PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | סָר | 30 | וְסָר | 6 | קָטַל |
3fs | סָרָה | 1 | וְסָרָה | 3 | קָֽטְלָה |
2ms | קָטַ֫לְתָּ | ||||
2fs | קָטַלְתְּ | ||||
1cs | סָרְתִּי | 1 | קָטַ֫לְתִּי | ||
3cp | סָרוּ | 19 | וְסָרוּ | 1 | קָטְלוּ |
2mp | סַרְתֶּם | 3 | וְסַרְתֶּם | 3 | קְטַלְתֶּם |
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging סוּר
Strong H5493
Betekenis: (af)wijken
Frequentie Qal: 161
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
PSA | 119 | 102 | מִמִּשְׁפָּטֶיךָ לֹא סָ֑רְתִּי כִּֽי אַתָּה הוֹרֵתָֽנִי׃ | Ik ben niet geweken van Uw rechten, want Gij hebt mij geleerd. |
DEU | 9 | 16 | וָאֵרֶא וְהִנֵּה חֲטָאתֶם לַיהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם עֲשִׂיתֶם לָכֶם עֵגֶל מַסֵּכָ֑ה סַרְתֶּם מַהֵר מִן הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֶתְכֶֽם׃ | En ik zag toe, en ziet, gij hadt tegen den Heere, uw God, gezondigd; gij hadt u een gegoten kalf gemaakt; gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien u de Heere geboden had. |
2CH | 15 | 17 | וְהַבָּמוֹת לֹא סָרוּ מִיִּשְׂרָאֵ֑ל רַק לְבַב אָסָא הָיָה שָׁלֵם כָּל יָמָֽיו׃ | De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het hart van Asa nochtans was volkomen al zijn dagen. |
1SA | 16 | 14 | וְרוּחַ יְהוָה סָרָה מֵעִם שָׁא֑וּל וּבִֽעֲתַתּוּ רֽוּחַ רָעָה מֵאֵת יְהוָֽה׃ | En de Geest des Heeren week van Saul; en een boze geest van den Heere verschrikte hem. |
2KI | 18 | 6 | וַיִּדְבַּק בַּֽיהוָה לֹא סָר מֵאַֽחֲרָ֑יו וַיִּשְׁמֹר מִצְוֺתָיו אֲשֶׁר צִוָּה יְהוָה אֶת מֹשֶֽׁה׃ | Want hij kleefde den Heere aan; hij week niet van Hem na te volgen, en hij hield Zijn geboden, die de Heere aan Mozes geboden had. |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
DEU | 11 | 28 | וְהַקְּלָלָה אִם לֹא תִשְׁמְעוּ אֶל מִצְוֺת יְהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם וְסַרְתֶּם מִן הַדֶּרֶךְ אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם הַיּ֑וֹם לָלֶכֶת אַחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים אֲשֶׁר לֹֽא יְדַעְתֶּֽם׃ס | Maar den vloek, zo gij niet horen zult naar de geboden des Heeren, uws Gods, en afwijkt van den weg, dien ik u heden gebiede, om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt. |
EXO | 8 | 11 | וְסָרוּ הַֽצְפַרְדְּעִים מִמְּךָ וּמִבָּתֶּיךָ וּמֵעֲבָדֶיךָ וּמֵעַמֶּ֑ךָ רַק בַּיְאֹר תִּשָּׁאַֽרְנָה׃ | Zo zullen de vorsen van u, en van uw huizen, en van uw knechten, en van uw volk wijken; zij zullen alleen in de rivier overblijven. |
EZE | 16 | 42 | וַהֲנִחֹתִי חֲמָתִי בָּךְ וְסָרָה קִנְאָתִי מִמֵּ֑ךְ וְשָׁקַטְתִּי וְלֹא אֶכְעַס עֽוֹד׃ | Zo zal Ik Mijn grimmigheid op u doen rusten, en Mijn ijver zal van u afwijken; en Ik zal stil zijn, en niet meer toornig wezen. |
