Vervoeging רָאָה

Strong H7200
Betekenis: zien
Frequentie Qal: 1125

Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

STERK

3ms

רָאָה

32

וְרָאָה

32

קָטַל

3fs

רָאֲתָה

9

קָֽטְלָה

2ms

רָאִיתָ

10

וְרָאִיתָ

5

קָטַ֫לְתָּ

2fs

רָאִית

1

קָטַלְתְּ

1cs

רָאִיתִי

87

וְרָאִיתִי

12

קָטַ֫לְתִּי

3cp

רָאוּ

48

וְרָאוּ

13

קָטְלוּ

2mp

רְאִיתֶם

13

וּרְאִיתֶם

9

קְטַלְתֶּם

2fp

קְטַלְתֶּן

1cp

רָאִינוּ

13

קָטַ֫לְנוּ

Voorbeeldteksten Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

26

28

וַיֹּאמְרוּ רָאוֹ רָאִינוּ כִּֽי הָיָה יְהוָה עִמָּךְ֒ וַנֹּאמֶר תְּהִי נָא אָלָה בֵּינוֹתֵינוּ בֵּינֵינוּ וּבֵינֶ֑ךָ וְנִכְרְתָה בְרִית עִמָּֽךְ׃

En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de Heere met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken:

ISA

57

18

דְּרָכָיו רָאִיתִי וְאֶרְפָּאֵ֑הוּ וְאַנְחֵהוּ וַאֲשַׁלֵּם נִֽחֻמִים לוֹ וְלַאֲבֵלָֽיו׃

Ik zie hun wegen, en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden, en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hun treurigen.

1SA

28

13

וַיֹּאמֶר לָהּ הַמֶּלֶךְ אַל תִּֽירְאִי כִּי מָה רָאִ֑ית וַתֹּאמֶר הָֽאִשָּׁה אֶל שָׁאוּל אֱלֹהִים רָאִיתִי עֹלִים מִן הָאָֽרֶץ׃

En de koning zeide tot haar: Vrees niet; maar wat ziet gij? Toen zeide de vrouw tot Saul: Ik zie goden, uit de aarde opkomende.

DEU

4

15

וְנִשְׁמַרְתֶּם מְאֹד לְנַפְשֹׁתֵיכֶ֑ם כִּי לֹא רְאִיתֶם כָּל תְּמוּנָה בְּיוֹם דִּבֶּר יְהוָה אֲלֵיכֶם בְּחֹרֵב מִתּוֹךְ הָאֵֽשׁ׃

Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de Heere op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;

DEU

1

31

וּבַמִּדְבָּר אֲשֶׁר רָאִיתָ אֲשֶׁר נְשָׂאֲךָ יְהוָה אֱלֹהֶיךָ כַּאֲשֶׁר יִשָּׂא אִישׁ אֶת בְּנ֑וֹ בְּכָל הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר הֲלַכְתֶּם עַד בֹּאֲכֶם עַד הַמָּקוֹם הַזֶּֽה׃

En in de woestijn, waar gij gezien hebt, dat de Heere uw God, u daarin gedragen heeft, als een man zijn zoon draagt, op al den weg, dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.

EZE

13

3

כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הוֹי עַל הַנְּבִיאִים הַנְּבָלִ֑ים אֲשֶׁר הֹלְכִים אַחַר רוּחָם וּלְבִלְתִּי רָאֽוּ׃

Zo zegt de Heere Heere: Wee over die dwaze profeten, die hun geest nawandelen, en hetgeen zij niet gezien hebben!

2CH

22

10

וַעֲתַלְיָהוּ אֵם אֲחַזְיָהוּ רָאֲתָה כִּי מֵת בְּנָ֑הּ וַתָּקָם וַתְּדַבֵּר אֶת כָּל זֶרַע הַמַּמְלָכָה לְבֵית יְהוּדָֽה׃

Toen Athalia, de moeder van Ahazia, zag, dat haar zoon dood was, zo maakte zij zich op, en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.

LEV

13

56

וְאִם רָאָה הַכֹּהֵן֒ וְהִנֵּה כֵּהָה הַנֶּגַע אַחֲרֵי הֻכַּבֵּס אֹת֑וֹ וְקָרַע אֹתוֹ מִן הַבֶּגֶד אוֹ מִן הָעוֹר אוֹ מִן הַשְּׁתִי אוֹ מִן הָעֵֽרֶב׃

Indiën nu de priester merken zal, dat, ziet, die plaag, nadat zij zal gewassen zijn, ingetrokken is; dan zal hij ze van het kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren.

Voorbeeldteksten Conj. Perfectum

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EZE

41

8

וְרָאִיתִי לַבַּיִת גֹּבַהּ סָבִיב סָבִ֑יב מְיֻסְּדוֹת הַצְּלָעוֹת מְלוֹ הַקָּנֶה שֵׁשׁ אַמּוֹת אַצִּֽילָה׃

En ik zag de hoogte des huizes rondom henen. De fondamenten der zijkameren waren van een vol riet, zes ellen, de el tot den oksel toe genomen.

EZE

14

22

וְהִנֵּה נֽוֹתְרָה בָּהּ פְּלֵטָה הַֽמּוּצָאִים בָּנִים וּבָנוֹת֒ הִנָּם יוֹצְאִים אֲלֵיכֶם וּרְאִיתֶם אֶת דַּרְכָּם וְאֶת עֲלִֽילוֹתָ֑ם וְנִחַמְתֶּם עַל הָֽרָעָה אֲשֶׁר הֵבֵאתִי עַל יְרוּשָׁלִַם אֵת כָּל אֲשֶׁר הֵבֵאתִי עָלֶֽיהָ׃

Doch ziet, daarin zullen ontkomenen overblijven, die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren; ziet, zij zullen tot ulieden uitkomen, en gij zult hun weg zien, en hun handelingen; en gij zult vertroost worden over het kwaad, dat Ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat Ik zal gebracht hebben over haar.

EXO

33

23

וַהֲסִרֹתִי אֶת כַּפִּי וְרָאִיתָ אֶת אֲחֹרָ֑י וּפָנַי לֹא יֵרָאֽוּ׃ס

En wanneer Ik Mijn hand zal weggenomen hebben, zo zult gij Mijn achterste delen zien; maar Mijn aangezicht zal niet gezien worden!

