Vervoeging עָזַב

Strong H5800
Betekenis: verlaten
Frequentie Qal: 202

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

עָזַב

10

וְעָזַב

1

קָטַל

3fs

עָזְבָה

1

קָֽטְלָה

2ms

עֲזַבְתָּם

3

קָטַ֫לְתָּ

2fs

קָטַלְתְּ

1cs

עָזַבְתִּי

3

וַעֲזַבְתִּים

1

קָטַ֫לְתִּי

3cp

עָזְבוּ

16

וְעָזְבוּ

1

קָטְלוּ

2mp

עֲזַבְתֶּם

7

וַעֲזַבְתֶּם

2

קְטַלְתֶּם

2fp

עֲזַבְתֶּן

1

קְטַלְתֶּן

1cp

עָזַבְנוּ

4

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JDG

10

10

וַֽיִּזְעֲקוּ בְּנֵי יִשְׂרָאֵל אֶל יְהוָה לֵאמֹ֑ר חָטָאנוּ לָךְ וְכִי עָזַבְנוּ אֶת אֱלֹהֵינוּ וַֽנַּעֲבֹד אֶת הַבְּעָלִֽים׃פ

Toen riepen de kinderen Israëls tot den Heere, zeggende: Wij hebben tegen U gezondigd, zo omdat wij onzen God hebben verlaten, als dat wij de Baäls gediend hebben.

2CH

12

5

וּֽשְׁמַֽעְיָה הַנָּבִיא בָּא אֶל רְחַבְעָם וְשָׂרֵי יְהוּדָה אֲשֶׁר נֶאֶסְפוּ אֶל יְרוּשָׁלִַם מִפְּנֵי שִׁישָׁ֑ק וַיֹּאמֶר לָהֶם כֹּה אָמַר יְהוָה אַתֶּם עֲזַבְתֶּם אֹתִי וְאַף אֲנִי עָזַבְתִּי אֶתְכֶם בְּיַד שִׁישָֽׁק׃

Toen kwam Semaja, de profeet, tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren, uit oorzaak van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzo zegt de Heere: Gij hebt Mij verlaten, daarom heb Ik u ook verlaten in de hand van Sisak.

EXO

2

20

וַיֹּאמֶר אֶל בְּנֹתָיו וְאַיּ֑וֹ לָמָּה זֶּה עֲזַבְתֶּן אֶת הָאִישׁ קִרְאֶן לוֹ וְיֹאכַל לָֽחֶם׃

En hij zeide tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet gij den man nu gaan? roept hem, dat hij brood ete.

JER

5

19

וְהָיָה כִּי תֹאמְרוּ תַּחַת מֶה עָשָׂה יְהֹוָה אֱלֹהֵינוּ לָנוּ אֶת כָּל אֵ֑לֶּה וְאָמַרְתָּ אֲלֵיהֶם כַּאֲשֶׁר עֲזַבְתֶּם אוֹתִי וַתַּעַבְדוּ אֱלֹהֵי נֵכָר בְּאַרְצְכֶם כֵּן תַּעַבְדוּ זָרִים בְּאֶרֶץ לֹא לָכֶֽם׃ס

En het zal geschieden, wanneer gij zult zeggen: Waarom heeft ons de Heere, onze God, al deze dingen gedaan? dat gij tot hen zeggen zult: Gelijk als gijlieden Mij hebt verlaten, en vreemde goden in uw land gediend, alzo zult gij de uitlandse dienen, in een land, dat het uwe niet is.

NEH

9

19

וְאַתָּה בְּרַחֲמֶיךָ הָֽרַבִּים לֹא עֲזַבְתָּם בַּמִּדְבָּ֑ר אֶת עַמּוּד הֶעָנָן לֹא סָר מֵעֲלֵיהֶם בְּיוֹמָם לְהַנְחֹתָם בְּהַדֶּרֶךְ וְאֶת עַמּוּד הָאֵשׁ בְּלַיְלָה לְהָאִיר לָהֶם וְאֶת הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר יֵֽלְכוּ בָֽהּ׃

Hebt Gij hen nochtans door Uw grote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn; de wolkkolom week niet van hen des daags, om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hen te lichten, en dat, op den weg, waarin zij zouden wandelen.

