PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|
3ms | קָרָא | 43 | וְקָרָא | 6 | קָטַל |
3fs | קָרְאָה | 3 | וְקָרָאת | 1 | קָֽטְלָה |
2ms | קָרָאתָ | 9 | וְקָרָאתָ | 11 | קָטַ֫לְתָּ |
2fs | קָרָאתִי | 1 | וְקָרָאת | 2 | קָטַלְתְּ |
1cs | קָרָאתִי | 25 | וְקָרָאתִי | 5 | קָטַ֫לְתִּי |
3cp | קָרְאוּ | 18 | וְקָרְאוּ | 11 | קָטְלוּ |
2mp | קְרָאתֶם | 1 | וּקְרָאתֶם | 4 | קְטַלְתֶּם |
2fp | קְטַלְתֶּן | ||||
1cp | קָטַ֫לְנוּ |
Vervoeging קָרָא
Strong H7121
Betekenis: roepen, noemen
Frequentie Qal: 662
Op het tabblad ‘Vervoeging’ staan de vormen die in de combinatie persoon/getal het meest voorkomen. Andere voorkomende vormen zijn opgenomen op het tabblad ‘Overige vormen’.
De voorbeeldteksten zijn een random steekproef (n=10) van teksten met de betreffende vorm; indien de vorm minder dan 10 keer voorkomt zijn alle teksten als voorbeeld opgenomen.
Voorbeeldteksten Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
ISA | 50 | 2 | מַדּוּעַ בָּאתִי וְאֵין אִישׁ קָרָֽאתִי וְאֵין עוֹנֶה֒ הֲקָצוֹר קָצְרָה יָדִי מִפְּדוּת וְאִם אֵֽין בִּי כֹחַ לְהַצִּ֑יל הֵן בְּגַעֲרָתִי אַחֲרִיב יָם אָשִׂים נְהָרוֹת מִדְבָּר תִּבְאַשׁ דְּגָתָם מֵאֵין מַיִם וְתָמֹת בַּצָּמָֽא׃ | Waarom kwam Ik, en er was niemand, waarom riep Ik, en niemand antwoordde? Is Mijn hand dus gans kort geworden, dat zij niet verlossen kan, of is er in Mij geen kracht om uit te redden? Ziet, door Mijn schelding maak Ik de zee droog, Ik stel de rivieren tot een woestijn, dat haar vis stinkt, omdat er geen water is, en sterft van dorst. |
JER | 3 | 4 | הֲלוֹא מֵעַתָּה קָרָאתִי לִי אָבִ֑י אַלּוּף נְעֻרַי אָֽתָּה׃ | Zult gij niet van nu af tot Mij roepen: Mijn Vader! Gij zijt de leidsman mijner jeugd! |
JDG | 14 | 15 | וַיְהִי בַּיּוֹם הַשְּׁבִיעִי וַיֹּאמְרוּ לְאֵֽשֶׁת שִׁמְשׁוֹן פַּתִּי אֶת אִישֵׁךְ וְיַגֶּד לָנוּ אֶת הַחִידָה פֶּן נִשְׂרֹף אוֹתָךְ וְאֶת בֵּית אָבִיךְ בָּאֵ֑שׁ הַלְיָרְשֵׁנוּ קְרָאתֶם לָנוּ הֲלֹֽא׃ | Daarna geschiedde het op den zevenden dag, dat zij tot de huisvrouw van Simson zeiden: Overreed uw man, dat hij ons dat raadsel verklare, opdat wij niet misschien u, en het huis uws vaders, met vuur verbranden. Hebt gijlieden ons genodigd, om het onze te bezitten; is het zo niet? |
JER | 36 | 14 | וַיִּשְׁלְחוּ כָל הַשָּׂרִים אֶל בָּרוּךְ אֶת יְהוּדִי בֶּן נְתַנְיָהוּ בֶּן שֶׁלֶמְיָהוּ בֶן כּוּשִׁי לֵאמֹר֒ הַמְּגִלָּה אֲשֶׁר קָרָאתָ בָּהּ בְּאָזְנֵי הָעָם קָחֶנָּה בְיָדְךָ וָלֵ֑ךְ וַיִּקַּח בָּרוּךְ בֶּן נֵרִיָּהוּ אֶת הַמְּגִלָּה בְּיָדוֹ וַיָּבֹא אֲלֵיהֶֽם׃ | Toen zonden al de vorsten Jehudi, den zoon van Nethanja, den zoon van Selemja, den zoon van Cuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol, waarin gij voor de oren des volks gelezen hebt, neem die in uw hand, en kom. Alzo nam Baruch, de zoon van Nerija, de rol in zijn hand, en kwam tot hen. |
1SA | 23 | 28 | וַיָּשָׁב שָׁאוּל מִרְדֹף אַחֲרֵי דָוִד וַיֵּלֶךְ לִקְרַאת פְּלִשְׁתִּ֑ים עַל כֵּן קָֽרְאוּ לַמָּקוֹם הַהוּא סֶלַע הַֽמַּחְלְקֽוֹת׃ | Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen tegemoet; daarom noemde men die plaats Sela-machlekoth. |
1CH | 4 | 9 | וַיְהִי יַעְבֵּץ נִכְבָּד מֵאֶחָ֑יו וְאִמּוֹ קָרְאָה שְׁמוֹ יַעְבֵּץ לֵאמֹר כִּי יָלַדְתִּי בְּעֹֽצֶב׃ | Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard. |
LEV | 9 | 1 | וַיְהִי בַּיּוֹם הַשְּׁמִינִי קָרָא מֹשֶׁה לְאַהֲרֹן וּלְבָנָ֑יו וּלְזִקְנֵי יִשְׂרָאֵֽל׃ | En het geschiedde op den achtsten dag, dat Mozes riep Aäron en zijn zonen, en de oudsten van Israël; |
Voorbeeldteksten Conj. Perfectum
