֵּין כּֽוֹכָבִים שִׂים קִנֶּ֑ךָ מִשָּׁם אוֹרִֽידְךָ נְאֻם יְהוָֽה׃ | Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tussen de sterren, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de Heere. |
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Prep-l | V-Qal-Inf | לָשׂוּם | 24 |
Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf | וְלָשׂוּם | 2 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs | בְּשׂוּמִי | 2 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms | בְּשׂוּמוֹ | 2 |
V-Qal-Inf | שִׂים | 2 |
Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf | 3ms | וּלְשׂוּמוֹ | 1 |
Prep-b | V-Qal-Inf | בְּשׂוּם | 1 |
Prep-m | V-Qal-Inf | 1cs | מִשּׂוּמִי | 1 |
Prep-m | V-Qal-Inf | 3ms | מִשֻּׂמוֹ | 1 |
V-Qal-Inf | שׂוּם | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 45 | 7 | וַיִּשְׁלָחֵנִי אֱלֹהִים לִפְנֵיכֶם לָשׂוּם לָכֶם שְׁאֵרִית בָּאָ֑רֶץ וּלְהַחֲיוֹת לָכֶם לִפְלֵיטָה גְּדֹלָֽה׃ | Doch God heeft mij voor uw aangezicht henen gezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden, door een grote verlossing. |
NUM | 11 | 11 | וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אֶל יְהוָה לָמָה הֲרֵעֹתָ לְעַבְדֶּךָ וְלָמָּה לֹא מָצָתִי חֵן בְּעֵינֶ֑יךָ לָשׂוּם אֶת מַשָּׂא כָּל הָעָם הַזֶּה עָלָֽי׃ | En Mozes zeide tot de Heere: Waarom hebt Gij aan Uw knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in Uw ogen gevonden, dat Gij den last van dit ganse volk op mij legt? |
NUM | 24 | 23 | וַיִּשָּׂא מְשָׁלוֹ וַיֹּאמַ֑ר אוֹי מִי יִחְיֶה מִשֻּׂמוֹ אֵֽל׃ | Voorts hief hij zijn spreuk op, en zeide: Och, wie zal leven, als God dit doen zal! |
DEU | 12 | 5 | כִּי אִֽם אֶל הַמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם מִכָּל שִׁבְטֵיכֶם לָשׂוּם אֶת שְׁמוֹ שָׁ֑ם לְשִׁכְנוֹ תִדְרְשׁוּ וּבָאתָ שָֽׁמָּה׃ | Maar naar de plaats, die de Heere, uw God, uit al uw stammen verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, naar Zijn woning zult gijlieden vragen, en daarheen zult gij komen; |
DEU | 12 | 21 | כִּֽי יִרְחַק מִמְּךָ הַמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לָשׂוּם שְׁמוֹ שָׁם֒ וְזָבַחְתָּ מִבְּקָרְךָ וּמִצֹּֽאנְךָ אֲשֶׁר נָתַן יְהוָה לְךָ כַּאֲשֶׁר צִוִּיתִ֑ךָ וְאָֽכַלְתָּ בִּשְׁעָרֶיךָ בְּכֹל אַוַּת נַפְשֶֽׁךָ׃ | Zo de plaats, die de Heere, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te zetten, verre van u zal zijn, zo zult gij slachten van uw runderen en van uw schapen, die de Heere u gegeven heeft, gelijk als ik u geboden heb; en gij zult eten in uw poorten, naar allen lust uwer ziel. |
DEU | 14 | 24 | וְכִֽי יִרְבֶּה מִמְּךָ הַדֶּרֶךְ כִּי לֹא תוּכַל שְׂאֵתוֹ֒ כִּֽי יִרְחַק מִמְּךָ הַמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ לָשׂוּם שְׁמוֹ שָׁ֑ם כִּי יְבָרֶכְךָ יְהוָה אֱלֹהֶֽיךָ׃ | Wanneer dan nog de weg voor u te veel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen heendragen, omdat de plaats te verre van u zal zijn, die de Heere, uw God, verkiezen zal, om Zijn Naam aldaar te stellen; wanneer de Heere, uw God, u zal gezegend hebben; |
JDG | 9 | 24 | לָבוֹא חֲמַס שִׁבְעִים בְּנֵֽי יְרֻבָּ֑עַל וְדָמָם לָשׂוּם עַל אֲבִימֶלֶךְ אֲחִיהֶם אֲשֶׁר הָרַג אוֹתָם וְעַל בַּעֲלֵי שְׁכֶם אֲשֶׁר חִזְּקוּ אֶת יָדָיו לַהֲרֹג אֶת אֶחָֽיו׃ | Opdat het geweld, gedaan aan de zeventig zonen van Jerubbaäl, kwame, en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimelech, hun broeder, die hen gedood had, en op de burgers van Sichem, die zijn handen gesterkt hadden om zijn broeders te doden. |