DEU

29

25

וְאָמְרוּ עַל אֲשֶׁר עָֽזְבוּ אֶת בְּרִית יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבֹתָ֑ם אֲשֶׁר כָּרַת עִמָּם בְּהוֹצִיאוֹ אֹתָם מֵאֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond des Heeren, des Gods hunner vaderen, hebben verlaten, dat Hij met hen gemaakt had, als Hij hen uit Egypteland uitvoerde;

2KI

8

6

וַיִּשְׁאַל הַמֶּלֶךְ לָאִשָּׁה וַתְּסַפֶּר ל֑וֹ וַיִּתֶּן לָהּ הַמֶּלֶךְ סָרִיס אֶחָד לֵאמֹר הָשֵׁיב אֶת כָּל אֲשֶׁר לָהּ וְאֵת כָּל תְּבוּאֹת הַשָּׂדֶה מִיּוֹם עָזְבָה אֶת הָאָרֶץ וְעַד עָֽתָּה׃פ

En de koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de koning haar een kamerling, zeggende: Doe haar wederhebben alles, wat het hare was, daartoe alle inkomsten des akkers, van den dag af, dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.

GEN

39

13

וַיְהִי כִּרְאוֹתָהּ כִּֽי עָזַב בִּגְדוֹ בְּיָדָ֑הּ וַיָּנָס הַחֽוּצָה׃

En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

31

17

וְחָרָה אַפִּי בוֹ בַיּוֹם הַהוּא וַעֲזַבְתִּים וְהִסְתַּרְתִּי פָנַי מֵהֶם וְהָיָה לֶֽאֱכֹל וּמְצָאֻהוּ רָעוֹת רַבּוֹת וְצָר֑וֹת וְאָמַר בַּיּוֹם הַהוּא הֲלֹא עַל כִּֽי אֵין אֱלֹהַי בְּקִרְבִּי מְצָאוּנִי הָרָעוֹת הָאֵֽלֶּה׃

Zo zal Mijn toorn te dien dage tegen hetzelve ontsteken, en Ik zal hen verlaten, en Mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter spijze zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen, omdat mijn God in het midden van mij niet is?

2CH

7

19

וְאִם תְּשׁוּבוּן אַתֶּם וַעֲזַבְתֶּם חֻקּוֹתַי וּמִצְוֺתַי אֲשֶׁר נָתַתִּי לִפְנֵיכֶ֑ם וַהֲלַכְתֶּם וַעֲבַדְתֶּם אֱלֹהִים אֲחֵרִים וְהִשְׁתַּחֲוִיתֶם לָהֶֽם׃

Maar zo gijlieden u afkeren zult, en Mijn inzettingen en Mijn geboden, die Ik voor uw aangezicht gegeven heb, verlaten, en henengaan, en andere goden dienen, en u voor die nederbuigen zult;

PSA

49

10

כִּי יִרְאֶה חֲכָמִים יָמוּתוּ יַחַד כְּסִיל וָבַעַר יֹאבֵ֑דוּ וְעָזְבוּ לַאֲחֵרִים חֵילָֽם׃

[049:11] Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.

GEN

44

22

וַנֹּאמֶר אֶל אֲדֹנִי לֹא יוּכַל הַנַּעַר לַעֲזֹב אֶת אָבִ֑יו וְעָזַב אֶת אָבִיו וָמֵֽת׃

En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

עֲזָבַנִי

2

3ms

עֲזָבוֹ

2

3ms

עֲזָבָנִי

1

3ms

עֲזָבָנוּ

1

3ms

עָזָב

1

3fs

עָזָבָה

1

2ms

עֲזַבְתָּנִי

2

2ms

עָזַבְתָּ

1

1cs

עֲזַבְתִּיךְ

1

1cs

עֲזַבְתִּים

1

3cp

עֲזָבוּנִי

6

3cp

עָזָבוּ

2

3cp

עֲזָבֻנִי

1

1cp

עֲזַבְנֻהוּ

1

3ms

וַעֲזָבַנִי

1

3cp

וַעֲזָבוּךְ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

2CH

32

31

וְכֵן בִּמְלִיצֵי שָׂרֵי בָּבֶל הַֽמְשַׁלְּחִים עָלָיו לִדְרֹשׁ הַמּוֹפֵת אֲשֶׁר הָיָה בָאָרֶץ עֲזָבוֹ הָֽאֱלֹהִ֑ים לְנַסּוֹתוֹ לָדַעַת כָּל בִּלְבָבֽוֹ׃