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 33 | 19 | וַיֹּאמֶר אֲנִי אַעֲבִיר כָּל טוּבִי עַל פָּנֶיךָ וְקָרָאתִֽי בְשֵׁם יְהוָה לְפָנֶ֑יךָ וְחַנֹּתִי אֶת אֲשֶׁר אָחֹן וְרִחַמְתִּי אֶת אֲשֶׁר אֲרַחֵֽם׃ | Doch Hij zeide: Ik zal al Mijn goedigheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den Naam des Heeren uitroepen voor uw aangezicht; maar Ik zal genadig zijn, wien Ik zal genadig zijn, en Ik zal Mij ontfermen, over wien Ik Mij ontfermen zal. |
ISA | 60 | 18 | לֹא יִשָּׁמַע עוֹד חָמָס בְּאַרְצֵךְ שֹׁד וָשֶׁבֶר בִּגְבוּלָ֑יִךְ וְקָרָאת יְשׁוּעָה חוֹמֹתַיִךְ וּשְׁעָרַיִךְ תְּהִלָּֽה׃ | Er zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uw landpale; maar uw muren zult gij Heil heten, en uw poorten Lof. |
LEV | 23 | 21 | וּקְרָאתֶם בְּעֶצֶם הַיּוֹם הַזֶּה מִֽקְרָא קֹדֶשׁ יִהְיֶה לָכֶם כָּל מְלֶאכֶת עֲבֹדָה לֹא תַעֲשׂ֑וּ חֻקַּת עוֹלָם בְּכָל מוֹשְׁבֹתֵיכֶם לְדֹרֹֽתֵיכֶֽם׃ | En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij een heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen; het is een eeuwige inzetting in al uw woningen voor uw geslachten. |
JER | 36 | 6 | וּבָאתָ אַתָּה וְקָרָאתָ בַמְּגִלָּה אֲשֶׁר כָּתַֽבְתָּ מִפִּי אֶת דִּבְרֵי יְהוָה בְּאָזְנֵי הָעָם בֵּית יְהוָה בְּיוֹם צ֑וֹם וְגַם בְּאָזְנֵי כָל יְהוּדָה הַבָּאִים מֵעָרֵיהֶם תִּקְרָאֵֽם׃ | Zo ga gij henen, en lees in de rol, in dewelke gij uit mijn mond geschreven hebt, de woorden des Heeren, voor de oren des volks, in des Heeren huis, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de oren van gans Juda, die uit hun steden komen. |
JER | 49 | 29 | אָהֳלֵיהֶם וְצֹאנָם יִקָּחוּ יְרִיעוֹתֵיהֶם וְכָל כְּלֵיהֶם וּגְמַלֵּיהֶם יִשְׂאוּ לָהֶ֑ם וְקָרְאוּ עֲלֵיהֶם מָגוֹר מִסָּבִֽיב׃ | Zij zullen hun tenten en hun kudden nemen, hun gordijnen en al hun gereedschap, en hun kemelen voor zich wegnemen; en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom! |
ISA | 7 | 14 | לָכֵן יִתֵּן אֲדֹנָי הוּא לָכֶם א֑וֹת הִנֵּה הָעַלְמָה הָרָה וְיֹלֶדֶת בֵּן וְקָרָאת שְׁמוֹ עִמָּנוּ אֵֽל׃ | Daarom zal de Heere Zelf ulieden een teken geven; ziet, een maagd zal zwanger worden, en zij zal een Zoon baren, en Zijn naam IMMANUEL heten. |
ISA | 6 | 3 | וְקָרָא זֶה אֶל זֶה וְאָמַר קָדוֹשׁ קָדוֹשׁ קָדוֹשׁ יְהוָה צְבָא֑וֹת מְלֹא כָל הָאָרֶץ כְּבוֹדֽוֹ׃ | En de een riep tot den ander, en zeide: Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen! De ganse aarde is van Zijn heerlijkheid vol! |
PS | PERF | N1 | CONJPERF | N2 |
|---|---|---|---|---|
3ms | קְרָאָךְ | 1 | ||
3ms | קְרָאָנִי | 1 | ||
1cs | קְרָאתִיךָ | 9 | ||
1cs | קְרָאתִיו | 3 | ||
3cp | קָרָאוּ | 5 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
ISA | 54 | 6 | כִּֽי כְאִשָּׁה עֲזוּבָה וַעֲצוּבַת רוּחַ קְרָאָךְ יְהוָ֑ה וְאֵשֶׁת נְעוּרִים כִּי תִמָּאֵס אָמַר אֱלֹהָֽיִךְ׃ | Want de Heere heeft u geroepen, als een verlaten vrouw en bedroefde van geest; nochtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God. |
PSA | 130 | 1 | שִׁיר הַֽמַּעֲל֑וֹת מִמַּעֲמַקִּים קְרָאתִיךָ יְהוָֽה׃ | Een lied Hammaaloth. Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! |
JER | 10 | 25 | שְׁפֹךְ חֲמָתְךָ עַל הַגּוֹיִם אֲשֶׁר לֹֽא יְדָעוּךָ וְעַל מִשְׁפָּחוֹת אֲשֶׁר בְּשִׁמְךָ לֹא קָרָ֑אוּ כִּֽי אָכְלוּ אֶֽת יַעֲקֹב וַאֲכָלֻהוּ וַיְכַלֻּהוּ וְאֶת נָוֵהוּ הֵשַֽׁמּוּ׃פ | Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de geslachten, die Uw Naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgegeten, en hem verteerd, en zijn woning verwoest. |
Het tabblad ‘vervoeging’ bevat de meest voorkomende vorm van het werkwoord in de betreffende combinatie geslacht/getal. De voorbeeldteksten zijn een random keuze uit teksten zodanig dat elke vorm in de tabel een keer voorkomt. Het tabblad ‘Cohortativus’ (‘Jussivus’) geeft alle teksten waarin het werkwoord als cohortativus (jussivus) voorkomt.