EZE

16

37

לָכֵן הִנְנִי מְקַבֵּץ אֶת כָּל מְאַהֲבַיִךְ אֲשֶׁר עָרַבְתְּ עֲלֵיהֶם וְאֵת כָּל אֲשֶׁר אָהַבְתְּ עַל כָּל אֲשֶׁר שָׂנֵ֑את וְקִבַּצְתִּי אֹתָם עָלַיִךְ מִסָּבִיב וְגִלֵּיתִי עֶרְוָתֵךְ אֲלֵהֶם וְרָאוּ אֶת כָּל עֶרְוָתֵֽךְ׃

Daarom, zie, Ik zal al uw boelen vergaderen, met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen, die gij liefgehad hebt, met allen, die gij gehaat hebt; en Ik zal hen van rondom vergaderen tegen u, en Ik zal voor hen uw naaktheid ontdekken, dat zij uw ganse naaktheid zien zullen.

LEV

13

8

וְרָאָה הַכֹּהֵן וְהִנֵּה פָּשְׂתָה הַמִּסְפַּחַת בָּע֑וֹר וְטִמְּאוֹ הַכֹּהֵן צָרַעַת הִֽוא׃פ

Indiën de priester merken zal, dat, ziet, de verzwering in het vel uitgespreid is, zo zal de priester hem onrein verklaren; het is melaatsheid.

PS

PERF

N1

CONJPERF

N2

3ms

רָאָהוּ

2

3ms

רָאָהס

2

3ms

רָאָם

2

3ms

רָאָהּ

1

3fs

וְרָאֲתָה

1

3fs

רָאָתְךָ

1

3fs

רָאָתָה

1

2ms

הֲרָאִיתָ

4

2ms

רָאִיתָה

4

2ms

הֲ‍רָאִיתָ

2

2ms

הְרָאִיתָ

1

2ms

רָאִתָה

1

1cs

רְאִיתִיו

2

1cs

רְאִיתִיךָ

1

1cs

רָאִיתִיס

1

3cp

רָאוּךָ

3

3cp

רָאוּהָ

2

3cp

רָאוּנִי

1

2mp

הַרְּאִיתֶם

3

1cp

רָאִינוּס

1

3ms

וְרָאָהוּ

5

3ms

וְרָאֲךָ

1

2ms

וְרָאִיתָה

1

2ms

וּרְאִיתַנִי

1

1cs

וּרְאִיתִיהָ

1

1cs

וּרְאִיתִיו

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JER

39

4

וַיְהִי כַּאֲשֶׁר רָאָם צִדְקִיָּהוּ מֶֽלֶךְ יְהוּדָה וְכֹל אַנְשֵׁי הַמִּלְחָמָה וַֽיִּבְרְחוּ וַיֵּצְאוּ לַיְלָה מִן הָעִיר דֶּרֶךְ גַּן הַמֶּלֶךְ בְּשַׁעַר בֵּין הַחֹמֹתָ֑יִם וַיֵּצֵא דֶּרֶךְ הָעֲרָבָֽה׃

En het geschiedde, als Zedekia, de koning van Juda, en al de krijgslieden hen zagen, zo vloden zij, en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des konings hof, door de poort tussen de twee muren; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.

JOB

42

5

לְשֵֽׁמַע אֹזֶן שְׁמַעְתִּ֑יךָ וְעַתָּה עֵינִי רָאָֽתְךָ׃

Met het gehoor des oors heb ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog.

JER

3

6

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֵלַי בִּימֵי יֹאשִׁיָּהוּ הַמֶּלֶךְ הֲ‍ֽרָאִיתָ אֲשֶׁר עָשְׂתָה מְשֻׁבָה יִשְׂרָאֵ֑ל הֹלְכָה הִיא עַל כָּל הַר גָּבֹהַּ וְאֶל תַּחַת כָּל עֵץ רַעֲנָן וַתִּזְנִי שָֽׁם׃

Voorts zeide de Heere tot mij, in de dagen van den koning Josia: Hebt gij gezien, wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hogen berg, en tot onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.

DEU

33

9

הָאֹמֵר לְאָבִיו וּלְאִמּוֹ לֹא רְאִיתִיו וְאֶת אֶחָיו לֹא הִכִּיר וְאֶת בָּנוֹ לֹא יָדָ֑ע כִּי שָֽׁמְרוּ אִמְרָתֶךָ וּבְרִֽיתְךָ יִנְצֹֽרוּ׃

Die tot zijn vader en tot zijn moeder zeide: Ik zie hem niet; en die zijn broederen niet kende, en zijn zonen niet achtte; want zij onderhielden Uw woord, en bewaarden Uw verbond.

SNG

6

9

אַחַת הִיא יוֹנָתִי תַמָּתִי אַחַת הִיא לְאִמָּהּ בָּרָה הִיא לְיֽוֹלַדְתָּ֑הּ רָאוּהָ בָנוֹת וַֽיְאַשְּׁרוּהָ מְלָכוֹת וּפִֽילַגְשִׁים וַֽיְהַלְלֽוּהָ׃ס

Een enige is Mijn duive, Mijn volmaakte, de enige harer moeder, zij is de zuivere dergenen, die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zo zullen zij haar welgelukzalig roemen, de koninginnen en de bijwijven; en zij zullen haar prijzen.

1SA

17

25

וַיֹּאמֶר אִישׁ יִשְׂרָאֵל הַרְּאִיתֶם הָאִישׁ הָֽעֹלֶה הַזֶּה כִּי לְחָרֵף אֶת יִשְׂרָאֵל עֹלֶ֑ה וְֽהָיָה הָאִישׁ אֲשֶׁר יַכֶּנּוּ יַעְשְׁרֶנּוּ הַמֶּלֶךְ עֹשֶׁר גָּדוֹל וְאֶת בִּתּוֹ יִתֶּן לוֹ וְאֵת בֵּית אָבִיו יַעֲשֶׂה חָפְשִׁי בְּיִשְׂרָאֵֽל׃

En de mannen Israëls zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen, om Israël te honen; en het zal geschieden, dat de koning dien man, die hem slaat, met groten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijn dochter geven, en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël.