Maar het is alzo, als de gezanten der vorsten van Babel, die tot hem gezonden hadden, om te vragen naar dat wonderteken, dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God, om hem te verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.

EZE

23

8

וְאֶת תַּזְנוּתֶיהָ מִמִּצְרַיִם לֹא עָזָבָה כִּי אוֹתָהּ שָׁכְבוּ בִנְעוּרֶיהָ וְהֵמָּה עִשּׂוּ דַּדֵּי בְתוּלֶ֑יהָ וַיִּשְׁפְּכוּ תַזְנוּתָם עָלֶֽיהָ׃

Zij verliet ook haar hoererijen niet, gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in haar jeugd gelegen, en zij hadden de tepelen haars maagdoms betast, en zij hadden hun hoererij over haar uitgestort.

PSA

9

10

וְיִבְטְחוּ בְךָ יוֹדְעֵי שְׁמֶ֑ךָ כִּי לֹֽא עָזַבְתָּ דֹרְשֶׁיךָ יְהוָֽה׃

[09:11] En die Uw Naam kennen, zullen op U vertrouwen, omdat Gij, Heere, niet hebt verlaten degenen, die U zoeken.

ISA

54

7

בְּרֶגַע קָטֹן עֲזַבְתִּ֑יךְ וּבְרַחֲמִים גְּדֹלִים אֲקַבְּצֵֽךְ׃

Voor een klein ogenblik heb Ik u verlaten; maar met grote ontfermingen zal Ik u vergaderen.

JER

5

7

אֵי לָזֹאת אֶסְלוֹחַ לָךְ בָּנַיִךְ עֲזָבוּנִי וַיִּשָּׁבְעוּ בְּלֹא אֱלֹהִ֑ים וָאַשְׂבִּעַ אוֹתָם וַיִּנְאָפוּ וּבֵית זוֹנָה יִתְגֹּדָֽדוּ׃

Hoe zou Ik over zulks u vergeven? Uw kinderen verlaten Mij, en zweren bij hen, die geen God zijn; als Ik hen verzadigd heb, zo bedrijven zij overspel, en verzamelen bij hopen in het hoerenhuis.

2CH

13

10

וַאֲנַחְנוּ יְהוָה אֱלֹהֵינוּ וְלֹא עֲזַבְנֻ֑הוּ וְכֹהֲנִים מְשָׁרְתִים לַֽיהוָה בְּנֵי אַהֲרֹן וְהַלְוִיִּם בַּמְלָֽאכֶת׃

Maar ons aangaande, de Heere is onze God, en wij hebben Hem niet verlaten; en de priesters, die den Heere dienen, zijn de zonen van Aäron, en de Levieten zijn in het werk.

DEU

31

16

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל מֹשֶׁה הִנְּךָ שֹׁכֵב עִם אֲבֹתֶ֑יךָ וְקָם הָעָם הַזֶּה וְזָנָה אַחֲרֵי אֱלֹהֵי נֵֽכַר הָאָרֶץ אֲשֶׁר הוּא בָא שָׁמָּה בְּקִרְבּוֹ וַעֲזָבַנִי וְהֵפֵר אֶת בְּרִיתִי אֲשֶׁר כָּרַתִּי אִתּֽוֹ׃

En de Heere zeide tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uw vaderen; en dit volk zal opstaan, en nahoereren de goden der vreemden van dat land, waar het naar toe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal Mij verlaten en vernietigen Mijn verbond, dat Ik met hetzelve gemaakt heb.