PS | IMPF | N1 | IMPF_CONS | N2 | IMPF_CONJ | N3 | STERK |
|---|---|---|---|---|---|---|---|
3ms | יִקְרָא | 28 | וַיִּקְרָא | 201 | יִקְטֹל | ||
3fs | תִקְרָא | 2 | וַתִּקְרָא | 32 | תִּקְטֹל | ||
2ms | תִּקְרָא | 6 | תִּקְטֹל | ||||
2fs | תִּקְרְאִי | 2 | תִּקְטְלִי | ||||
1cs | אֶקְרָא | 27 | וָאֶקְרָא | 9 | אֶקְטֹל | ||
3mp | יִקְרְאוּ | 10 | וַיִּקְרְאוּ | 28 | וְיִקְרְאוּ | 1 | יִקְטְלוּ |
3fp | וַתִּקְרֶאנָה | 2 | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||
2mp | תִּקְרְאוּ | 4 | תִּקְטְלוּ | ||||
2fp | תִּקְרֶאנָה | 1 | תִּקְטֹ֫לְנָה | ||||
1cp | נִקְרָא | 2 | נִקְטֹל |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 24 | 57 | וַיֹּאמְרוּ נִקְרָא לַֽנַּעֲרָ֑ וְנִשְׁאֲלָה אֶת פִּֽיהָ׃ | Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haar mond vragen. |
GEN | 30 | 13 | וַתֹּאמֶר לֵאָה בְּאָשְׁרִי כִּי אִשְּׁרוּנִי בָּנ֑וֹת וַתִּקְרָא אֶת שְׁמוֹ אָשֵֽׁר׃ | Toen zeide Lea: Tot mijn geluk! want de dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijn naam Aser. |
GEN | 38 | 29 | וַיְהִי כְּמֵשִׁיב יָדוֹ וְהִנֵּה יָצָא אָחִיו וַתֹּאמֶר מַה פָּרַצְתָּ עָלֶיךָ פָּ֑רֶץ וַיִּקְרָא שְׁמוֹ פָּֽרֶץ׃ | Maar het geschiedde, als hij zijn hand weder intoog, ziet, zo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijt gij doorgebroken? op u is de breuke! en men noemde zijn naam Perez. |
LEV | 23 | 4 | אֵלֶּה מוֹעֲדֵי יְהוָה מִקְרָאֵי קֹ֑דֶשׁ אֲשֶׁר תִּקְרְאוּ אֹתָם בְּמוֹעֲדָֽם׃ | Deze zijn de gezette hoogtijden des Heeren, de heilige samenroepingen, welke gij uitroepen zult op hun gezetten tijd. |
NUM | 25 | 2 | וַתִּקְרֶאןָ לָעָם לְזִבְחֵי אֱלֹהֵיהֶ֑ן וַיֹּאכַל הָעָם וַיִּֽשְׁתַּחֲוּוּ לֵֽאלֹהֵיהֶֽן׃ | En zij nodigden het volk tot de slachtofferen harer goden; en het volk at, en boog zich voor haar goden. |
NUM | 32 | 38 | וְאֶת נְבוֹ וְאֶת בַּעַל מְעוֹן מֽוּסַבֹּת שֵׁם וְאֶת שִׂבְמָ֑ה וַיִּקְרְאוּ בְשֵׁמֹת אֶת שְׁמוֹת הֶעָרִים אֲשֶׁר בָּנֽוּ׃ | En Nebo, en Baäl-meon, veranderd zijnde van naam, en Sibma; en zij noemden de namen der steden, die zij bouwden, met andere namen. |
DEU | 31 | 11 | בְּבוֹא כָל יִשְׂרָאֵל לֵרָאוֹת אֶת פְּנֵי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ בַּמָּקוֹם אֲשֶׁר יִבְחָ֑ר תִּקְרָא אֶת הַתּוֹרָה הַזֹּאת נֶגֶד כָּל יִשְׂרָאֵל בְּאָזְנֵיהֶֽם׃ | Als gans Israël zal komen, om te verschijnen voor het aangezicht des Heeren, uws Gods, in de plaats, die Hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gans Israël uitroepen, voor hun oren; |
RUT | 1 | 21 | אֲנִי מְלֵאָה הָלַכְתִּי וְרֵיקָם הֱשִׁיבַנִי יְהוָ֑ה לָמָּה תִקְרֶאנָה לִי נָעֳמִי וַֽיהוָה עָנָה בִי וְשַׁדַּי הֵרַֽע לִֽי׃ | Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeren; waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de Heere tegen mij getuigt, en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft? |
2SA | 22 | 7 | בַּצַּר לִי אֶקְרָא יְהוָה וְאֶל אֱלֹהַי אֶקְרָ֑א וַיִּשְׁמַע מֵהֵֽיכָלוֹ קוֹלִי וְשַׁוְעָתִי בְּאָזְנָֽיו׃ | Als mij bange was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren. |
PRO | 9 | 3 | שָֽׁלְחָה נַעֲרֹתֶיהָ תִקְרָ֑א עַל גַּפֵּי מְרֹמֵי קָֽרֶת׃ | Zij heeft Haar dienstmaagden uitgezonden; Zij nodigt op de tinnen van de hoogten der stad: |
ISA | 44 | 7 | וּמִֽי כָמוֹנִי יִקְרָא וְיַגִּידֶהָ וְיַעְרְכֶהָ לִי מִשּׂוּמִי עַם עוֹלָ֑ם וְאֹתִיּוֹת וַאֲשֶׁר תָּבֹאנָה יַגִּידוּ לָֽמוֹ׃ | En wie zal, gelijk als Ik, roepen en het verkondigen, en het ordentelijk voor Mij stellen, sedert dat Ik een eeuwig volk gesteld heb? en laat ze de toekomstige dingen, en die komen zullen, hun verkondigen. |