LEV | 13 | 58 | וְהַבֶּגֶד אֽוֹ הַשְּׁתִי אוֹ הָעֵרֶב אֽוֹ כָל כְּלִי הָעוֹר אֲשֶׁר תְּכַבֵּס וְסָר מֵהֶם הַנָּ֑גַע וְכֻבַּס שֵׁנִית וְטָהֵֽר׃ | Maar het kleed, of de werpte, of de inslag, of alle vellentuig, dat gij gewassen zult hebben, als de plaag daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewassen worden, en het zal rein zijn. |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | IMPF_CONJ | N3 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יָסוּר | 12 | וַיָּסַר | 8 | וְיָסוּר | 1 | יִקְטֹל |
3fs | תָסוּר | 3 | תִּקְטֹל | ||||
2ms | תָסוּר | 2 | תִּקְטֹל | ||||
2fs | תִּקְטְלִי | ||||||
1cs | אָסוּר | 2 | אֶקְטֹל | ||||
3mp | יָסוּרוּ | 2 | וַיָּסֻרוּ | 3 | יִקְטְלוּ | ||
3fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
2mp | תָּסוּרוּ | 3 | תִּקְטְלוּ | ||||
2fp | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||||
1cp | נָסוּר | 2 | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
DEU | 2 | 27 | אֶעְבְּרָה בְאַרְצֶךָ בַּדֶּרֶךְ בַּדֶּרֶךְ אֵלֵ֑ךְ לֹא אָסוּר יָמִין וּשְׂמֹֽאול׃ | Laat mij door uw land doortrekken; ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken; ik zal noch ter rechter hand noch ter linkerhand uitwijken. |
DEU | 4 | 9 | רַק הִשָּׁמֶר לְךָ וּשְׁמֹר נַפְשְׁךָ מְאֹד פֶּן תִּשְׁכַּח אֶת הַדְּבָרִים אֲשֶׁר רָאוּ עֵינֶיךָ וּפֶן יָסוּרוּ מִלְּבָבְךָ כֹּל יְמֵי חַיֶּ֑יךָ וְהוֹדַעְתָּם לְבָנֶיךָ וְלִבְנֵי בָנֶֽיךָ׃ | Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken. |
DEU | 28 | 14 | וְלֹא תָסוּר מִכָּל הַדְּבָרִים אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם הַיּוֹם יָמִין וּשְׂמֹ֑אול לָלֶכֶת אַחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים לְעָבְדָֽם׃ס | En gij niet afwijken zult van al de woorden, die ik ulieden heden gebiede, ter rechter hand of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt, om hen te dienen. |
JDG | 18 | 3 | הֵמָּה עִם בֵּית מִיכָה וְהֵמָּה הִכִּירוּ אֶת קוֹל הַנַּעַר הַלֵּוִ֑י וַיָּסוּרוּ שָׁם וַיֹּאמְרוּ לוֹ מִֽי הֱבִיאֲךָ הֲלֹם וּמָֽה אַתָּה עֹשֶׂה בָּזֶה וּמַה לְּךָ פֹֽה׃ | Zijnde bij het huis van Micha, zo kenden zij de stem van den jongeling, den Leviet; en zij weken daarheen, en zeiden tot hem: Wie heeft u hier gebracht, en wat doet gij alhier, en wat hebt gij hier? |
JDG | 19 | 12 | וַיֹּאמֶר אֵלָיו אֲדֹנָיו לֹא נָסוּר אֶל עִיר נָכְרִי אֲשֶׁר לֹֽא מִבְּנֵי יִשְׂרָאֵל הֵ֑נָּה וְעָבַרְנוּ עַד גִּבְעָֽה׃ | Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijken tot een vreemde stad, die niet is van de kinderen Israëls; maar wij zullen voorttrekken tot Gibea toe. |