EZE

23

29

וְעָשׂוּ אוֹתָךְ בְּשִׂנְאָה וְלָקְחוּ כָּל יְגִיעֵךְ וַעֲזָבוּךְ עֵירֹם וְעֶרְיָ֑ה וְנִגְלָה עֶרְוַת זְנוּנַיִךְ וְזִמָּתֵךְ וְתַזְנוּתָֽיִךְ׃

Die zullen met u handelen uit haat, en al uw arbeid wegnemen, en u naakt en bloot laten, dat uw hoerenschaamte ontdekt worde, mitsgaders uw schandelijkheid en uw hoererijen.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יַעֲזֹב

6

וַיַּעֲזֹב

14

יִקְטֹל

3fs

תַעֲזֹב

1

תִּקְטֹל

2ms

תַּעֲזֹב

6

וַתַּעַזְבֵם

1

וְתַעֲזֹב

1

תִּקְטֹל

2fs

וַתַּעַזְבִי

1

תִּקְטְלִי

1cs

אֶעֶזְבֶךָּ

5

אֶקְטֹל

3mp

הֲיַעַזְבוּ

1

וַיַּעַזְבוּ

12

יִקְטְלוּ

3fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תַעַזְבוּ

2

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נַעֲזֹב

1

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

31

6

חִזְקוּ וְאִמְצוּ אַל תִּֽירְאוּ וְאַל תַּעַרְצוּ מִפְּנֵיהֶ֑ם כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ הוּא הַהֹלֵךְ עִמָּךְ לֹא יַרְפְּךָ וְלֹא יַעַזְבֶֽךָּ׃פ

Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht; want het is de Heere, uw God, Die met u gaat; Hij zal u niet begeven, noch u verlaten.

RUT

2

11

וַיַּעַן בֹּעַז וַיֹּאמֶר לָהּ הֻגֵּד הֻגַּד לִי כֹּל אֲשֶׁר עָשִׂית אֶת חֲמוֹתֵךְ אַחֲרֵי מוֹת אִישֵׁ֑ךְ וַתַּֽעַזְבִי אָּבִיךְ וְאִמֵּךְ וְאֶרֶץ מֽוֹלַדְתֵּךְ וַתֵּלְכִי אֶל עַם אֲשֶׁר לֹא יָדַעַתְּ תְּמוֹל שִׁלְשֽׁוֹם׃

En Boaz antwoordde en zeide tot haar: Het is mij wel aangezegd alles, wat gij bij uw schoonmoeder gedaan hebt, na den dood uws mans, en hebt uw vader en uw moeder, en het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat gij van te voren niet kendet.

1SA

31

7

וַיִּרְאוּ אַנְשֵֽׁי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר בְּעֵבֶר הָעֵמֶק וַאֲשֶׁר בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן כִּֽי נָסוּ אַנְשֵׁי יִשְׂרָאֵל וְכִי מֵתוּ שָׁאוּל וּבָנָ֑יו וַיַּעַזְבוּ אֶת הֶֽעָרִים וַיָּנֻסוּ וַיָּבֹאוּ פְלִשְׁתִּים וַיֵּֽשְׁבוּ בָּהֶֽן׃ס

Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.

2KI

2

4

וַיֹּאמֶר לוֹ אֵלִיָּהוּ אֱלִישָׁע שֵֽׁב נָא פֹה כִּי יְהוָה שְׁלָחַנִי יְרִיחוֹ וַיֹּאמֶר חַי יְהוָה וְחֵֽי נַפְשְׁךָ אִם אֶעֶזְבֶ֑ךָּ וַיָּבֹאוּ יְרִיחֽוֹ׃

En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waarachtig als de Heere leeft en uw ziel leeft, ik zal u niet verlaten! Alzo kwamen zij te Jericho.

2CH

15

2

וַיֵּצֵא לִפְנֵי אָסָא֒ וַיֹּאמֶר לוֹ שְׁמָעוּנִי אָסָא וְכָל יְהוּדָה וּבִנְיָמִ֑ן יְהוָה עִמָּכֶם בִּֽהְיֽוֹתְכֶם עִמּוֹ וְאִֽם תִּדְרְשֻׁהוּ יִמָּצֵא לָכֶם וְאִם תַּעַזְבֻהוּ יַעֲזֹב אֶתְכֶֽם׃ס

En hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hem: Hoort mij, Asa, en gans Juda, en Benjamin! De Heere is met ulieden, terwijl gij met Hem zijt; en zo gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar zo gij Hem verlaat, Hij zal u verlaten.