JER | 7 | 13 | וְעַתָּה יַעַן עֲשׂוֹתְכֶם אֶת כָּל הַמַּֽעֲשִׂים הָאֵלֶּה נְאֻם יְהוָ֑ה וָאֲדַבֵּר אֲלֵיכֶם הַשְׁכֵּם וְדַבֵּר וְלֹא שְׁמַעְתֶּם וָאֶקְרָא אֶתְכֶם וְלֹא עֲנִיתֶֽם׃ | En nu, omdat gijlieden al deze werken doet, spreekt de Heere, en Ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en Ik u geroepen, maar gij niet geantwoord hebt; |
HOS | 2 | 16 | וְהָיָה בַיּוֹם הַהוּא נְאֻם יְהוָה תִּקְרְאִי אִישִׁ֑י וְלֹֽא תִקְרְאִי לִי עוֹד בַּעְלִֽי׃ | [02:15] En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere, dat gij Mij noemen zult: Mijn Man; en Mij niet meer noemen zult: Mijn Baäl! |
JON | 3 | 8 | וְיִתְכַּסּוּ שַׂקִּים הָֽאָדָם וְהַבְּהֵמָה וְיִקְרְאוּ אֶל אֱלֹהִים בְּחָזְקָ֑ה וְיָשֻׁבוּ אִישׁ מִדַּרְכּוֹ הָֽרָעָה וּמִן הֶחָמָס אֲשֶׁר בְּכַפֵּיהֶֽם׃ | Maar mens en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterk tot God roepen; en zij zullen zich bekeren, een iegelijk van zijn bozen weg, en van het geweld, dat in hun handen is. |
ZEC | 7 | 13 | וַיְהִי כַאֲשֶׁר קָרָא וְלֹא שָׁמֵ֑עוּ כֵּן יִקְרְאוּ וְלֹא אֶשְׁמָע אָמַר יְהוָה צְבָאֽוֹת׃ | Daarom is het geschied, gelijk als Hij geroepen had, doch zij niet gehoord hebben, alzo riepen zij ook, maar Ik hoorde niet, zegt de Heere der heirscharen; |
Alle teksten waarin de cohortativus wordt gebruikt.
Teksten waarin de Jussivus wordt gebruikt.
De meest voorkomende vormen van het imperfectum zijn opgenomen. De voorbeeldteksten zijn een rabdom keuze uit de teksten waarin deze vormen voorkomen, zodanig dat elk vorm erin voorkomt.
PS | IMPV | N | STERK |
|---|---|---|---|
ms | קְרָא | 20 | קְטֹל |
fs | קִטְלִי | ||
mp | קִרְאוּ | 13 | קִטְלִוּ |
fp | קְרֶאןָ | 1 | קְטֹ֫לְנָה |
fp | קִרְאֶן | 1 | קְטֹ֫לְנָה |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
HOS | 1 | 9 | וַיֹּאמֶר קְרָא שְׁמוֹ לֹא עַמִּ֑י כִּי אַתֶּם לֹא עַמִּי וְאָנֹכִי לֹֽא אֶהְיֶה לָכֶֽם׃ס | En Hij zeide: Noem zijn naam Lo-ammi; want gijlieden zijt Mijn volk niet, zo zal Ik ook de uwe niet zijn. |
2KI | 4 | 15 | וַיֹּאמֶר קְרָא לָ֑הּ וַיִּקְרָא לָהּ וַֽתַּעֲמֹד בַּפָּֽתַח׃ | Daarom had hij gezegd: Roep haar. En als hij ze geroepen had, stond zij in de deur.) |
PSA | 105 | 1 | הוֹדוּ לַיהוָה קִרְאוּ בִּשְׁמ֑וֹ הוֹדִיעוּ בָעַמִּים עֲלִילוֹתָֽיו׃ | Looft den Heere, roept Zijn Naam aan, maakt Zijn daden bekend onder de volken. |
2KI | 10 | 19 | וְעַתָּה כָל נְבִיאֵי הַבַּעַל כָּל עֹבְדָיו וְכָל כֹּהֲנָיו קִרְאוּ אֵלַי אִישׁ אַל יִפָּקֵד כִּי זֶבַח גָּדוֹל לִי לַבַּעַל כֹּל אֲשֶׁר יִפָּקֵד לֹא יִֽחְיֶ֑ה וְיֵהוּא עָשָׂה בְעָקְבָּה לְמַעַן הַאֲבִיד אֶת עֹבְדֵי הַבָּֽעַל׃ | Nu daarom roept alle profeten van Baäl, al zijn dienaren, en al zijn priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb een grote offerande aan Baäl; al wie gemist wordt, zal niet leven. Doch Jehu deed dat door listigheid, opdat hij de dienaren van Baäl ombracht. |
RUT | 1 | 20 | וַתֹּאמֶר אֲלֵיהֶן אַל תִּקְרֶאנָה לִי נָעֳמִ֑י קְרֶאןָ לִי מָרָא כִּי הֵמַר שַׁדַּי לִי מְאֹֽד׃ | Maar zij zeide tot henlieden: Noemt mij niet Naomi, noemt mij Mara; want de Almachtige heeft mij grote bitterheid aangedaan. |
EXO | 2 | 20 | וַיֹּאמֶר אֶל בְּנֹתָיו וְאַיּ֑וֹ לָמָּה זֶּה עֲזַבְתֶּן אֶת הָאִישׁ קִרְאֶן לוֹ וְיֹאכַל לָֽחֶם׃ | En hij zeide tot zijn dochters: Waar is hij toch, waarom liet gij den man nu gaan? roept hem, dat hij brood ete. |
Een apart tabblad voor Participium Activum en Passivum. De tabel bevat de vormen met een participium zonder prefix en de vormen met het lidwoord als prefix. Het derde deel van de tabel geeft de overige voorkomende vormen.