1SA | 12 | 20 | וַיֹּאמֶר שְׁמוּאֵל אֶל הָעָם אַל תִּירָאוּ אַתֶּם עֲשִׂיתֶם אֵת כָּל הָרָעָה הַזֹּ֑את אַךְ אַל תָּסוּרוּ מֵאַחֲרֵי יְהוָה וַעֲבַדְתֶּם אֶת יְהוָה בְּכָל לְבַבְכֶֽם׃ | Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den Heere af, maar dient den Heere met uw ganse hart. |
1SA | 15 | 6 | וַיֹּאמֶר שָׁאוּל אֶֽל הַקֵּינִי לְכוּ סֻּרוּ רְדוּ מִתּוֹךְ עֲמָלֵקִי פֶּן אֹֽסִפְךָ עִמּוֹ וְאַתָּה עָשִׂיתָה חֶסֶד עִם כָּל בְּנֵי יִשְׂרָאֵל בַּעֲלוֹתָם מִמִּצְרָ֑יִם וַיָּסַר קֵינִי מִתּוֹךְ עֲמָלֵֽק׃ | En Saul liet den Kenieten zeggen: Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amalekieten, opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan al de kinderen Israëls, toen zij uit Egypte opkwamen. Alzo weken de Kenieten uit het midden der Amalekieten. |
2SA | 12 | 10 | וְעַתָּה לֹא תָסוּר חֶרֶב מִבֵּיתְךָ עַד עוֹלָ֑ם עֵקֶב כִּי בְזִתָנִי וַתִּקַּח אֶת אֵשֶׁת אוּרִיָּה הַחִתִּי לִהְיוֹת לְךָ לְאִשָּֽׁה׃ס | Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in eeuwigheid; daarom dat gij Mij veracht hebt, en de huisvrouw van Uria, den Hethiet, genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij. |
JOB | 15 | 30 | לֹֽא יָסוּר מִנִּי חֹשֶׁךְ יֹֽנַקְתּוֹ תְּיַבֵּשׁ שַׁלְהָ֑בֶת וְיָסוּר בְּרוּחַ פִּֽיו׃ | Hij zal van de duisternis niet ontwijken, de vlam zal zijn scheut verdrogen; hij zal wijken door het geblaas zijns monds. |
ZEC | 10 | 11 | וְעָבַר בַּיָּם צָרָה וְהִכָּה בַיָּם גַּלִּים וְהֹבִישׁוּ כֹּל מְצוּלוֹת יְאֹ֑ר וְהוּרַד גְּאוֹן אַשּׁוּר וְשֵׁבֶט מִצְרַיִם יָסֽוּר׃ | En Hij zal door de zee gaan, die benauwende, en Hij zal de golven in de zee slaan, en al de diepten der rivieren zullen verdrogen; dan zal de hoogmoed van Assur nedergeworpen worden, en de schepter van Egypte zal wegwijken. |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 3 | 3 | וַיֹּאמֶר מֹשֶׁה אָסֻֽרָה נָּא וְאֶרְאֶה אֶת הַמַּרְאֶה הַגָּדֹל הַזֶּ֑ה מַדּוּעַ לֹא יִבְעַר הַסְּנֶֽה׃ | En Mozes zeide: Ik zal mij nu daarheen wenden, en bezien dat grote gezicht, waarom het braambos niet verbrandt. |
JDG | 19 | 11 | הֵם עִם יְבוּס וְהַיּוֹם רַד מְאֹ֑ד וַיֹּאמֶר הַנַּעַר אֶל אֲדֹנָיו לְכָה נָּא וְנָסוּרָה אֶל עִֽיר הַיְבוּסִי הַזֹּאת וְנָלִין בָּֽהּ׃ | Als zij nu bij Jebus waren, zo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijn heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusieten wijken, en daarin vernachten. |
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | סוּר | 5 | קְטֹל |
fs | קִטְלִי | ||
mp | סוּרוּ | 11 | קִטְלִוּ |
fp | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
2SA | 2 | 22 | וַיֹּסֶף עוֹד אַבְנֵר לֵאמֹר אֶל עֲשָׂהאֵל סוּר לְךָ מֵאַֽחֲרָ֑י לָמָּה אַכֶּכָּה אַרְצָה וְאֵיךְ אֶשָּׂא פָנַי אֶל יוֹאָב אָחִֽיךָ׃ | Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asahel: Wijkt af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan? Hoe zou ik dan mijn aangezicht opheffen voor uw broeder Joab? |