2CH

28

14

וַיַּעֲזֹב הֶֽחָלוּץ אֶת הַשִּׁבְיָה וְאֶת הַבִּזָּה לִפְנֵי הַשָּׂרִים וְכָל הַקָּהָֽל׃

Toen lieten de toegerusten de gevangenen en den roof voor het aangezicht der oversten en der ganse gemeente.

NEH

9

28

וּכְנוֹחַ לָהֶם יָשׁוּבוּ לַעֲשׂוֹת רַע לְפָנֶ֑יךָ וַתַּֽעַזְבֵם בְּיַד אֹֽיְבֵיהֶם וַיִּרְדּוּ בָהֶם וַיָּשׁוּבוּ וַיִּזְעָקוּךָ וְאַתָּה מִשָּׁמַיִם תִּשְׁמַע וְתַצִּילֵם כְּֽרַחֲמֶיךָ רַבּוֹת עִתִּֽים׃

Maar als zij rust hadden, keerden zij weder om kwaad te doen voor Uw aangezicht; zo verliet Gij hen in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heersten; als zij zich dan bekeerden, en U aanriepen, zo hebt Gij hen van den hemel gehoord, en hebt hen naar Uw barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.

NEH

10

39

כִּי אֶל הַלְּשָׁכוֹת יָבִיאוּ בְנֵי יִשְׂרָאֵל וּבְנֵי הַלֵּוִי אֶת תְּרוּמַת הַדָּגָן הַתִּירוֹשׁ וְהַיִּצְהָר֒ וְשָׁם כְּלֵי הַמִּקְדָּשׁ וְהַכֹּהֲנִים הַמְשָׁרְתִים וְהַשּׁוֹעֲרִים וְהַמְשֹׁרְרִ֑ים וְלֹא נַעֲזֹב אֶת בֵּית אֱלֹהֵֽינוּ׃

Want de kinderen Israëls en de kinderen van Levi moeten hefoffer van koren, most en olie in die kameren brengen, omdat aldaar de vaten des heiligdoms zijn, en de priesteren, die dienen, en de poortiers, en de zangers; dat wij alzo het huis onzes Gods niet zouden verlaten.

JOB

39

11

הֲֽתִבְטַח בּוֹ כִּי רַב כֹּח֑וֹ וְתַעֲזֹב אֵלָיו יְגִיעֶֽךָ׃

[039:14] Zult gij op hem vertrouwen, omdat zijn kracht groot is, en zult gij uw arbeid op hem laten?

JOB

39

14

כִּֽי תַעֲזֹב לָאָרֶץ בֵּצֶ֑יהָ וְֽעַל עָפָר תְּחַמֵּֽם׃

[039:17] Dat zij haar eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt.

PSA

16

10

כִּי לֹא תַעֲזֹב נַפְשִׁי לִשְׁא֑וֹל לֹֽא תִתֵּן חֲסִידְךָ לִרְאוֹת שָֽׁחַת׃

Want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.

PSA

89

30

אִם יַֽעַזְבוּ בָנָיו תּוֹרָתִ֑י וּבְמִשְׁפָּטַי לֹא יֵלֵכֽוּן׃

[089:31] Indiën zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

NEH

5

10

וְגַם אֲנִי אַחַי וּנְעָרַי נֹשִׁים בָּהֶם כֶּסֶף וְדָגָ֑ן נַֽעַזְבָה נָּא אֶת הַמַּשָּׁא הַזֶּֽה׃

Ik, mijn broederen, en mijn jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch dezen last nalaten.

JOB

9

27

אִם אָמְרִי אֶשְׁכְּחָה שִׂיחִ֑י אֶעֶזְבָה פָנַי וְאַבְלִֽיגָה׃

Indiën mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;

JOB

10

1

נָֽקְטָה נַפְשִׁי בְּחַיָּי אֶֽעֶזְבָה עָלַי שִׂיחִ֑י אֲדַבְּרָה בְּמַר נַפְשִֽׁי׃

Mijn ziel is verdrietig over mijn leven; ik zal mijn klacht op mij laten; ik zal spreken in bitterheid mijner ziel.