1SA | 8 | 12 | וְלָשׂוּם לוֹ שָׂרֵי אֲלָפִים וְשָׂרֵי חֲמִשִּׁ֑ים וְלַחֲרֹשׁ חֲרִישׁוֹ וְלִקְצֹר קְצִירוֹ וְלַעֲשׂוֹת כְּלֵֽי מִלְחַמְתּוֹ וּכְלֵי רִכְבּֽוֹ׃ | En dat hij hen zich stelle tot oversten der duizenden, en tot oversten der vijftigen; en dat zij zijn akker ploegen, en dat zij zijn oogst oogsten, en dat zij zijn krijgswapenen maken, mitsgaders zijn wagentuig. |
2SA | 7 | 23 | וּמִי כְעַמְּךָ כְּיִשְׂרָאֵל גּוֹי אֶחָד בָּאָ֑רֶץ אֲשֶׁר הָלְכֽוּ אֱלֹהִים לִפְדּֽוֹת לוֹ לְעָם וְלָשׂוּם לוֹ שֵׁם וְלַעֲשׂוֹת לָכֶם הַגְּדוּלָּה וְנֹֽרָאוֹת לְאַרְצֶךָ מִפְּנֵי עַמְּךָ אֲשֶׁר פָּדִיתָ לְּךָ מִמִּצְרַיִם גּוֹיִם וֵאלֹהָֽיו׃ | En wie is, gelijk Uw volk, gelijk Israël, een enig volk op aarde, hetwelk God is heengegaan Zich tot een volk te verlossen, en om Zich een Naam te zetten, en om voor ulieden deze grote en verschrikkelijke dingen te doen aan Uw land, voor het aangezicht Uws volks, dat Gij U uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hun goden verdrijvende. |
2SA | 14 | 7 | וְהִנֵּה קָמָה כָֽל הַמִּשְׁפָּחָה עַל שִׁפְחָתֶךָ וַיֹּֽאמְרוּ תְּנִי אֶת מַכֵּה אָחִיו וּנְמִתֵהוּ בְּנֶפֶשׁ אָחִיו אֲשֶׁר הָרָג וְנַשְׁמִידָה גַּם אֶת הַיּוֹרֵ֑שׁ וְכִבּוּ אֶת גַּֽחַלְתִּי אֲשֶׁר נִשְׁאָרָה לְבִלְתִּי שׂוּם לְאִישִׁי שֵׁם וּשְׁאֵרִית עַל פְּנֵי הָאֲדָמָֽה׃פ | En zie, het ganse geslacht is opgestaan tegen uw dienstmaagd, en hebben gezegd: Geef dien hier, die zijn broeder geslagen heeft, dat wij hem voor de ziel zijns broeders, dien hij doodgeslagen heeft, doden, en ook den erfgenaam verdelgen; alzo zullen zij mijn kool, die overgebleven is, uitblussen, opdat zij mijn man geen naam noch overblijfsel laten op den aardbodem. |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
V-Qal-InfAbs | שׂוֹם | 2 |
Conj-w | V-Qal-InfAbs | וְשׂוֹם | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
DEU | 17 | 15 | שׂוֹם תָּשִׂים עָלֶיךָ מֶלֶךְ אֲשֶׁר יִבְחַר יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בּ֑וֹ מִקֶּרֶב אַחֶיךָ תָּשִׂים עָלֶיךָ מֶלֶךְ לֹא תוּכַל לָתֵת עָלֶיךָ אִישׁ נָכְרִי אֲשֶׁר לֹֽא אָחִיךָ הֽוּא׃ | Zo zult gij ganselijk tot koning over u stellen, dien de Heere, uw God, verkiezen zal; uit het midden uwer broederen zult gij een koning over u stellen; gij zult niet vermogen over u te zetten een vreemden man, die uw broeder niet zij. |
NEH | 8 | 8 | וַֽיִּקְרְאוּ בַסֵּפֶר בְּתוֹרַת הָאֱלֹהִים מְפֹרָ֑שׁ וְשׂוֹם שֶׂכֶל וַיָּבִינוּ בַּמִּקְרָֽא׃ס | [08:9] En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende, zo maakten zij, dat men het verstond in het lezen. |
JER | 42 | 15 | וְעַתָּה לָכֵן שִׁמְעוּ דְבַר יְהוָה שְׁאֵרִית יְהוּדָ֑ה כֹּֽה אָמַר יְהוָה צְבָאוֹת אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל אִם אַתֶּם שׂוֹם תְּשִׂמוּן פְּנֵיכֶם לָבֹא מִצְרַיִם וּבָאתֶם לָגוּר שָֽׁם׃ | Nu dan, daarom hoort des Heeren woord, gij overblijfsel van Juda! Zo zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Indiën gij ganselijk uw aangezichten zult stellen om in Egypte te gaan, en zult henen ingaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeren; |