PSA | 37 | 27 | סוּר מֵרָע וַעֲשֵׂה טוֹב וּשְׁכֹן לְעוֹלָֽם׃ | . Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid. |
ISA | 52 | 11 | סוּרוּ סוּרוּ צְאוּ מִשָּׁם טָמֵא אַל תִּגָּ֑עוּ צְאוּ מִתּוֹכָהּ הִבָּרוּ נֹשְׂאֵי כְּלֵי יְהוָֽה׃ | Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van hen, reinigt u, gij, die de vaten des Heeren draagt! |
PSA | 139 | 19 | אִם תִּקְטֹל אֱלוֹהַּ רָשָׁ֑ע וְאַנְשֵׁי דָמִים סוּרוּ מֶֽנִּי׃ | O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij! |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קֹטֵל | |||
fs | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת | |||
mp | קֹטְלִים | |||
fp | קֹטְלוֹת | |||
ms | ||||
fs | ||||
mp | ||||
fp | ||||
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | וְסָר | 6 | |
Conj-w | V-Qal-Prtcpl-fsc | sc | וְסָרַת | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | סָרֵי | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
ms | קָטוּל | |||
fs | קְטוּלָה | |||
mp | קְטוּלִים | |||
fp | קְטוּלוֹת |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
V-Qal-Inf | סוּר | 8 |
Prep-l | V-Qal-Inf | לָסוּר | 5 |
Conj-w | V-Qal-Inf | וְסוּר | 1 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs | בְּשׂוּרִי | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
DEU | 17 | 20 | לְבִלְתִּי רוּם לְבָבוֹ מֵֽאֶחָיו וּלְבִלְתִּי סוּר מִן הַמִּצְוָה יָמִין וּשְׂמֹ֑אול לְמַעַן יַאֲרִיךְ יָמִים עַל מַמְלַכְתּוֹ הוּא וּבָנָיו בְּקֶרֶב יִשְׂרָאֵֽל׃ס | Dat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broederen, en dat hij niet afwijke van het gebod, ter rechter hand of ter linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, hij en zijn zonen, in het midden van Israël. |
JOS | 23 | 6 | וַחֲזַקְתֶּם מְאֹד לִשְׁמֹר וְלַעֲשׂוֹת אֵת כָּל הַכָּתוּב בְּסֵפֶר תּוֹרַת מֹשֶׁ֑ה לְבִלְתִּי סוּר מִמֶּנּוּ יָמִין וּשְׂמֹֽאול׃ | Zo weest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles, wat geschreven is in het wetboek van Mozes; opdat gij daarvan niet afwijkt ter rechter hand noch ter linkerhand; |
2SA | 2 | 21 | וַיֹּאמֶר לוֹ אַבְנֵר נְטֵה לְךָ עַל יְמִֽינְךָ אוֹ עַל שְׂמֹאלֶךָ וֶאֱחֹז לְךָ אֶחָד מֵֽהַנְּעָרִים וְקַח לְךָ אֶת חֲלִצָת֑וֹ וְלֹֽא אָבָה עֲשָׂהאֵל לָסוּר מֵאַחֲרָֽיו׃ | En Abner zeide tot hem: Wijk tot uw rechterhand of tot uw linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u hun gewaad; maar Asahel wilde niet afwijken van achter hem. |