JER

9

2

מִֽי יִתְּנֵנִי בַמִּדְבָּר מְלוֹן אֹֽרְחִים וְאֶֽעֶזְבָה אֶת עַמִּי וְאֵלְכָה מֵֽאִתָּ֑ם כִּי כֻלָּם מְנָאֲפִים עֲצֶרֶת בֹּגְדִֽים׃

Och, dat ik in de woestijn een herberg der wandelaars had, zo zou ik mijn volk verlaten, en van hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouweloze hoop.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

קְטֹל

fs

קִטְלִי

mp

עִזְבוּ

2

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

PRO

9

6

עִזְבוּ פְתָאיִם וִֽחְי֑וּ וְאִשְׁרוּ בְּדֶרֶךְ בִּינָֽה׃

Verlaat de slechtigheden, en leeft; en treedt in den weg des verstands.

JER

48

28

עִזְבוּ עָרִים וְשִׁכְנוּ בַּסֶּלַע יֹשְׁבֵי מוֹאָ֑ב וִֽהְיוּ כְיוֹנָה תְּקַנֵּן בְּעֶבְרֵי פִי פָֽחַת׃

Verlaat de steden, en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab! en wordt gelijk een duif, die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

ms

קֹטֵל

fs

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

mp

קֹטְלִים

fp

קֹטְלוֹת

ms

Art | V-Qal-Prtcpl-fs

fs

הַעֹזֶבֶת

1

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הַעֹזְבִים

1

fp

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

עֹזְבֵי

4

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

וְעֹזְבֵי

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְעֹזֵב

1

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְעוֹזֵב

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-msc

sc

לְעֹזֵב

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms

ms

עֹזְבֶיךָ

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

עֹזְבָיו

1

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

עֹזְבִי

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

ms

עָזוּב

1

קָטוּל

V-Qal-QalPassPrtcpl-fs

fs

עֲזוּבָה

2

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

V-Qal-QalPassPrtcpl-fp

fp

עֲזֻבוֹת

2

קְטוּלוֹת

Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-ms

וְעָזוּב

4

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

DEU

32

36

כִּֽי יָדִין יְהוָה עַמּוֹ וְעַל עֲבָדָיו יִתְנֶחָ֑ם כִּי יִרְאֶה כִּי אָזְלַת יָד וְאֶפֶס עָצוּר וְעָזֽוּב׃

Want de Heere zal aan Zijn volk recht doen, en het zal Hem over Zijn knechten berouwen; want Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, en de beslotene en verlatene niets is.

1KI

14

10

לָכֵן הִנְנִי מֵבִיא רָעָה אֶל בֵּית יָרָבְעָם וְהִכְרַתִּי לְיָֽרָבְעָם מַשְׁתִּין בְּקִיר עָצוּר וְעָזוּב בְּיִשְׂרָאֵ֑ל וּבִֽעַרְתִּי אַחֲרֵי בֵית יָרָבְעָם כַּאֲשֶׁר יְבַעֵר הַגָּלָל עַד תֻּמּֽוֹ׃

Daarom, zie, Ik zal kwaad over het huis van Jerobeam brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israël; en Ik zal de nakomelingen van het huis van Jerobeam wegdoen, gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganselijk vergaan zij.

1KI

21

21

הִנְנִי מֵבִי אֵלֶיךָ רָעָה וּבִעַרְתִּי אַחֲרֶ֑יךָ וְהִכְרַתִּי לְאַחְאָב מַשְׁתִּין בְּקִיר וְעָצוּר וְעָזוּב בְּיִשְׂרָאֵֽל׃

Zie, Ik zal kwaad over u brengen, en uw nakomelingen wegdoen; en Ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, mitsgaders den beslotene en verlatene in Israël.

2KI

9

8

וְאָבַד כָּל בֵּית אַחְאָ֑ב וְהִכְרַתִּי לְאַחְאָב מַשְׁתִּין בְּקִיר וְעָצוּר וְעָזוּב בְּיִשְׂרָאֵֽל׃

En het ganse huis van Achab zal omkomen; en Ik zal van Achab uitroeien, wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israël.