De voorbeeldteksten part.act. zijn random gekozen zodanig dat alle voorkomende vormen aan bod komen. Bij part.pass. is indien er meer dan 10 teksten zijn met een part.pass. vorm, een random keuze van 10 teksten genomen. Bij minder dan 10 teksten zijn ze alle opgenomen.
PARSING | PS | PRT | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | קֹרֵא | 13 | קֹטֵל |
fs | קֹטְלָה/קֹטֶ֫לֶת | |||
V-Qal-Prtcpl-mp | mp | קֹרִאים | 1 | קֹטְלִים |
fp | קֹטְלוֹת | |||
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הַקּוֹרֵא | 3 | |
fs | ||||
mp | ||||
fp | ||||
V-Qal-Prtcpl-ms | ms | קוֹרֵא | 4 | |
Art | V-Qal-Prtcpl-ms | ms | הַקֹּרֵא | 1 | |
Prep-b | V-Qal-Prtcpl-mpc | pc | בְּקֹרְאֵי | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 2ms | ms | קֹרְאֶיךָ | 1 | |
V-Qal-Prtcpl-mpc | 3ms | ms | קֹרְאָיו | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
EXO | 28 | 7 | שְׁתֵּי כְתֵפֹת חֹֽבְרֹת יִֽהְיֶה לּוֹ אֶל שְׁנֵי קְצוֹתָיו וְחֻבָּֽר׃ | Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijn beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden. |
2CH | 2 | 7 | וְעַתָּה שְֽׁלַֽח לִי אִישׁ חָכָם לַעֲשׂוֹת בַּזָּהָב וּבַכֶּסֶף וּבַנְּחֹשֶׁת וּבַבַּרְזֶל וּבָֽאַרְגְּוָן וְכַרְמִיל וּתְכֵלֶת וְיֹדֵעַ לְפַתֵּחַ פִּתּוּחִ֑ים עִם הַֽחֲכָמִים אֲשֶׁר עִמִּי בִּֽיהוּדָה וּבִֽירוּשָׁלִַם אֲשֶׁר הֵכִין דָּוִיד אָבִֽי׃ | Zo zend mij nu een wijzen man, om te werken in goud, en in zilver, en in koper, en in ijzer, en in purper, en karmozijn, en hemelsblauw, en die weet graveerselen te graveren, met de wijzen, die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft. |
JOB | 5 | 1 | קְֽרָא נָא הֲיֵשׁ עוֹנֶ֑ךָּ וְאֶל מִי מִקְּדֹשִׁים תִּפְנֶֽה׃ | Roep nu, zal er iemand zijn, die u antwoorde? En tot wien van de heiligen zult gij u keren? |
PSA | 7 | 4 | אִם גָּמַלְתִּי שֽׁוֹלְמִי רָ֑ע וָאֲחַלְּצָה צוֹרְרִי רֵיקָֽם׃ | [07:5] Indiën ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!) |
PRO | 17 | 17 | בְּכָל עֵת אֹהֵב הָרֵ֑עַ וְאָח לְצָרָה יִוָּלֵֽד׃ | Een vriend heeft te aller tijd lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren. |
PRO | 20 | 12 | אֹזֶן שֹׁמַעַת וְעַיִן רֹאָ֑ה יְהוָה עָשָׂה גַם שְׁנֵיהֶֽם׃ | Een horend oor, en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja, die beide. |
ISA | 8 | 14 | וְהָיָה לְמִקְדָּ֑שׁ וּלְאֶבֶן נֶגֶף וּלְצוּר מִכְשׁוֹל לִשְׁנֵי בָתֵּי יִשְׂרָאֵל לְפַח וּלְמוֹקֵשׁ לְיוֹשֵׁב יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israël, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. |
ISA | 17 | 14 | לְעֵת עֶרֶב וְהִנֵּה בַלָּהָה בְּטֶרֶם בֹּקֶר אֵינֶ֑נּוּ זֶה חֵלֶק שׁוֹסֵינוּ וְגוֹרָל לְבֹזְזֵֽינוּ׃ס | Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen. |
ISA | 27 | 3 | אֲנִי יְהוָה נֹֽצְרָהּ לִרְגָעִים אַשְׁקֶ֑נָּה פֶּן יִפְקֹד עָלֶיהָ לַיְלָה וָיוֹם אֶצֳּרֶֽנָּה׃ | Ik, de Heere, behoede dien, alle ogenblik zal Ik hem bevochtigen; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal Ik hem bewaren nacht en dag. |
JER | 11 | 2 | שִׁמְעוּ אֶת דִּבְרֵי הַבְּרִית הַזֹּ֑את וְדִבַּרְתָּם אֶל אִישׁ יְהוּדָה וְעַל יֹשְׁבֵי יְרוּשָׁלִָֽם׃ | Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt tot de mannen van Juda, en tot de inwoners van Jeruzalem; |
JER | 16 | 3 | כִּי כֹה אָמַר יְהוָה עַל הַבָּנִים וְעַל הַבָּנוֹת הַיִּלּוֹדִים בַּמָּקוֹם הַזֶּ֑ה וְעַֽל אִמֹּתָם הַיֹּלְדוֹת אוֹתָם וְעַל אֲבוֹתָם הַמּוֹלִדִים אוֹתָם בָּאָרֶץ הַזֹּֽאת׃ | Want zo zegt de Heere van de zonen en van de dochteren, die in deze plaats geboren worden; daartoe van hun moeders, die ze baren, en van hun vaders, die ze gewinnen in dit land: |