LAM

2

16

פָּצוּ עָלַיִךְ פִּיהֶם כָּל אוֹיְבַיִךְ שָֽׁרְקוּ וַיַּֽחַרְקוּ שֵׁן אָמְרוּ בִּלָּ֑עְנוּ אַךְ זֶה הַיּוֹם שֶׁקִּוִּינֻהוּ מָצָאנוּ רָאִֽינוּ׃ס

. Al uw vijanden sperren hun mond op over u, zij fluiten en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben haar verslonden; dit is immers de dag, dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.

EXO

4

14

וַיִּֽחַר אַף יְהוָה בְּמֹשֶׁה וַיֹּאמֶר הֲלֹא אַהֲרֹן אָחִיךָ הַלֵּוִי יָדַעְתִּי כִּֽי דַבֵּר יְדַבֵּר ה֑וּא וְגַם הִנֵּה הוּא יֹצֵא לִקְרָאתֶךָ וְרָאֲךָ וְשָׂמַח בְּלִבּֽוֹ׃

Toen ontstak de toorn des Heeren over Mozes, en Hij zeide: is niet Aäron, de Leviet, uw broeder? Ik weet, dat hij zeer wel spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet, zo zal hij in zijn hart verblijd zijn.

NUM

27

13

וְרָאִיתָה אֹתָהּ וְנֶאֱסַפְתָּ אֶל עַמֶּיךָ גַּם אָ֑תָּה כַּאֲשֶׁר נֶאֱסַף אַהֲרֹן אָחִֽיךָ׃

Wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot uw volken verzameld worden, gij ook, gelijk als uw broeder Aäron verzameld geworden is;

DAN

8

7

וּרְאִיתִיו מַגִּיעַ אֵצֶל הָאַיִל וַיִּתְמַרְמַר אֵלָיו וַיַּךְ אֶת הָאַיִל וַיְשַׁבֵּר אֶת שְׁתֵּי קְרָנָיו וְלֹא הָיָה כֹחַ בָּאַיִל לַעֲמֹד לְפָנָ֑יו וַיַּשְׁלִיכֵהוּ אַרְצָה וַֽיִּרְמְסֵהוּ וְלֹא הָיָה מַצִּיל לָאַיִל מִיָּדֽוֹ׃

En ik zag hem, nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijn beide hoornen; en in den ram was geen kracht, om voor zijn aangezicht te bestaan; en hij wierp hem ter aarde, en hij vertrad hem, en er was niemand, die den ram uit zijn hand verloste.

Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.

PS

IMPF

N1

IMPF_CONS

N2

IMPF_CONJ

N3

STERK

3ms

יִרְאֶה

44

וַיַּרְא

130

וְיִרְאֶה

1

יִקְטֹל

3fs

תִּרְאֶה

1

וַתֵּרֶא

29

תִּקְטֹל

2ms

תִּרְאֶה

16

וַתֵּרֶא

1

תִּקְטֹל

2fs

תִּרְאִי

1

תִּקְטְלִי

1cs

אֶרְאֶה

22

וָאֶרְאֶה

20

וְאֶרְאֶה

5

אֶקְטֹל

3mp

יִרְאוּ

25

וַיִּרְאוּ

40

וְיִרְאוּ

3

יִקְטְלוּ

3fp

תִּרְאֶינָה

6

וַתִּרְאֶינָה

3

תִּקְטֹ֫לְנָה

2mp

תִרְאוּ

9

וַתִּרְאוּ

2

תִּקְטְלוּ

2fp

תִּקְטֹ֫לְנָה

1cp

נִרְאֶה

5

וַנִּרְאֶה

1

וְנִרְאֶה

4

נִקְטֹל

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

24

64

וַתִּשָּׂא רִבְקָה אֶת עֵינֶיהָ וַתֵּרֶא אֶת יִצְחָ֑ק וַתִּפֹּל מֵעַל הַגָּמָֽל׃

Rebekka hief ook haar ogen op, en zij zag Izak; en zij viel van den kemel af.

GEN

37

20

וְעַתָּה לְכוּ וְנַֽהַרְגֵהוּ וְנַשְׁלִכֵהוּ בְּאַחַד הַבֹּרוֹת וְאָמַרְנוּ חַיָּה רָעָה אֲכָלָ֑תְהוּ וְנִרְאֶה מַה יִּהְיוּ חֲלֹמֹתָֽיו׃

Nu komt dan, en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: een boos dier heeft hem opgegeten; zo zullen wij zien, wat van zijn dromen worden zal.

GEN

45

28

וַיֹּאמֶר יִשְׂרָאֵל רַב עוֹד יוֹסֵף בְּנִי חָ֑י אֵֽלְכָה וְאֶרְאֶנּוּ בְּטֶרֶם אָמֽוּת׃

En Israël zeide: Het is genoeg! mijn zoon Jozef leeft nog! ik zal gaan, en hem zien, eer ik sterve!

EXO

3

4

וַיַּרְא יְהוָה כִּי סָר לִרְא֑וֹת וַיִּקְרָא אֵלָיו אֱלֹהִים מִתּוֹךְ הַסְּנֶה וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה מֹשֶׁה וַיֹּאמֶר הִנֵּֽנִי׃

Toen de Heere zag, dat hij zich daarheen wendde, om te bezien, zo riep God tot hem uit het midden van het braambos, en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie, hier ben ik!

NUM

23

9

כִּֽי מֵרֹאשׁ צֻרִים אֶרְאֶנּוּ וּמִגְּבָעוֹת אֲשׁוּרֶ֑נּוּ הֶן עָם לְבָדָד יִשְׁכֹּן וּבַגּוֹיִם לֹא יִתְחַשָּֽׁב׃

Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem; ziet, dat volk zal alleen wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.

1SA

10

14

וַיֹּאמֶר דּוֹד שָׁאוּל אֵלָיו וְאֶֽל נַעֲרוֹ אָן הֲלַכְתֶּ֑ם וַיֹּאמֶר לְבַקֵּשׁ אֶת הָאֲתֹנוֹת וַנִּרְאֶה כִי אַיִן וַנָּבוֹא אֶל שְׁמוּאֵֽל׃

En Sauls oom zeide tot hem en tot zijn jongen: Waar zijt gijlieden heengegaan? Hij nu zeide: Om de ezelinnen te zoeken; toen wij zagen, dat zij er niet waren, zo kwamen wij tot Samuël.