2KI

14

26

כִּי רָאָה יְהוָה אֶת עֳנִי יִשְׂרָאֵל מֹרֶה מְאֹ֑ד וְאֶפֶס עָצוּר וְאֶפֶס עָזוּב וְאֵין עֹזֵר לְיִשְׂרָאֵֽל׃

Want de Heere zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had.

ISA

10

14

וַתִּמְצָא כַקֵּן יָדִי לְחֵיל הָֽעַמִּים וְכֶאֱסֹף בֵּיצִים עֲזֻבוֹת כָּל הָאָרֶץ אֲנִי אָסָ֑פְתִּי וְלֹא הָיָה נֹדֵד כָּנָף וּפֹצֶה פֶה וּמְצַפְצֵֽף׃

En mijn hand heeft gevonden het vermogen der volken, als een nest, en ik heb het ganse aardrijk samengeraapt, gelijk men de eieren die verlaten zijn, samenraapt; en er is niemand geweest, die een vleugel verroerde, of den bek opendeed, of piepte.

ISA

17

2

עֲזֻבוֹת עָרֵי עֲרֹעֵ֑ר לַעֲדָרִים תִּֽהְיֶינָה וְרָבְצוּ וְאֵין מַחֲרִֽיד׃

De steden van Aroer zullen verlaten worden; voor de kudden zullen zij wezen, die zullen daar nederliggen, en niemand zal ze verschrikken.

JER

4

29

מִקּוֹל פָּרָשׁ וְרֹמֵה קֶשֶׁת בֹּרַחַת כָּל הָעִיר בָּאוּ בֶּעָבִים וּבַכֵּפִים עָל֑וּ כָּל הָעִיר עֲזוּבָה וְאֵין יוֹשֵׁב בָּהֵן אִֽישׁ׃

Van het geroep der ruiteren en boogschutters vluchten al de steden; zij gaan in de wolken, en klimmen op de rotsen; al de steden zijn verlaten, zodat niemand in dezelve woont.

ZEP

2

4

כִּי עַזָּה עֲזוּבָה תִֽהְיֶה וְאַשְׁקְלוֹן לִשְׁמָמָ֑ה אַשְׁדּוֹד בַּֽצָּהֳרַיִם יְגָרְשׁוּהָ וְעֶקְרוֹן תֵּעָקֵֽר׃ס

Want Gaza zal verlaten wezen, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in den middag verdrijven, en Ekron zal uitgeworteld worden.

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-m | V-Qal-Inf

מֵעֲזֹב

2

V-Qal-Inf | 2fs

עָזְבֵךְ

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 2mp

בַּעֲזָבְכֶם

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בְּעָזְבָם

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לַעֲזֹב

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 2fs

לְעָזְבֵךְ

1

V-Qal-Inf | 3mp

עָזְבָם

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

44

22

וַנֹּאמֶר אֶל אֲדֹנִי לֹא יוּכַל הַנַּעַר לַעֲזֹב אֶת אָבִ֑יו וְעָזַב אֶת אָבִיו וָמֵֽת׃

En wij zeiden tot mijn heer: Die jongeling zal zijn vader niet kunnen verlaten; indien hij zijn vader verlaat, zo zal hij sterven.

EXO

23

5

כִּֽי תִרְאֶה חֲמוֹר שֹׂנַאֲךָ רֹבֵץ תַּחַת מַשָּׂאוֹ וְחָדַלְתָּ מֵעֲזֹב ל֑וֹ עָזֹב תַּעֲזֹב עִמּֽוֹ׃ס

Wanneer gij uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.

JOS

24

16

וַיַּעַן הָעָם וַיֹּאמֶר חָלִילָה לָּנוּ מֵעֲזֹב אֶת יְהוָ֑ה לַעֲבֹד אֱלֹהִים אֲחֵרִֽים׃

Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons, dat wij den Heere verlaten zouden, om andere goden te dienen.