EZE | 11 | 2 | וַיֹּאמֶר אֵלָ֑י בֶּן אָדָם אֵלֶּה הָאֲנָשִׁים הַחֹשְׁבִים אָוֶן וְהַיֹּעֲצִים עֲצַת רָע בָּעִיר הַזֹּֽאת׃ | En Hij zeide tot mij: Mensenkind, deze zijn de mannen, die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad. |
EZE | 13 | 20 | לָכֵן כֹּה אָמַר אֲדֹנָי יְהוִה הִנְנִי אֶל כִּסְּתוֹתֵיכֶנָה אֲשֶׁר אַתֵּנָה מְצֹדְדוֹת שָׁם אֶת הַנְּפָשׁוֹת לְפֹרְחוֹת וְקָרַעְתִּי אֹתָם מֵעַל זְרוֹעֹֽתֵיכֶ֑ם וְשִׁלַּחְתִּי אֶת הַנְּפָשׁוֹת אֲשֶׁר אַתֶּם מְצֹדְדוֹת אֶת נְפָשִׁים לְפֹרְחֹֽת׃ | Daarom, zo zegt de Heere Heere: Ziet, Ik wil aan uw kussens, waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven, en Ik zal ze uit uw armen wegscheuren; en Ik zal die zielen losmaken, de zielen, die gij jaagt naar de bloemhoven. |
DAN | 3 | 17 | הֵן אִיתַי אֱלָהַנָא דִּֽי אֲנַחְנָא פָֽלְחִין יָכִל לְשֵׁיזָבוּתַ֑נָא מִן אַתּוּן נוּרָא יָקִֽדְתָּא וּמִן יְדָךְ מַלְכָּא יְשֵׁיזִֽב׃ | Zal het zo zijn, onze God, Dien wij eren, is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs, en Hij zal ons uit uw hand, o koning! verlossen. |
DAN | 5 | 7 | קָרֵא מַלְכָּא בְּחַיִל לְהֶֽעָלָה לְאָשְׁפַיָּא כַּשְׂדָּיֵא וְגָזְרַיָּ֑א עָנֵה מַלְכָּא וְאָמַר לְחַכִּימֵי בָבֶל דִּי כָל אֱנָשׁ דִּֽי יִקְרֵה כְּתָבָה דְנָה וּפִשְׁרֵהּ יְחַוִּנַּנִי אַרְגְּוָנָא יִלְבַּשׁ וְהַמּוֹנְכָא דִֽי דַהֲבָא עַֽל צַוְּארֵהּ וְתַלְתִּי בְמַלְכוּתָא יִשְׁלַֽט׃ס | Zodat de koning met kracht riep dat men de sterrekijkers, de Chaldeen en de waarzeggers inbrengen zou; en de koning antwoordde en zeide tot de wijzen van Babel: Alle man, die dit schrift lezen, en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met een gouden keten om zijn hals, en hij zal de derde heerser in dit koninkrijk zijn. |
AMO | 9 | 6 | הַבּוֹנֶה בַשָּׁמַיִם מַעֲלוֹתוֹ וַאֲגֻדָּתוֹ עַל אֶרֶץ יְסָדָ֑הּ הַקֹּרֵא לְמֵֽי הַיָּם וַֽיִּשְׁפְּכֵם עַל פְּנֵי הָאָרֶץ יְהוָה שְׁמֽוֹ׃ | Die Zijn opperzalen in den hemel bouwt, en Zijn benden heeft Hij op aarde gefondeerd; Die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem; Heere is Zijn Naam. |
MIC | 2 | 8 | וְאֶתְמוּל עַמִּי לְאוֹיֵב יְקוֹמֵם מִמּוּל שַׂלְמָה אֶדֶר תַּפְשִׁט֑וּן מֵעֹבְרִים בֶּטַח שׁוּבֵי מִלְחָמָֽה׃ | Maar gisteren stelde zich Mijn volk op, tot vijand, tegenover een kleed; gij stroopt een mantel van degenen, die zeker voorbijgaan, wederkomende van den strijd. |
ZEC | 5 | 3 | וַיֹּאמֶר אֵלַי זֹאת הָֽאָלָה הַיּוֹצֵאת עַל פְּנֵי כָל הָאָ֑רֶץ כִּי כָל הַגֹּנֵב מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּה וְכָל הַנִּשְׁבָּע מִזֶּה כָּמוֹהָ נִקָּֽה׃ | Toen zeide Hij tot mij: Dit is de vloek, die uitgaan zal over het ganse land; want een iegelijk, die steelt, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden; desgelijks een iegelijk, die valselijk zweert, zal van hier, volgens denzelven vloek, uitgeroeid worden. |
ZEC | 10 | 5 | וְהָיוּ כְגִבֹּרִים בּוֹסִים בְּטִיט חוּצוֹת בַּמִּלְחָמָה וְנִלְחֲמוּ כִּי יְהוָה עִמָּ֑ם וְהֹבִישׁוּ רֹכְבֵי סוּסִֽים׃ | En zij zullen zijn als de helden, die in het slijk der straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen; en zij zullen die beschamen, die op paarden rijden. |
PARSING | PS | PRT_PASS | N | STERK |
|---|---|---|---|---|
V-Qal-QalPassPrtcpl-ms | ms | קָרוּא | 1 | קָטוּל |
fs | קְטוּלָה | |||
V-Qal-QalPassPrtcpl-mp | mp | קְרֻאִים | 1 | קְטוּלִים |
fp | קְטוּלוֹת | |||
Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-mp | הַקְּרֻאִים | 3 | ||