1SA

12

12

וַתִּרְאוּ כִּֽי נָחָשׁ מֶלֶךְ בְּנֵֽי עַמּוֹן בָּא עֲלֵיכֶם֒ וַתֹּאמְרוּ לִי לֹא כִּי מֶלֶךְ יִמְלֹךְ עָלֵ֑ינוּ וַיהוָה אֱלֹהֵיכֶם מַלְכְּכֶֽם׃

Als gij nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeidet gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; zo toch de Heere, uw God, uw Koning was.

1SA

14

27

וְיוֹנָתָן לֹֽא שָׁמַע בְּהַשְׁבִּיעַ אָבִיו אֶת הָעָם֒ וַיִּשְׁלַח אֶת קְצֵה הַמַּטֶּה אֲשֶׁר בְּיָדוֹ וַיִּטְבֹּל אוֹתָהּ בְּיַעְרַת הַדְּבָ֑שׁ וַיָּשֶׁב יָדוֹ אֶל פִּיו וַתָּרֹאנָה עֵינָֽיו׃

Maar Jonathan had het niet gehoord, toen zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde van den staf uit, die in zijn hand was, en hij doopte denzelven in een honigraat; als hij nu zijn hand tot zijn mond wendde, zo werden zijn ogen verlicht.

1SA

31

7

וַיִּרְאוּ אַנְשֵֽׁי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר בְּעֵבֶר הָעֵמֶק וַאֲשֶׁר בְּעֵבֶר הַיַּרְדֵּן כִּֽי נָסוּ אַנְשֵׁי יִשְׂרָאֵל וְכִי מֵתוּ שָׁאוּל וּבָנָ֑יו וַיַּעַזְבוּ אֶת הֶֽעָרִים וַיָּנֻסוּ וַיָּבֹאוּ פְלִשְׁתִּים וַיֵּֽשְׁבוּ בָּהֶֽן׃ס

Als de mannen van Israël, die aan deze zijde van het dal waren, en die aan deze zijde der Jordaan waren, zagen, dat de mannen van Israël gevloden waren, en dat Saul en zijn zonen dood waren, zo verlieten zij de steden, en zij vloden. Toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.

2KI

6

17

וַיִּתְפַּלֵּל אֱלִישָׁע וַיֹּאמַר יְהוָה פְּקַח נָא אֶת עֵינָיו וְיִרְאֶ֑ה וַיִּפְקַח יְהוָה אֶת עֵינֵי הַנַּעַר וַיַּרְא וְהִנֵּה הָהָר מָלֵא סוּסִים וְרֶכֶב אֵשׁ סְבִיבֹת אֱלִישָֽׁע׃

En Elisa bad, en zeide: Heere, open toch zijn ogen, dat hij zie! En de Heere opende de ogen van den jongen, dat hij zag; en ziet, de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa.

NEH

9

9

וַתֵּרֶא אֶת עֳנִי אֲבֹתֵינוּ בְּמִצְרָ֑יִם וְאֶת זַעֲקָתָם שָׁמַעְתָּ עַל יַם סֽוּף׃

En Gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en Gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;

JOB

10

18

וְלָמָּה מֵרֶחֶם הֹצֵאתָ֑נִי אֶגְוַע וְעַיִן לֹא תִרְאֵֽנִי׃

En waarom hebt Gij mij uit de baarmoeder voortgebracht? Och, dat ik den geest gegeven had, en geen oog mij gezien had!

JOB

28

24

כִּי הוּא לִקְצוֹת הָאָרֶץ יַבִּ֑יט תַּחַת כָּל הַשָּׁמַיִם יִרְאֶֽה׃

Want Hij schouwt tot aan de einden der aarde, Hij ziet onder al de hemelen.

PSA

36

9

כִּֽי עִמְּךָ מְקוֹר חַיִּ֑ים בְּאוֹרְךָ נִרְאֶה אֽוֹר׃

[036:10] Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht.

PSA

37

34

קַוֵּה אֶל יְהוָה וּשְׁמֹר דַּרְכּוֹ וִֽירוֹמִמְךָ לָרֶשֶׁת אָ֑רֶץ בְּהִכָּרֵת רְשָׁעִים תִּרְאֶֽה׃

. Wacht op den Heere, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.

PSA

52

6

וְיִרְאוּ צַדִּיקִים וְיִירָאוּ וְעָלָיו יִשְׂחָֽקוּ׃

[052:8] En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:

PSA

115

5

פֶּֽה לָהֶם וְלֹא יְדַבֵּ֑רוּ עֵינַיִם לָהֶם וְלֹא יִרְאֽוּ׃

Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

ISA

18

3

כָּל יֹשְׁבֵי תֵבֵל וְשֹׁכְנֵי אָ֑רֶץ כִּנְשֹׂא נֵס הָרִים תִּרְאוּ וְכִתְקֹעַ שׁוֹפָר תִּשְׁמָֽעוּ׃ס

Allen gij ingezetenen der wereld, en gij inwoners der aarde! als men de banier zal oprichten op de bergen, zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen, zult gijlieden het horen.

ISA

33

20

חֲזֵה צִיּוֹן קִרְיַת מֽוֹעֲדֵ֑נוּ עֵינֶיךָ תִרְאֶינָה יְרוּשָׁלִַם נָוֶה שַׁאֲנָן אֹהֶל בַּל יִצְעָן בַּל יִסַּע יְתֵֽדֹתָיו לָנֶצַח וְכָל חֲבָלָיו בַּל יִנָּתֵֽקוּ׃

Schouwt Sion aan, de stad onzer bijeenkomsten; uw ogen zullen Jeruzalem zien, een geruste woonplaats, een tent, die niet ter neder geworpen zal worden, welker pinnen in der eeuwigheid niet zullen uitgetogen worden, en van welker zelen geen verscheurd worden.

ISA

60

5

אָז תִּרְאִי וְנָהַרְתְּ וּפָחַד וְרָחַב לְבָבֵ֑ךְ כִּֽי יֵהָפֵךְ עָלַיִךְ הֲמוֹן יָם חֵיל גּוֹיִם יָבֹאוּ לָֽךְ׃

Dan zult gij het zien en samenvloeien, en uw hart zal vervaard zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen.