RUT

1

16

וַתֹּאמֶר רוּת אַל תִּפְגְּעִי בִי לְעָזְבֵךְ לָשׁוּב מֵאַחֲרָ֑יִךְ כִּי אֶל אֲשֶׁר תֵּלְכִי אֵלֵךְ וּבַאֲשֶׁר תָּלִינִי אָלִין עַמֵּךְ עַמִּי וֵאלֹהַיִךְ אֱלֹהָֽי׃

Maar Ruth zeide: Val mij niet tegen, dat ik u zou verlaten, om van achter u weder te keren; want waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan, en waar gij zult vernachten, zal ik vernachten; uw volk is mijn volk, en uw God mijn God.

1KI

18

18

וַיֹּאמֶר לֹא עָכַרְתִּי אֶת יִשְׂרָאֵל כִּי אִם אַתָּה וּבֵית אָבִ֑יךָ בַּֽעֲזָבְכֶם אֶת מִצְוֺת יְהוָה וַתֵּלֶךְ אַחֲרֵי הַבְּעָלִֽים׃

Toen zeide hij: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede, dat gijlieden de geboden des Heeren verlaten hebt en de Baäls nagevolgd zijt.

2CH

28

6

וַיַּהֲרֹג פֶּקַח בֶּן רְמַלְיָהוּ בִּֽיהוּדָה מֵאָה וְעֶשְׂרִים אֶלֶף בְּיוֹם אֶחָד הַכֹּל בְּנֵי חָ֑יִל בְּעָזְבָם אֶת יְהוָה אֱלֹהֵי אֲבוֹתָֽם׃

Want Pekah, de zoon van Remalia, sloeg in Juda honderd en twintig duizend dood op een dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den Heere, den God hunner vaderen, verlaten hadden.

JER

2

17

הֲלוֹא זֹאת תַּעֲשֶׂה לָּ֑ךְ עָזְבֵךְ אֶת יְהוָה אֱלֹהַיִךְ בְּעֵת מוֹלִיכֵךְ בַּדָּֽרֶךְ׃

Doet gij dit niet zelven, doordien gij den Heere, uw God, verlaat, ten tijde als Hij u op den weg leidt?

JER

2

19

תְּיַסְּרֵךְ רָעָתֵךְ וּמְשֻֽׁבוֹתַיִךְ תּוֹכִחֻךְ וּדְעִי וּרְאִי כִּי רַע וָמָר עָזְבֵךְ אֶת יְהוָה אֱלֹהָ֑יִךְ וְלֹא פַחְדָּתִי אֵלַיִךְ נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה צְבָאֽוֹת׃

Uw boosheid zal u kastijden, en uw afkeringen zullen u straffen; weet dan en ziet, dat het kwaad en bitter is, dat gij den Heere, uw God, verlaat, en Mijn vreze niet bij u is, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen.

JER

9

13

וַיֹּאמֶר יְהוָה עַל עָזְבָם אֶת תּוֹרָתִי אֲשֶׁר נָתַתִּי לִפְנֵיהֶ֑ם וְלֹא שָׁמְעוּ בְקוֹלִי וְלֹא הָלְכוּ בָֽהּ׃

En de Heere zeide: Omdat zij Mijn wet, die Ik voor hun aangezicht gegeven had, verlaten hebben, en naar Mijn stem niet gehoord, noch daarnaar gewandeld hebben;

PARSING

HEBR

COUNT

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְעָזוֹב

1

V-Qal-InfAbs

עָזֹב

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

23

5

כִּֽי תִרְאֶה חֲמוֹר שֹׂנַאֲךָ רֹבֵץ תַּחַת מַשָּׂאוֹ וְחָדַלְתָּ מֵעֲזֹב ל֑וֹ עָזֹב תַּעֲזֹב עִמּֽוֹ׃ס

Wanneer gij uws haters ezel onder zijn last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn, om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manier met hem verlaten.

JER

14

5

כִּי גַם אַיֶּלֶת בַּשָּׂדֶה יָלְדָה וְעָז֑וֹב כִּי לֹֽא הָיָה דֶּֽשֶׁא׃

Want ook de hinden in het veld werpen jongen, en verlaten die, omdat er geen jong gras is.