2SA | 2 | 23 | וַיְמָאֵן לָסוּר וַיַּכֵּהוּ אַבְנֵר בְּאַחֲרֵי הַחֲנִית אֶל הַחֹמֶשׁ וַתֵּצֵא הַֽחֲנִית מֵאַחֲרָיו וַיִּפָּל שָׁם וַיָּמָת תַּחַתוֹ וַיְהִי כָּל הַבָּא אֶֽל הַמָּקוֹם אֲשֶׁר נָפַל שָׁם עֲשָׂהאֵל וַיָּמֹת וַֽיַּעֲמֹֽדוּ׃ | Maar hij weigerde af te wijken. Zo sloeg hem Abner met het achterste van de spies aan de vijfde rib, dat de spies van achter hem uitging; en hij viel aldaar, en stierf op zijn plaats. En het geschiedde, dat allen, die tot de plaats kwamen, alwaar Asahel gevallen en gestorven was, staan bleven. |
2CH | 35 | 15 | וְהַמְשֹֽׁרֲרִים בְּנֵי אָסָף עַל מַעֲמָדָם כְּמִצְוַת דָּוִיד וְאָסָף וְהֵימָן וִֽידֻתוּן חוֹזֵה הַמֶּלֶךְ וְהַשֹּׁעֲרִים לְשַׁעַר וָשָׁ֑עַר אֵין לָהֶם לָסוּר מֵעַל עֲבֹֽדָתָם כִּֽי אֲחֵיהֶם הַלְוִיִּם הֵכִינוּ לָהֶֽם׃ | En de zangers, de zonen van Asaf, waren in hun standplaats, naar het gebod van David, en Asaf, en Heman, en Jeduthun, den ziener des konings, mitsgaders de poortiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hun dienst, overmits hun broeders, de Levieten, voor hen bereidden. |
JOB | 28 | 28 | וַיֹּאמֶר לָֽאָדָם הֵן יִרְאַת אֲדֹנָי הִיא חָכְמָ֑ה וְסוּר מֵרָע בִּינָֽה׃ס | Maar tot den mens heeft Hij gezegd: Zie, de vreze des Heeren is de wijsheid, en van het kwade te wijken is het verstand. |
PRO | 13 | 14 | תּוֹרַת חָכָם מְקוֹר חַיִּ֑ים לָסוּר מִמֹּקְשֵׁי מָֽוֶת׃ | Des wijzen leer is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. |
PRO | 13 | 19 | תַּאֲוָה נִהְיָה תֶּעֱרַב לְנָ֑פֶשׁ וְתוֹעֲבַת כְּסִילִים סוּר מֵרָֽע׃ | De begeerte, die geschiedt, is zoet voor de ziel; maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken. |
PRO | 14 | 27 | יִרְאַת יְהוָה מְקוֹר חַיִּ֑ים לָסוּר מִמֹּקְשֵׁי מָֽוֶת׃ | De vreze des Heeren is een springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods. |
PRO | 15 | 24 | אֹרַח חַיִּים לְמַעְלָה לְמַשְׂכִּ֑יל לְמַעַן סוּר מִשְּׁאוֹל מָֽטָּה׃ | De weg des levens is den verstandige naar boven; opdat hij afwijke van de hel, beneden. |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Conj-w | V-Qal-InfAbs | וְסוֹר | 2 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
DAN | 9 | 5 | חָטָאנוּ וְעָוִינוּ וְהִרְשַׁעְנוּ וּמָרָ֑דְנוּ וְסוֹר מִמִּצְוֺתֶךָ וּמִמִּשְׁפָּטֶֽיךָ׃ | Wij hebben gezondigd, en hebben onrecht gedaan, en goddelooslijk gehandeld, en gerebelleerd, met af te wijken van Uw geboden, en van Uw rechten. |
DAN | 9 | 11 | וְכָל יִשְׂרָאֵל עָֽבְרוּ אֶת תּוֹרָתֶךָ וְסוֹר לְבִלְתִּי שְׁמוֹעַ בְּקֹלֶ֑ךָ וַתִּתַּךְ עָלֵינוּ הָאָלָה וְהַשְּׁבֻעָה אֲשֶׁר כְּתוּבָה בְּתוֹרַת מֹשֶׁה עֶֽבֶד הָֽאֱלֹהִים כִּי חָטָאנוּ לֽוֹ׃ | Maar geheel Israël heeft Uw wet overtreden, met af te wijken, dat zij Uwer stem niet gehoorzaamden; daarom is over ons uitgestort die vloek, en die eed, die geschreven is in de wet van Mozes, den knecht Gods, dewijl wij tegen Hem gezondigd hebben. |