EZE

16

8

וָאֶעֱבֹר עָלַיִךְ וָאֶרְאֵךְ וְהִנֵּה עִתֵּךְ עֵת דֹּדִים וָאֶפְרֹשׂ כְּנָפִי עָלַיִךְ וָאֲכַסֶּה עֶרְוָתֵ֑ךְ וָאֶשָּׁבַֽע לָךְ וָאָבוֹא בִבְרִית אֹתָךְ נְאֻם אֲדֹנָי יְהוִה וַתִּהְיִי לִֽי׃

Als Ik nu bij u voorbijging, zag Ik u, en ziet, uw tijd was de tijd der minne; zo breidde Ik Mijn vleugel over u uit, en dekte uw naaktheid; ja, Ik zwoer u, en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heere en gij werdt de Mijne.

Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.

Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

41

33

וְעַתָּה יֵרֶא פַרְעֹה אִישׁ נָבוֹן וְחָכָ֑ם וִישִׁיתֵהוּ עַל אֶרֶץ מִצְרָֽיִם׃

Zo zie nu Farao naar een verstandigen en wijzen man, en zette hem over het land van Egypte.

EXO

5

21

וַיֹּאמְרוּ אֲלֵהֶם יֵרֶא יְהוָה עֲלֵיכֶם וְיִשְׁפֹּ֑ט אֲשֶׁר הִבְאַשְׁתֶּם אֶת רֵיחֵנוּ בְּעֵינֵי פַרְעֹה וּבְעֵינֵי עֲבָדָיו לָֽתֶת חֶרֶב בְּיָדָם לְהָרְגֵֽנוּ׃

En zeiden tot hen: De Heere zie op u, en richte het, dewijl dat gij onzen reuk hebt stinkende gemaakt voor Farao, en voor zijn knechten, gevende een zwaard in hun handen, om ons te doden.

1SA

24

15

וְהָיָה יְהוָה לְדַיָּן וְשָׁפַט בֵּינִי וּבֵינֶ֑ךָ וְיֵרֶא וְיָרֵב אֶת רִיבִי וְיִשְׁפְּטֵנִי מִיָּדֶֽךָ׃פ

[024:16] Doch de Heere zal zijn tot Rechter, en richten tussen mij en tussen u, en zien daarin, en twisten mijn twist, en richten mij van uw hand.

1CH

12

18

וְרוּחַ לָבְשָׁה אֶת עֲמָשַׂי רֹאשׁ הַשְּׁלוֹשִׁים לְךָ דָוִיד וְעִמְּךָ בֶן יִשַׁי שָׁלוֹם שָׁלוֹם לְךָ וְשָׁלוֹם לְעֹזְרֶךָ כִּי עֲזָרְךָ אֱלֹהֶ֑יךָ וַיְקַבְּלֵם דָּוִיד וַֽיִּתְּנֵם בְּרָאשֵׁי הַגְּדֽוּד׃פ

En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uw, o David, en met u zijn wij, gij, zoon van Isaï. Vrede, vrede zij u, en vrede uw helperen; want uw God helpt u. Toen nam David hen aan, en stelde hen tot hoofden der benden.

2CH

24

22

וְלֹא זָכַר יוֹאָשׁ הַמֶּלֶךְ הַחֶסֶד אֲשֶׁר עָשָׂה יְהוֹיָדָע אָבִיו עִמּוֹ וַֽיַּהֲרֹג אֶת בְּנ֑וֹ וּכְמוֹתוֹ אָמַר יֵרֶא יְהוָה וְיִדְרֹֽשׁ׃פ

Zo gedacht de koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had, maar doodde zijn zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: De Heere zal het zien en zoeken!

JOB

20

17

אַל יֵרֶא בִפְלַגּ֑וֹת נַהֲרֵי נַחֲלֵי דְּבַשׁ וְחֶמְאָֽה׃

De stromen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.

PRO

23

31

אַל תֵּרֶא יַיִן כִּי יִתְאַדָּם כִּֽי יִתֵּן בַּכִּיס עֵינ֑וֹ יִתְהַלֵּךְ בְּמֵישָׁרִֽים׃

Zie den wijn niet aan, als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijn verve geeft, als hij recht opgaat;

ISA

41

28

וְאֵרֶא וְאֵין אִישׁ וּמֵאֵלֶּה וְאֵין יוֹעֵ֑ץ וְאֶשְׁאָלֵם וְיָשִׁיבוּ דָבָֽר׃

Want Ik zag toe, maar er was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dat Ik hen zou vragen, en zij Mij antwoord geven zouden.

JER

23

18

כִּי מִי עָמַד בְּסוֹד יְהוָה וְיֵרֶא וְיִשְׁמַע אֶת דְּבָר֑וֹ מִֽי הִקְשִׁיב דְּבָרִי וַיִּשְׁמָֽע׃ס

Want wie heeft in des Heeren raad gestaan, en Zijn woord gezien of gehoord? Wie heeft Zijn woord aangemerkt en gehoord?

LAM

3

50

עַד יַשְׁקִיף וְיֵרֶא יְהוָה מִשָּׁמָֽיִם׃

. Totdat het de Heere van den hemel aanschouwe, en het zie.

OBA

1

12

וְאַל תֵּרֶא בְיוֹם אָחִיךָ בְּיוֹם נָכְרוֹ וְאַל תִּשְׂמַח לִבְנֵֽי יְהוּדָה בְּיוֹם אָבְדָ֑ם וְאַל תַּגְדֵּל פִּיךָ בְּיוֹם צָרָֽה׃

Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, ten dage der benauwdheid;

OBA

1

13

אַל תָּבוֹא בְשַֽׁעַר עַמִּי בְּיוֹם אֵידָם אַל תֵּרֶא גַם אַתָּה בְּרָעָתוֹ בְּיוֹם אֵיד֑וֹ וְאַל תִּשְׁלַחְנָה בְחֵילוֹ בְּיוֹם אֵידֽוֹ׃

Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;

MIC

7

10

וְתֵרֶא אֹיַבְתִּי וּתְכַסֶּהָ בוּשָׁה הָאֹמְרָה אֵלַי אַיּוֹ יְהוָה אֱלֹהָ֑יִךְ עֵינַי תִּרְאֶינָּה בָּהּ עַתָּה תִּֽהְיֶה לְמִרְמָס כְּטִיט חוּצֽוֹת׃

En mijn vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de Heere, uw God? Mijn ogen zullen aan haar zien; nu zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.