Art | V-Qal-QalPassPrtcpl-mp | הַקְּרוּאִים | 1 | ||
Conj-w | V-Qal-QalPassPrtcpl-mp | וּקְרוּאִים | 1 | ||
V-Qal-QalPassPrtcpl-mpc | 3fs | קְרֻאֶיהָ | 1 | ||
V-Qal-QalPassPrtcpl-mpc | 3ms | קְרֻאָיו | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
1SA | 9 | 13 | כְּבֹאֲכֶם הָעִיר כֵּן תִּמְצְאוּן אֹתוֹ בְּטֶרֶם יַעֲלֶה הַבָּמָתָה לֶאֱכֹל כִּי לֹֽא יֹאכַל הָעָם עַד בֹּאוֹ כִּֽי הוּא יְבָרֵךְ הַזֶּבַח אַחֲרֵי כֵן יֹאכְלוּ הַקְּרֻאִ֑ים וְעַתָּה עֲלוּ כִּֽי אֹתוֹ כְהַיּוֹם תִּמְצְאוּן אֹתֽוֹ׃ | Wanneer gijlieden in de stad komt, zo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten, totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genodigden; daarom gaat nu op, want hem, als heden zult gij hem vinden. |
1SA | 9 | 22 | וַיִּקַּח שְׁמוּאֵל אֶת שָׁאוּל וְאֶֽת נַעֲרוֹ וַיְבִיאֵם לִשְׁכָּ֑תָה וַיִּתֵּן לָהֶם מָקוֹם בְּרֹאשׁ הַקְּרוּאִים וְהֵמָּה כִּשְׁלֹשִׁים אִֽישׁ׃ | Samuël dan nam Saul en zijn jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genodigden; die nu waren omtrent dertig man. |
2SA | 15 | 11 | וְאֶת אַבְשָׁלוֹם הָלְכוּ מָאתַיִם אִישׁ מִירוּשָׁלִַם קְרֻאִים וְהֹלְכִים לְתֻמָּ֑ם וְלֹא יָדְעוּ כָּל דָּבָֽר׃ | En er gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen, genodigd zijnde, doch gaande in hun eenvoudigheid, want zij wisten van geen zaak. |
1KI | 1 | 41 | וַיִּשְׁמַע אֲדֹנִיָּהוּ וְכָל הַקְּרֻאִים אֲשֶׁר אִתּוֹ וְהֵם כִּלּוּ לֶאֱכֹ֑ל וַיִּשְׁמַע יוֹאָב אֶת קוֹל הַשּׁוֹפָר וַיֹּאמֶר מַדּוּעַ קֽוֹל הַקִּרְיָה הוֹמָֽה׃ | En Adonia hoorde het, en al de genoden, die met hem waren, die nu geëindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid der bazuinen, en zeide: Waarom is het geroep dier stad, die in roer is? |
1KI | 1 | 49 | וַיֶּֽחֶרְדוּ וַיָּקֻמוּ כָּל הַקְּרֻאִים אֲשֶׁר לַאֲדֹנִיָּ֑הוּ וַיֵּלְכוּ אִישׁ לְדַרְכּֽוֹ׃ | Toen verschrikten en stonden op al de genoden, die bij Adonia waren, en gingen een iegelijk zijns weegs. |
EST | 5 | 12 | וַיֹּאמֶר הָמָן֒ אַף לֹא הֵבִיאָה אֶסְתֵּר הַמַּלְכָּה עִם הַמֶּלֶךְ אֶל הַמִּשְׁתֶּה אֲשֶׁר עָשָׂתָה כִּי אִם אוֹתִ֑י וְגַם לְמָחָר אֲנִי קָֽרוּא לָהּ עִם הַמֶּֽלֶךְ׃ | Verder zeide Haman: Ook heeft de koningin Esther niemand met den koning doen komen tot den maaltijd, dien zij bereid heeft, dan mij; en ik ben ook tegen morgen van haar met den koning genodigd. |
PRO | 9 | 18 | וְֽלֹא יָדַע כִּֽי רְפָאִים שָׁ֑ם בְּעִמְקֵי שְׁאוֹל קְרֻאֶֽיהָ׃פ | Maar hij weet niet, dat aldaar doden zijn; haar genoden zijn in de diepten der hel. |
EZE | 23 | 23 | בְּנֵי בָבֶל וְכָל כַּשְׂדִּים פְּקוֹד וְשׁוֹעַ וְקוֹעַ כָּל בְּנֵי אַשּׁוּר אוֹתָ֑ם בַּחוּרֵי חֶמֶד פַּחוֹת וּסְגָנִים כֻּלָּם שָֽׁלִשִׁים וּקְרוּאִים רֹכְבֵי סוּסִים כֻּלָּֽם׃ | De kinderen van Babel en alle Chaldeen, Pekod, en Soa, en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenste jongelingen, die allen vorsten en overheden zijn, hoofdmannen en vermaarde lieden, die allen te paard rijden. |
ZEP | 1 | 7 | הַס מִפְּנֵי אֲדֹנָי יְהוִ֑ה כִּי קָרוֹב יוֹם יְהוָה כִּֽי הֵכִין יְהוָה זֶבַח הִקְדִּישׁ קְרֻאָֽיו׃ | Zwijgt voor het aangezicht des Heeren Heeren; want de dag des Heeren is nabij; want de Heere heeft een slachtoffer bereid, Hij heeft Zijn genoden geheiligd. |
De overzichten geven alle vormen van de infinitivi die in de Tenach voorkomen. De voorbeeldteksten zijn de eerste tien verzen waarin een infinitivus constructus resp infintivus absolutus voorkomt; indien het infinitief minder dan tien keer voorkomt zijn alle verzen als voorbeeld opgenomen.