ZEC

9

5

תֵּרֶא אַשְׁקְלוֹן וְתִירָא וְעַזָּה וְתָחִיל מְאֹד וְעֶקְרוֹן כִּֽי הֹבִישׁ מֶבָּטָ֑הּ וְאָבַד מֶלֶךְ מֵֽעַזָּה וְאַשְׁקְלוֹן לֹא תֵשֵֽׁב׃

Askelon zal het zien, en zal vrezen; desgelijks Gaza, en zal grote smart hebben, mitsgaders Ekron, dewijl hetgeen, waar zij op zagen, hen heeft te schande gemaakt; en de koning van Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden.

De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.

PS

IMPV

N

STERK

ms

רְאֵה

52

קְטֹל

fs

רְאִי

3

קִטְלִי

mp

רְאוּ

20

קִטְלִוּ

fp

קְטֹ֫לְנָה

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

JOS

8

1

וַיֹּאמֶר יְהוָה אֶל יְהוֹשֻׁעַ אַל תִּירָא וְאַל תֵּחָת קַח עִמְּךָ אֵת כָּל עַם הַמִּלְחָמָה וְקוּם עֲלֵה הָעָ֑י רְאֵה נָתַתִּי בְיָדְךָ אֶת מֶלֶךְ הָעַי וְאֶת עַמּוֹ וְאֶת עִירוֹ וְאֶת אַרְצֽוֹ׃

Toen zeide de Heere tot Jozua: Vrees niet, en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai; zie, Ik heb den koning van Ai, en zijn volk, en zijn stad, en zijn land in uw hand gegeven.

ECC

1

10

יֵשׁ דָּבָר שֶׁיֹּאמַר רְאֵה זֶה חָדָשׁ ה֑וּא כְּבָר הָיָה לְעֹֽלָמִים אֲשֶׁר הָיָה מִלְּפָנֵֽנוּ׃

Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn.

1KI

17

23

וַיִּקַּח אֵלִיָּהוּ אֶת הַיֶּלֶד וַיֹּרִדֵהוּ מִן הָעֲלִיָּה הַבַּיְתָה וַֽיִּתְּנֵהוּ לְאִמּ֑וֹ וַיֹּאמֶר אֵלִיָּהוּ רְאִי חַי בְּנֵֽךְ׃

En Elia nam het kind, en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het aan zijn moeder; en Elia zeide: Zie, uw zoon leeft.

JER

2

23

אֵיךְ תֹּאמְרִי לֹא נִטְמֵאתִי אַחֲרֵי הַבְּעָלִים לֹא הָלַכְתִּי רְאִי דַרְכֵּךְ בַּגַּיְא דְּעִי מֶה עָשִׂ֑ית בִּכְרָה קַלָּה מְשָׂרֶכֶת דְּרָכֶֽיהָ׃

Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baäls niet nagewandeld? Zie uw weg in het dal, ken, wat gij gedaan hebt, gij lichte, snelle kemelin, die haar wegen verdraait!

EXO

10

10

וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם יְהִי כֵן יְהוָה עִמָּכֶם כַּאֲשֶׁר אֲשַׁלַּח אֶתְכֶם וְאֶֽת טַפְּכֶ֑ם רְאוּ כִּי רָעָה נֶגֶד פְּנֵיכֶֽם׃

Toen zeide hij tot hen: De Heere zij alzo met ulieden, gelijk ik u en uw kleine kinderen zal trekken laten: ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezicht!

2SA

14

30

וַיֹּאמֶר אֶל עֲבָדָיו רְאוּ חֶלְקַת יוֹאָב אֶל יָדִי וְלוֹ שָׁם שְׂעֹרִים לְכוּ וְהוֹצִתִּיהָ בָאֵ֑שׁ וַיַּצִּתוּ עַבְדֵי אַבְשָׁלוֹם אֶת הַחֶלְקָה בָּאֵֽשׁ׃פ

Zo zeide hij tot zijn knechten: Ziet, het stuk akkers van Joab is aan de zijde van het mijne, en hij heeft gerst daarop; gaat heen, en steekt het aan met vuur, en Absaloms knechten staken dat stuk akkers aan met vuur.

Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.

PARSING

PS

PRT

N

STERK

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

רֹאֶה

34

קֹטֵל

V-Qal-Prtcpl-fs

fs

רֹאָה

1

קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת

V-Qal-Prtcpl-mp

mp

רֹאִים

11

קֹטְלִים

V-Qal-Prtcpl-fp

fp

רֹאוֹת

7

קֹטְלוֹת

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָרֹאֶה

2

fs

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הָרֹאִים

2

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הָרֹאֹת

3

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הֲרֹאֶה

1

V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הֲרוֹאֶה

1

Art | V-Qal-Prtcpl-mp

mp

הָרֹאִים

2

Art | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

הָרֹאֶה

2

Art | V-Qal-Prtcpl-fp

fp

הָרֹאוֹת

1

Prep-m | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

מֵרֹאֵי

2

V-Qal-Prtcpl-mpc | 1cs

cs

רֹאַי

2

V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms

ms

רֹאֶיךָ

2

Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms

ms

וְרֹאֶה

1

Prep-l | V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

לְרֹאֵי

1

V-Qal-Prtcpl-mpc

pc

רֹאֵי

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 2fs

fs

רֹאַיִךְ

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3fs

fs

רֹאֶיהָ

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3mp

mp

רֹאֵיהֶם

1

V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms

ms

רֹאָיו

1

V-Qal-Prtcpl-msc

sc

רֹאֵה

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cp

cp

רֹאֵנוּ

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cs

cs

רֹאִי

1

V-Qal-Prtcpl-msc | 1cs

cs

רֹאָנִי

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EXO

28

7

שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃

Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

2CH

2

7

וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃

Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

JOB

5

1

קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃

Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren?

PSA

7

4

אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃

[07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

PRO

17

17

בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃

Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren.

PRO

20

12

אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃

Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide.

ISA

8

14

וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃

Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem.