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|---|---|
Prep-l | V-Qal-Inf | לִקְרֹא | 20 |
V-Qal-Inf | קְרֹא | 4 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs | בְּקָרְאִי | 3 |
V-Qal-Inf | 3mp | קָרְאָם | 2 |
Prep-b | V-Qal-Inf | בִּקְרֹא | 1 |
Prep-b | V-Qal-Inf | 1cs | בְקָרְאִי | 1 |
Prep-k | V-Qal-Inf | כִּקְרֹא | 1 |
Prep-k | V-Qal-Inf | כִּקְרוֹא | 1 |
V-Qal-Inf | קְרֹאות | 1 |
V-Qal-Inf | 1cp | קָרְאֵנוּ | 1 |
V-Qal-Inf | 1cp | קָרְאֵנוּ | 1 |
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|---|---|---|---|
GEN | 4 | 26 | וּלְשֵׁת גַּם הוּא יֻלַּד בֵּן וַיִּקְרָא אֶת שְׁמוֹ אֱנ֑וֹשׁ אָז הוּחַל לִקְרֹא בְּשֵׁם יְהוָֽה׃פ | En denzelven Seth werd ook een zoon geboren, en hij noemde zijn naam Enos. Toen begon men den Naam des Heeren aan te roepen. |
EXO | 10 | 16 | וַיְמַהֵר פַּרְעֹה לִקְרֹא לְמֹשֶׁה וּֽלְאַהֲרֹ֑ן וַיֹּאמֶר חָטָאתִי לַיהוָה אֱלֹֽהֵיכֶם וְלָכֶֽם׃ | Toen haastte Farao, om Mozes en Aäron te roepen, en zeide: Ik heb gezondigd tegen den Heere, uw God, en tegen ulieden. |
NUM | 16 | 12 | וַיִּשְׁלַח מֹשֶׁה לִקְרֹא לְדָתָן וְלַאֲבִירָם בְּנֵי אֱלִיאָ֑ב וַיֹּאמְרוּ לֹא נַעֲלֶֽה׃ | En Mozes schikte heen, om Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen! |
NUM | 22 | 5 | וַיִּשְׁלַח מַלְאָכִים אֶל בִּלְעָם בֶּן בְּעוֹר פְּתוֹרָה אֲשֶׁר עַל הַנָּהָר אֶרֶץ בְּנֵי עַמּוֹ לִקְרֹא ל֑וֹ לֵאמֹר הִנֵּה עַם יָצָא מִמִּצְרַיִם הִנֵּה כִסָּה אֶת עֵין הָאָרֶץ וְהוּא יֹשֵׁב מִמֻּלִֽי׃ | Die zond boden aan Bileam, den zoon van Beor, te Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, er is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij. |
NUM | 22 | 20 | וַיָּבֹא אֱלֹהִים אֶל בִּלְעָם לַיְלָה֒ וַיֹּאמֶר לוֹ אִם לִקְרֹא לְךָ בָּאוּ הָאֲנָשִׁים קוּם לֵךְ אִתָּ֑ם וְאַךְ אֶת הַדָּבָר אֲשֶׁר אֲדַבֵּר אֵלֶיךָ אֹתוֹ תַעֲשֶֽׂה׃ | God nu kwam tot Bileam des nachts, en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn, om u te roepen, sta op, ga met hen; en nochtans zult gij dat doen, hetwelk Ik tot u spreken zal. |
NUM | 22 | 37 | וַיֹּאמֶר בָּלָק אֶל בִּלְעָם הֲלֹא שָׁלֹחַ שָׁלַחְתִּי אֵלֶיךָ לִקְרֹא לָךְ לָמָּה לֹא הָלַכְתָּ אֵלָ֑י הַֽאֻמְנָם לֹא אוּכַל כַּבְּדֶֽךָ׃ | En Balak zeide tot Bileam: Heb ik niet ernstiglijk tot u gezonden, om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik u niet te recht vereren? |
DEU | 4 | 7 | כִּי מִי גוֹי גָּדוֹל אֲשֶׁר לוֹ אֱלֹהִים קְרֹבִים אֵלָ֑יו כַּיהוָה אֱלֹהֵינוּ בְּכָּל קָרְאֵנוּ אֵלָֽיו׃ | Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de Heere, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen? |
JDG | 8 | 1 | וַיֹּאמְרוּ אֵלָיו אִישׁ אֶפְרַיִם מָֽה הַדָּבָר הַזֶּה עָשִׂיתָ לָּנוּ לְבִלְתִּי קְרֹאות לָנוּ כִּי הָלַכְתָּ לְהִלָּחֵם בְּמִדְיָ֑ן וַיְרִיבוּן אִתּוֹ בְּחָזְקָֽה׃ | Toen zeiden de mannen van Efraïm tot hem: Wat stuk is dit, dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept, toen gij heentoogt om te strijden tegen de Midianieten? En zij twistten sterk met hem. |
1SA | 3 | 6 | וַיֹּסֶף יְהוָה קְרֹא עוֹד שְׁמוּאֵל֒ וַיָּקָם שְׁמוּאֵל וַיֵּלֶךְ אֶל עֵלִי וַיֹּאמֶר הִנְנִי כִּי קָרָאתָ לִ֑י וַיֹּאמֶר לֹֽא קָרָאתִי בְנִי שׁוּב שְׁכָֽב׃ | Toen riep de Heere Samuël wederom; en Samuël stond op; en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Hij dan zeide: Ik heb u niet geroepen, mijn zoon; keer weder, leg u neder. |
1SA | 3 | 8 | וַיֹּסֶף יְהוָה קְרֹא שְׁמוּאֵל בַּשְּׁלִשִׁית֒ וַיָּקָם וַיֵּלֶךְ אֶל עֵלִי וַיֹּאמֶר הִנְנִי כִּי קָרָאתָ לִ֑י וַיָּבֶן עֵלִי כִּי יְהוָה קֹרֵא לַנָּֽעַר׃ | Toen riep de Heere Samuël wederom, ten derden maal; en hij stond op, en ging tot Eli, en zeide: Zie, hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Toen verstond Eli, dat de Heere den jongeling riep. |
PARSING | HEBR | COUNT |
|---|
Voorbeeldteksten
BOEK | HFD | VS | WLC | SV |
|---|