ISA

17

14

לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס

Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

ISA

27

3

אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃

Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag.

JER

11

2

שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃

Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem;

JER

16

3

כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃

Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land:

EZE

11

2

וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃

En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad.

EZE

13

20

לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃

Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven.

DAN

3

17

הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃

Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen.

DAN

5

7

קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס

Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn.

AMO

9

6

הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃

Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam.

MIC

2

8

וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃

Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

ZEC

5

3

וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃

Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden.

ZEC

10

5

וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃

En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden.

PARSING

PS

PRT_PASS

N

STERK

ms

קָטוּל

fs

קְטוּלָה

mp

קְטוּלִים

fp

קְטוּלוֹת

Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-fp

הָרְאֻיוֹת

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

EST

2

9

וַתִּיטַב הַנַּעֲרָה בְעֵינָיו וַתִּשָּׂא חֶסֶד לְפָנָיו֒ וַיְבַהֵל אֶת תַּמְרוּקֶיהָ וְאֶת מָנוֹתֶהָ לָתֵת לָהּ וְאֵת שֶׁבַע הַנְּעָרוֹת הָרְאֻיוֹת לָֽתֶת לָהּ מִבֵּית הַמֶּ֑לֶךְ וַיְשַׁנֶּהָ וְאֶת נַעֲרוֹתֶיהָ לְטוֹב בֵּית הַנָּשִֽׁים׃

En die jonge dochter was schoon in zijn ogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met haar versierselen en met haar delen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit het huis des konings; en hij verplaatste haar en haar jonge dochters naar het beste van het huis der vrouwen.

De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.

PARSING

HEBR

COUNT

Prep-l | V-Qal-Inf

לִרְאוֹת

51

Prep-k | V-Qal-Inf

כִּרְאוֹת

11

Prep-m | V-Qal-Inf

מֵרְאוֹת

6

V-Qal-Inf

רְאוֹת

4

Conj-w, Prep-l | V-Qal-Inf

וְלִרְאוֹת

3

Prep-l | V-Qal-Inf

לִרְאֹת

3

Conj-w, Prep-k | V-Qal-Inf

וְכִרְאוֹת

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs

בִּרְאֹתִי

2

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בִּרְאֹתָם

2

Prep-k | V-Qal-Inf

כִּרְאֹת

2

Prep-k | V-Qal-Inf | 3mp

כִּרְאוֹתָם

2

Prep-k | V-Qal-Inf | 3ms

כִּרְאֹתוֹ

2

Conj-w, Prep-b | V-Qal-Inf

וּבִרְאוֹת

1

Conj-w, Prep-k | V-Qal-Inf | 3mp

וְכִרְאוֹתָם

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּרְאֹת

1

Prep-b | V-Qal-Inf

בִּרְאוֹת

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3mp

בִּרְאוֹתָם

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בִּרְאֹתוֹ

1

Prep-b | V-Qal-Inf | 3ms

בִרְאֹתוֹ

1

Prep-k | V-Qal-Inf

כִרְאוֹת

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 2mp

כִּרְאוֹתְכֶם

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3fs

כִּרְאוֹתָהּ

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3ms

כִּרְאוֹתוֹ

1

Prep-k | V-Qal-Inf | 3ms

כִרְאוֹתוֹ

1

Prep-l | V-Qal-Inf

לְרַאֲוָה

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 2ms

לִרְאוֹתֶךָ

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3fs

לִרְאֹתָהּ

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3mp

לִרְאֹתָם

1

Prep-l | V-Qal-Inf | 3ms

לִרְאֹתוֹ

1

Prep-m | V-Qal-Inf

מֵרְאֹת

1

V-Qal-Inf

רְאֹה

1

V-Qal-Inf | 1cs

רְאוֹתִי

1

V-Qal-Inf | 2ms

רְאֹתְךָ

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

2

19

וַיִּצֶר יְהוָה אֱלֹהִים מִן הָֽאֲדָמָה כָּל חַיַּת הַשָּׂדֶה וְאֵת כָּל עוֹף הַשָּׁמַיִם וַיָּבֵא אֶל הָאָדָם לִרְאוֹת מַה יִּקְרָא ל֑וֹ וְכֹל אֲשֶׁר יִקְרָא לוֹ הָֽאָדָם נֶפֶשׁ חַיָּה הוּא שְׁמֽוֹ׃

Want als de Heere God uit de aarde al het gedierte des velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam, om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen zoude, dat zou haar naam zijn.

GEN

8

8

וַיְשַׁלַּח אֶת הַיּוֹנָה מֵאִתּ֑וֹ לִרְאוֹת הֲקַלּוּ הַמַּיִם מֵעַל פְּנֵי הָֽאֲדָמָֽה׃

Daarna liet hij een duif van zich uit, om te zien, of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem.

GEN

11

5

וַיֵּרֶד יְהוָה לִרְאֹת אֶת הָעִיר וְאֶת הַמִּגְדָּ֑ל אֲשֶׁר בָּנוּ בְּנֵי הָאָדָֽם׃

Toen kwam de Heere neder, om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der mensen bouwden.

GEN

24

30

וַיְהִי כִּרְאֹת אֶת הַנֶּזֶם וְֽאֶת הַצְּמִדִים עַל יְדֵי אֲחֹתוֹ֒ וּכְשָׁמְעוֹ אֶת דִּבְרֵי רִבְקָה אֲחֹתוֹ לֵאמֹר כֹּֽה דִבֶּר אֵלַי הָאִ֑ישׁ וַיָּבֹא אֶל הָאִישׁ וְהִנֵּה עֹמֵד עַל הַגְּמַלִּים עַל הָעָֽיִן׃

En het geschiedde, als hij dat voorhoofdsiersel gezien had, en de armringen aan de handen zijner zuster; en als hij gehoord had de woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzo heeft die man tot mij gesproken, zo kwam hij tot dien man, en ziet, hij stond bij de kemelen, bij de fontein.

GEN

27

1

וַיְהִי כִּֽי זָקֵן יִצְחָק וַתִּכְהֶיןָ עֵינָיו מֵרְאֹ֑ת וַיִּקְרָא אֶת עֵשָׂו בְּנוֹ הַגָּדֹל וַיֹּאמֶר אֵלָיו בְּנִי וַיֹּאמֶר אֵלָיו הִנֵּֽנִי׃

En het geschiedde, als Izak oud geworden was, en zijn ogen donker geworden waren, en hij niet zien kon; toen riep hij Ezau, zijn grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: Zie, hier ben ik!

GEN

33

10

וַיֹּאמֶר יַעֲקֹב אַל נָא אִם נָא מָצָאתִי חֵן בְּעֵינֶיךָ וְלָקַחְתָּ מִנְחָתִי מִיָּדִ֑י כִּי עַל כֵּן רָאִיתִי פָנֶיךָ כִּרְאֹת פְּנֵי אֱלֹהִים וַתִּרְצֵֽנִי׃

Toen zeide Jakob: Och neen! indien ik nu genade in uw ogen gevonden heb, zo neem mijn geschenk van mijn hand; daarom, omdat ik uw aangezicht gezien heb, als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.

GEN

34

1

וַתֵּצֵא דִינָה בַּת לֵאָה אֲשֶׁר יָלְדָה לְיַעֲקֹ֑ב לִרְאוֹת בִּבְנוֹת הָאָֽרֶץ׃

En Dina, de dochter van Lea, die zij Jakob gebaard had, ging uit, om de dochteren van dat land te bezien.

GEN

39

13

וַיְהִי כִּרְאוֹתָהּ כִּֽי עָזַב בִּגְדוֹ בְּיָדָ֑הּ וַיָּנָס הַחֽוּצָה׃

En het geschiedde, als zij zag, dat hij zijn kleed in haar hand gelaten had, en naar buiten gevlucht was;

GEN

42

9

וַיִּזְכֹּר יוֹסֵף אֵת הַחֲלֹמוֹת אֲשֶׁר חָלַם לָהֶ֑ם וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶם מְרַגְּלִים אַתֶּם לִרְאוֹת אֶת עֶרְוַת הָאָרֶץ בָּאתֶֽם׃

Toen gedacht Jozef aan de dromen, die hij van hen gedroomd had; en hij zeide tot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen, waar het land bloot is.

GEN

42

12

וַיֹּאמֶר אֲלֵהֶ֑ם לֹא כִּֽי עֶרְוַת הָאָרֶץ בָּאתֶם לִרְאֽוֹת׃

En hij zeide tot hen: Neen, maar gij zijt gekomen, om te bezichtigen, waar het land bloot is.

PARSING

HEBR

COUNT

V-Qal-InfAbs

רָאֹה

2

V-Qal-InfAbs

רָאוֹ

2

Conj-w | V-Qal-InfAbs

וְרָאֹה

1

V-Qal-InfAbs

רָאוֹת

1

Voorbeeldteksten

BOEK

HFD

VS

WLC

SV

GEN

26

28

וַיֹּאמְרוּ רָאוֹ רָאִינוּ כִּֽי הָיָה יְהוָה עִמָּךְ֒ וַנֹּאמֶר תְּהִי נָא אָלָה בֵּינוֹתֵינוּ בֵּינֵינוּ וּבֵינֶ֑ךָ וְנִכְרְתָה בְרִית עִמָּֽךְ׃

En zij zeiden: Wij hebben merkelijk gezien, dat de Heere met u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tussen ons zijn, tussen ons en tussen u, en laat ons een verbond met u maken:

EXO

3

7

וַיֹּאמֶר יְהוָה רָאֹה רָאִיתִי אֶת עֳנִי עַמִּי אֲשֶׁר בְּמִצְרָ֑יִם וְאֶת צַעֲקָתָם שָׁמַעְתִּי מִפְּנֵי נֹֽגְשָׂיו כִּי יָדַעְתִּי אֶת מַכְאֹבָֽיו׃

En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking Mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehoord, vanwege hun drijvers; want Ik heb hun smarten bekend.

1SA

1

11

וַתִּדֹּר נֶדֶר וַתֹּאמַר יְהוָה צְבָאוֹת אִם רָאֹה תִרְאֶה בָּעֳנִי אֲמָתֶךָ וּזְכַרְתַּנִי וְלֹֽא תִשְׁכַּח אֶת אֲמָתֶךָ וְנָתַתָּה לַאֲמָתְךָ זֶרַע אֲנָשִׁ֑ים וּנְתַתִּיו לַֽיהוָה כָּל יְמֵי חַיָּיו וּמוֹרָה לֹא יַעֲלֶה עַל רֹאשֽׁוֹ׃

En zij beloofde een gelofte, en zeide: Heere der heirscharen, zo Gij eenmaal de ellende Uwer dienstmaagd aanziet, en mijner gedenkt, en Uw dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan Uw dienstmaagd een mannelijk zaad, zo zal ik dat den Heere geven al de dagen zijns levens, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.

ECC

9

11

שַׁבְתִּי וְרָאֹה תַֽחַת הַשֶּׁמֶשׁ כִּי לֹא לַקַּלִּים הַמֵּרוֹץ וְלֹא לַגִּבּוֹרִים הַמִּלְחָמָה וְגַם לֹא לַחֲכָמִים לֶחֶם וְגַם לֹא לַנְּבֹנִים עֹשֶׁר וְגַם לֹא לַיֹּדְעִים חֵ֑ן כִּי עֵת וָפֶגַע יִקְרֶה אֶת כֻּלָּֽם׃

Ik keerde mij, en zag onder de zon, dat de loop niet is der snellen, noch de strijd der helden, noch ook de spijs der wijzen, noch ook de rijkdom der verstandigen, noch ook de gunst der welwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle dezen wedervaart;

ISA

6

9

וַיֹּאמֶר לֵךְ וְאָמַרְתָּ לָעָם הַזֶּ֑ה שִׁמְעוּ שָׁמוֹעַ וְאַל תָּבִינוּ וּרְאוּ רָאוֹ וְאַל תֵּדָֽעוּ׃

Toen zeide Hij: Ga henen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet.

ISA

42

20

רָאִיתָ רַבּוֹת וְלֹא תִשְׁמֹ֑ר פָּקוֹחַ אָזְנַיִם וְלֹא יִשְׁמָֽע׃

Gij ziet wel veel dingen, maar gij bewaart ze niet; of schoon hij de oren opendoet, zo hoort hij toch niet.